web analytics
De beste Nederlandse en Belgische SF, Fantasy en Horror van 2017

Home » Jaar » 2017

Genres

Category Archives: 2017

De Ariadne Singulariteit : Mike Jansen

Hij naderde het besneeuwde dorp vanuit het noorden, zoals altijd. Aan die kant was de ingang en de inwoners hielden het bos hier nog op afstand. Aan de andere zijden van het dorp kroop het al bijna tegen de hoge, verroeste hekken op.

Harrald de Groot schudde zijn hoofd. Toen hij nog jong was, een decennium geleden alweer, werd het terrein rondom vrij gehouden om eventuele dreigingen geen kans te geven het dorp te besluipen.

Enkele van de alleroudsten herinnerden zich nog de zwervende bendes die plunderend en moordend door de omgeving trokken. Of de melaat­sen, levend of dood, die al dan niet moedwillig de inwoners van het dorp probeerden te infecteren.

Gemakzucht, dacht hij. Het wordt nog eens onze dood. Maar diep van binnen had hij begrip voor zijn medemensen die er het nut niet meer van inzagen. Een hele generatie was opgegroeid met enkel de verhalen van hun ouders en grootouders en de moralistische boodschappen over het voortbestaan van het menselijk ras. Die oudste generatie was nu bijna verdwenen. Harrald zuchtte. Hij was de laatste tiener in het dorp. Na hem waren er geen kinderen meer geboren. Zoals het er nu uitzag zouden die ook niet meer komen en het inwoneraantal van het dorp was alleen maar geslonken.

De toren van het oude Meru-klooster was een welkome aanblik. Hij miste de gewapende uitkijk die er normaal stond, maar de ijzige kou van de afgelopen weken was misschien wel een betere bewaker dan een oude man of vrouw met een automatisch geweer.

Hij wilde net het bos verlaten en de witte vlakte naar de poort oversteken toen hij zich bedacht. Voorzichtig trok hij zijn voet terug. Het heugelijke nieuws dat hij meedroeg en de implicaties daarvan, maak­ten hem minder voorzichtig. Het dodengat lag hier ergens onder de sneeuw en hoewel er al twintig jaar geen mensen begraven waren, wilde hij niet degene zijn die met zijn lompe, haastige voetstappen de lang slapende lichamen van bandieten of melaatsen wekte.

Uiteindelijk was hij ruim voor zonsondergang bij de poort, die voor hem opende zodra hij nog maar een paar meter verwijderd was.

 

‘Je bent laat,’ zei Maria Martens met een strenge blik in haar helblauwe ogen.

Harrald glimlachte. ‘Ik ben dan ook ver weg geweest, moeder. Hoe wist je dat ik eraan kwam? Ik zag geen wachter.’

‘Moeders weten dat soort dingen,’ zei ze. Ze stapte naar voren en sloeg haar armen om hem heen.

Harrald keek nerveus naar achteren. ‘Kunnen we in ieder geval de poort sluiten?’

Maria liet hem los en haalde haar schouders op. ‘We hebben al bijna twintig jaar niemand gezien, Harrald.’ Ze sloot de poort achter hem. ‘Je vader en ik denken dat er weinig dreigingen meer zijn daarbuiten. Die tijd is geweest.’

‘Daar ben ik nog niet zo zeker van,’ zei Harrald.

‘Ben je iets tegengekomen?’ vroeg zijn moeder.

Hij schudde zijn hoofd. ‘Niet echt. Maar ik heb momenten gehad dat ik dacht dat iets of iemand naar me staarde.’

Maria zuchtte. ‘Je vader en ik hebben dat gevoel ook af en toe gehad als we in dode dorpen zochten naar bruikbare spulletjes.’

Harrald haalde zijn schouders op. ‘Zolang het bij staren blijft, vind ik het prima. Het heeft me niet tegengehouden verder naar Eindhoven te zoeken.’

‘Je bent twee weken weggeweest, hoe ver ben je eigenlijk gegaan?’

‘Ik ben de Maasvennen en de Peelmoerassen over­gestoken. De oude kaarten zijn echt waardeloos geworden, alles is veranderd. Maar ik ben erdoorheen gekomen en ik heb een aanwijzing gevonden.’ Hij opende zijn rugzak en haalde er een verweerde, beschadigde plaat kunststof uit. De letters “Eindh” stonden er nog op.

‘Eindhoven?’ vroeg Maria.

‘Ja, het legendarische “Eindhoven”.’ Harrald grijnsde breed. ‘Volgens mij heb ik de grens van de stad gevonden.’

‘Goed nieuws,’ beaamde Maria. ‘Zullen we naar binnen gaan? Jacob heeft een voorraadje thee gescoord in een verborgen kelder in Wasberg, twee­honderd jaar oude Darjeeling, vacuümverpakt. En Gerard heeft je gemist.’

‘Lekker, ik kan wel wat warms gebruiken. En ik heb jou en pa ook gemist.’ Ze liepen naar het oude klooster­gebouw waar een paar olie­lampen net waren aangestoken. Vlak voor ze naar binnen gingen pakte hij de elleboog van zijn moeder vast. ‘Volgens mij heb ik ook de zee gezien.’

Maria keek hem aan, verbaasd. ‘Ik denk dat je heel wat te vertellen hebt.’

 

Na een warm maal van gestoofd konijn en een grote beker sterke thee stalde Harrald zijn vondsten uit op de eettafel: de kunststof plaat, een oude glazen bierpul, een paar lichtverroeste steakmessen met kunststof handvaten, een verweerde autospiegel en een stapeltje vergeelde ‘Autoweek’ bladen.

Gerard pakte een van de bladen en opende voorzichtig en één voor één de vellen. De foto’s van automobielen waren flets geworden, maar toon­den nog steeds de wereld zoals die voor de grote crisis was.

‘Mooie vondst, zoon,’ zei hij. ‘Dit is altijd droog en donker gebleven. Ook geen knaagdieren of insecten bijgekomen, zo te zien.’

Harrald glimlachte. Zijn vader was niet zo scheutig met complimenten. ‘Dank je, pa. Ik had niet heel veel tijd, ik was al langer weggebleven dan ik wilde.’

‘We maakten ons wel een beetje zorgen,’ zei Gerard. Maria legde haar hand op die van haar echtgenoot.

‘Dat begrijp ik,’ zei Harrald. ‘Maar ik ben al negen­tien. En ik weet zeker dat onze redding in Eindhoven ligt. Jullie hebben het zelf in de archieven gelezen: de topgeleerden in reproductie- en incubator­technieken werkten daar.’

Gerard en Maria keken elkaar aan. ‘Dat was tien jaar geleden, Harrald,’ zei Gerard. ‘Die archieven vertellen over iets dat tweehonderd jaar geleden actueel was. Het heeft al jaren geduurd om de weg naar Eind­hoven terug te vinden. Hoe lang doe je erover gebouwen te zoeken en binnen te komen?’ Zijn argument was duidelijk: Eindhoven was groot, te groot voor één jongen om helemaal om te spitten.

Harrald sloeg zijn ogen neer. Dit was wat hij zichzelf tijdens de terugtocht door de vennen al voorgehouden had. Maar hij had een oplossing bedacht. ‘Ik denk dat ik het zoeken kan beperken.’

‘Hoe dan?’ vroeg zijn moeder.

‘Door alleen in het Sciencepark te zoeken. De plek waar alle geleerden samenkwamen om uit te vinden en te bedenken. Dat zeggen de boeken tenminste.’

‘Maar waar is het dan?’ vroeg zijn moeder. ‘Ik dacht dat het in de Philipstempel zou liggen?’

Harrald schudde zijn hoofd. ‘Dat denk ik niet, mam. Volgens mij werd die alleen voor ceremoniële spelen gebruikt. Voetbal en andere sporten ter ere van De Philips. Armena dacht dat ook.’ De blik in de ogen van zijn ouders gaf hem een kil gevoel in zijn maag. ‘Is er iets? Met Armena? Of was de stroom weer op?’

‘Er was voldoende stroom. Het radiocontact is ver­broken, vlak na je vertrek. We moeten ervan uitgaan dat er iets gebeurd is. Armena wist de radio altijd binnen enkele uren te repareren, maar het is nu al bijna twee weken stil. We hebben het elke dag een paar keer geprobeerd.’

Harrald voelde zijn ogen branden. Armena woonde met haar ouders en enkele familieleden in een dorpje ergens aan de Italiaans-Zwitserse grens. Die aan­duiding had niet veel zin meer tegenwoordig, nu landen waren verdwenen en de laatste plaatsen waar mensen woonden één voor één ten onder gingen. Ze was ongeveer zijn leeftijd en hij had de ijdele hoop gehad haar ooit te zien. ‘Dan zijn we waarschijnlijk de laatste mensen op Aarde.’

‘Dat weten we niet,’ zei Gerard. ‘De radio heeft een beperkt bereik. Daarbuiten kunnen nog mensen leven.’

‘Je vader is een optimist, Harrald,’ zei Maria. ‘Volgens de verhalen en dagboeken van de afgelopen decennia verloren we elk jaar wel een of meer van de dorpjes. Het bereik van de radio is inderdaad beperkt.’

‘Maar we kunnen er niet van uitgaan,’ zei Harrald. ‘We zijn dus nu echt helemaal op onszelf aangewezen.’ De sfeer in de kamer werd neer­slachtig. Er was stilte tot Maria zei: ‘Vertel ons maar eens wat je gezien hebt. Ik hoorde iets over de zee?’

Harrald haalde diep adem. Er waren meer teleur­stellingen geweest in zijn jonge leven. Er zouden er meer komen. Hij moest zich er maar overheen zetten, zoals hij al vaker had gedaan. ‘Ja, ik kon de zee zien vanaf de hoogste heuvel die ik beklom. Ver weg, maar er waren zeemeeuwen en ik kon het zout ruiken.’

‘Dan zijn de dijken van Holland dus definitief gebroken,’ zei zijn vader.

‘Het lijkt erop. Die heuvel was ook de plek waar ik na wat zoeken een ingang vond. Er stond vroeger waar­schijnlijk een flat, maar hij was verzakt en over­woekerd. Als ik het bord niet had gevonden zou ik niet weten dat ik in Eindhoven was.’

‘Als je noordwestelijk gereisd bent, dan ben je bij de zuidoostkant van de stad terechtgekomen,’ zei Gerard. ‘Ik neem aan dat er heuvels zijn? Heb je die ook gezien?’

‘Ik denk van wel,’ zei Harrald. ‘Er was een vrij duidelijke afscheiding tussen vlak land met moeras en rijen met heuvels. Er leek regelmaat in te zitten.’

Gerard legde een vergeelde kaart op tafel. ‘Dan moet je langs de zuidkant reizen. Volgens deze kaart ligt het Sciencepark daar.’ Hij liet zijn vinger op de bewuste plek rusten.

Harrald keek zijn vader en moeder aan. De uitdrukkingen op hun gezichten waren somber. ‘Ik moet het proberen,’ zei hij. ‘Als de incubators er nog zijn…’

‘De kans dat ze nog werken na al die jaren…’ Gerard schudde zijn hoofd. ‘Er is waarschijnlijk geen stroom en als er water binnen is gekomen, is alles kapot.’

‘Maar ik moet,’ zei Harrald. ‘Ik wil niet de laatste zijn.’

‘Dat willen wij ook niet, liefje,’ zei Maria, ‘maar de ziekten, de oorlogen en alle gevolgen daarvan, er zijn gewoon te weinig mensen over­gebleven. Eens gaan we toch, allemaal.’

Ongebruikelijk pessimistisch zei Gerard: ‘Misschien is het maar beter zo. De mensheid heeft zich onwaardig betoond.’

Het was lange tijd stil en Harrald dronk zijn beker leeg. ‘Ik vertrek over drie dagen.’

 

Op de ochtend van de derde dag nam Harrald afscheid van Gerard en Maria, maar ook van Lotte. Hij was de afgelopen nachten bij haar geweest. Ze was iets ouder dan zijn ouders, weduwe, met een voorliefde voor jongere minnaars. En Harrald was nu eenmaal in de bloei van zijn leven. Als Lotte vruchtbaar was geweest, had hij met genoegen kinderen bij haar verwekt en met haar opgevoed, ondanks een leeftijdsverschil van ruim twintig jaar.

‘Wees voorzichtig, zoon,’ zei Gerard. ‘Heb je vol­doende gereedschap bij je?’

‘Ik denk het wel, pa. Meer kan ik niet dragen. Weten jullie zeker dat jullie het tablet kunnen missen? Het is de laatste werkende.’

‘We hebben genoeg kennis overgeschreven, jongen,’ zei Maria. ‘Beter als jij de bibliotheek bij je hebt, voor het geval dat.’

Lotte zei niets. Ze omhelsde hem alleen en hij voelde een traan langs zijn nek vallen. Daarna draaide ze zich om en liep zonder om te kijken weer naar binnen.

De sneeuw was op de meeste plekken gesmolten en alleen op de plekken waar de wind het had opgeblazen lagen nog zielige hoopjes ijs. Het betekende ook dat de grond modderig was en dat bemoeilijkte het lopen.

Hij volgde het pad dat hij eerder had genomen, door de bossen en daarna door de moerassen van het verzonken Roermond. ’s Avonds kampeerde hij aan de oever van de Maas, bij de samengebonden boom­stammen die hij vorige keer gebruikt had. Ze lagen nog hoog op de oever waar hij ze naartoe had getrok­ken. De hemel was ongewoon helder en Harrald kon zelfs sterrenhopen en nevels met het blote oog zien.

Eens te meer voelde hij zich nietig en onbetekenend. Hij begreep de woorden van zijn moeder. Eens gaan we allemaal. Mensen, dieren, bomen, de Aarde, de zon, melk­wegstelsels en sterrenhopen. Maar diep van binnen brandde een vuur, een noodzaak om zijn bestaan voort te zetten. Als ik ooit nog kinderen krijg, zullen ze de Aarde met respect leren behandelen.

Hij had de vernieling en chaos gezien op de oude journaalbeelden. Er was genoeg bewaard in het archief, van oorlogen en ziekten van de eenen­twin­tigste eeuw, die de mensheid op de rand van de vernietiging brachten tot het totale ineenstorten van de beschaving. Voor hij ging slapen, spande hij lijnen met belletjes rond zijn tentje om hem voor eventuele indringers te waarschuwen.

De volgende ochtend vroeg stak hij de Maas over, hoewel de scheidslijn tussen rivier en vennen vaag was, zodat hij maar zo ver mogelijk doorpeddelde. Tegen de tijd dat hij vaste grond bereikte waren zijn broek en mouwen kletsnat en koud geworden en zijn handen leken wel ijspegels. Zelfs met zijn dikke wollen wanten duurde het bijna een uur voor hij zijn vingers weer voelde.

Die dag dwaalde hij door de Maasvennen, van zandbank naar zandbank, tot hij na lang zoeken in een ander landschap terechtkwam waar een dikke laag plantengroei op zompige ondergrond een vrijwel uniform landschap van donkergroene en –paarse tinten vormde, afgewisseld door kleine meertjes met hoge, verdorde rietkragen. Hij herkende een aantal punten en wist die dag een flinke afstand door de Peelmoerassen af te leggen. Het was nog te vroeg in het jaar voor steekvliegen en ander ongedierte, dus hij verwachtte dat hij de volgende dag Eindhoven zou bereiken, als het weer gunstig bleef.

Hij kampeerde op een klein heuveltje waar een paar bomen groeiden. Toen hij de haringen de grond in dreef raakte hij iets hards. Hij groef de losse aarde op en vond een klein metalen pannetje. Er waren eerder mensen op deze plek geweest. Hij groef verder en vond verschillende verweerde en verroeste voor­werpen, bijna onherkenbaar, en een versleten, plastic Barbie met lang, blond nephaar. Hij veegde de modder eraf en zette de pop rechtop tegen een van de bomen.

In het flakkerende licht van het kampvuurtje leek het alsof hij gezelschap had. Wat ik er niet voor zou geven dat ze echt was, dacht hij. Hij was de laatste maanden veel buiten geweest om het land te verkennen en vaak fantaseerde hij over iemand van zijn leeftijd, bij voorkeur vrouwelijk, om mee te leven en samen een bestaan op te bouwen. Met kinderen, hopelijk. Armena speelde vaak door zijn hoofd, ook al had hij haar nog nooit gezien. Maar die hoop leek nu vervlogen.

Voor hij ging slapen controleerde hij nog een keer zijn verklikkers en legde hij zijn oor op de grond om te luisteren of er beneden hem gegraven werd. Hij had vaker meegemaakt dat een melaatse gewekt en opgestaan was.

 

De heuvels waaronder Eindhoven lag, strekten zich tot de horizon uit. Vanaf de heuvel die hij vorige keer beklom, kon hij heel in de verte het lijntje van de zee zien, ver weg, maar wel zo dichtbij dat een hoge vloed de stad zou raken. Als er nog iets onder het Sciencepark ligt, dan is dit echt de laatste kans. Van binnen voelde het als een soort lotsbestemming dat hij juist op dit moment op zoek ging naar het kweeklaboratorium van De Philips om uit te vinden of hij de vermoede kostbare apparatuur kon redden. Zijn verstand vertelde hem dat de kans klein was, de mogelijkheid dat niets meer werkte groot, maar zijn hart, dat hoopte op een wonder, sprak harder tegen hem.

Hij vond de snelweg die als een lang, recht en minder begroeid pad langs de heuvels liep. Feitelijk waren het gebouwen, flats, deels ingestort en overwoekerd, bedekt met stuifzand en losse aarde, restanten van een rijk verleden, maar nu teruggenomen door de natuur. Kleine heuveltjes op de weg bevatten de verroeste karkassen van automobielen die hier waren achtergelaten en hier en daar zag hij nog stukjes van ramen en deurstijlen. Een enkele bleke schedel staarde terug uit een donker gat.

De dooi van de afgelopen dagen en de beginnende lente zorgden voor sneeuwklokjes die voorzichtig hun kopjes uitstaken boven het gras en de varens die de grond bedekten. Harrald bereikte aan het eind van de ochtend het terrein van het Sciencepark, een vlakte afgewisseld met monolithisch aandoende heuvels. Een klein meer lag midden op het terrein. Zijn doel, de Philipsgebouwen, lag achter het meer. Hoewel hij niet wist welk gebouw het precies was, wist hij dat van alle plekken die hij kon bezoeken in Eindhoven, dit de meest waarschijnlijke plaats was waar de experimen­tele broedkamers van De Philips waren ingericht.

Hij wandelde om de eerste heuvel heen. Varens, wingerds en stiletto­doorns vormden een dichte haag die het lopen bemoeilijkte en hij kon nu al zien dat de andere heuvels minstens net zo moeilijk begaanbaar waren. Op deze manier kon hij weken, zo niet maanden blijven zoeken naar een ingang en dan moest het maar net de juiste ingang zijn.

Hij werd er bijna moedeloos van tot hij bedacht dat de winter hem kon helpen. Als er iets onder de grond zit aan nog werkende apparatuur, dan moet dat warmte afgeven die weer ergens naar buiten moet komen. Hij klom tegen de grootste heuvel op tot hij bij de top kwam. Roestige staven staken hier uit beton dat net boven de humuslaag uitkwam. Hij speurde de omgeving af op zoek naar een groener, rijker stuk van planten die niet bevroren waren en niet onder sneeuw bedekt waren geweest. Hij liep om de top heen en keek naar alle windstreken en vond uiteindelijk de plek die hij zocht, verborgen tussen een paar boompjes, goed beschut.

Vol goede moed daalde hij de heuvel weer af en ging regelrecht op de plek af die hij van boven gezien had. Met een paar trappen schopte hij graspollen en lagen aarde weg tot hij bij een stalen rooster kwam. De geur van verrotting kwam hem tegemoet, maar ook iets anders, iets metaalachtigs gemengd met machineolie.

Dit moet het zijn, dacht Harrald. Hij kneep een paar keer in zijn knijpkat en scheen vervolgens een lichtbundel door het rooster. Eronder zat een groot gat. Op de bodem lagen modder en resten van planten, over­woekerd door een soort paddenstoelen die azuurblauw leken in het licht van zijn zaklamp. In de noordkant van het gat zat een volgende rooster. Harrald zag sliertjes bleek gras voortdurend bewegen in een constante luchtstroom die er doorheen kwam.

Hij keek op, recht tegen een heuvel aan. Dat moet hem dan zijn, dacht hij. Met een schep in de aanslag klom hij tegen de helling op, op zoek naar een plek waar hij eenvoudig naar binnen zou kunnen gaan. Hij vond een reeks openingen waar betonnen balkons naar buiten staken en groef zich een weg naar binnen toe. Een stalen deur was zo weggeroest dat hij hem met een paar stevige trappen open kreeg.

Een stinkende walm dreef naar buiten en Harrald kokhalsde. Hij herkende de geur van verrotting en oude lijken en voorzichtig stapte hij naar binnen, een trappenhuis in, knijpkat in de ene hand, zijn schep als wapen in de andere hand. Vocht was in de muren gedrongen en paddenstoelen en schimmels bedekten elk beschikbaar stukje. Hij liet zijn lichtbundel omhoog schijnen, vervolgens omlaag de duisternis in. Het geluid van de dynamo in de knijpkat vermengde zich met de echo’s van het constante druppelen.

Een paar treden omlaag zag hij botten op de trap liggen en verder naar beneden een bleke schedel. Eindhoven was al vroeg in de eenen­twintigste eeuw getroffen door een biowapen en diende als lichtend voorbeeld dat virussen niet gaven om ras, denk­beelden of overtuigingen. Maar toen was het natuur­lijk al te laat en de stad was ten dode opge­schreven. De lege huls die overbleef was daarna ook geen slacht­offer van de meer directe wapens die werden ingezet.

De trappen voerden hem naar de kelders van het gebouw waar een halve meter water stond. Het was vroeger overduidelijk een soort par­keergarage geweest. Hij liet zijn lichtbundel van de trap over het water schijnen. Twee dozijn automobielen roestten hier langzaam weg. Het water was ijskoud aan zijn benen. Harrald zette zijn voeten langzaam en heel voorzichtig neer. Dit was niet de plek om zich aan onderwater verborgen roestig ijzer te verwonden.

Hij liet het licht van de lamp over de verroeste auto’s spelen. Op ver­schillende voorruiten zaten nog stickers verpakt in laminaat waarop hij letters kon onder­scheiden: Philips Medical. Hij kreeg een raar gevoel in zijn onderbuik en hij voelde een vleugje hoop opwellen. Als ze hier hun auto’s parkeerden, dan werkten ze hier misschien ook. Hij keek om zich heen. Waar zou ik de ingang maken?

Midden in de parkeergarage was een afgesloten blok, muren zonder ramen. Hij waadde erheen en toen hij eromheen liep zag hij een plateau dat net boven het water uitstak, een stalen deur en naast de deur een metalen plaat met een enkel rood lichtje boven de lijntekening van een mensenhand. Hij haastte zich de treden op en vervolgens bestudeerde hij nauwgezet de deur en de plaat. ‘Alleen geautoriseerd personeel’ stond er op, onder een feloranje ‘Pas op!’ en een pikzwart biohazard logo. Er waren geen zichtbare sloten of scharnieren.

Harrald legde zijn hand op het metalen paneel. Onder zijn vinger­toppen voelde hij dat het glanzende metaal stroef was, alsof het tegen zijn huid duwde. Een korte zoemtoon klonk en een rood lichtje in de vorm van het biohazard logo knipperde drie keer. Veiligheidssystemen die nog werken na honderden jaren. Hoopvol, dacht hij en voegde daar aan toe: en uitdagend.

Met een mes wrikte hij net zo lang aan de rand van het paneel dat het op een gegeven moment losschoot en de printplaat met bedrading tevoor­schijn kwam. Harrald herkende een aantal van de circuits en chips, maar het merendeel was hem onbekend. Hij pakte het tablet en startte zijn zoekprogramma op.

Dertig mogelijke ontwerpen, zoek de verschillen. Nauw­gezet volgde hij draden en printbanen, telkens afgeleid door het dovende licht van de knijpkat, tot hij nog maar twee keuzes overhad. Een van die keuzes droeg een Philips logo. Harrald grijnsde en identifi­ceerde de draden die het ‘open’ signaal aan de deur gaven. Een minuut later verscheen het groene lichtje en was er een doffe klik.

Met zijn linkervoet duwde Harrald tegen de metalen deur die zacht knarsend openzwaaide. Lichten aan de muren sprongen aan en hij zag een volgende trappen­huis met metalen roostertrappen die naar beneden voerden. De lucht was droog, machinaal met een vleugje oude dood. Hij stapte naar binnen en liep de trappen af. De bodem was tientallen meters beneden hem. Twee trappen naar beneden voelde hij meer dan hij het hoorde een zachte dreun. Toen hij omhoog keek zag hij dat de deur weer gesloten was. Dat zie ik dan zo wel weer, dacht hij. Op dit moment was zijn nieuws­gierigheid te groot.

De deuren beneden openden zich automatisch bij zijn nadering. Er lag twee eeuwen stof op de grond en hij liet een spoor van voetstappen achter in de grijze laag. Hij liep een ruimte in waar een enkel bureau stond. Op een bordje stond ‘receptie’ en het bureaublad was verder leeg. Van de deur aan zijn rechterkant was het slot geforceerd. Hij duwde ertegen. De deur zwaaide geruisloos open en onthulde duisternis en een betonnen plateau met hek. Hij stapte naar binnen en zwengelde zijn knijpkat aan. Zijn lichtbundels verdwenen in het duister, maar hij zag hier en daar reflecties van glazen oppervlakten. Even later viel de lichtbundel op een schakelaar dicht bij de deur. Toen hij die omhaalde schakelden enkele dozijnen lampen aan die een immense hal verlichtten.

Dikke betonnen pijlers ondersteunden een hoog dak en tussen de pijlers waren tientallen kantoortjes aangelegd rond een centrale glazen koepel. Overal waar hij keek zag hij het Philipslogo tevoorschijn komen. Dit moet het zijn, het kan niet anders, dacht Harrald. Opgewonden daalde hij de trappen naar de werkvloer af. Overal waar hij kwam werd het licht helderder en de gloed van de lampen warmer. Harrald vermoedde een automatisch systeem. Veel beter dan de kaarsen en fakkels in het oude klooster.

Angst overviel hem toen hij zijn eerste skelet tegen­kwam. Resten uitgedroogd vlees en huid waren nog strak over de botten gespannen die uitgestrekt op een bank in een kantoor lagen. Het lichaam droeg nog een oude laboratoriumjas over een sterk versleten jeans en een vaalgrijs shirt. Harrald pakte zijn machete en tikte de rechterarm van het skelet een paar keer aan tot hij ervan overtuigd was dat er geen gevaar dreigde. Terwijl hij door de gangen dwaalde langs de glazen wanden van de kantoren stelde hij zich voor dat hier jarenlang mensen gewoond of gewerkt hadden. De twee dozijn auto’s boven deden hem vermoeden dat hij meer lichamen zou gaan vinden. In een verafgelegen zijkamer vond hij mensvormige, zwarte plastic zakken. Er lagen er ruim twintig, netjes op een rij, duidelijk met inhoud. Hij liet ze liggen en ging verder naar zijn eigenlijke doel, de glazen zaal die hij eerder gezien had.

Een glazen buis met een luchtsluis voerde naar het centrale deel. Weer zag hij sloten die geforceerd waren. De centrale ruimte bevatte een verhoogde vloer met bureaus waarboven rijen schermen waren inge­bouwd. Eromheen stonden dozijnen transparante, eivormige con­struc­ties, een soort capsules, die via buizen en slangen aan de vloer gekoppeld waren. Ze deden hem denken aan de incubators zoals hij die op een oude Discovery aflevering gezien had. Zo te zien waren ze alle­maal leeg. Hij liep naar de dichtstbijzijnde. Het deksel stond omhoog en de binnenkant bevatte wat blauwe drab, een lang geleden uitgedroogd residu. Hij wandelde door de ruimte en telde uiteindelijk vijftig van de eivormige capsules. Allemaal leeg. Hij tikte tegen een paar van de kunststof slangen die bij het minste al afbraken. Poreuze rotzooi, niet geschikt voor wat dan ook.

Harrald liep terug naar de bureaus met de schermen en vond daar nog een verhoging achter een batterij schermen waar een grote stoel stond. Hij liep de trap op en duwde tegen de stoel om hem naar zich toe te draaien. Het skelet dat erop zat, zakte in elkaar. Harrald sprong achteruit en trok bij het neerkomen zijn machete tevoorschijn en hield die verdedigend voor zich. Pas toen hij zag dat het skelet verder niet bewoog, haalde hij weer adem. Dat moet een van de laatsten zijn geweest. Gestorven in het harnas. Er lag een stapeltje papier op het bureau, een ouderwetse schrijfpen en een plastic chipkaart waarop ‘Ariadne’ stond. Hij tilde het geraamte uit de stoel en legde het onderaan de trap.

De vellen papier waren dichtbeschreven, maar de inkt was na zoveel jaren verbleekt tot een vaag bruinoranje dat maar nauwelijks leesbaar was. Harrald nam plaats op de stoel en las een verslag van de laatste dagen van ene Arnold Janssens die zijn einde voelde komen en in zijn eenzaamheid zijn gedachten op papier zette. Hij las hoe een groepje onderzoekers en technici waren ingesloten in het onderzoeks­centrum, dat zelfs na enkele tientallen jaren de sensors nog steeds een niveau vier biobedreiging maten in de buitenlucht. Harrald dacht terug aan het biohazard­lampje op de sensorplaat buiten. Hij begreep nu waarom de deur gesloten bleef. Maar hij voelde zich verder goed, dus of de sensor was stuk of hij was immuun voor wat het dan ook was dat daarbuiten dreigde. Blijkbaar was het eng genoeg dat ze vrijwillig opgesloten bleven.

Hij las over het contact met militaire centra die een voor een uit de ether verdwenen en over het koorts­achtige onderzoek dat de leden van het team deden om hun belangrijkste projecten te realiseren. Uitein­delijk waren er nog maar twee over, de incubators en iets dat ‘project Ariadne’ werd genoemd. Arnold Janssens schreef dat hij en zijn collega’s uiteindelijk moesten concluderen dat de incubators nutteloos waren als de niveau 4 dreiging niet geneutra­liseerd werd en dat daarom alle aandacht en alle moeite in ‘project Ariadne’ gestopt werd.

‘Maar wat,’ zei Harrald hardop, ‘is dan ‘project Ariadne’?’

De laatste zinnen van de brief waren direct aan hem gericht, aan ‘degene die deze brieven vindt.’ …Ariadne is volmaakt. Zodra ze volgroeid is, zal ze de perfecte moeder voor een transhumaan ras zijn. Ze bevat de laatste ontwikkelingen op AI gebied die defensie ons gestuurd heeft en sluit volmaakt aan bij de 2045 agenda. Daarnaast heeft ze een selectie van de beste ei- en zaadcellen meegekregen uit de DNA banken van het instituut zodat onze gehavende planeet van nieuw, menselijk leven kan worden voorzien, zelfs als de laatste mens is gestorven. Harrald las de laatste zin nog eens en dacht: Dat betekent dat ik niet de laatste hoef te zijn. Hij voelde vlinders in zijn buik.

‘Je maakt me nieuwsgierig, Arnold Janssens.’ Hij keek omlaag naar de grijnzende schedel van de oude onder­zoeker. ‘Wat ik hier niet lees is hoe lang Ariadne moest volgroeien. En heel belangrijk: waar is ze?’ Even twijfelde hij. Wat nu als Ariadne inmiddels oud geworden was, misschien zelfs gestorven? Maar het was van korte duur. Ariadne was duidelijk niet mense­lijk, dus hij kon niet zomaar menselijke waarden aan haar toekennen. Hij pakte de chipkaart en bekeek die. Er zaten gebruiks­sporen op, dus hij was gebruikt. ‘Waar, oh, waar?’

Hij liep langs de rijen monitoren, de nette, georgani­seerde bureaus en dozijnen toetsenborden. Tussen de bureaus door zag hij de incubators en de kabels die van daar uit de grond inliepen. Harrald dacht diep na. Waar komt de stroom vandaan? Een generator? Een die eeuwen meegaat? Dat kan alleen maar nucleair zijn. Dus er moet een centrale zijn. Hij keek naar de grond onder zijn voeten. En die levert stroom via de kabels in de grond, dus hieronder zit de centrale, of een verdeler die stroom van de centrale krijgt.

Hij stapte van de verhoging af en wandelde erom­heen, op zoek naar een oneffenheid, iets dat uit de toon viel. Uiteindelijk vond hij een gleuf aan de zijkant van de treden die het platform op gingen. Hij pakte de kaart en draaide hem een paar keer om en om in zijn handen. Is dit het antwoord? vroeg hij zich af. Als ze kan helpen kinderen op de wereld te zetten, dan is er een kans voor de mensheid. Resoluut stak hij de kaart in de gleuf. Het kan niet zomaar eindigen. Een nieuw begin, met normen en waarden die de mensheid verenigen.

Een deel van het platform schoof in elkaar en een brede spiraaltrap werd zichtbaar. Hij liep naar beneden en waar hij kwam scheen diffuus, warm licht uit panelen in de muren. De ruimte waar hij uitkwam bevatte een laboratorium en een constructie met buizen en ventielen die een derde van de ruimte vulde. Op de constructie stond het felgele logo dat nucleaire energie aanduidde. Een reactor, dacht Harrald. Daarom brandt het licht nog, daarom wordt de lucht gezuiverd. Een paneel met groene lampjes gaf aan dat het apparaat waarschijnlijk binnen normale grenzen opereerde. Wat als de zee hier binnenkomt? vroeg hij zich af, tot hij de term ‘thoriumpercentage’ tegenkwam en hij slaakte een zucht van verlichting. Een thoriumreactor, dus mini­maal gevaar. Dozijnen kabels verlieten de constructie en liepen via het plafond naar de verschil­lende afdelingen en de incubators. Een dikke bundel liep het labora­torium in en hij volgde die.

Een metalen tank besloeg het midden van de ruimte. Talloze slangen aan een kant van het gevaarte waren verbonden met onbekende machinerie die er geïm­proviseerd uitzag en Harrald herinnerde zich de woorden van Arnold Janssens. Een bundel glasvezel­kabels liep naar een donkere kast in de hoek waarin twee dozijn computers in hoog tempo ledjes lieten oplichten. Harrald vroeg zich af waar de computers het zo druk mee konden hebben.

Hij liep naar de tank en opende een klep bovenop. De bundel licht die naar binnen viel raakte een paar lichtblauwe ogen waarvan de pupillen snel tot puntjes krompen. Harrald haalde scherp adem en boog zich verder voorover. Haar hoofd lag grotendeels onder­gedompeld in een melkachtige vloeistof en slangen en kabels bedekten haar lijf, voor zover hij dat kon zien door het kleine kijkvenster. ‘Ariadne,’ zei hij eerbiedig.

Naast de tank vond hij een lijst instructies, ook danig vergeeld, maar leesbaar. De stappen waren eenvoudig en tien minuten later startte hij het opstandingproces voor ‘project Ariadne.’ Harrald maakte het zich gemakkelijk en hij at wat oud, hard brood en droge worst die zijn ouders hem hadden meegegeven. Hij las het document verder door en op de laatste bladzij las hij de kledingvoorschriften en de plek waar hij haar kleding kon vinden. Buiten het laboratorium haalde hij die uit de kast en legde alvast een dikke broek en tuniek voor haar klaar. Terwijl hij wachtte, doorzocht hij de verschillende ruimten. Spullen die hij nog bruikbaar achtte stopte hij in zijn rugzak.

Na een uur begonnen de sloten van de tank te draaien en Harrald telde twaalf doffe klikken op rij terwijl de sloten en zegels zich openden. Hij stond op en ging met een handdoek naast de tank staan. Het deksel splitste zich en een deel schoof naar boven, het andere deel naar beneden. De vloeistof waarin Ariadne gelegen had, was afgevoerd en haar lichaam leek schoon­gespoeld. De slangen vielen een voor een van haar lijf, haar huid sloot zich meteen. Zodra de laatste was losgekoppeld ging ze langzaam overeind zitten. Haar blauwe ogen knipperden, alsof ze voor het eerst haar omgeving kon zien.

Harrald staarde naar de naakte vrouw in de tank voor hem. Voor zover hij kon zien was ze compleet, waren er geen elektrische of elektronische compo­nenten zichtbaar en kon ze volledig doorgaan voor een echt mens. Het leek even alsof hij moeite had met ademen en hij bedacht zich dat hij Ariadne een bijzonder mooie vrouw vond. Ze was ook de enige vrouw van zijn leeftijd die hij kende, vrijwel alle andere waren de veertig gepasseerd, meestal flink.

Ariadne bracht haar handen omhoog en bekeek ze. Daarna reikte ze omhoog en wrong haar lange, blonde haar uit. Ze keek hem onder­zoekend aan.

Harrald keek vol bewondering hoe haar borsten omhoog getrokken werden door die beweging. Hij voelde lust en tegelijkertijd schaamte. Hij strekte een hand naar haar uit terwijl hij in de andere hand de handdoek omhooghield, zodat ze wist wat hij bedoelde. Zou ze eigenlijk wel kunnen praten, bedacht hij zich. ‘Hoi, ik ben Harrald,’ zei hij. Kan het nog stommer? ‘Eh, ik bedoel, ik neem aan dat je wel een handdoek kunt gebruiken?’

Ariadne pakte zijn hand en stond in een vloeiende beweging op. Haar grip voelde krachtig aan. Harrald slikte. Voorzichtig stapte ze over de rand en nam de handdoek van hem aan. Ze droogde zich af met lang­zame bewegingen, alsof ze haar lijf ook zelf eerst wilde onderzoeken. Ze kleedde zich in de spullen die hij haar aanreikte. Broek en tuniek pasten alsof ze voor haar gemaakt waren. En dat zal ook wel zo zijn, dacht Harrald. Verdraaid, ze ziet er goed uit.

Haar stem bleek melodieus met een mechanische ondertoon, alsof wat ze wilde zeggen en wat er uit haar keel kwam, niet helemaal op elkaar aansloten. ‘Harrald, waar zijn de anderen?’

‘Eh, hoe bedoel je? Mensen van mijn dorp of de onderzoekers hier?’

Ariadne dacht even na. ‘De onderzoekers, denk ik.’

‘Die zijn allemaal dood. Al tweehonderd jaar.’ Hij zag hoe ze naar een punt achter hem staarde, alsof ze heel in de verte iets waarnam dat hij nooit zelfs maar kon vermoeden, tot ze knipperde en hem weer aankeek.

‘Die informatie had ik nog niet. Hoe is de situatie buiten?’

Harrald haalde zijn schouders op. ‘Het sneeuwde een paar dagen geleden, maar het lijkt erop dat de lente nu echt is aangebroken.’

‘Stralingsniveau, biodreiging, mutatiegraad, veilige plekken, klimaat­verandering, migratiepatronen, geologische verschui­vingen, geboorte- en sterfte­cijfers?’ vroeg Ariadne. Haar gezicht bleef onbewogen tijdens de opsomming.

Harrald knikte en glimlachte. ‘Oh, bedoelde je dat. Ik heb niet overal antwoord op, maar ik kan je vertellen dat er oorlogen zijn geweest en bioterrorisme.’ Zijn glimlach verdween. ‘De mensheid is grotendeels uitge­storven. Ik woon met mijn familie in een dorp op een paar dagen hiervandaan. Ik denk dat we de laatste mensen op Aarde zijn.’

‘Leg uit, laatste mensen.’

Harrald haalde diep adem en wreef over zijn voorhoofd. ‘Er zijn nog zo’n tweehonderd mensen in het dorp. We verbouwen ons eigen voedsel en zoeken de rest in verlaten gebouwen in de omgeving. Vooral zaden en gedroogde, vacuümverpakte waren zijn voor ons interessant.’

‘Demografische verdeling?’ vroeg Ariadne.

Ze lijkt wel een robot, dacht Harrald. Maar dat is ze ook. Geavanceerd, gebouwd met een doel en op zoek naar informatie. AI, stond in de brief, kunstmatige intelligentie. ‘Ik ben de jongste in het dorp. Meer dan de helft is de vijftig gepasseerd.’

‘Waar zijn de kinderen?’ vroeg Ariadne.

‘Die werden niet meer geboren,’ zei Harrald. ‘Jonge, vruchtbare vrouwen verongelukten. Of werden ziek en onvruchtbaar, of stierven bij de geboorte van hun eerste kind.’

Ariadne knipperde met haar ogen. ‘Jullie zijn voorbij het kantelpunt gegaan,’ zei ze. ‘Daarna was er geen weg terug.’

‘Dertig jaar geleden was er nog contact met een paar dozijn families in heel Europa. Onze radio reikt tot aan wat vroeger Zuid Spanje was.’ Armena. ‘Het laatste contact was twee weken geleden, sindsdien is het stil.’

‘Ben ik daarom gewekt?’

Harrald knikte. ‘Ik had artikelen gelezen over de experi­menten met incubators en kunstmatige zwanger­schappen en ik hoopte dat het een oplossing voor ons kinderprobleem kon zijn. Ik zocht al een paar jaar naar deze plek.’

‘Je hebt hem gevonden.’ Ariadne ging staan en strekte haar armen uit. ‘Ik ben in staat vier tot acht kinderen per jaar te produceren. Daarvoor moet de omgeving veilig zijn. Daarom vroeg ik naar de toestand buiten.’

Harrald knikte begrijpend. ‘Ja, dat snap ik, ja. Je kunt hier in ieder geval niet blijven, de zeespiegel is gestegen en de zee nadert de buitenwijken van Eind­hoven. En ik denk niet dat deze kelder lang waterdicht blijft als er zeewater in de ventilatie terecht­komt.’

Ariadne liep naar de computer in de hoek van het laboratorium en hield haar hand op een van de apparaten. ‘Straling acceptabel. Biodreiging van niveau vier. De buitenlucht bevat schadelijke virus­sen.’ Ze keek hem aan. ‘Jij lijkt er geen last van te hebben. Waarom niet?’

‘De steden in de wereld zijn dood, er zijn bijna geen mensen meer. Onze voorouders waren blijkbaar immuun.’ Harrald glimlachte wrang. ‘Helaas zijn we met te weinig.’

Ariadne zweeg een paar seconden en haar ogen leken leeg, alsof ze afwezig was. Toen het leven er weer in terugkeerde, zei ze: ‘Het lijkt erop dat we elkaar voorlopig nodig hebben, Harrald. Zullen we gaan?’

‘Hebben we niets nodig van hier?’ vroeg hij.

‘Ik heb niets nodig,’ zei Ariadne.

Harrald liet haar voor gaan de trap op. Haar eerste stappen waren houterig, maar werden heel snel vloeiend en krachtig. Terwijl hij achter haar liep dacht hij: Ik heb jou gevonden, dat is alles wat ík nodig heb.

 

Ze liepen door de heuvels van Eindhoven toen de zon onderging. Harrald zocht een droge, beschutte plek en zette daar zijn tent op. Bij het licht van een klein vuur at hij nog wat van zijn rantsoenen. Hij bood Ariadne een stuk brood, maar ze weigerde.

‘Eet je niet omdat je niet kunt eten?’ vroeg Harrald nieuwsgierig. ‘Of heb je een soort eigen, interne reactor?’

Ze schudde langzaam haar hoofd. ‘Ik heb gewoon geen honger. Dat zal wel komen. Dit lichaam is erg zuinig met energie.’

‘Slaap je ook?’ vroeg Harrald. ‘Met een beetje goede wil kunnen we samen in de tent liggen.’

‘Ik kan lang zonder slaap, maar er is een herstel­functie die mijn lichaam een paar uur uit­schakelt en alle energie aan reparaties besteedt. Je zou het een soort slaap kunnen noemen.’ Weer schudde ze haar hoofd. ‘Dus nee, ik hoef niet samen in een tent te liggen.’

‘Ik begrijp het,’ zei Harrald. ‘Als je het niet erg vindt, wil ik wel een paar uur slapen. Wij mensen hebben dat nog steeds nodig.’

‘Nog wel, ja,’ zei Ariadne.

Hij keek haar aan, maar ze vertelde niet verder, dus spande hij zijn draden rond het kamp en hing daar de verklikkers aan.

‘Verwacht je roofdieren?’ vroeg Ariadne.

‘Nee, melaatsen. Ze zijn zeldzaam tegenwoordig, maar een hele enkele keer wordt er nog een wakker door rondstampende mensen. Als ik op een plek ben waar duidelijk mensen hebben gewoond, dan luister ik ook nog wel eens aan de grond. Je hoort ze graven.’ Ze boog zich naar de grond en drukte haar oor tegen de aarde.

‘Niets. Zijn we dan veilig?’

‘Waarschijnlijk. Daar zijn ook de verklikkers voor.’ Hij kroop de tent in. ‘Ik ga slapen. Roep me als er iets is.’

 

‘Wakker worden.’ De woorden werden gevolgd door een paar indringende zoemtonen. Harrald was meteen klaarwakker, hoewel nog gedesoriënteerd. Hij greep als eerste zijn machete en rolde de tent uit. Het vuur was een hoopje gloeiende as en in het rode licht zag hij Ariadne gehurkt vlak naast zijn tent zitten.

‘Wat is er,’ fluisterde hij.

Ariadne wees.

Harrald zag een bleke figuur die wankelend dichterbij kwam. In de lichtcirkel van het vuur zag hij lange, donkere haren rond een uitgeteerd gezicht. Het was ooit vrouwelijk, nu zonder ogen, gaten waar­doorheen tanden zichtbaar waren, kleren onher­kenbare rafels. Resten aarde vielen bij elke stap van het lichaam van de melaatse. ‘Pas op,’ zei hij en hij ging voor Ariadne staan met de machete. De melaatse veranderde meteen van richting bij het horen van zijn stem. Zodra ze hem naderde stapte hij langs haar grijpende armen en liet de machete met een zieke dreun in haar hoofd landen, hard genoeg om de ruggengraat te breken. Ze zonk geluidloos in elkaar.

Hij draaide zich om naar Ariadne. ‘Heeft ze je geraakt, gekrabd, gebeten?’

Ariadne schudde van nee. ‘Ik onderzocht het wrak van een auto, ver­derop. Zij lag onder een hoop aarde op de achterbank en begon ineens te bewegen.’

Harrald leunde op de machete en voelde zich ineens heel erg moe. Zijn slaap was onderbroken en hij had nog te weinig rust gehad. ‘Ze kunnen jaren ergens liggen rotten en je denkt dat ze echt dood zijn. En dan, ineens, komen ze overeind. Of ze graven zich uit hun graf.’

‘Hoe is dat mogelijk?’ vroeg Ariadne.

Harrald haalde zijn schouders op. ‘Geen idee. Het lijkt op een soort infectie, maar het is nooit heel duidelijk geweest wat het veroorzaakte. En sommige mensen waren er ontvankelijk voor, andere niet.’ Hij liep rond de tent en stelde de verklikkers weer in, daarna gooide hij nog wat hout op het vuur.

‘Laat je haar gewoon liggen?’ vroeg Ariadne.

Hij knikte. ‘Die gaat nergens meer heen. Als je de hersenen vernielt, vallen ze neer.’

Ariadne liep om het vuur heen en ging naast het lichaam op de grond zitten.

Voor Harrald iets kon doen, stak ze haar rechter­wijsvinger in de wond die hij zojuist gemaakt had. In een vloeiende beweging likte ze vervolgens het puntje van haar vinger af. ‘Wat doe je nu?’ vroeg hij geschokt. ‘Van melaatsen moet je afblijven, voor je ’t weet ben je besmet!’

‘Dat geldt voor mensen,’ zei Ariadne. ‘Dat ben ik niet. Laat me nu even dit monster analyseren.’

‘Doe wat je niet laten kunt, maar wees voorzichtig. Ik ga slapen.’ Hij ging weer in zijn tent liggen. Heb ik er goed aan gedaan haar… het te wekken? Ze is wel heel erg anders. Zijn ogen dwaalden naar haar gezicht en hij betrapte zich erop dat hij met aandacht naar haar borsten staarde. Ze is ook wel erg mooi. Hoe zou ze voelen? Met die gedachte sliep hij weer in.

 

Een schraal zonnetje kwam net boven de horizon uit en verlichtte de uitgestrekte moerassen van de Peel. Harrald werd wakker en bekeek vanuit zijn tent hoe het oranje licht speelde over begroeide heuveltjes. Boompjes wierpen oneindig lange schaduwen over poelen vol kroos en riet.

Hij lag op zijn zij en voelde haar lichaam. Zijn hand rustte op haar zij, ze lagen lepeltje-lepeltje. Haar blonde haar was een pluizige bos voor zijn gezicht en onwillekeurig voelde hij zich hard worden en raakte hij door zijn broek heen haar billen. Heel voorzichtig werkte hij zich op zijn linkerelleboog omhoog zodat hij haar goed kon bekijken. Blijkbaar was ze ’s nachts bij hem komen liggen. Hij schraapte zijn keel.

Ariadne draaide zich op haar buik en keek hem aan. ‘Het werd toch wel koud. En ik moet wennen aan dit vlees.’

‘Je hebt toch wel eerder rondgelopen?’ vroeg Harrald. ‘Ik bedoel, je lijkt goed in balans.’

Ze schudde haar hoofd in een heel menselijk gebaar. ‘Ik heb in virtuele werelden geleefd, tot jij me wekte. Mijn enige oefening was de spier­stimulatie van de tank om me op kracht te houden.’

‘Dit is je eerste keer buiten de tank dus,’ zei Harrald. ‘Maar, twee­honderd jaar?’

‘Zoiets ja. Maar voorbij in een oogwenk. De echte wereld is gewoon ‘echter’ en dus moet ik eraan wennen.’ Ze ritste de tent open en kroop naar buiten.

Harrald keek haar bewonderend na en volgde. Ze stond kaarsrecht, gezicht naar de horizon, een zacht briesje speelde met haar blonde haar.

‘Ik heb zonsopgangen in mijn virtuele wereld gezien. Ze verbleken hierbij,’ zei Ariadne.

‘En jij verbaast me,’ zei Harrald.

‘Hoezo?’ vroeg Ariadne.

‘Gisteren sprak je nog, hoe zal ik het zeggen, mechanisch. Nu hoor ik vloeiende zinnen en proef ik emotie in wat je zegt.’ Hij legde zijn handen op haar schouders, voelde de ingehouden kracht. ‘Wie ben je, Ariadne? En wat ben je?’

Ze draaide zich om en glimlachte. ‘Mijn taak is het de mensheid te redden. Mijn bouwers hadden daar heldere ideeën over. En ze hebben me heel veel mee­gegeven om die taak uit te voeren.’

‘Zoals materiaal uit de DNA banken?’ vroeg Harrald. ‘Dat stond in de brief van Arnold Janssens.’

Ariadne knikte langzaam. ‘Ik heb genoeg bij me om meer dan honderd perfecte kinderen te produceren.’

‘Jammer dat ze in deze wereld niet zullen overleven,’ zei Harrald.

‘Die conclusie lijkt correct,’ zei Ariadne. ‘Teveel gevaarlijke virussen in de lucht.’

‘We hebben nog een paar dagen te gaan voor we bij mijn dorp zijn,’ zei Harrald. ‘Genoeg tijd om over oplossingen na te denken.’

Toen Harrald zijn verklikkers en draden opruimde, zag hij het lichaam van de vrouw die hij gisteravond neergeslagen had. Het lijf was in dozijnen stukjes uit elkaar getrokken en onderdelen waren netjes op een rij gelegd en opengemaakt. Hij keek naar Ariadne en riep: ‘Heb jij dit gedaan?’

Ze kwam bij hem staan. ‘Ik kon geen virussen of bacteriën vinden die iets verklaarden. Wel parasieten. De nagels en tanden zitten vol met eitjes en waar­schijnlijk helpen muggen bij verspreiding.’

Harrald huiverde. ‘Hoe staan ze dan weer op?’ Ariadne haalde haar schouders op. Weer zo’n menselijk gebaar, dacht hij.

‘Dat weet ik nog niet,’ zei ze. ‘Zullen we gaan?’

Harrald pakte zijn spullen verder in en met de zon nu ruim boven de horizon zocht hij zijn weg terug langs de poelen en veenmatten van de Peel. Hij vertelde over de rietsoorten, planten en dieren die hier voor­kwamen en ze luisterde aandachtig.

‘Weet je wat bijzonder is?’ zei Harrald toen ze zijn vorige kampeerplek naderden.

‘Bijzonder? Is iets bijzonder of vind jij het bijzonder?’ vroeg Ariadne.

‘Excuseer me, ik moet duidelijker zijn,’ zei Harrald. Hij wees naar het heuveltje. ‘Ik vond daar gisternacht een oude barbiepop en toen ik jou voor het eerst zag moest ik daaraan denken.’

‘Ik zie het verband niet,’ zei Ariadne koel.

Harrald grijnsde schaapachtig. ‘Ik hoopte eigenlijk dat ik een vrouw zoals die barbiepop zou vinden.’

‘En ik lijk op die pop. Dus jij ziet in mij de vrouw die je zocht.’

Harrald voelde zijn wangen branden. ‘Eh, als je het zo zegt klinkt het…’

Ariadne legde haar hand op zijn arm. ‘Het geeft niet. Dit is een normale fysiologische reactie.’ Ze kneep haar ogen samen. ‘Ik denk dat ik me “gevleid” voel.’

De kilometers die volgden, zweeg Harrald. Zijn hoofd was druk. Hij verbaasde zich over de opmerkzaamheid van Ariadne. Tegelijk proefde hij in haar doen en laten een mechanische kwaliteit die hem voorzichtig deed twijfelen aan haar menselijkheid. Dan keek hij weer naar haar soepele bewegingen en bewonderde hij haar lichaam. Dat was voldoende om de verschillen te bagatelliseren en excuses te bedenken. Ze heeft alleen in virtuele werelden geleefd, zonder echte mensen, zonder contact. Alsof ze door wolven is opgevoed.

Zijn boomstammen lagen nog op de plek waar hij ze had achtergelaten. Twee mensen bleek teveel. Ariadne loste het op door achter het vlot te gaan lopen en het voort te duwen, waarbij ze regelmatig tot haar nek in het water liep.

‘Dit is toch veel te koud voor je?’ vroeg Harrald.

‘Nee hoor,’ zei Ariadne. ‘Mijn metabolisme past zich snel aan.’

‘Het is te zwaar!’ zei Harrald.

Demonstratief tilde Ariadne de boomstammen, met hem erop, een halve meter uit het water.

‘Goed, goed, ik geloof je!’

‘Mooi, ik wil je dorp graag zien, want daarna kunnen we plannen gaan maken.’

‘Plannen?’ vroeg Harrald.

‘Ja. Plannen. Mijn doel is de mensheid redden, weet je nog?’ zei Ariadne. ‘Ik wil weten of je dorp veilig is voor kinderen. Veel kinderen. En of er voldoende voor­zieningen zijn. Vers water, elektra, voedsel…’

Ze staken de Maas over en overnachtten hoog op de oever. Deze keer kwam Ariadne wel meteen bij hem in de tent liggen. Ze voelde ijskoud en hij trok haar tegen zich aan en wikkelde zijn slaapzak om hen beiden heen.

‘Kun jij eigenlijk ziek worden?’ vroeg Harrald in het donker.

‘Mijn vlees en binnenste zijn synthetisch. Ze hebben wel een organische basis,’ antwoordde Ariadne. ‘Waar­schijn­lijk dus niet, hoewel er altijd een kans is.’

‘Dit deel van de wereld is er nog relatief goed afge­komen,’ vertelde Harrald. ‘De grootmachten uit die tijd hebben ook nucleair vuur gebruikt. Via de radio heb ik gehoord over bizarre mutaties in de Russische bossen, soms gruwelijk, maar soms ook handig. Uit Amerika hebben we niets meer gehoord.’

‘Dan wordt dit het nieuwe Eden,’ zei Ariadne.

Harrald moest even nadenken over de referentie. Toen hij wilde vragen wat dan zijn rol was, hoorde hij een zacht snurken. Met een glimlach stopte hij de slaapzak wat dichter om haar lijf.

 

Ze kwamen via de noordkant bij het dorp. Het open veld stond in bloei, krokussen, narcissen en felblauw paaldansgras dat sensueel kronkelde in het minste briesje. Het dodengat was nog bijna kaal. Zoals elk jaar wilde er bijna niets op groeien behalve wat hard­nekkige distels.

‘Het oude klooster,’ zei Harrald.

Ariadne knikte goedkeurend. ‘En stevige hekken om het hele complex. Hoeveel mensen wonen er nu?’

‘Ruim tweehonderd, maar vrijwel allemaal boven de vijftig en meer dan de helft zou vroeger als bejaard gelden.’

‘Hoe is het met de voorraden gesteld? Apparatuur?’ vroeg Ariadne.

‘We verbouwen ons eigen eten, we hebben koeien, kippen en schapen en er is genoeg wild in de omgeving. Herten, zwijnen, konijnen en soms zelfs een beer.’

‘Dus de virussen en parasieten vallen alleen mensen aan? Dieren hebben geen of minder last?’

Harrald dacht even na. ‘Nu je het zo zegt, daar lijkt het wel op, ja.’

‘Ik neem aan dat jullie ook wapens hebben om dat wild te schieten?’ vroeg Ariadne.

‘Natuurlijk. Compound jachtbogen, maar ook jacht­geweren, pistolen en volautomatische wapens.’ Hij dacht aan de zorg waarmee de wapens nog steeds onder­houden werden. Dat de begroeiing dichterbij mocht komen was een acceptabel risico, wapens die niet werkten of weigerden, waren dat niet.

Ariadne keek omhoog en leek even te luisteren. ‘Goed, laten we naar binnen gaan. Morgen heb ik een boodschappenlijstje voor je.’

Harrald keek haar verbaasd aan. ‘Hoe bedoel je?’

Ariadne glimlachte. ‘Ga je me nog aan je ouders voorstellen?’

Harrald voelde zijn wangen heet worden en hij kuchte. ‘Ja, ja natuur­lijk.’

Zoals een paar dagen geleden stond zijn moeder hem weer op te wachten. Harrald herkende de emoties die op haar gezicht verschenen toen hij Ariadne aan haar voorstelde, een mengsel van opluchting, blijdschap en nieuwsgierigheid.

‘Kom maar snel binnen, kinders, het is nog koud buiten en de zon gaat zo onder.’ Maria duwde Harrald en Ariadne naar binnen en sloot de poort achter zich. ‘Gerard zal zo blij zijn jullie te zien.’

Harrald dacht niet dat hij ooit tranen in de ogen van zijn vader zou zien, maar bij deze gelegenheid vloeiden ze rijkelijk en hij kreeg meer omhelzingen dan hij in lange tijd had gehad. Hij keek opzij naar Ariadne die geamuseerd leek, hoewel hij haar uitdrukkingen, voor zover ze die had, nog niet zo goed kon lezen als hij zou willen.

‘Nou, ga zitten,’ zei Gerard. Hij wees naar de stoelen rond de tafel, vervolgens opende hij een van de kasten en pakte daaruit glazen, een fles wijn, brood, kaas en droge worst. ‘Wat zijn jullie plannen, kinderen?’

Harrald kreeg het weer warm. ‘Ik geloof dat Ariadne daar wat ideeën over heeft.’

Ariadne glimlachte. ‘Ik heb als opdracht meege­kregen het menselijk ras te redden. Daarvoor heb ik alle benodigdheden.’

Gerard lachte en pakte een hand van Maria in de zijne. ‘Goed nieuws, denk ik.’ Hij keek opzij. ‘Wat jij, lief?’

‘Ik denk dat ze een mooi stel zijn samen,’ zei Maria. Haar ogen glommen vol trots, telkens wanneer ze naar haar zoon keek.

Ariadne was onverstoorbaar. ‘Voor die opdracht zal het noodzakelijk zijn dat ik zo’n acht kinderen per jaar produceer.’ Na die woorden werd het stil.

‘Hoe bedoel je?’ vroeg Maria.

Harrald hief zijn hand. ‘Ho, wacht, laat mij het even uitleggen. Ik ging op zoek naar de incubators in Eindhoven, zoals we besproken hadden. Maar die incubators waren niet operationeel en konden dat ook niet worden. Ik vond daar aanwijzingen voor een ander project van De Philips, genaamd Ariadne.’ Hij knikte opzij naar de vrouw die naast hem zat. ‘Dit is Ariadne. De grootste medische geleerden van toen hebben haar ontworpen en geconstrueerd. Ariadne is niet menselijk.’

Gerard snoof. ‘Ze ziet er anders echt genoeg uit.’

‘Ik ben gemodelleerd naar duizenden aantrekkelijke vrouwen uit die tijd.’ Ariadne plukte aan haar haar. ‘Blond om verhoogde vruchtbaarheid te duiden, brede heupen en een zandloperfiguur met volle borsten om aan te geven dat ik voldoende melk zal produceren. De ideale vrouw om kinderen mee te krijgen.’

‘Als je niet menselijk bent, wat ben je dan wel?’ vroeg Maria met een klein stemmetje.

‘Androïde is denk ik het woord dat jullie zouden gebruiken. Hybride kan eventueel ook.’

Gerard kuchte even. ‘Je bent dus een soort robot?’

‘Dat is correct,’ zei Ariadne monotoon.

‘Maar je kunt wel kinderen krijgen?’ ging hij verder.

Ariadne knikte. ‘Acht per jaar, misschien meer, als er meerlingen komen.’

‘Maar zijn die dan nog gewoon menselijk?’ vroeg Maria. ‘Hoe kun je ze voeden?’

‘Ik ben een incubator, ik gebruik menselijk DNA om een kind te laten groeien, maar ik ben ook een voeder. Met de juiste hormoonpreparaten zijn de kinderen binnen anderhalve maand rijp voor geboorte en ik kan eten dat ik binnenkrijg direct in melk omzetten.’ Als om haar woorden kracht bij te zetten brak ze een stuk brood af en knabbelde er wat hapjes vanaf.

‘Aan alles is gedacht, dus,’ stelde Gerard vast.

‘Het team dat aan mij werkte, stuk voor stuk topspecialisten, deed daar ruim vijfentwintig jaar over en toen moest ik nog vijftig jaar in de tank tot ik volgroeid was.’

‘Dat klinkt als een aanzienlijke tijd om een robot te maken,’ zei Gerard.

Ariadne grijnsde witte tanden bloot. ‘Ik ben veel meer dan een gewone robot, Gerard. Vrijwel alles in mij is organisch en zelfreparerend.’

Maria schraapte haar keel. ‘Je bent dus meer dan menselijk. Wat let je om meer van jouw soort te produceren?’

‘Mam, dat vraag je toch niet?’ Harrald vouwde zijn armen over elkaar. ‘Ariadne komt ons juist helpen.’

Maria hief haar hand op. ‘Begrijp me niet verkeerd, alsjeblieft. Het is gewoon een vraag die bij me opkwam.’ Ze keek haar zoon in zijn bruine ogen. ‘Je bent mijn enige kind, mag ik een beetje bezorgd zijn?’

‘Ik kan je zorgen wegnemen, Maria,’ zei Ariadne. ‘Ik ben gebouwd en geprogrammeerd om mensen op de wereld te zetten en deels op te voeden. Voor zover ik weet ben ik en blijf ik uniek.’

‘Je zei iets over een boodschappenlijstje.’ Harrald voelde een vijandig­heid bij zijn ouders die hij rationeel wel kon bevatten, maar hij was ervan overtuigd dat Ariadne de oplossing van hun probleem was.

Ariadne bleef naar zijn ouders kijken met haar licht­blauwe ogen terwijl ze zijn vraag beantwoordde. ‘Een paar kilometer verderop, noordelijk, ligt een oude RAF luchtmachtbasis. Ik geef je de coördinaten van een opslag met medische voorzieningen die ik nodig zal hebben het komende jaar.’

‘Klopt dat?’ vroeg Harrald. ‘Ik ben daar vaker geweest, maar heb alleen maar bos gezien.’

Gerard knikte. ‘Het was ten tijde van de eerste oorlogen al verlaten. Tenzij je weet wat je zoekt, zul je er niets vinden.’

‘En wat zoek ik dan?’ Harrald keek weer naar Ariadne.

‘Steriele naalden, verband, zoutoplossingen, medi­cijnen, antibiotica en nog veel meer. Neem een paar flinke rugzakken mee. Het is niet zwaar, maar wel veel.’ Ariadne glimlachte naar hem en Harrald voelde zijn wangen weer heet worden. ‘Dan kan ik intussen de gebouwen inspec­teren en de beste plek uitzoeken,’ ging ze verder.

‘Dat red ik in een dag. Als ik morgenochtend vroeg vertrek, ben ik ’s avonds alweer terug.’

Ze spraken bijna een uur over inrichting van kraam­zalen, medische voorzieningen en het inzetten van de mensen van het dorp bij de opvoeding van de kinderen.

Toen Harrald gaapte, legde Ariadne haar hand op de zijne. ‘Misschien moet je bijtijds gaan slapen. Ik kan zelf ook wel wat rust gebruiken. Is er een gebouw waar ik kan overnachten?’

‘Ja, natuurlijk,’ zei Gerard. ‘En je hebt helemaal gelijk. Jullie moeten allebei uitgerust zijn voor wat jullie van plan zijn.’

‘Ik breng je wel even,’ zei Harrald. Hij trok Ariadne omhoog en nam haar mee naar een van de kleine huisjes op het terrein. Nu de bevolking gekrompen was, waren veel van de huisjes meestal leeg, maar ze werden goed onderhouden voor noodgevallen. Harrald liet haar zien waar de voorzieningen waren en maakte haar bed op.

‘Als er iets is,’ zei hij vanuit de deuropening, ‘kom dan naar de grote hal. Daar is altijd wel iemand wakker.’

Ariadne kwam vlak voor hem staan en sloeg haar linkerarm om zijn nek. Ze trok hem zachtjes tegen zich aan en hij voelde haar zachte borsten en het draaien van haar heupen tegen zijn middel. Haar rechter­arm gleed omhoog langs zijn dij en ze liet haar hand tussen zijn benen glijden en kneep zachtjes. Ze fluisterde in zijn oor: ‘Als je morgenavond terugkomt, moeten we maar eens aan dat DNA van jou werken.’

Harrald legde zijn rechterhand op haar rug, boog zich iets voorover en drukte zijn lippen op de hare. Ze reageerde en speelde met zijn lippen en tong. Onwille­keurig vergeleek hij haar met Lotte, zijn enige referen­tie en hij was aangenaam verrast.

Ariadne legde haar hand nu op zijn borst en duwde hem van zich af. Ze glimlachte ondeugend. ‘Morgen­avond, Harrald.’

Hij grijnsde. ‘Ik zal er zijn, Ariadne. Welterusten.’

‘Jij ook, Harrald.’ Ze sloot de deur.

Harrald zocht zacht zingend zijn eigen bed op, maar hij kon niet in slaap komen. In het donker van zijn kamer besefte hij dat hij met een robot, een kunst­matige mens, gekust had. Wat hem het meest aan zichzelf deed twijfelen was dat hij er plezier aan beleefd had. Haar lichaam tegen het zijne wond hem meer op dan Lotte ooit gedaan had en zijn interesse voor de andere vrouw was geheel verdwenen.

 

De hemel kleurde roze en oranje toen Harrald de poort uitstapte en die achter zich in het slot trok. Het was fris. Rijp lag als een witglinsterende deken over het veld en lage flarden mist lichtten op als mysterieuze sluiers in het eerste zonlicht. Hij snoof de ochtendlucht van het bos diep in en begon te lopen. De instructies van Ariadne waren duidelijk. Hij maakte zich hooguit zorgen over de eventuele aarde die hij moest weg­schep­pen om bij de bunker te komen die ze beschreven had.

Onderweg was hij in zijn hoofd bezig met de belofte van Ariadne, niet zozeer wat ze had gezegd met hem te willen doen die avond, maar wel de mogelijkheid dat er over niet al te lange tijd een kind of zelfs kinderen zouden komen. En dan nog wel acht of meer per jaar. Hij zag zich al met een stel hummeltjes achter een bal aan over een veldje rennen. Hij kende die beelden alleen uit de archieven, maar ze waren hem altijd bijgebleven.

In gedachten verzonken liep hij bijna met zijn hoofd een cluster galspinnen in. Pas op het laatste moment merkte hij de felgroene stippen op hun dikke achterlijven op. Heel voorzichtig stapte hij achteruit, bedacht op struikeldraden en gaten in de grond. Galspinnen vormden grote nesten. Ze joegen collectief en vingen vaak prooi die een enkele spin nooit zou kunnen vasthouden. Harrald had wel eens een jonge ree gevonden, dood en stijf en helemaal bedekt met galspinnen. Hij zocht een nieuwe weg op respectvolle afstand van het nest.

Rond het middaguur vond hij de resten van het oude clubhuis van de golfbaan die ooit op het terrein was gevestigd en van daaruit kon Harrald zich oriënteren. Doelgericht liep hij over heuveltjes en door greppels, zich goed ervan bewust dat onder hem een oude landingsbaan moest liggen met gebouwen en bunkers. Alles was overwoekerd en onder een dikke rottende humuslaag verdwenen, maar zoals hij in Eindhoven had gezien, de resten van gebouwen en constructies bleven zichtbaar als regelmatige vormen in het landschap.

Hij verspilde ruim twee uur aan het lokaliseren van de juiste plek om te gaan graven. Telkens op een ruime halve meter diepte raakte hij beton met zijn schep en het was niet duidelijk waar de deur zich bevond. Daarom groef hij op regelmatig afstanden smalle voren in de aarde om te zien of hij bij een rand van de bunker was gekomen.

Toen hij uiteindelijk de uitsparing vond die hij zocht, stond de zon hoog aan de hemel. Harrald zweette van de inspanning. Hij dronk lauw water uit zijn veldfles en een paar honingkoeken die zijn moeder voor hem had ingepakt.

Met zijn schep groef hij net genoeg aarde weg om te zien dat de deur die hij zocht inderdaad hier in de grond zat, waarna hij in een monotoon ritme aarde en zand begon weg te scheppen. Drie uur later had hij een paar kubieke meter grond verplaatst en was de deur vrij. Er zaten roestplekken op en het rubber rondom was poreus, maar de verzegeling van de ruimte was intact. Zijn koevoet maakte korte metten met het slot.

Binnen vond hij een grote kelder gevuld met stellages die, in het licht dat van buiten naar binnen viel, duide­lijk gevuld waren met in plastic verpakte voorraden, het merendeel voorzien van een rood kruis of een rode halve maan.

Harrald nam zijn eerste rugzak en wandelde langs de stellages. De labels op de planken waren verdroogd en hier en daar verkruimeld. Gestaag vulde hij elk van zijn drie rugzakken tot hij die maar net kon dragen. Hij wist vrij zeker dat hij regelmatig zou moeten uitrusten, maar dat maakte niet uit, hij kon altijd nog een keer terugkomen om voorraden bij te vullen.

Buiten was de lucht grijs geworden en hij voelde een frisse westenwind die regen beloofde. Hij dacht aan Ariadne, grijnsde en begon aan de lange tocht terug naar het dorp. Onderweg neuriede hij liedjes uit een ver verleden die iets met liefde te maken hadden. Bij het vervallen clubhuis rustte hij de eerste keer uit. Terwijl hij om zich heen keek naar de resten van muren en veelal vergane stof en hout van bekleding en meubels, vroeg hij zich af hoe het zou zijn te leven in een wereld waar mensen zorgeloos konden rondlopen en waar ook vooral veel meer mensen bestonden.

Met nieuwe energie trok hij de rugzakken weer omhoog en begon aan het volgende deel van de tocht terug, met een ruime boog om het nest galspinnen heen. Zijn vermoeidheid maakte dat hij af en toe struikelde op de ongelijke bosgrond. Na de derde keer besloot hij rustiger aan te doen, want hij herkende zijn eigen haast die werd ingegeven door zijn verlangen naar de vrouw die thuis op hem wachtte. De avond is nog jong, Harrald, beter wat later en in één stuk dan vroeg met een gebroken been. Of erger.

De zon was al ruim onder de horizon gedoken en het laatste licht viel op de onderkant van de donkere wolken die hun water naar beneden lieten druppelen en dat steeds fanatieker deden.

Harrald was blij toen hij het lichtje bij de poort van het klooster voor zich zag. De regen had hem door­weekt. Hij prees zich gelukkig dat hij waterdichte rugzakken had meegenomen. Zodra hij bij de poort kwam zwaaide die open. Hij verwachtte zijn moeder, maar het was Ariadne. Ze was gekleed in een strakke, zwarte jurk die haar figuur accentueerde en verder niet veel aan de verbeelding overliet. Hij vermoedde dat het een erfstuk was uit de tijd dat mensen veel waarde hechtten aan uiterlijk vertoon.

‘Harrald. Je bent mooi op tijd,’ zei ze.

Hij grijnsde. ‘Ik had iets om naar uit te kijken.’ Hij keek langs haar heen en vroeg: ‘Waar zijn Maria en Gerard? Normaal wachten ze me op.’

‘Ze zijn even bezig. Ik zag je aankomen en ik wilde ze niet storen.’ Ze nam twee van de rugtassen van hem over. ‘Kom je mee?’ Ze liep in de richting van het huisje waar hij haar gisteravond had achtergelaten.

Harrald haalde diep adem en volgde haar, mateloos gefascineerd door het zachte wiegen van haar heupen. Voor hem opende ze de deur en stapte naar binnen. Ze ging in de deuropening staan, lachte naar hem en wenkte hem dichterbij met een gekromde wijsvinger.

‘Wat ben je van plan,’ vroeg Harrald, hoewel hij een grijns niet kon onderdrukken.

Ariadne hief een bevallige wenkbrauw. ‘Moet je dat nog vragen?’

Zodra hij voor haar stond haakte ze haar vinger achter zijn riem en trok hem achter haar het huisje in. Hij legde de rugzak bij de anderen en ving haar vervolgens in zijn armen. Hij kuste haar, eerst zacht, maar al snel begerig. Zijn handen gleden over haar rug en billen en hij kneedde haar zachte vlees. Alle gedachten aan ‘kunstmatig’ en ‘robot’ waren ver­dwenen en Harrald liet zich meevoeren in het moment.

Ariadne trok zijn trui over zijn hoofd, daarna zijn hemd. Ze streelde zijn borst en buik en hij kreeg kippenvel van haar vingers en de frisse lucht. Ze staarde in zijn ogen terwijl ze zijn riem losmaakte en de knoop van zijn broek lostrok. Harrald liet zijn handen langs haar nek glijden, naar beneden en over haar volle borsten, die zijn handpalmen aange­naam vulden.

Ze liepen kussend en strelend naar de andere kamer, waar het bed stond. Harrald trok haar jurk over haar hoofd en bekeek haar naakte lichaam. Zijn eigen lichaam reageerde meteen en hij slaakte een zucht van verlichting toen Ariadne zijn broek en onderbroek naar beneden trok en hem bevrijdde.

Ze lagen naast elkaar en Harrald streelde met zijn linkerhand over haar schouder, langs haar borsten en daarna verder naar beneden naar haar heupen. Ariadne drukte zich dicht tegen hem aan en sloeg een been om zijn middel terwijl ze hem diep kuste en zijn hand tussen haar benen leidde. Een minuut of een eeuwigheid later liet ze zich achterover vallen en trok ze Harrald bovenop zich. Hij gleed makkelijk bij haar naar binnen en stootte eerst in een rustig ritme, maar al gauw sneller en harder. Ariadne sloeg haar benen om hem heen en spoorde hem aan, trok hem verder naar binnen met haar handen.

‘Oh, God,’ kreunde hij en kwam hard in haar klaar. Tegelijk voelde hij haar nagels diepe voren in zijn onderrug krassen wat hem een extra orgasme bezorgde. Uitgeput lag hij op haar na te hijgen, zijn armen om haar hoofd en zijn wang tegen de hare. ‘Dat was geweldig,’ fluisterde hij hees.

Ariadne duwde hem zacht van zich af. ‘Dat was een ruime donatie, Harrald. Daarmee kan ik jaren vooruit.’

Harrald grinnikte en rolde op zijn zij. ‘Daar ben ik blij om. Maar ik hoop toch dat het niet bij één keer blijft.’

Ariadne stapte uit bed en trok haar jurk aan. ‘Misschien.’ Ze pakte zijn kleren op en gooide die naar hem toe. ‘Kom.’

‘Hebben we haast?’ vroeg hij. Toen hij overeind kwam voelde hij een steek in zijn onderrug. Zijn hand kwam met een rode veeg bloed terug. ‘Jij hebt gemene nagels, dame.’ Hij grijnsde. ‘Lekker hoor.’ Ineens voelde hij zich koud worden en hij trok snel zijn kleren aan.

Hij volgde Ariadne het huisje uit en samen liepen ze over het pad dat naar het klooster voerde. Vlak voor de ingang voelde hij zijn benen zwak worden en als Ariadne hem niet had opgevangen, was hij gevallen.

‘Dank je, ik weet niet wat ik heb, mijn benen werken niet goed meer.’

Terwijl Ariadne de deur openduwde en hem naar binnen hielp, zei ze: ‘Dat is het gif.’

Harrald greep de hand die hem ondersteunde en keek haar aan. ‘Wat bedoel je?’

Een flauwe glimlach speelde rond Ariadne’s lippen terwijl ze haar vrije hand ophief en tot een klauw kromde. ‘Het gif in mijn nagels, dat ik in je rug heb geïnjecteerd toen je ejaculeerde. Dat gif.’

Met lippen die als verdoofd voelden zei Harrald: ‘Ik snap het niet.’

Ariadne opende de deuren van de grote zaal en Harrald verstijfde toen hij de slachting zag die daar was aangericht. De geur van bloed, braaksel, stront en bovenal angst hing zwaar in de lucht. Hij zag dichtbij, op een tafel, de lichamen van zijn ouders, in nette stukken opgedeeld met een vlijmscherp mes, hun hoofden naast elkaar met een uitdrukking van afgrijzen. Onwille­keurig spuugde hij zijn maag leeg. Overal waar hij keek waren lichamen, de meesten met een rare knik in hun nek, maar ook een aantal met ingeslagen hoofden, opengetrokken borstkassen en op de grote leestafel lag een berg naakte vrouwen bij wie de buik was opengesneden zodat ingewanden naar buiten stulpten.

‘Wat is hier gebeurd?’

‘De voorbereidingen voor de productie van de eerste serie, natuurlijk,’ zei Ariadne.

‘Maar, ze zijn dood. Waarom?’ Harralds stem werd hees en hij moest kracht zetten om nog iets uit zijn longen te krijgen. Ademen werd moeilijker.

‘De ouderen verspilden enkel kostbare voorraden energie en voedsel. Onacceptabel. De jongere mannen waren gevaarlijk, want niet alleen sterk maar ook gevormd naar patriarchale standaar­den. Dat strookt met de zienswijze van mijn bouwers voor de opvoeding van de kinderen, dus moest ik ze opruimen. Van de vrouwen had ik eieren nodig met jullie specifieke genetische weerstand tegen de virussen die in de lucht zweven. Het oogstproces in deze omstandigheden is niet optimaal, ze hebben het niet overleefd, maar ik heb gelukkig voldoende eieren geoogst.’ Ariadne glim­lachte naar hem. ‘Het zaad dat ik op het oog had, dat heb jij me gegeven. Dus ben je niet nuttig meer, gewoon het laatste obstakel. Maar niet lang meer.’ Ze drukte een korte kus op zijn voor­hoofd en liet daarna zijn slappe lichaam op de grond glijden.

 

 

EPILOOG

Ariadne liep door de verlaten gangen van het klooster naar de kraamkamers die ze had ingericht. Ze had alle bewoners van het dorp naar de grote hal gebracht en daar omgebracht. In de komende dagen zou ze de lichamen begraven. Nu inventariseerde ze wat ze nodig had en hoe ze de eerste kinderen zou opvoeden en trainen, conform de richtlijnen die haar waren meegegeven. Een nieuwe start voor de mensheid, vol wetenschap, nuttige tijdsbesteding, perfectionisme en intelligentie, een vredig samenzijn van gelijk­ge­stemden.

Toen ze langs de radiokamer liep hoorde ze de radio kraken. ‘Hallo, Harrald? Hallo? Hier Armena.’ Ariadne liep de kamer in. ‘De radio was stuk,’ ging de stem die zich als ‘Armena’ identificeerde verder, ‘maar ik heb hem kunnen repareren. Hoe is het bij jullie? Hier is het nu echt lente.’

Ariadne zweeg en overwoog. Ze zette de radio uit en dacht Misschien hebben we ook wat soldaten nodig…

Meertens & Zn. : Henriëtte Poelman

De regen sloeg tegen het etalageraam waarop in zwierige letters MEERTENS & Zn. stond geschreven. Achter het glas hing een open­gesneden varken aan een haak, die op het eerste gezicht niet van echt was te onderscheiden. De kop lag eronder, op een grote schaal op een rood-wit-geblokt kleedje. Ernaast kondigde een schoolbord met houten lijst de aanbiedingen van de week aan: klapstuk, oerhammetjes, kotelet­ten. Het was al avond, maar het licht in de slagerij was nog aan en de deur achterin de winkel, naar de keuken en daarachter het slachthok, stond open.

Met een stekende pijn in zijn hoofd sjorde Berend zich half overeind, tot hij met zijn rug tegen de deur­post leunde. Vanaf de vloer keek hij verdwaasd de keuken rond, knipperend tegen het felle licht van de TL-buizen. Hij moest gevallen zijn. Uitgegleden. Berend voelde aan zijn hoofd. Het was alsof er een strak­getrokken band over zijn voorhoofd zat. Vlak boven zijn rechteroor was de pijn een stuk scherper, maar hij bloedde niet. Mooi zo, niet aanzitten.

Hij keek op zijn horloge, stond moeizaam op en trok zijn slagersschort recht. Hij wreef over zijn voorhoofd en masseerde zijn slapen, waar zijn haar grijs begon te worden. Hoofdschuddend controleerde hij de deuren, deed alle lichten uit en stapte de straat op. Hij sloot de slagerij af en liep met wankele passen over de stoep naar huis. Het was laat en de straten waren stil. Willem zou al wel zitten te wachten. Berend trok zijn schouders hoog op tegen de regen.

 

Willem zat aan tafel, met de pannen voor hem op het zware tafelkleed. Zijn bord was, op wat vegen jus na, leeg.

‘Het eten is koud’, zei Willem, met een veel­betekenende blik op de klok.

Berend trok, nog steeds wat bibberig, in de gang zijn jas uit. ‘Was je al begonnen?’

‘Ik ben alweer klaar.’ Willem leunde met stijf over elkaar heengeslagen armen op tafel, terwijl zijn broer tegenover hem ging zitten.

‘Sorry,’ zei Berend zacht en tilde één voor één de deksels op. De braadpan was leeg.

‘De koteletten waren maar klein,’ zei Willem, ‘en zonde om ze koud te laten worden.’

Berend zei niets. Hij voelde dat Willem naar hem keek terwijl hij de aardappels en de net iets te lang gekookte boontjes opschepte en begon te eten. Hij kauwde met gebogen hoofd. Aan de overkant van de tafel klonk een diepe zucht. Berend keek de zitkamer in, waar in het donker de grote Friese klok tikte. De plafonnière boven de eettafel wierp een flauw schijnsel op het beige tapijt.

Toen Berend was uitgegeten, ruimde hij af en zette koffie, zoals elke avond. Willem haalde de boeken uit de eikenhouten kast in de zitkamer en legde deze met de pennendoos op tafel, zoals elke avond. Hij sloeg twee schriften open en hield zijn hand op naar Berend. Maar Berend stond bij het aanrecht en staarde naar buiten, waar de regen bleef vallen.

‘De envelop van vandaag,’ zei Willem en zette zijn halve leesbril op. Hij stak opnieuw zijn hand uit.

Berend draaide zich om. ‘Die heb ik niet,’ zei hij.

‘Alweer vergeten?’ Willem wreef over zijn voorhoofd, waar na alle jaren een permanente frons in stond gekerfd. ‘Heb je de kassa ook niet opgemaakt?’

‘Sorry,’ zei Berend zacht. ‘Kan het morgen? Ik heb zo’n hoofdpijn.’

‘Niet best,’ antwoordde Willem, terwijl hij de schriften en de pennendoos weer opborg, ‘Ga maar vroeg slapen.’

Maar Berend was de keuken al uit en klom met dichte ogen de trap op. Hij liet zijn kamer donker, kleedde zich snel uit en stapte in bed. Inderdaad niet best, dacht hij. Hij snapte niet wat er nou was gebeurd. Met zijn knieën en de dekens hoog opgetrokken, probeerde hij zichzelf in slaap te denken. Als die pijn in zijn hoofd morgen maar weg was, dat zou een stuk schelen.

 

Woensdag was druilerig. Willem vertrok al vroeg naar de slagerij, zoals elke ochtend. Berend sleepte zich naar de badkamer, naar de keuken, naar de voordeur. Hij had aan één stuk door geslapen, maar was doodop wakker geworden. Zijn hoofdpijn was gelukkig groten­deels weggezakt en wat overbleef, een zeurende pijn laag in zijn achterhoofd, was te negeren.

In de winkel van MEERTENS & Zn. werkte Berend het krijtbord bij. Het klapstuk en de oerhammen waren nog steeds in de aanbieding, maar de koteletten wiste hij uit. In plaats daarvan schreef hij met geoefende, zorgvuldige halen: ‘KONIJN, va € 4,25’. Berend keek naar de letters, wierp een blik op de lege straat en zette er een uitroepteken achter.

De pijn barstte in alle hevigheid los, alsof iemand met alle macht op zijn hoofd instak en in zijn hersenmassa wrikte. Vanuit de ruimte achter de winkel klonk een vreselijk, ijzingwekkend gekrijs. Berend haastte zich naar de deur. ‘Willem!’

Op de drempel van de keuken bleef hij staan. Zijn broer keek hem vragend aan. ‘Ja?’

‘Je… Gaat-i goed?’

Willem fronsde. ‘Best. Heb je de aanbiedingen veranderd?’

Berend knikte. ‘Je…’

‘Wat?’ vroeg Willem, ‘Moet je iets?’

Berend bleef met een verwarde uitdrukking naar zijn broer kijken. Willem haalde zijn schouders op en draaide zich weer naar het hakblok. Hij hief zijn arm op en liet het zware mes met kracht neerkomen. Het staal hakte door het gevilde konijn op het houten blok voor hem, door vlees, pezen en bot. Tegelijkertijd klonk weer dat afschuwelijke gekrijs, zo luid en ondraaglijk dat Berend achteruit wankelde en steun moest zoeken aan de toonbank. Willem was zich duidelijk niet bewust van het ijselijke geluid dat met elke houw tegen de tegels van de keuken kaatste.

Berend vluchtte de straat op. Hij deed een paar passen richting het plein, deed weer een paar passen terug en zonk door zijn benen. In de miezerregen, gehurkt tegen de gevel van de slagerij, probeerde Berend zijn gedachten te ordenen. Hij begreep niet waar dat allesdoordringende geluid vandaan was gekomen – en vooral, waarom Willem het niet had gehoord. De band trok weer strak om zijn voorhoofd.

Na een poosje stond hij op en haalde diep adem. ‘Wat haal je je in je hoofd,’ zei hij tegen zichzelf, ‘Het is die klap van gisteren. Niets aan de hand en nou hup weer naar binnen.’

Heel voorzichtig drukte Berend de klink naar beneden, zijn oren tot het uiterste gespitst. Toen hij de deur opende, rinkelde boven hem vrolijk de winkelbel. Hij zoog zijn adem naar binnen en sprak zichzelf nogmaals toe. ‘Kom op Berend, het is gewoon de slagerij, de oude vertrouwde slagerij waar verdorie je eigen naam op staat, niets om bang voor te zijn.’

Hij keek de winkel rond. Alles zag er uit zoals het er uit hoorde te zien, behalve dat de krijtdoos open op de grond lag en het bord met de aanbiedingen niet in de etalage stond. De zware houten voordeur viel langzaam achter hem dicht. Op zijn hoede liep Berend naar de keuken, maar ook daar was alles normaal.

Willem stond zijn handen te wassen. ‘Wil jij de runderlende snijden? En dunner dan de vorige keer hè.’

Berend zag dat Willem het vlees al had klaargelegd op de werktafel.

‘Ja?’ vroeg Willem.

‘Ja, is goed.’ Berend slikte.

‘Ik ben even achter. Zo terug,’ knikte Willem naar het hakblok.

Boven Berend zoemde de TL-buis. Op het hakblok, in een dikkig plasje bloed en vocht, lagen twee nette konijnebouten. De kleinere delen, de niertjes en de lever waren iets apart gelegd. De kop lag er ontveld naast. Berend keek ernaar en slikte weer. Met een boog schuifelde hij om het hakblok heen, naar de stalen werktafel. Naast de runderlende lag het grote snijmes, het scherpste dat ze hadden in de slagerij. Berend wist dat Willem niet veel op had met carpaccio, maar dat de klanten het graag kochten. Heel dun snijden, dat was de truc.

Berend waste zijn handen en plaatste het mes bovenop de lende. Onwillekeurig draaiden zijn ogen naar het konijn in stukken. Hij rilde en concentreerde zich weer op het vlees in zijn handen. Met kracht drukte hij het mes naar beneden en schreeuwde. Het mes viel uit zijn handen, net naast zijn voet. Berend deinsde achteruit. Voor hem lag de runderlende, met een heel dun lapje vlees er nog net aan vast.

Het had gegild.

Berend schudde zijn hoofd. Hij keek naar de deur waar Willem door was verdwenen, maar achter bleef het stil. Had zijn broer niets gehoord? Berend klemde zijn kaken op elkaar, pakte het mes op en ging vast­beraden voor de werktafel staan. Onzin, dacht hij, gewoon negeren.

Hij ademde diep uit door zijn neus en zette het lemmet op het vlees. Heel precies sneed slager Berend een zeer dun plakje carpaccio. De lende schreeuwde het uit. Berend probeerde het uit alle macht te negeren. Zijn hoofd bonsde en iedere keer als zijn mes even rustte op het werkblad, beefden zijn handen. Zonder geluid gilde Berend mee, met vertrokken, open mond. En ieder plakje dat hij sneed, werd net iets dikker, net iets slordiger dan het vorige.

Toen hij de hele lende had versneden, merkte hij dat er tranen over zijn wangen liepen. Zijn handen trilden en zijn vingers waren verkrampt. Hij keek op. Vanuit de deuropening stond Willem naar hem te kijken, een plastic doos met oerhammetjes in zijn handen. Even was het stil, op de hevige piep in Berends oren na. Het mes viel uit zijn hand met een scherpe klang op de tegels en nog voordat Willem iets kon zeggen, snelde Berend de slagerij uit, de straat op, naar huis. In de piep in zijn oren echode het geluid van de gillende lende.

 

Thuis vond Willem Berend in een hoek van de kamer. ‘Berend?’

Berend antwoordde niet, maar bleef enkel zijn hoofd schudden met kleine, snelle beweginkjes.

‘Dit kan niet, hè?’ Willem zette zijn handen in zijn zij. ‘Je loopt niet zomaar weg. Sta ik daar alleen. Ik kan niet tegelijk in de winkel staan én het vlees maken, dat weet je.’

Berend viel nog stiller.

‘Weer die hoofdpijn? Komt door je gepieker.’ Willem was nu ook even stil. Moeizaam vervolgde hij: ‘Of… wil je misschien toch weg? Heb je besloten?’

Berend keek op.

‘Je weet dat ik het niet alleen kan. Ik kan niet tegelijk in de winkel staan‘

‘én het vlees maken, ik weet het,’ vulde Berend aan met beknepen stem.

Het harde, droge tikken van de Friese klok leek Willem aan te sporen. ‘Pa zou trots zijn,’ zei hij met dikke keel. ‘Dat weet je ook, toch?’

De broers keken elkaar lang aan, totdat de klok vijf uur sloeg en een einde maakte aan het gesprek dat ze nog nooit onder woorden hadden gebracht.

‘Ik ga koken,’ zei Willem, en liep de keuken in.

Berend waste in de ouderwetse badkamer zijn gezicht en trok een dikkere trui aan. Buiten joegen de blaadjes langs de ramen. Hij ging op de rand van zijn bed zitten en probeerde na te denken totdat Willem hem naar beneden riep, waar de pannen al op tafel stonden en de lamp al aan was. Hij schoof aan, maar schepte niet op.

‘Zeg,’ zei Willem, en viel weer stil.

‘Hee,’ begon hij opnieuw. ‘We komen er wel uit, Beer.’

Heimwee overspoelde Berend. Hij dacht aan hun moeder, hoe hij aan haar hand meeliep naar de slagerij, waar pa dan aan het werk was met een jonge Willem aan zijn zij en waar pa moeder in het slachthok stiekem een kus op haar wang gaf. Hij dacht aan de plakjes worst, die hij op zaterdagmiddag mocht uitdelen aan de klanten, nadat hij er eerst heel zorgvuldig kleine Hollandse vlaggetjes in had geprikt. Hij dacht aan de jaloezie die hij voelde toen Willem pa vertelde dat hij de slagerij wilde overnemen en pa hem daadwerkelijk omhelsde. Hij dacht aan de teleur­stelling in pa’s ogen toen hij op zijn achttiende verjaardag opbiechtte dat hij wilde verhuizen naar de stad, om bouwkunde te studeren. Hij dacht aan de dag dat hij, in stilte gehol­pen door zijn broer, weer in zijn oude slaapkamer was getrokken terwijl de rouwkransen nog in de woon­kamer stonden. De woonkamer, die moeder ooit had ingericht en die Willem nooit had veranderd. Hij dacht aan hoe Willem altijd bij pa en moeder was blijven wonen en alle zorg op zich had genomen, tot aan het einde. En hij dacht aan de zonnige ochtend toen ze samen op de stoep voor de slagerij stonden en zich afvroegen of de naam op de gevel en het raam nu aangepast zou moeten worden.

Toen hij opkeek waren zijn ogen vochtig. Hij hoopte dat Willem nog iets zou zeggen, maar zijn broer richtte zich tot de aardappels.

Ik hoop het, dacht Berend, dat we er uitkomen.

‘Toe nou maar,’ gebaarde Willem naar de pannen en zette zijn mes in zijn saucijs.

Berend schoot overeind, alsof iemand het tafelkleed en zijn stoel onder stroom had gezet.

Willem keek op en fronste. ‘Berend…?’

Maar Berend kreeg geen antwoord over zijn lippen. Hij staarde, met ogen zo wijdopen gesperd dat zijn hele iris wit was omrand, naar de saucijs op Willems bord. Zijn mes had een snee in het vel gemaakt, waar het vlees zich nu doorheen perste. Een klein plasje jus breidde zich eronder uit. Het was een korte maar harde kreet geweest, rauw en vol wanhoop.

Willem schudde zijn hoofd en wees met zijn mes op Berends lege bord. ‘Ik weet niet wat je hebt, maar eet nou maar.’ En met de zijkant van zijn vork drukte hij de saucijs langzaam in twee stukken. In de volgende, langgerekte kreet, klonk pijn en afgrijzen.

Willem gooide zijn bestek neer: ‘Wat is er toch met je?’

Berend haalde zijn handen van zijn oren en keek van zijn broer naar de saucijs. ‘Het is… het is je saucijs…’

‘Mijn… saucijs?’ Willem keek Berend vorsend aan. ‘Mijn saucijs,’ zei hij, en prikte zijn saucijs aan z’n vork.

De schreeuw was korter dan eerst, maar joeg een rilling over Berends rug. ‘Niet in snijden,’ wilde hij zeggen, maar zijn stem liet hem in de steek.

Willem hapte in het vlees terwijl hij Berend aan bleef kijken. Een straaltje vocht liep langs zijn kin. Weer een schreeuw, weer een rilling. Vol afschuw keek Berend naar zijn broer. Met elke kauwende beweging klonk een gesmoorde kreet; de saucijs schreeuwde in golven, net zolang tot Willem de laatste hap doorslikte. Berend rende de kamer uit, naar boven, naar zijn slaapkamer waar de vergeelde posters van vroeger nog aan de muren hingen.

Beneden aan de eettafel at Willem verder, onder het waakzaam oog van de portretten van pa en moeder op de schoorsteenmantel, met als enige geluid in de ruimte het tikken van de Friese klok.

 

‘Ik ga!’ hoorde Berend de volgende ochtend van onderaan de trap. Hij zag voor zich hoe Willem daar stond, met zijn jas al aan en zijn blik op de klok. Even later hoorde Berend de deur in het slot vallen. Hij kneep zijn ogen stijf dicht en wenste dat hij sliep, wat niet hielp. Hij stond toch maar op.

De ontbijttafel was nog niet afgeruimd, op Willems bord en koffiekopje na. Met wantrouwen keek Berend naar de boterhamworst die in een plasticje naast de botervloot lag. Hij trok de koelkast open om melk voor in de koffie te pakken maar schrok van de leverworst die naar hem toe rolde en op de grond viel. Berend begon zenuwachtig te lachen. Absurd, was het woord dat de halve nacht door zijn hoofd had gespookt.

Met trillende handen dronk hij zijn koffie, leunend tegen het aanrecht. Na de laatste slok zette hij de ontbijtboel op het aanrecht en trok zijn jas aan. Toen Berend de deur achter zich dicht trok, rolde de leverworst tegen de plint.

 

Bij de slagerij stonden twee vrouwen onder de houten luifel te schuilen. Berend mompelde een goedemorgen en wurmde zich tussen de dames door naar binnen. Willem stond iets in te pakken voor een oudere meneer, wiens regenjas op de vloer drupte. Aan zijn voeten snuffelde een kleine witte terriër, die opkeek van het belletje aan de deur. Berend keek naar het hondje, dat net als hij stokstijf bleef staan en terugstaarde. De terriër begon te grommen.

‘Hee!’ De oudere meneer trok de riem strak. ‘Dat doen we niet, hè?’

Het hondje ging zitten, maar bleef Berend aankijken tot hij door de deur achter de toonbank was verdwenen.

‘Braaf zo,’ zei de meneer.

In het bijkeukentje trok Berend zijn jas uit en deed zijn slagersschort om. Hij haalde twee handen door zijn natte haren en veegde ze af aan het schort. Vanuit de winkel hoorde hij de kassa, een groet, het belletje en een ‘Kom!’, gevolgd door trippelende nagels op de tegels. De voordeur viel dicht en Berend hoorde Willem vragen wie er dan aan de beurt was. Hij haalde diep adem, en ging aan het werk. Hij werkte de bestellijst bij, zette koffie en wilde net de schoonmaakspullen pakken toen hij een ijselijke gil hoorde vanuit de winkel. Berend zocht steun aan de werkbank. ‘W-w-willem?’

Maar er kwam geen antwoord, alleen hartelijk gelach. Voetje voor voetje liep Berend naar de deuropening, het zweet stond op z’n voor­hoofd.

‘Zo’n hele kan ik toch nooit op!’ Een meisje van een jaar of acht klemde breed lachend iets tegen haar borst, ingepakt in duplexpapier. Haar moeder rekende af en ze liepen de winkel uit. Voor Willem lag een snij­plank met daarop een mes en een halve gekookte worst.

‘Ah, daar ben je,’ zei Willem, terwijl hij door het raam van de etalage naar de moeder en dochter zwaaide. ‘Wil je deze worst versnijden en op een bord leggen? Kunnen we vanmiddag wat plakjes uitdelen.’ Zonder op antwoord te wachten liep Willem naar achteren.

Berend staarde naar de worst.

De worst leek terug te staren.

Voorzichtig legde Berend zijn hand op de worst. Met zijn andere hand pakte hij het mes. Aarzelend keek hij over zijn schouder door de deuropening, maar hij zag Willem niet. Hij keek weer naar de worst. Heel zachtjes kneep hij er in. Hij voelde het vlees spannen onder zijn vingers. Even dacht hij dat het stil bleef, maar toen hoorde hij, als van heel ver weg, een zacht kreunen. Snel ontspande hij zijn vingers, maar hij liet niet los. Het kreunen stopte. Weer kneep hij in het vlees, iets harder dit keer, en weer kreunde de worst, ook harder dit keer. Berends adem versnelde. Heel langzaam kneep hij zijn hand verder dicht. Het vlees werd plakkerig door de warmte van zijn huid en begon zich tussen zijn vingers door te persen. Het gekreun zwol aan tot een schor, gorgelend gekrijs, dat abrupt stopte op het moment dat Berend de worst doormidden kneep. Hijgend staarde Berend naar de stukken op de snijplank en de restjes gekookt vlees die aan zijn handpalm vastplakten. Zijn hoofd suisde.

Opnieuw een schreeuw, nu vanuit de keuken. Het geluid hield aan en begon te pulseren, alsof de adem in vlagen uit iemands longen werd gedrukt. Berend rende naar achteren en zag Willem grote brokken rund in de elektrische gehaktmolen gooien. Toen het vak boven op de molen vol was, draaide hij zich om en begon het varkensvlees dat op de werkbank lag in stukjes te snijden. Het malen van de vleesmolen kon het pul­serende geschreeuw van het vlees niet overstemmen en daarbij voegde zich nu de korte, droge kreten van de hamlappen. Berend klemde zijn handen om zijn hoofd. Vaag hoorde hij ergens het winkelbelletje en daarna zijn naam. Verdwaasd liep hij naar de winkel, waar de oudere meneer met zijn hondje aan de andere kant van de toonbank stond. De hond gromde.

‘Ach, mag hij wel zo’n stukje worst?’ vroeg de oudere meneer, terwijl hij over de toonbank naar de gekookte worst reikte die daar nog in stukken op de snijplank lag. Berend wilde hem tegenhouden maar de man had het vlees al gepakt en gooide het naar de hond, die het behendig opving. Het werd, met een korte, afgekapte kreet, in één keer weggehapt.

Berend probeerde zijn aandacht erbij te houden: bij de man die vroeg of hij ook voor aankomend weekend nog een rollade kon bestellen, bij de hond die zijn riem had uitgerekt en nu om de hoek van de toonbank naar de vleesresten op Berends hand stond te grommen, bij de nieuwe klant die binnenkwam en het winkelbelletje deed rinkelen en bij Willem die vanuit de keuken riep of hij even kon helpen met de molen. Berend gebaarde dat iedereen even moest wachten en liep naar achte­ren, waar de kreten waren opgehouden.

Willem stond te wrikken aan de vleesmolen, die was gestopt met malen. ‘Hij hapert,’ zei Willem. ‘Er zit denk ik iets vast.’ Toen Berend niet direct reageerde, zei Willem: ‘Kom dan helpen, sta daar niet zo.’ Het zweet stond op zijn voorhoofd.

Berend liep om het apparaat heen en keek of deze nog was aangesloten. ‘Willem,’ begon hij voorzichtig, ‘ik denk dat we even moeten praten.’

‘Nu toch niet zeg, hee,’ Willem begon de stukken rundvlees uit de bak van de molen te halen. Berend zuchtte en voelde aan de stekker, die stevig in het stopcontact zat. ‘Tis niet de stekker,’ zei hij.

‘Moment hoor!’ riep Willem richting de winkel. Hij haalde de bak van de molen en keek naar het maal­mechanisme daaronder. ‘Wacht eens…’

Berend liet het snoer door zijn vingers glijden, van het stopcontact tot aan het apparaat, waar de plug scheef in stak. ‘Ik denk dat dit er uit is getrild,’ zei Berend, en duwde de plug stevig terug in de machine.

Een verpletterend gekrijs weerkaatste tegen de tegels van de keuken. Berends handen schoten over zijn oren en hij kromp op zijn hurken ineen. Het vlees in de molen schreeuwde, maar daar bovenuit klonk de stem van Willem: ‘ZET AF ZET AF ZET AF!’

Berend rukte de stekker uit het stopcontact en het gekrijs verstomde. Vanchter de machine hoorde Berend zijn broer de keuken door strompelen, terwijl messen, borden en metalen schalen op de grond kletterden. Met stampend hart en een bonkend hoofd hees Berend zich aan de werkbank omhoog. In de hoek van de keuken zakte Willem zacht jammerend tegen de muur op de grond. Hij had zijn rechtervuist slordig in zijn slagersschort gewikkeld en klemde de pols stevig vast met zijn andere hand. De zwart-witgeblokte stof kleurde in hoog tempo rood.

Op de werkbank voor Berend lag het vlees dat Willem uit de bak had gevist: grote brokken rund, met daarop dikke glimmende rode spetters. Het RVS van de machine blonk in het TL-licht. Berend boog zich iets voorover en keek in de mond van de molen. Tussen de met bloed bevlekte messen van het maalmechanisme hingen flarden van iets, als afgestroopte worstevellen. Met trillende hand haalde Berend een stuk flard uit de machine en staarde naar het dunne, rozerode streepje vinger van zijn broer.

 

Berend stond op de stoep en keek naar de slagerij aan de overkant van de straat. De winkel was donker. Op het bordje aan de deur stond gesloten. Er was een papiertje onder geplakt met daarop in stiftletters: wegens omstandigheden. Berend dacht aan Willem, die nu aan de eettafel zou zitten, of in de grote stoel voor het raam. Zou hij onderhand al hebben ontbeten? Berend bedacht zich dat hij vandaag weer bood­schap­pen zou moeten doen, en hoopte dat hij in de super­markt een nieuw recept kon vinden. Hij zuchtte. De vegetarische maaltijden maakten Willems stem­ming er niet beter op, maar Berend durfde geen vlees te bereiden. Hij hoopte dat hij op tijd thuis zou zijn om de verpleegster te vragen hoe het ging met Willem, en met zijn hand.

Berend stak de straat over en stak de sleutel in het slot, maar hij duwde de deur niet open. Hij twijfelde. Om de slagerij maandag weer open te hebben, moest hij vandaag de boel opruimen, schoonmaken en in orde krijgen. Maar dan? Voorlopig zou Willem niet aan het werk kunnen. De verpleegster die elke dag het verband verschoonde sprak steeds van ‘als’, maar Berend zag aan zijn broer dat Willem niet geloofde in ‘wanneer’. Wat nou, als ze de slagerij niet meer open zouden doen? Wat nou, als ze de slagerij zouden verkopen? Op het moment dat hij het dacht, voelde Berend zich lichter worden. Hij draaide de deur weer op slot en zette koers naar huis. Heel voorzichtig klampte hij zich vast aan het idee, dat langzaam meer vorm kreeg.

‘Willem?’ Berend stak zijn hoofd om de hoek van de kamer. Zijn broer zat in de grote stoel bij het raam en staarde naar buiten. ‘Willem, wil je koffie?’

Maar Willem reageerde niet en bleef naar buiten staren. Berend schonk wat water in en zette het glas op het tafeltje naast Willems stoel. Zelf ging hij op de andere stoel zitten, en keek naar zijn broer. Willems ogen waren glazig, de huid onder zijn ogen was grauw en slap.

‘Willem,’ begon Berend, ‘we moeten misschien even praten.’

Willems ogen volgden een mevrouw met een door­zichtige paraplu die aan een lange rode riem een hondje uit een perkje probeerde te trekken, maar het hondje bleek sterker dan het er uitzag en bleef op scheve pootjes scharrelen tussen het onkruid.

Er was geen goede manier om de vraag te stellen, dus Berend stelde hem maar gewoon: ‘Wat als we de slagerij verkopen?’

Langzaam draaide Willem zijn hoofd. ‘Dat meen je niet.’

Berend knikte.

‘Wat een onzin. We hebben het pa beloofd.’

‘Jij zou de slagerij overnemen, niet ik.’ Berend haatte het als zijn stem zo klein klonk.

‘Opa is de slagerij begonnen, pa nam hem over en wij gaan er ver­domme mee door. MEERTENS & Zn. staat er op de gevel, of niet?’

Berend antwoordde niet.

‘Of niet!’ schreeuwde Willem.

Even was het stil.

Berend keek van het verband om Willems hand, waar aan de bovenkant een klein streepje donkkerrood opbloeide, naar zijn eigen vingers, die zenuwachtig aan elkaar pulkten. ‘Wanneer kom je weer terug in de slagerij?’

Willem draaide zich naar het raam. De mevrouw had het hondje eindelijk uit het perkje weten te trekken en liep de hoek van de straat om.

Berend voelde zijn handen klam worden. ‘Je komt toch wel terug…?’

‘En dan?’ vroeg Willem, ‘Denk je dat ik de rest van m’n leven in de winkel ga staan? Als een bediende? Ik ben sláger, ik hoor het vlees te maken!’

‘Je bent dan toch nog steeds slager,’ probeerde Berend.

‘En als ik daar dan in de winkel sta, met één hand en één verminkte stomp die nog het meest op droge worst lijkt – denk je dat de klanten zo’n slager dan nog serieus nemen? En komen ze ooit van het idee af dat mijn vingers misschien wel in hun gehakt zitten?’

Berend hield zijn mond. Hij dacht er aan dat hij straks alleen in de slagerij zou staan en dat al het vlees door zijn handen zou moeten. Misschien zou hij een hulpje aan kunnen nemen om de klanten te helpen, maar er moest wel iemand aan het werk in het slachthok. In de keuken. De vleesmachine bedienen en de worst snijden. De lendes en de hamlappen. De rode stukken rosbief met hun grove vezelstructuur, die bloeden als je er op drukt. Die krijsen als je er een mes in zet. Berend rilde.

‘We hebben het pa beloofd,’ zei Willem zacht, en slikte. ‘Hij ziet ons in de slagerij, in dezelfde winkel, dezelfde klanten helpen als hij deed.’

‘Hij ziet jou,’ zei Berend, terwijl hij zijn neus in de elleboog van zijn trui afveegde, ‘niet mij.’

‘Pa zou trots zijn, dat weet je.’

‘Pa zou weten dat ik het alleen voor hem doe.’

Willem keek weer naar buiten. ‘Ik zie hem zo weer voor me. Ritmische halen aan die ouderwetse gehaktmolen. Zekere, geoefende handen die de worst draaien.’ Willem drukte zijn verbonden hand tegen zijn borst.

‘Maar we zullen de slagerij ooit moeten verkopen,’ zei Berend, ‘MEERTENS & Zn. houdt op bij ons.’

Willems ogen glinsterden. ‘Dus moeten we de slagerij zo lang mogelijk draaiende houden.’

 

Berend keek naar de slagerij aan de overkant van de straat en haalde diep adem. De lucht boven het pand was donkergrijs. Het viel hem op hoe slecht de gevel eigenlijk in de verf zat. Berend stak de straat over, stak de sleutel in het slot en duwde de deur open. Het winkelbelletje rinkelde. De tegels op de vloer waren viezig en de ramen moesten nodig worden gelapt. De aanbiedingen van vorige week stonden nog op het bord. Berend zuchtte en draaide de deur achter zich op slot. Hij liep om de toonbank heen en stapte over de snijplank die op de grond lag, met stukken worst er om heen. In de keuken deed hij de lampen aan, die zoemend en knipperend tot leven kwamen. Op het aanrechtblad en om de kraan zaten rode vegen. Berend staarde naar de theedoeken die in roodbevlekte prop­pen in de gootsteen lagen.

‘Ja,’ zei hij na een poosje tegen de lege ruimte.

Met vastberaden blik trok hij zijn jas uit, hing deze aan de kapstop onder de klok en haalde roze, plastic handschoenen uit het keukenkastje. Terwijl Berend een emmer vol liet lopen, poetste hij de vegen op het aanrecht weg. Hij deed ook in de winkel en het slachthok de lampen aan, zette de radio aan en begon de slagerij schoon te maken.

Al kon hij de zwart-witfoto in de winkel vanuit de keuken helemaal niet zien, Berend voelde hoe pa’s ogen hem volgden en in de gaten hielden. Ja pa, dacht Berend, morgen is het maandag. Hij schrobde de gootsteen en de kastjes onder die vorsende blik. Ja pa, dacht Berend, ik zal er zijn, voor je klanten. Hij zette nog meer druk op de schuurspons, tot zijn knokkels wit waren. Als een echte Meertens. Berend voelde de hoofdpijn weer opkomen, maar poetste door.

Halverwege de middag was de winkel schoon, was de slachtruimte schoongespoeld en was het grootste gedeelte van de keuken weer aan kant. Alleen de vlees­machine moest nog schoon. Naast de molen stond nog steeds de bak met brokken rund, toegeëigend door een aantal dikke zwarte vliegen. Berend droeg de bak met gestrekte armen naar de koelcel en kieperde het leeg in het afgesloten afvalvat. Met een mat geluid vielen de rode, opgedroogde stukken vlees op het vet, de zenen en de botten in de emmer.

Met zijn kaken stijf op elkaar geklemd spoelde Berend het maal­mechanisme van de vleesmolen schoon. Het vel en het vlees van Willems vingers had hij er direct na het ongeluk kokhalzend uitgepulkt om mee te nemen naar het ziekenhuis, hoewel dat eenmaal daar geen zin bleek te hebben gehad. Er tikte iets in de metalen bak waarin Berend het mecha­nisme schoon­maakte. Berend fronste en roerde langzaam met zijn gehandschoende vingers door het bloederige water tot hij iets hards voelde. Hij pakte het op en hield het omhoog, maar zijn hand trilde zo dat de nagel die hij uit het water had gevist tussen zijn vingertoppen door glipte.

Met ongefocuste ogen en slappe benen werkte Berend door. Zijn hoofd was te vol en te druk om goed na te denken. In gedachten hoorde hij keer op keer het verpletterende gekrijs tegen de tegels weerkaatsen: het rauwe geschreeuw van het vlees in de molen met daar bovenuit Willems gegil en het wanhopige zet af zet af zet af.

 

Doodop en met een bonkend hoofd kwam Berend thuis. Hij liet zijn jas van zijn schouders op de grond glijden en sleepte zichzelf de trap op.

Vanuit de woonkamer riep Willem: ‘Wat voor eten heb je?’

Berend draaide zich om, sjokte de trap weer af, raapte zijn jas op en trok deze aan terwijl hij de deur weer uit liep, richting de supermarkt.

Die avond maakte Berend een simpele stamppot, waar Willem commentaar op leverde. Na het eten waste hij niet direct af, wat Willem afkeurde. Berend wilde niet over de slagerij praten, maar Willem bleef vragen of er nog genoeg voorraad was voor morgen. Hij had een bestellijst gemaakt die hij onder Berends neus schoof en hem op het hart drukte daar morgen­ochtend direct mee aan de slag te gaan. Berend knikte en ging naar boven.

Eenmaal in bed dacht hij aan de volgende dag en aan al dat vlees waar hij worsten van moest draaien. Aan de messen die hij nodig weer zou moeten slijpen. Aan het nepvarken dat in de etalage hing en aan de grote stukken echt varken die in de koelcel op hem lagen te wachten. In zijn slaap hoorde hij het vlees om hem roepen, maar zo gauw hij het aanraakte begon het onbedaarlijk te krijsen en smolt het onder zijn handen tot een slijmerige, bloederige smurrie.

 

Met zijn hoofd zwaar in zijn handen leunde Berend op de toonbank. Er was nog geen enkele klant geweest, hoewel het briefje niet meer op de deur hing. Willem zou die middag nog even langskomen, had hij gezegd, maar Berend vroeg zich af of zijn broer het had gemeend. Berend zuchtte en keek op de klok. Zijn ogen schoten onwillekeurig naar links, naar het portret dat ernaast hing. Pa staarde hem doordringend aan in zwart-wit. Berend keek terug, zonder te knipperen. Hij draaide bij, hief zijn kin op en keek het portret strak aan.

Ik sta er, dacht Berend. Hier, ik sta er. IK.

Zijn ogen vernauwden zich en begonnen te prikken. Elk moment nu, kon zijn blik een gaatje in het glas boren. Hij kon het smeulende papier al bijna ruiken.

Berend schrok van het plotselinge winkelbelletje en knipperde. Hij draaide zich om en wreef in zijn ogen, die nog steeds prikten.

‘Goedemorgen, slager,’ knikte een oudere dame in een geruite jas en bijpassende sjaal. Zonder op ant­woord te wachten, bracht ze haar neus vlak bij de vitrine voor de toonbank en fronsde naar de vele lege schaaltjes. ‘U heeft niet zoveel keus vandaag, hm?’

Berend slikte een antwoord in en bekeek de vrouw. Ze droeg grote, hangende oorbellen, die haar oorlellen uitrekten. Bij iedere beweging van haar hoofd zwaaiden de oorbellen heftig heen en weer. Berend zag dat de gaten in haar oren ook waren opgerekt. Het vlees van de lellen was donkerder dan haar hals en had wat bruinige vlekjes. Berend vroeg zich af wat voor geluid het zou maken als hij er in sneed.

‘Of heeft u dat niet?’

De vrouw stond recht voor hem, met haar keurig ingekleurde wenkbrauwen hoog opgetrokken. ‘Ik zei, of heeft u dat niet?’

‘Eh, sorry,’ zei Berend, en wreef weer in zijn ogen. ‘Wat wilde u hebben?’

De vrouw klakte afkeurend met haar tong.

Even keken ze elkaar zwijgend aan over de rauwe stukjes vlees in de vitrine, totdat de vrouw de stilte doorbrak: ‘Karbonades,’ zei ze, ‘vier stuks.’

Berend keek naar wat hij had liggen. ‘Die moet ik even van achter halen, moment.’

‘Tsssss’, deed de vrouw, terwijl Berend naar de koelcel liep. Hij pakte een schaal uit de keuken en legde er in de koelcel een dozijn karbonades op. Met benauwde blik pakte hij elk stuk vlees heel voorzichtig beet, zodat hij er niet in zou knijpen. De karbonades gaven geen kik.

‘Kijkt u eens,’ zei Berend terwijl hij de schaal in de vitrine onder de toonbank zette. Hij pakte grote vellen duplexpapier en begon de karbonades in te pakken. ‘Vier prachtige stukjes vlees.’

‘Hm,’ zei de vrouw, en keek naar het krijtbord in de etalage. ‘Zijn ze niet meer in de aanbieding?’

‘Nee, deze week niet meer, helaas,’ zei Berend zonder op te kijken.

‘Hm.’ Ze viste haar portomonnee uit haar handtas en keek Berend aan.

‘Dat was het? Acht euro tachtig, wordt het dan.’

De vrouw legde een hand vol kleingeld op de toonbank. Er liepen kleine rode adertjes over de achterkant van haar hand. Haar vingers leken wat opgezwollen en de huid om haar zorgvuldig gelakte nagels stond strak. Die huid deed Berend denken aan frankfurters. Het vlees zou vast hoog en schril gillen, als hij die worstjes door zou hakken.

‘Een tasje!’

Berend huiverde en keek de vrouw geschrokken aan. ‘Ja, natuurlijk,’ zei hij en griste een plastic tasje van de haak achter de toonbank. Gehaast deed hij de karbonades er in en gaf het aan de vrouw, die het met opgetrokken wenkbrauwen aannam en hoofd­schud­dend de winkel uitliep.

Berends blik zakte naar de karbonades in de vitrine. Het waren dikke, roze stukken stevig vlees, met een helderwit randje vet en de rib er nog aan.

Zouden ze gillen, vroeg hij zich af, of zouden ze schreeuwen?

Berend liep naar de koelcel en keek om zich heen. Zijn hoofd klopte. Hij begon tournedos, steaks, runder­lendes, oerhammetjes en kalfs­niertjes in zijn armen te laden. Achterovergeleund draaide hij zich om, liep naar de keuken en stortte alles uit op de grote werktafel. Terug in de koelcel legde hij lamsbouten, lamsschouder en gepikeerd gebraad op de grote bak met al gemalen gehakt en zette dit bij de rest. Berend ver­zamelde de worsten die aan het rek naast de deur hingen en haalde de rij gevilde konijnen en geplukte kippen van de haken. Hij bekeek de smalle, kale dieren die in twee enorme vleestrossen hulpeloos aan zijn vingers hingen en plofte ze op het werkblad.

Berend deed een stap achteruit. Met bonzende slapen haalde hij het grote, platte hakmes van de muur. Hij overzag het vlees dat voor hem lag met een blik vol achterdocht, terwijl hij het mes scherpte aan de keramische slijpstaaf. Hij meende een zacht gejammer te horen. Een klagelijk geluid, net op de grens van zijn gehoor.

Hij legde de slijpstaaf weg en hief het hakmes hoog. Recht voor hem, op het glanzende RVS, lag het grootste braadstuk dat de slagerij verkocht. Duivels­gebraad, dat zachtjes leek te ademen. Met alle kracht die hij in zijn armen had, liet Berend het hakmes neerkomen op het vlees. Het mes ging er bijna in één houw doorheen en de punt kraste schril op het werk­blad. De schreeuw van het braadstruk was zo luid dat Berend naar zijn oren wilde grijpen. Maar hij hield het mes vast en begon in te hakken op de konijnen, de kippen en de lamsbouten. Het vlees gilde en krijste en Berend krijste mee, probeerde het gegil te over­stemmen. Hij pakte een tweede mes en hakte met venijn in op elk stuk roze varken, rund of kalf wat hij onder zijn messen kon krijgen. Het gegil zwol aan en leek oneindig door te echoën. Hij liet het mes vallen en begon schreeuwend en huilend met zijn handen het vlees verder uiteen te rijten. Zijn hoofd was volledig gevuld met wanhopige kreten en het gebonk van zijn eigen hartslag.

Hijgend en snikkend stond Berend in de keuken van de slagerij. Zijn hele lichaam trilde en zijn benen voelden slap. De verschillende stukken vlees begonnen weer te jammeren, te loeien en te mekkeren. Door zijn tranen heen keek hij naar de ravage op de werkbank, en in die roze-rode ravage viel hem een klein, wit botje op. Met zijn pols wreef Berend over zijn ogen. Het was een vorkbeentje, dat recht omhoog stak uit een aan flarden gerukte kip. Berend leunde voorover en plukte het botje uit de vogel, die kreunde. Hij bekeek het bijna hoefijzervormige beentje van alle kanten in het TL-licht. Het was nog helemaal gaaf. Een wensbeentje.

Berend pakte de twee uiteinden van het wensbeentje vast en sloot zijn ogen. Hij trok zijn handen uit elkaar en het botje knapte in twee ongelijke stukken. Met zijn blik op het kermende vlees, bracht Berend langzaam zijn linkerhand richting zijn linkeroor. Toen hij het halve beentje in zijn oor voelde, stootte hij het daad­krachtig met de scherpe punt naar binnen. Het botje prikte door zijn trommelvlies en Berend hapte naar adem. De pijn was plotseling en hevig en zijn oor begon te suizen, maar het gejammer en geblèr leek zachter.

Hij bracht zijn rechterhand, met het grootste gedeelte van het wensbotje, richting zijn rechteroor. Met iets meer moeite kreeg hij het recht voor zijn gehoorgang. Hij sloot zijn ogen en prikte. De pijn was verblindend: het was alsof iemand met de punt van een scherp mes langs de binnenkant van hoofd schraapte. Een plotselinge duizeligheid overviel Berend en hij verloor zijn evenwicht. Hij probeerde de rand van de werktafel nog vast te pakken maar maaide alleen stukken vlees op de grond terwijl hij neerging.

 

Willem deed een stap achteruit zodat de man de slage­rij kon verlaten. Hij knikte vriendelijk, maar de man zette zijn kraag op en mopperde dat ze de slagerij niet open moesten doen als er niemand was om hem te helpen. Willem keek de man verward na en liep naar binnen. Het belletje rinkelde. Er stond niemand achter de toonbank en hij hoorde geen geluid vanuit de keuken of het slachthok.

‘Berend?’ Willem liep naar achteren.

‘Berend?’ vroeg hij opnieuw, maar zijn adem stokte in zijn keel. In de keuken, op de grote RVS werktafel, lag een enorme hoeveelheid vlees. Het moest bijna al het vlees zijn wat ze nog in de slagerij hadden en het was zo goed als volledig aan stukken, totaal onbruik­baar.

Toen zag hij zijn broer liggen, tussen meer brokken en flarden vlees, op de zwart-witte tegels van de keukenvloer. Berend had zijn ogen open maar leek niets te zien. Uit beide oren liep een straaltje helder­rood bloed, dat zich verzamelde onder zijn achter­hoofd.

Willem knielde naast hem op de grond en begon te sjorren aan het lichaam dat slap in zijn handen was. ‘Berend!’

Heel langzaam draaide Berend zijn hoofd. Zijn ogen waren dik en rood van de tranen.

‘Waarom antwoordde je niet?’ vroeg Willem, ‘Wat is er gebeurd?’

Maar Berend hoorde Willem niet. Het suizen in zijn oren wilde maar niet ophouden en zelfs plat op de grond bleef hij zich duizelig voelen. Willem trok Berend half omhoog en zette hem met zijn rug tegen de tafelpoot. Hij zei iets en stond op. Willem liep naar het kleine koffietafeltje en pakte een keukenstoel. Heel langzaam hielp Willem met één hand Berend op de stoel. Hij knielde voor hem, terwijl zijn verbon­den hand op Berends knie rustte, en zei weer iets. Berend knikte maar. Hij zag hoe Willem naar de telefoon liep die naast de deurpost in de winkel hing, een nummer intoetste en met een bezorgde blik op Berend een kort gesprek voerde. Daarna knoopte hij zijn slagersschort om, waste hij zijn ene hand en prutste om de andere een plastic handschoen.

Berend sloot zijn ogen en haalde diep adem. De pijn was er nog, maar niet meer zo hevig als eerst. Het suizen werd minder en minder en maakte plaats voor een diepe, dikke stilte. Berend glimlachte en opende zijn ogen. Hij zag hoe zijn broer de stukken vlees in grote schalen had verzameld, die nu op de werkbank naast de vleesmachine stonden, klaar om als gehakt te eindigen.

Willem zette de radio aan. Wat er precies was gebeurd, zou hij nog wel vragen, maar nu moest hij eerst maar opruimen. Gelukkig was de dokter onder­weg. Vreemd, hoe tevreden zijn broer er uit zag, zittend op de keukenstoel, met bloed op zijn kaken en in de haren van zijn nek. Willem stak de stekker van de vleesmachine in het stopcontact, controleerde of de plug goed in het apparaat zat en zette hem aan. Even, met een blik op zijn verbonden hand, huiverde hij bij het geluid, maar wat moest gebeuren, moest gebeuren. Hij pakte de schaal met lamsvlees en kieperde deze in de bak van de vleesmolen.

Op het moment dat de eerste stukken vlees de messen raakte, greep Berend naar zijn oren en slaakte een hartverscheurende kreet. Het vlees gilde. Het schreeuwde. De lamskarbonades krijsten zo hard ze konden, in de oorverdovende stilte in Berends hoofd.

Schedel kussen : Jaap Boekestein

De zon gaat onder en wij verschijnen. Wij zien nooit de zon, wij leven in het land van duisternis, mist, padden en verloren zielen. Onze gasten vinden door middel van paden met gekleurde lampions hun weg naar de baishun-yado, of ze worden per boot gebracht door de amanojaku veermannen.

Wie het Rode Wolken Huis bereikt, is een gast, zolang ze kunnen betalen natuurlijk. De ponbiki Hayate verwelkomt hen, buigend en slijmend: ‘Welkom! Welkom! U vereert ons met uw aanwezigheid o-kyaku-sama. Welkom! Welkom! Wij hebben rijstwijn en meisjes, muziek en dobbelstenen.’

Lang voordat de eerste gasten arriveren, zijn we klaar, helemaal opgetut. Iedere nacht heb ik hetzelfde ritueel. Zorgvuldig zoek ik de witste maden uit en plak ze op mijn naakte schedel.

‘Broeders, zusters, gedraag je zoet,’ zing ik en ze gehoorzamen altijd. Het levende vlees vormt een knap gezicht en menige klant heeft mij complimentjes gegeven voor de warmte en zachtheid van mijn wangen. Natuurlijk zijn maden alleen niet genoeg. Mijn robijnrode lippen zijn twee verse kippenhartjes, mijn wimpers zijn hoogst elegante rupsen, harig en zwart. Mijn wenkbrauwen zijn hongerige bloedzuigers en mijn haar bestaat uit honderden van de fijnste spinnenwebben. Enkel mijn ogen zijn van mijzelf, en mijn tanden, maar ik maak die zwart met houtskool. Mijn ogen zijn al perfect: groot, glanzend, als de reflectie van een tweelingmaan in een midder­nachtelijk meer, zei een dichter eens. Ik was beroemd om mijn ogen, lang voordat ik beroemd werd voor mijn verraad.

Er is ongeveer een dozijn van ons, de shofu.

Soms een paar meer, soms een paar minder. Het is moeilijk om ergens zeker van te zijn op deze plek.

Mijn naam?

Noem me Yoru no himegimi, nachtprinses.

Betaal me en je kan mij inbaifu, hoer, noemen als je dat wilt. Behaag mij en ik fluister mijn liefdesnaam in je oor, net voordat je in slaap valt. Het is Jaden Vlinder. Shhs! Slaap!

Daimaō Furui noemt mij bij mijn liefdesnaam.

Vannacht is het druk, een groep samoerai schept op over de grote veldslag waarin ze gevochten hebben. Hoe ze Mongoolse invallers doodden in de bossen rond Hakata Baai. Hoe ze allemaal helden waren die de eilanden hebben gered.

Leugenaars, allemaal, stuk voor stuk. Van mensen weten alleen de verdoemden, de vervloekten, de verraders en lafaards hun weg naar het RodeWolken Huis te vinden. En ze zijn ook nog eens morsdood. Ik vraag mij af wat de misdaad van deze krijgers was, al die eeuwen geleden. Lieten zij hun heer op het slagveld in de steek, verraadden zij hun strijdmakkers aan de buitenlandse duivels, sloegen ze eerloos op de vlucht?

Ik besluit dat het mij niets kan schelen. Oude leugens van oude geesten. Laat ze zingen, laat ze vrolijk zijn, hoor hun lege lach aan en laat ze hun rijstwijn morsen die nooit hun dorst zal lessen en nooit hun herinne­ringen zal verzachten. Dit is het Rode Wolken Huis, en er wordt verteld dat geen enkel mens ooit rust zal vinden in het huis van de duizend geneugten. Oni, tengu en andere yōkai?

Zeker! Natuurlijk. Maar niet degenen die ooit sterfelijk waren, degenen die nu dood zijn.

Ze zeggen veel dingen over het Rode Wolken Huis. Er doen zoveel verhalen over ons de ronde.

Misschien zijn ze allemaal waar, misschien geen enkele. Mijn favoriet is dat de liefde van een sterveling je kan bevrijden uit het Rode Wolken Huis.

Ik droom soms over dat verhaal, wanneer mijn vingers de snaren van de koto beroeren.

Ja, het instrument klinkt een beetje vals, voor eeuwig en eeuwig.

Dat soort gedachten maakt mij melancholiek, wat een slechte eigenschap is voor shofu. Maar ik vermoed dat elk van ons meisjes droevig of melancholiek is achter onze geboetseerde gezichten.

Slechte drank, slecht eten, bedroefde hoeren. Dat is het Rode Wolken Huis.

Het is het enige wat de verdoemden hebben.

Oh, waarom maakt de droom om bevrijd te worden door de liefde van een sterveling, mij droevig? Omdat ik wil dat het gebeurt. Ik wil vrij zijn, om weer een onderdeel van het Grote Wiel te worden, zodat ik her­boren kan worden als een hond, een vis, een slak, wat dan ook!

Er zijn echter geen stervelingen in het Rode Wolken Huis. Demonen, trollen, geesten, de verdoemden… Van alles, behalve stervelingen.

Er zijn zoveel vormen, zoveel soorten wezens, zelfs ik ken ze niet allemaal. Sommige van hen zijn werkelijk afschuwelijk, anderen zijn van grote schoonheid. En wat betreft geliefden… Groot of klein, dood of demon, angstaanjagend of meelij wekkend, ze zijn allemaal verschillend en toch hetzelfde. Wil je een vrouwen­geheim horen?

In bed ben ik de meester van hen al. Zij willen hun genot, hun ene eeuwige Hemelse moment. Zij hebben mij nodig, ik kan ze geven wat zij willen, of het hen ontzeggen door onhandig te zijn, of niet te reageren, door te huilen of te lachen.

Oh, het spijt mij. Het spijt mij heel erg. Maakt u zich geen zorgen, volgende keer, ja?’

Ik ben hun meesteres, ongeacht hoe kort het moment ook is. Boer, priester, krijger, shogun, buig voor mij, vereer mij!

Ach, de dwaze dromen van een dwaze vrouw.

Om deze droom moet ik wel lachen.

Zal daimaō Furui het Rode Wolken Huis bezoeken, vannacht?

Als hij komt, zal hij om mij vragen.

En als ik niet beschikbaar ben, zal hij wachten, drinkend en gokkend, kijkend naar de artiesten, luisterend naar de verhalen en leugens.

Ik ben zeer vereerd dat hij mij verkiest. Hij is een belangrijke Heer en een plezierige minnaar. Hij heeft een witte sik en een rij kleine stekels die uit zijn rug groeit en die alleen ik mag zien en aanraken. Ik wilde dat hij geen demon was.

Ik kan de liefde van een demon niet gebruiken.

Kan het niet gebruiken, maar ik vind het wel prettig. Ik ben zeer vereerd.

Hij is er niet, dus ik zing, ik glimlach, ik vul drink­kommen en probeer mijn lichaam te verkopen.

Streel het zoet rottende vlees onder mijn kimono. Bestijg mij en mijn gele beenderen zullen je mannelijkheid om­armen. Kus mijn bloederige kippenlippen.

Het is een rustige nacht, de mensen en nietmensen zitten en drinken. Ze zingen en maken grappen en gokken. Ze hebben geen zin in vlees en beenderen. Nog niet.

De deur opent en een reus met een rode baard komt binnen. Oef! Wat een lelijke duivel! Zo groot!

Roze huid, overal haar, een gezicht gigantisch en vreemd. Alle is twee keer zo groot als het het zou moeten zijn. En zijn ogen! Die zijn afschuwelijk!

Ze zijn… rond, alsof ze elk moment uit zijn schedel kunnen springen, maar dat is nog niet eens het vreemdste. Ze zijn blauw.

Blauw! Ik lieg niet. Ze zijn echt blauw. Als de lege hemel net na een storm. Dat soort blauw. Heel raar.

Maar op de een of andere manier… ook aantrekke­lijk.

Ik moet mij schamen voor mijn vreemde smaak.

Zelf in het Rode Wolken Huis zijn mijn voorkeuren bizar te noemen.

Een van de veermannen moet hem naar het Rode Wolken Huis hebben gebracht. De reus staat in de deuropening en neemt alles in zich op. Het is zijn eerste keer hier, daar ben ik zeker van. Ik ben hier al een eeuwig­heid. Hij draagt vreemde kleren, grof en lelijk. Waar komt hij vandaan, de bergen?

Van onder de bergen? Wat is hij?

Ik heb geen idee.

Hij gaat in een hoek zitten.

Ik ben de eerste van de meisjes die naar hem toe durft te gaan. Nee, we kunnen niet sterven, maar we kunnen zeker pijn voelen.

Hij kijkt mij aan, met die vreemde blauwe ogen. Ze zijn als gaten in de hemel, bedoeld om je ziel op te zuigen.

‘Sake!’ zegt hij met een afschuwelijk accent.

Hij legt wat munten neer.

Ik wenk een dienjongen dat hij een hele kruik moet brengen.

Deze reus ziet er uit alsof hij een hele kruik sake kan drinken, misschien zelfs meer. Hij stinkt, ik vermoed dat hij smerig is.

‘Je naam?’ vraagt hij.

Wat ongemanierd! Ik ben verbaasd dat het ding kan praten. Het praat! Min of meer.

‘Yoru no himegimi,’ antwoord ik.

‘Yoru.’ Hij glimlacht.

Nee! Ik glimlach terug en schenk een kom voor hem in.

Hij pakt de kruik en giet de sake in zijn keel.

Met zijn handen gebaart hij dat ik van de kom moet drinken.

Dit wezen is even ongemanierd als een beest. Nee! Ik heb honden gezien met betere manieren!

De roodharige reus drinkt nog meer, en bestelt nog een kruik, en nog een. Hij zuipt alles op. Ik heb nauwelijks de sake van mijn kom aangeraakt. Hij leegt nog eens twee kruiken, wat hem de bewondering van de dienjongens oplevert.

En van mij, moet ik toegeven.

‘Yoru, jij neukt?’

Ik weet niet of hij nu dronken is, of dat hij alleen maar een paar woorden kent.

Maar kan ik neuken?

Ja. Dat is mijn lot. Voor eeuwig en eeuwig.

Maar ik heb mij nog nooit zo goedkoop gevoeld.

Dit beest behandelt mij als een stuk vee. Ik vermoed dat hij gewoonlijk varkens neukt in het midden van de nacht, of zoiets. Hij stinkt er genoeg voor.

‘Ik zou vereerd zijn,’ antwoord ik met zorgvuldig verborgen sarcasme. ‘Maar mag ik eerst een bad voorstellen om uw plezier te verhogen, gewaardeerde gast?’

Ik geloof niet dat hij mij begrijpt, want hij kijkt mij aan met die blauwe ogen. ‘Jij neukt, ja?’

Ik neem hem bij de hand en hij komt overeind.

Oh, hij is groot!

Hij is dronken, maar groot. Iedereen gaat opzij.

Glimlachend neem ik hem mee naar achteren, naar het bad.

Het duurt even voordat hij begrijpt wat ik wil dat hij doet. Pas wanneer ik mij uitkleed, mijzelf reinig en plaats neem in het warme water, begrijpt hij het.

Hij trekt zijn stinkende kleren uit.

Oh! Hij is groot! Ja, daar.

Hij maakt zichzelf niet eerst schoon, Nee!

Langzaam laat hij zichzelf in het water zakken.

Met afschuw bekijk ik hoe het bergbeest in bad zit. Hij vindt het lekker, hij zegt iets dat ik niet versta.

Ik glimlach, dat werkt meestal.

Is er een plek waar hij geen haar heeft?

Ongelooflijk! Ik begin hem te wassen.

Hij lacht, hij is voorzichtig en nieuwsgierig, hij laat mij mijn gang gaan.

Ik boen hem zoals ik een met bloed besmeurde kimono in een berg­stroom zou boenen.

Hij begint te fluiten. De haren in mijn nek komen overeind. Vervloekt hij me? Weet hij niet dat je onheil over je afroept door te fluiten?

Blijkbaar geeft hij niet om mijn geluk, of het zijne. Mijn hand pakt zijn mannelijkheid beet, dat zal hem het zwijgen opleggen.

Dat doet het, en het doet ook andere dingen.

Ah, dit is mijn ding, hier ben ik de baas.

Ik glimlach, de lelijke reus kijkt naar mij, zijn mond half open, zijn ogen half gesloten. Nog steeds zijn die doordringende blauwe ogen zichtbaar.

Plaag, plaag, plaag. Wanneer ik er zin in heb en de klant het mij laat doen, kan ik hem uren bezighouden op duizend verschillende manieren.

Met de eeuwigheid tot je beschikking, leer je een paar dingen.

Ditmaal plaag ik niet, niet al te lang in ieder geval. Zorg dat dat ding in de stemming komt, neuk het, glimlach en vertrek.

Ik doe al die dingen.

Ik klim uit het bad.

Het… het was niet zo slecht als het had kunnen zijn. Geen tanden op rare plaatsen. Ja, ik lieg niet, ik heb dat gezien, en engere dingen.

Zonder om te kijken, droog ik mijzelf af. Ik weet dat hij daar nog is, vies beestding, zittend in vies water, glimlachend. Hij is nog steeds dronken.

‘Yoru, bedankt.’

Ik kijk om, volkomen verrast. Bedankte hij mij net?

Hij zwaait loom.

Ik ga snel weg.

In de gelagkamer wacht mijn daimaō op me.

Mijn gezicht bloeit op van vreugde. Mijn demon­minnaar! Verfijnd, smaakvol, beschaafd. Hij gaat gekleed in een nachtzwart gelakt pantser. Ja, met u wil ik graag liggen.

Ik ben blij dat we ons terugtrekken in de beste kamer van de taveerne voordat de roodharige reus terug­keert van het bad. Ik wil niet dat daimaō Furui ziet met wie ik net geweest ben.

We blijven er heel de nacht.

 

De volgende nacht is hij terug.

Nee, niet daimaō Furui.

Ik bedoel de roodharige reus.

Hij staat in de deuropening en ziet mij. ‘Yoru!’ schreeuwt hij.

De andere meisjes giechelen Ze hebben mij uitge­hoord over het gigan­tische wezen en ik heb alles verteld, en wat dingen overdreven, misschien.

Ach, niet alles. Nu zijn de andere meisjes blij dat de reus mij wil in plaats van hen.

Ik heb geen keus, ik ga bij hem zitten. Ik glimlach terwijl hij kruik na kruik achteroverslaat.

Hij zegt niet veel, ik denk dat hij niet weet hoe. ‘Van ver weg,’ komt er uit zijn mond, zijn armen wieken wild. ‘Lang geleden, vrouw, niet gezien.’

Ik vraag mij af of zij net zo groot en harig is als hij.

‘Mis haar. Nam schip en vertrok. Was slechte dag om vertrek. Dag… Dag heer stierf.’

Tenminste, ik geloof dat hij dat zegt. Ik kan hem nauwelijks verstaan en wat het betekent weet ik niet.

‘Jij neuken?’ vraag ik hem in hetzelfde brabbeltaaltje als hij gebruikt. Ik wil dat het zo snel mogelijk over is. Vergeet goede manieren!

‘Ja.’

We slaan het bad over – Hayate was erg boos toen hij hoorde wat de reus had gedaan – en nemen een van de kamers. Dit keer stinkt hij in ieder geval niet zo vreselijk.

We neuken.

Het is niet slecht. Hij is groot, maar erg voorzichtig met mij.

Daarna zegt hij weer: ‘Dank je.’

Ik heb slechtere minnaars gekend.

Die nacht komt daimaō Furui niet.

Ik zit en zing. De meiden vragen of hij mij pijn heeft gedaan en ik vertel hen leugens, die hen laat rillen en met hun ogen laat rollen. Van binnen glimlach ik. Wat zullen ze bang zijn, de volgende keer als de roodharige reus een van hen kiest!

 

‘Yoru, ik vind je leuk.’

Het is de vijfde nacht. Iedere nacht keerde hij terug. Iedere nacht sliepen we met elkaar.

Je kan aan zoiets wennen, je kan er zelfs naar uit gaan kijken.

Ik… Nee, laat maar.

Het is de eerste keer dat hij dit zegt.

Hij heeft zijn arm, massief, groot, zwaar, om mij heen. Ik kan niet ontsnappen. Zijn zweterige, harige lijf ligt tegen het mijne.

Wat vreselijk! Wat walgelijk!

Wat… comfortabel.

Hij is zo groot, zo beschermend. Niets kan mij pijn doen als hij er is.

Misschien ben ik dronken. Heb ik te veel van de sake gedronken? Wat een vreemde gedachten!

Blauwe ogen kijken in de mijne.

‘Ik voel mij goed,’ antwoord ik. ‘Erg goed.’ Ik lieg niet eens.

Soms verbaas ik mijzelf. Ik ben een dwaze vrouw.

‘Yoru, ik ga je missen.’

‘Vertrek je?’ vraag ik. Het is een voor de hand liggende vraag.

‘Ja, met schip. Lange reis terug. Stormen.’

Hij is een onbeschaafde reus, een harige aap.

Hij is niets vergeleken met daimaō Furui. Maar men kan er aan wennen om op plezierige wijze geneukt te worden en achteraf te worden bedankt, om in zijn grote, grote armen te liggen. Plots voel ik droefheid, voor het naderende afscheid. Ik haat afscheid nemen.

Er is ook iets anders. Iets knaagt aan mijn gedachten. Iets wat een gast maanden geleden had verteld. Het was een nieuwe geest, een bediende die zijn eigen leven nam, zijn hart gevuld met haat voor zijn meester. Zei hij niet iets over barbaren die van ver weg kwamen? Met een schip? Chikushō, noemde de geest hen. Ik kan me er niet veel van herinneren. Onze gasten komen van allerlei plaatsen en tijdperken, sommigen van heel lang geleden.

Welke keizer regeert er momenteel in het land der levenden? Welke dingen gebeuren er buiten ons nachtelijke bestaan? Ik weet het niet. Misschien hoor ik die dingen een keer, misschien niet, het doet er allemaal niet toe. De beslommeringen van de sterfe­lijke wereld hebben zeer weinig invloed op ons bestaan. Er zijn altijd oorlogen en geesten, geweld en verdoemde zielen.

‘Ik zal je missen,’ antwoord ik. Dat zal ik zeker, en meer dan ik toe wil geven.

In stilte liggen we op de matten. Yoru en de reus.

Uiteindelijk is het tijd om op te staan.

Omdat het de laatste keer is, voelt alles vreemd aan. Ik kleed mij langzaam aan. Wil ik dat het nog net iets langer duurt?

Dwaze vrouw. Jij hebt de eeuwigheid. Zal je je deze harige aap over een eeuw herinneren? Waarschijnlijk niet. Maar het was vreemd, en ja, zoet. En nu is het over.

‘Kom je terug?’ vraag ik.

Hij grijnst, zijn grote apengrijns. ‘Ik hoop ja. Rijk. Ik koop je, ja?’

Als het zo gemakkelijk was…

‘Ja,’ antwoord ik.

Wij keren terug naar de gelagkamer, waar daimaō Furui op mij wacht.

Hij is blij mij te zien. Hij is niet blij om de roodharige reus te zien. Waarom? Misschien omdat de vreemde reus zijn hand op mijn schouder heeft.

Of misschien omdat hij mij beetgrijpt en in het openbaar omhelst. O vreselijke onbeschaafde aap!

Ik… Ik… In het geheim geniet ik van alle aandacht.

Ik heb een rare smaak. Ik worstel alsof ik het vreselijk vind.

Natte lippen op de mijne. Hij vindt de smaak van mijn mond lekker, zegt hij. De smaak van bloed. Mijn reus kust mij, en iedereen kan het zien!

Het is te veel voor daimaō Furui. Iedereen weet dat ik zijn favoriet ben. Door mij te beledigen, wordt hij beledigd.

Hij schreeuwt en valt aan.

Hij eert de reus niet door hem te doden.

De daimaō’s zwaard legt enkel zijn wang open, een oppervlakkige wond. Het is een waarschuwing en een belediging.

De reus trek mij opzij en stapt voor mij. Om mij te beschermen.

Om mij te beschermen?

Ja echt!

Zijn hand gaat naar zijn wang, en kleurt rood.

Bloedrood.

Het rode bloed van een sterveling.

Een sterveling!

Ik ben niet de enige die het ziet. Iedereen in de taveerne kijkt naar hem, volkomen verrast. Een sterveling, hier? Maar hij ziet er uit als een demon.

Een lelijke demon!

Het doet er niet toe. Daimaō Furui zal hem nu doden. Zijn zwaard is getrokken, zijn woede is groot. Mijn roodharige reus – Hij kan geen sterveling zijn! Waar leven mensen zoals hij? Aan het eind van de wereld? – heeft geen zwaard. Hij draagt een grove dolk, maar daar heeft hij niets aan tegen de katana van een demon. Hij is zo goed als dood.

‘Ik zal je doden als de smerige hond die je bent,’ roept mijn daimaō. Hij beledigt de roodharige reus nog meer door zijn naam en afstamming niet te noemen. Honden zijn dat niet waard. Hij heft zijn zwaard.

Uit zijn gordel trekt de reus een korte, dikke stok. Hij wijst er mee naar de demonenheer en…

Flits! Rook! Een geluid als donder!

Iedereen schreeuwt! Iedereen vlucht voor deze sterke magie. Alle gasten van het Rode Wolken Huis zijn lafaards.

Daimaō Furui is dood, zijn hoofd is gespleten.

Overal zitten spatten hersenen en zwart bloed.

Ik vluchtte niet. Ik bevroor van angst.

Mijn reus draait zich om. Zijn gezicht staat droevig. ‘Ik ga nu.’

Ik weet dat hij mij niet met zich mee kan nemen. Geloof de dwaze verhalen niet. Het zijn allemaal leugens.

Ik kijk naar hem. Ik voel zoveel pijn!

Hoe kan pijn zo zoet zijn?

‘Wat is je naam?’ flap ik er uit. ‘Mijn naam is Jaden Vlinder.’ Ik geef hem mijn liefdesnaam.

Waarom?

Ik…

Neh.

Willem van der Decken,’ antwoordt hij. Ik heb geen idee wat de woorden betekenen.

‘Ik keer terug, op een dag,’ belooft hij.

Hij vertrekt in de duisternis van de nacht.

Ik blijf achter.

 

Vervloekt zijn zij die met geesten hebben gelegen en de wijn van demonen hebben gedronken.

Kapitein Van der Decken is erg ongeduldig op zijn weg terug naar Holland. Wanneer hij de Kaap van Goede Hoop rondt, werkt de wind hem tegen.

Zijn loods vraagt de roodharige kapitein of ze het slechte weer niet in Tafel Baai kunnen uitzitten.

‘Mag ik voor eeuwig vervloekt zijn als ik dat doe, wij blijven hier, al duurt het tot de Dag des Oordeels.’

Vervloekt en dubbel vervloekt.

Hel zal wraak nemen.

Ze zeggen dat de Vliegende Hollander van zijn vloek bevrijd kan worden als hij een vrouw vindt die voor hem uit liefde wil sterven.

Hij heeft niets aan een vrouw die al dood is.

Jammer genoeg.

 

Vergeet ik mijn harige reus?

Nee.

Hij laat het niet gebeuren.

Om de paar jaar ontvang ik een brief, bezorgd door een dode zeeman of een verdronken reiziger.

Ik heb Nederlands leren lezen, je kan een hoop leren gedurende de eeuwen.

Hij schrijft dat hij op een dag zal terugkeren, voor mij.

Ik weet dat hij dat zal doen.

Ik wacht er op.

De val van de Eremast : Floris Kleijne

Vier Dagen Geleden, Voor Zonsopgang

Met één voet in Mooks sloep aarzelde Ferdi. Het maan­licht schilderde een dansend pad van licht op het kalme water van de Delftse Schie. Naar het zuiden toe lag Rotterdam nog in sluimer, haar spaarzame ver­lichting weerkaatsend van de laaghangende bewolking. Vanaf de herfst leefden de Rotterdammers door het elek­tri­ci­teitstekort een groot deel van het etmaal in het duister.

Naar het westen strekten de restanten van Delft zich uit in het stervende duister van de ochtend. Even stelde hij zich voor dat hij de windmolens kon zien waarmee dit alles was begonnen, voorbij de stad, over de velden en achter de duinen.

Hij draaide zich om en klom weer op de kade.

‘Saladin.’

De gedrongen gestalte van zijn geliefde haalde de schouders op in het kille maanlicht. Ferdi kon nog net de melancholieke glimlach zien die om Sals mond speelde, de lippen die hij zo vaak had gekust omhoog gebogen maar gesloten, Sals ogen glanzend.

‘Het is nu nog niet te laat, Sal. We kunnen omkeren, naar huis gaan, de hele bliksemse bende vergeten, mijn positie als Groot-Alloceur opgeven. Nanoferdi ver­ge­ten. Ik hoef niet…’

Sal glimlachte met één opgetrokken mondhoek en schudde zijn kale hoofd.

‘Jawel.’

‘Saladin, ik…’ Hij overbrugde de afstand met één urgente stap en liet zijn armen om Sal glijden. Sal hief zijn gezicht en bracht zijn lippen naar die van Ferdi.

‘Nee, geen kus, alsjeblieft.’ Tranen stroomden nu ongebreideld over Ferdi’s wangen. ‘Geen kus die hij zich… die ik me straks niet meer kan herinneren.’

Even trok Sal zijn hoofd weer terug en keek hij Ferdi aan. De compassie in zijn blik bracht de laatste resten van Ferdi’s zwaar bevochten kalmte aan het wankelen.

‘Gelul.’

 

#

 

Met de zilte, rokerige smaak van Sals lippen nog op de zijne keerde Ferdi de sloep in een nauwe U-bocht naar het zuiden, richting Rotterdam. Zijn schokkende adem­haling verdronk in het gebrul van de buiten­boord­motor. De sloep trok een schuimende V in het opper­vlak van het Schie. Naar het oosten toe spatte de zon over de horizon; flarden mist speelden over de velden.

Misschien vergiste hij zich wel in Mook, was hun oude vriendschap zelfs nu nog wat waard. Misschien zou hij de tocht probleemloos maken, de zon langzaam links van hem zien opgaan terwijl de ruïnes van Rotje uit de blauwe waas aan de horizon opdoemden. Mis­schien zou hij de Mast bereiken en tot een vergelijk komen, met Mook, en met Va.

Ja, en misschien zou Utrecht morgen weer oprijzen uit het Glas. Dat Mook hem zou laten leven was nauwe­lijks waarschijnlijker. Ferdi grinnikte door zijn tranen. Dit was niet de manier om zijn laatste minuten door te brengen.

Misschien… er was nog wel een misschien. Zometeen, na het inschake­len van Nanoferdi. Misschien zou Sal, lieve, stoïcijnse Saladin, de kans krijgen om te ontdek­ken of een gedistribueerd neuraal nanonetwerk vol­doende van zijn persoonlijkheid had kunnen opnemen om… Wat? Een vriend te zijn? Lief te hebben?

Met zijn hand stevig aan de helmstok wierp Ferdi een blik over zijn schouder. Ver achter de sloep rees de hoogbouw van de oude Technische Universiteit in de ochtendlucht. Als hij zijn ogen dichtkneep, kon hij zichzelf wijsmaken dat hij een gedrongen gestalte op de kade zag staan.

Dit beeld wil ik vasthouden, dacht hij. Sal op de kade, Delft sluimerend in de ochtendschemer, en de wilde, juichende kleurenrijkdom van de opkomende zon. Laat dit het laatste zijn wat ik zie. Laat me dit vasthouden. Laat m

 

Schemering

Als ik wakker word, ligt het lab in schemering gedrenkt. De elektronen­microscoop aan de wand tegen­­over me is een imposante grauwe toren; de werk­banken lichtere rechthoeken; de binnendeur van de luchtsluis een glinstering in de hoek. Met de gedoofde TL-buizen resteert slechts het zwakke dag­licht dat door de gesloten lamellen sijpelt.

Maar toen ik in slaap werd gebracht, waren toch alle lichten aan?

En waar is Sal?

Terwijl mijn ogen het laboratorium scannen op zoek naar mijn inge­nieur en minnaar, dringt een nog urgen­tere vraag zich aan mij op. Waarom ben ik über­haupt in het lab wakker geworden? De kamer met de per­soonlijkheidsrecorder ligt verderop aan de gang, gescheiden van de cleanrooms, ver van het lab. Daar ben ik in slaap gebracht, met de opnamekap op mijn hoofd en Sal aan mijn bed, zijn hand in de mijne. Ik kan geen enkele goede reden bedenken waarom Sal me naar het laboratorium zou hebben verplaatst. We waren het erover eens dat mijn aanwezigheid waar­schijnlijk verstorend zou werken op Nanoferdi’s…

Ik voel geen kap op mijn hoofd.

Ik voel mijn hoofd niet.

En als ik naar mijn hoofd reik, gebeurt er niets.

Ik heb geen handen.

Onwillekeurig kijk ik naar beneden, maar hoewel mijn blikveld gehoor­zaamt aan mijn mentale com­man­do, voel ik van mijn ogen noch mijn hoofd enige be­weging.

En hoewel ik de gebogen glazen wanden en micro­manipulators in de hermetische cabine herken, lijkt mijn zicht onscherp, alsof ik door een soepige mist kijk. Een duizeling overvalt me, die nog verdubbelt als ik me realiseer dat het bodemloze gevoel geen maag heeft om zich in op te houden.

De waarheid dringt zich aan me op.

Ik ben Nanoferdi.

Een ogenblik lang schakelt de realisatie mijn geest uit. Als ik wangen had, zou ik breed grijnzen. Als ik een stem had, zou ik triomfantelijk naar Sal roepen. Als ik een vuist had, zou ik die in de lucht heffen.

Het duurt niet lang voor ik me realizeer dat ik die dinge

– directief: vormen –

kan krijgen met één simpele gedachte.

Een tinteling alsof mijn hele lichaam slaapt verge­zelt het gevoel van samentrekken, verdikken, dat net geen pijn wordt. De mist stolt. Mijn lijf, mijn benen nemen vorm aan in de cabine. Ons voorgepro­gram­meerde directief werkt perfect: mijn vorm vult zich, de con­tou­ren van mijn buikje worden zichtbaar, de kuil­tjes in mijn knieën, mijn brede handen. Na enkele tellen kan ik mezelf zien, een uitgerekte, half door­zichtige spiege­ling in de gebogen binnenkant van de cabine. Proprio­ceptie, het gevoel dat ik in mijn lichaam woon, keert terug.

Mijn wangen vormen die grijns. Mijn vuist schiet de lucht in. Ik roep:

‘Het is gelukt, Sal! Het heeft gewerkt!’

Maar mijn stem kaatst terug van het glas alsof hij de stilte intact wil laten, en het licht in het lab blijft koppig uit. En als mijn ogen langzaam wennen aan het halfduister, zie ik dat het een rommeltje is in het lab, iets wat ondenkbaar is voor Sal en zijn team. Twee krukken liggen omver, een cleansuit ligt slordig over de grond; een van de micro­mani­pu­lators is zelfs volledig van zijn basis gerukt. Het lijkt of ons lab, onze haven van orde en properheid, wetenschap en ratio, zich heeft aange­sloten bij de puinhopen buiten.

Plotseling is het de meest urgente zaak ter wereld om de cabine te verlaten.

Ik werp een blik op het codepaneel. Sal heeft er een notitie boven gehangen. In zijn kleine, nette hand­schrift vraagt hij me het kwadraat te nemen van de datum van onze eerste ontmoeting, en van het resultaat de laatste vijf cijfers in te toetsen. Een semi-autonome subsectie van mijn nieuwe lichaam geeft me het antwoord, en ik toets 33849 in, terwijl ik glimlach om Sals methode om zowel mijn geestelijke ver­mogens als mijn geheugen te testen.

De gebogen deur sist open.

Als ik de cabine uitstap, springen de lichten niet aan. Bij het opknappen van het lab heeft het team gekozen voor bewegingssensors, omdat die makkelijker te ver­zegelen waren dan gewone schakelaars. Toen ik de duisternis net voor het eerst opmerkte, was mijn aan­name dat Sal gewoon langer dan tien minuten weg was. Maar de chaos, en de weigering van de lampen om nu aan te springen, en, zoals ik nu zie, het feit dat zowel de binnen- als de buitendeur van de luchtsluis open zijn, en…

Het lichaam van Johanna ligt tussen twee werktafels, met drie schotwonden dicht bijeen op haar borstbeen; de ogen van onze programmeur staren naar het plafond alsof ze een uitzonderlijk complex algoritme probeert uit te werken, maar de ogen zijn droog en dood. Ik loop het lab uit tussen de gekraste en bescha­digde wanden van de luchtsluis, maar voor ik me kan herinneren wat daar op de muur zat, vind ik Han. Onze neuroloog hangt over twee bebloede stoelen. Maar goed dat de overdracht al is geslaagd, denk ik willekeurig. Kim, die bijna evenveel van nanotech wist als Sal, ligt half in een bezemkast.

Sal is nergens te bekennen.

Ik weet dat het me allemaal zou moeten schokken en verontrusten. Maar ik voel alleen een urgente drang om uit te vinden wat er is gebeurd. Om te ontdekken of deze nieuwe ontwikkeling onze plannen bedreigt.

Om Sal te vinden.

 

#

Ik vind Sal aan de voet van de hoogbouw van de TU. Zijn lichaam vormt een onwaardige, verfrommelde hoop in een plas half gestold bloed. Een kant van zijn gezicht ligt in de plas gedrukt, een oog staart me tegemoet, met een schijnbare uitdrukking van kalm onbegrip vanuit de vervormde oogkas. Zijn linkerhand ligt onder hem; de rechter toont beblaarde en verkoolde stompjes waar zijn vingers zaten.

Een blik omhoog toont me het versplinterde venster dat me voor vraagtekens plaatste toen ik onze ver­dieping doorzocht.

Mysterie opgelost, denk ik, en frons.

Voorzichtig kniel ik bij de plas en dwing mezelf om de geschonden vorm van Sal in me op te nemen. Als ik dichterbij kom wordt de vage geur van verval sterker, bijna tastbaar, meer een smaak dan een geur. Zijn ledematen liggen in hoekige vormen; zijn schedel is gruwelijk naar een kant gedrukt.

Hier ligt de eerste man van wie ik ooit heb gehouden, breng ik mezelf in herinneringen. Ik roep de beelden op van late avondwandelingen, die zeldzame over­gebleven fles wijn die we samen soldaat hebben gemaakt; de liefde bedrijven, zowel ruwer als meer intiem dan met alle vrouwen die ik heb bemind. Ik herinner me zijn geur, het gevoel van zijn sterke, behendige handen.

Ingenieurshanden.

Wat heeft Mook bezield om Sal te vermoorden? We wisten dat hij mij uit de weg zou ruimen; dat was zakelijk, of in elk geval wat Mook daaronder verstaat. Maar Sal? En niet alleen Sal: het hele team, dat decennia lang in het geheim geploeterd heeft om het Delftse lab tegen de klippen op operationeel te houden. Heeft Mook me zo gehaat, dat hij de zeldzame, onschatbare meerwaarde van een volledig functioneel nano­lab wilde offeren aan zijn wraakzucht? De verspil­ling verbijstert me.

Ik vraag me af of ik verdrietiger zou moeten zijn.

Vier dagen zijn voorbij, heb ik boven gezien. Vier verloren dagen, dagen die we nodig hadden. En zelfs zonder de klok in ons lab had de groenige tint van Sals huid me genoeg gezegd. Sal had mijNanoferdimeteen na mijn dood moeten activeren. Nu Sal dood is, en zoveel tijd verloren is gegaan, heb ik weinig vertrouwen meer in ons oorspronkelijke plan. Dat lijkt nu sowieso belachelijk naïef. Ik zal een actievere rol moeten spelen in het afzetten van Mook.

En niet alleen Mook, vermoed ik.

Het is tijd voor een bezoek aan de Burgervader.

 

#

Mijn nieuwe voeten roffelen de kilometers onder me vandaan. Het gebarsten, overwoekerde asfalt van de Rotterdamseweg wordt een veeg van groene en donkergrijze lijnen. Ik schiet een bus voorbij; het zes­span paarden lijkt stil te staan. De passagiers, waar­schijnlijk hoopvolle migranten onderweg naar het Schip Stad, zien me gelaten voorbij rennen; sommigen zwaaien zelfs.

Een kilometer onder Delft is de Schie verwijd tot een rommelig meertje. Brokstukken van Mooks sloep liggen verspreid rond de nieuwe water­massa. Een paar hoopvolle jutters neuzen door de restanten. De scherpe geur van explosieven besmeurt zelfs nu nog de lucht.

Ik zie geen delen van mezelf, en daar ben ik dankbaar voor.

Zo ver is mijn oude ik gekomen op zijn gedoemde tocht naar Mook. Ik voel alleen een vage melancholie, en een versterkt gevoel van urgentie dat mijn benen nog sneller doet bewegen. De neergestorte 747 ten noorden van Rotterdam echo’t het gevoel dat ik vlieg. Mijn spijkerbroek en overhemd klapperen als slecht gespannen zeilen. De wind van mijn voortgang giert langs mijn jukbeenderen, rukt aan mijn haar, schuurt mijn nieuwe huid tot ik begin te vrezen dat ik teveel van mezelf verlies.

– directief: pantser –

Mijn bots groeperen en trekken mijn huid strak; de luchtweerstand vermindert direct. Even overweeg ik een directief voor een meer aerodynamische vorm. Maar nee. Dit is snel genoeg.

En mijn menselijkheid is me dierbaar.

De brokkelige lijnen van Rotje kruipen over de horizon als het verrotte gebit in de onderkaak van de wereld. Ik dender de ruïnes van de oude havenstad in, langs een groepje Rotterdammers die geschrokken op­kijken van het open vuur waarboven ze God-weet-wat roosteren. Een straatvoetbalpartijtje stuift uiteen a;s ik het geïmproviseerde veldje doorkruis. Rotterdam was vroeger de grootste haven ter wereld, maar daar is natuurlijk weinig meer van over.

Behalve het Schip Stad.

 

#

Zwart en ongenaakbaar rijst het Schip Stad op uit het havenbekken, de huizenhoge letters MSC op de flank even vergeeld en rafelig als de naam ‘Oscar’ op de achtersteven. Pas als ik de laatste grote benzinesilo voorbij ren, realiseer ik me dat ik te snel ga, dat mijn aanstormen op een aanval lijkt. Ik rem mijn sprint tot een gemoedelijke jog, maar het is te laat.

Eerst de flits, vanuit de deuropening halverwege de flank van het Schip; dan de droge knal, die tussen de silo’s galmt; en direct daarop de inslag in mijn buik

– acuut trauma! – onderscheppen – afbuigen –

die me om mijn as doet spinnen en achterover werpt. De kogel trekt een onplezierige, gloeiendhete baan door mijn buik en borst

– afremmen – afkoelen –

alvorens tot rust te komen in mijn schouder.

– afbreken –

Het lood is welkom.

Heel langzaam krabbel ik overeind, mijn handen heffend zodra ik ze niet meer nodig heb voor balans. Mijn blik volgt de loopplank naar boven. Opgelucht herken ik de gestalte die haar geweer nog steeds op mij gericht houdt: een van de parttime-soldaten die het Schip bewaken voor de Burgervader. Ik denk dat ik haar naam nog weet.

‘Rami!’

Ze reageert niet, en de loop blijft bewegingloos op me gericht terwijl ik met mijn handen in de lucht naderbij loop. Ze reageert niet, maar ze schiet ook niet opnieuw. Ik hoop dat dat betekent dat ze heeft gezien wie ik ben.

Als ik dicht genoeg ben genaderd, bevestigt ze die hoop:

‘Jij bent dood, Groot-Alloceur!’

 

#

Rami volgt me zwijgend door de doolhof van roestige stalen gangen, nauwe trappetjes, tussen containers ingeklemde ravijnen en galmende open dekdelen van het Schip Stad. Geuren van roest en olie en af en toe een hint van verrotting overstemmen de zilte zeelucht. Uit honderden vierkante raampjes schijnt flakkerend-oranje licht. Naar de boeg toe klinkt het vloekende snerpen van een cirkelzaag, de galmende dreun van een smidshamer; op het Schip Stad staat de woningbouw nooit stil. Mensen die ons passeren groeten Rami, die stoïcijns doorstapt. Af en toe werpt iemand een tweede blik op mij; op herkenning volgen meestal ongelovig opengesperde ogen.

Rami’s welkom is niet veel verbeterd na dat eerste schot. Ze heeft me inderdaad herkend, maar mijn eerdere overlijden weegt voor haar duidelijk minstens zo zwaar. In mijn vorige incarnatie bezocht ik het Schip Staden de Burgervaderechter vaak, en dat heeft me geloof ik het voordeel van de twijfel opgeleverd. Toen ik haar zei dat ik dringend met haar baas moet praten, liet Rami me het Schip op. Dat haar eerste kogel me niet heeft geveld, weerhoudt haar er echter niet van om haar pistool nu van dichtbij op mijn achterhoofd gericht te houden.

We bereiken de deur van de opbouw. Boven ons priemt de stalen wand van de vuilwitte kolos ettelijke verdiepingen naar de donkerende hemel. Ik zie nog net de overhang van de brug en een vage schittering van de schuine ramen tegen de sterrenspikkelige indigo achtergrond, voor Rami me met een por van haar loop opdraagt naar binnen te gaan. Ik beklim de eindeloze reeks trappetjes, achtervolgd door het gerammel van het wapentuig aan haar gordel.

Elke trede voelt vertrouwd, en dat kalmeert de zorg ietwat die al sinds mijn activering als regen op de tent van mijn leven tikt: weet ik alles nog? Ben ik er nog helemaal? Mijn geheugen lijkt intact, maar zou ik het überhaupt merken als ik iets ben vergeten, als een deel van mijn persoonlijkheid de transpositie niet heeft overleefd?

En ik ben al veranderd. Rami heeft me neergeschoten, en ik ben weer opgestaan. Het voelt alsof mijn oude ik zich ergens in een hoekje van mijn geest hoofd­schuddend afvraagt hoe ik dat zo makkelijk achter me heb gelaten. Intussen laat ik mij door Rami naar boven dirigeren, onder schot alsof haar wapen wel een bedreiging vormt; mijn achterhoofd prikkelt en de alertheid die mijn ledematen doordesemt kan ik alleen angst noemen. De paradox maakt me lichthoofdigen zelfs die sensatie is een persoonlijk anachronisme. Het gedistribueerde neurale netwerk waarin mijn geest nu zetelt, ondersteunt geen lichthoofdigheid.

Als we de brug betreden, word ik begroet door een bitterzoet-vertrouwde stem.

‘Ferdi?’

Mijn oude liefde komt overeind uit de veel te grote leren bureaustoel achter het dode bedieningspaneel. Ze klautert op het paneel en loopt met korte, driftige pasjes op me af.

De Burgervader is in al die jaren dat ik haar ken maar weinig veran­derd. Haar hoge hoed heeft misschien iets geleden onder de tijd en de zilte omstandigheden, maar haar unieke modegevoel doet zich onver­minderd gelden in de flamboyante bermudavoor haar een wijde panta­lon tot op haar felrode pumpsen de gitzwarte top met witte sport­streep, waarop nog net het woord ‘Speedo’ te lezen is.

Ik dwing mezelf mijn armen uitnodigend voor haar te openen en we treffen elkaar aan het nabije einde van het bedieningspaneel. Ze beant­woordt mijn gespreide armen met de hare. Vaag merk ik de bewapende figuren op die in de hoeken van de brug toekijken, dan sluit ik haar tegen mijn borst. Haar armen vouwen zich om mijn flanken, terwijl ik bijna haar volledige gestalte omvat. De grauwzwarte hoed tuimelt naar achteren en stuit van het paneel op de grond; ik snuif de zoute, dierlijk-frisse geur van haar wilde kroes.

‘Va…,’ begint Rami.

Va negeert haar en praat tegen mijn borstkas.

‘Ik dacht dat je dood was, klootzak.’

Ik hou haar nog steeds tegen me aan gedrukt, maar iets in haar toon­zetting versterkt de argwaan in mijn achterhoofd. Ik ken haar te lang en te goed, we hebben te veel gepraat, om niet elke nuance van haar idioom op te pikken. Mentaal zet ik een eerste turfje.

Ik pak haar appelgrote schouders beet en houd haar op armlengte. Met alle genegenheid die ik op commando kan genereren, kijk ik haar diep in de staalgrijze ogen.

‘Ook blij om jou te zien, Va.’

Voor ze haar geopende lippen op de mijne drukt, is haar stralende glimlach heel even zichtbaar, te kort om te zien of die haar ogen haalt. Ik klem haar dichter tegen me aan en beantwoord de kus met gepast enthousiasme. Mijn sympathisch geheugen lijkt intact: een veelheid aan vleselijke herinneringen borrelt naar boven.

Dan drukt ze een harde, koude vorm tegen de nor­male anatomische locatie van mijn ribbenboog. Ik hoor de onmiskenbare metalen klik van een uitge­schakelde veiligheidspal. Ik heb ternauwernood de tegen­woordig­heid van geest voor het directief dat we voor juist zo’n gelegenheid hebben voorbereid

– directief: kurk –

voor ze de kus verbreekt en in mijn oor fluistert:

‘Ik ook, Ferdi.’

 

#

‘Jij bent dood.’

We staan in een onstuimige, kille wind, duizeling­wekkend hoog boven het dek van het Schip Stad en nog hoger boven het wateroppervlak van de haven. Va heeft me met afgemeten gebaren de externe brug­extensie aan bakboord op gedirigeerd, en houdt me kalmpjes onder schot. Achter mij weet ik de reling; ver achter Va lonkt de toegang tot de brug.

Ik haal mijn schouders op.

‘Duidelijk niet.’

Va schudt haar hoofd, maar de loop van haar pistool blijft beweging­loos op mijn borst gericht.

‘Je ging aan boord. De sloep voer weg. Hij knalde uit elkaar. Je bent dood, Ferdi.’

‘Dus je was erbij.’ Een frons flitst over haar gelaat voor ze haar uit­drukking weer in de plooi krijgt. Ik voeg een verticaal streepje toe aan mijn mentale turflijst.

‘Ik was te laat.’

Ik glimlach.

‘Alles is relatief. Voor mijn doeleinden was je precies op tijd.’

Die bewering heeft het gewenste effect. Va fronst en kijkt enkele seconden met opeengeperste lippen opzij. Dan krullen haar mondhoeken omhoog, synchroon met haar verraste wenkbrauwen.

‘Een kloon?’

Ik schud mijn hoofd.

‘De kweek zou te tijdrovend zijn geweest. En bij mijn weten is er nog niemand in geslaagd om het trans­positieprobleem op te lossen.’

‘Dan’ Haar vinger glijdt rond de trekker. ‘heb je nu vijf seconden om me te overtuigen.’

‘Negen keer,’ zeg ik prompt, hoewel haar wapen geen werkelijke be­drei­ging is. En als ik nog longen had gehad, zou ik mijn adem inhouden.

‘Hoezo, negoh.’ Een vuurrode blos verpest haar onbewogen pose. Zij is net zo min als ik het type om op te scheppen over onze seksuele escapades. En ze kan zich nog herinneren hoe vaak achter elkaaral heb ik haar nooit bekend dat ik de laatste drie had moeten voorwenden. ‘Oké. Oké. Je bent het echt.’ Ze laat haar wapen zakken, en de ergste spanning kruipt uit haar ledematen. ‘Zeg het maar.’

‘Laten we zeggen… een back-up.’

Het was verre van moeilijk geweest na mijn ver­kiezing tot Groot-Alloceur vijanden te maken. De schaarste is eenvoudigweg te groot, de belangen te zwaarwegend; ik was weliswaar democratisch gekozen, maar lang niet iedereen was bereid zich te schikken in mijn visie. Ik wist dat er een einde moest komen aan Mooks monopolie op de laatste olie­voorraden, en dat daar een einde aan zou komen zodra we de wind­molens weer operationeel hadden. ‘Ik had de mensen een einde aan de energietekorten beloofd, en dat ging ik ze ook geven’

‘Maar je had er niet bij gezegd wanneer, Ferdi.’

‘Op korte termijn. Mijn plan vergt voorbereiding, onderzoek, tech­neuterij. Maar het is wel uitvoerbaar, Va!’

Mijn onmachtige voorgangers hadden zich bezig gehouden met de herverdeling van de schamele resten, binnen de grenzen die Mook ze had opgelegd. Ik dachten denkgroter. Een einde aan de afhanke­lijkheid van de slinkende voorraden; een einde aan de macht van de Mast, aan Mooks monopolie op de resterende olie.

‘Met een handjevol windmolens, Ferdi?’

‘Zoiets ja,’ zeg ik, en glimlach.

 

Twee Jaar Geleden

Met veel gespetter baande de opgelapte dinghy zich een weg door de branding. Zout water prikkelde Ferdi’s lippen; zijn ogen knipperden. De roestige buiten­boord­motor brulde, haperde, sloeg weer aan, terwijl achter ze vette blauwe rook walmde. Met één hand hield hij zich vast aan de tros die langs de oranje rubber boorden was gespannen; met zijn andere wees hij naar de einder.

‘Iets noordelijker, Kim.’

Kim stuurde bij en de dinghy begon schuin op de eindeloze golvenrijen te stuiteren, de motor grom­mend in het ritme van de schuimkoppen.

‘Mist.’

Ferdi keek opzij en knikte glimlachend naar Saladin. Zijn techneut zou geen twee woorden gebruiken als één volstond; hij sprak liever in diagrammen, gereed­schap, gebaren.

‘Volgens mij ligt die mistbank vóór het veld.’

Sal knikte en Kim gaf meer gas. De mistbank zwol en grijswitte flarden schoten links en rechts voorbij. Al gauw was er om hen heen geen tien meter zicht meer.

Ferdi’s maag verkrampte en zijn scalp trok prikke­lend op. Naast hem leek zelfs Sal onder de indruk. Dit was het moment. Hier hadden ze jaren naartoe geleefd; hiervoor hadden ze illegaal een tank benzine ont­trokken aan de slinkende noodvoorraad. Formeel had Ferdi daar als Groot-Alloceur volledige zeggen­schap over, maar de ongeschreven regel was dat die brandstof alleen in de meest urgente noodgevallen mocht worden aangesproken.

En niemand behalve hijzelfen Salzag hierin een noodgeval.

Een reusachtig verticaal silhouet schoot aan de linkerkant voorbij. Even later scheerden ze rakelings langs een huizengrote ronde vorm aan de rechterkant. De mist dunde uit tot losjes samenhangende flarden. Hij ving glimpen op die hij vooralsnog weigerde te geloven.

Toen braken ze de mistbank uit, en in het volle zonlicht ontrolde het windmolenveld zich voor hen. Kim floot en hij liet het gas los. Sals mond viel open. De boeg zonk terug in het water; de dinghy deinde en danste.

Lange, kaarsrechte schaduwen sloegen het water­oppervlak aan stroken; zwiepende, roterende schadu­wen geselden hun boot. Een diep, ritmisch zoemen kietelde aan de ondergrens van zijn gehoor. Van einder tot vaalblauwe einder groeide een boven­maats, wit, dolgedraaid bos.

‘Hoehoeveel denk je?’

‘Honderden.’ Zelfs Sals antwoord ging aan het eind verwonderd omhoog.

Hij zuchtte.

‘Je weet wat dit betekent, he?’

Ferdi keek opzij. Sal nam zijn hand en keek hem aan met een blik vol liefdevolle weemoed. Toen haalde hij zijn vinger over zijn keel.

‘Yep.’

 

Avond

Ik ruk me los uit mijn herinnering.

‘Het zijn er honderden, Va. Honderden, en ze draaien nog.’

De Groot-Alloceur heeft weliswaar de absolute autoriteit over de herverdeling van de beschikbare energie, en wordt voor het leven benoemd, maar het is maar één individu. In het ongemakkelijke evenwicht tussen de het Schip Stad en de Mast kan de Alloceur slechts handelen met het goedvinden van beiden. En met de onevenredig grote macht van de Mast heeft dat in de praktijk altijd betekend dat de Groot-Alloceur de facto uitsluitend mondjesmaat de bronnen van de Mast herverdeelten daarvoor de percentjes int.

‘Jij weet beter dan ik hoeveel van de welvaart van het Schip naar de Mast stroomt.’ Ik sta mijzelf een kleine, ironische glimlach toe terwijl ik naar het gezicht tegenover me kijk, dat nadrukkelijk neutraal knikt. ‘Maar weet je ook hoe de Achterlanden er aan toe zijn? Ik ben er geweest, Va. Elke winter sterven er honder­den omdat ze zich niet warm kunnen houden. Hun oogsten vloeien naar het westen in ruil voor energie, en zelf houden ze amper iets te eten over. De Groot-Alloceur dient het belang van allen, staat in het Manifest. Laat me niet lachen. Hij dient al tijden louter die maniak in de Mast.’

Ik heb er nooit aan getwijfeld: als ik echt iets wil bereiken als Groot-Alloceur, als ik de resterende puinhopen van de wereld wil veranderen, dan moet ik eerst de macht van de Mast, van Mook, breken. Maar de verkiezing voor het leven had me vooral een doelwit gemaakt, vanaf het moment dat ik de eerste hints van mijn plannen vrijgaf.

Mijn eigen sterfelijkheid was mijn grootste obstakel.

‘Dus om te beginnen moest ik sterven.’

Va schudt haar hoofd.

‘Waarom?’

‘Denk na, Va! Om mijn plannen te verwezenlijken heb ik tijd nodig, veel tijd. Jaren, decennia; misschien wel meer tijd dan me überhaupt nog restte. Zeker meer tijd dan Mook me gunde. Ik ken hem te goed, Va: hij waant zich onaantastbaar in zijn toren, met zijn benzine­monopolie en de macht die daaruit voortvloeit. Maar zelfs Mook komt niet weg met de moord op de Groot-Alloceur.’

‘Dus om de mensen in opstand te laten komen tegen Mook, liet je jezelf vermoorden. En hier ben je weer. Hoe, Ferdi? Hoe?’

Ik wuif haar vraag weg, en vervolg met mijn leugen.

‘Ik verwacht dat de Mast nog niet van mijn terugkeer weet, maar de tijd dringt. Mook moet weten dat ik nog leef, dat ik nog Groot-Alloceur ben, en dat zijn tijd voorbij is. Maar die confrontatie moet ik wel zo snel mogelijk aangaan, voor hij gelegenheid heeft gehad om een vervanger naar voren te schuiven.’

Haar wenkbrauwen fronsen, en als ze weer spreekt is haar stem koud en bits.

‘Wat doe je hier dan?’

Eigenlijk weet ik al zeker wat het volgende antwoord zal zijn. Het antwoord zelf maakt niet eens meer verschil; het hoe zal de doorslag geven. Ik slaak een mentale zucht terwijl ik mijn open blik vol genegen­heid op zijn plek houd. Ik weet dat ik een grote, complexe prijs betaal voor mijn plannen, maar het zou zoveel… beter te dragen zijn als dit niet een van de aflossingen was.

‘Ik heb je nodig, Va. Ik weet nog niet precies hoe of wanneer, maar ik heb je nodig. Daarom ben ik hier. Ik heb één vraag voor je.’

‘Wat?’ Ze houdt vast aan haar bitse toon, maar haar stem is zachter; mijn toegave van kwetsbaarheid heeft het gewenste effect.

‘Saladin is dood, Va.’ Na een korte, maar onmis­ken­bare aarzeling spert ze haar ogen open en slaat ze een hand voor haar mond. Ze is altijd jaloers gebleven, maar ze mocht hem wel. ‘Sal is dood, en hij was degene die volgens ons plan mijn identiteit, mijn continuïteit zou bevestigen, naar jou toe, naar Mook toe, naar de mensen. Alleen als ik nog leef, nog ben wie ik ben, ben ik nog Alloceur. Zonder Sal ben jij de enige die mijn identiteit kan bevestigen.

‘Kan ik op je rekenen?’

Ze aarzelt niet. Helemaal niet. Niet de minieme pauze van verrassing over de aard van de vraag; niet de iets langere stilte van gevleid contem­pleren; niet de aarze­ling van een werkelijke overweging. Ze slikt de leugen van ons naïeve, losgelaten plan, en antwoordt meteen.

‘Natuurlijk, Ferdi. Voor jou: natuurlijk.’

Ik zet een derde streep bij de mentale turfjes die ik al heb. Terwijl ik haar opvang als ze in mijn armen springt, en haar omhelzing in ont­vangst neem, worste­len mijn emoties met de afwezigheid van traan­klieren.

 

#

 

Op de bovenste trede van de trap naar het dek blijf ik even staan als ze me naroept.

‘Een hint, Ferdi?’

Ik weet wat ze bedoelt. Achteloos wrijf ik met een duim een veeg van mezelf over de binnenkant van de deur naar de brug.

‘Nano,’ roep ik over mijn schouder, en vertrek.

 

Nacht

Aan de voet van de Mast, in het verrassend heldere water van Parkaven, ligt een exotisch paleis verzakt in de modderige bodem, de in verval geraakte residentie van een psychotische Poseidon. Ik slalom tussen de half vergane dakspitsen, waarvan het oorspronkelijke oranje grotendeels is verborgen onder decennia algen, modder, afval en drek. De chaos van tafels en stoelen achter de gebroken ramen maakt het raadsel van dit gezonken bouwwerk nog groter. Een deel van me wil onder water blijven, het mysterie verkennen, maar ik herken die neiging voor wat hij is: tegenzin om de confrontatie aan te gaan met Mook.

Bovendien begint de kou mijn componenten te vertragen. Ik moet het water uit.

Ik klauter op de kade die het park aan de voet van de Mast omgordt, hand- en voetsteun vindend aan brok­kelend beton en verroeste beton­ijzers, gaten en kieren, en zo nodig een Gekko-directief. Met mijn elle­bogen op de rand peil ik de omgeving.

De waterkant is in onregelmatige stukken verdeeld door roestige autowrakken op verpulverde banden, als kantelen op een apocalyptisch waterfort. Er voorbij zijn groenstrook, weg en park nauwelijks meer van elkaar te onderscheiden, het oude asfalt een chaos van brokken, scheuren en woekerende planten. Verder land­in­waarts, vanaf de voet van de Mast, waar Mook de toegang tot zijn hoofdkwartier toegankelijk houdt, is het plaveisel in iets betere staat. Water lekt uit mijn kleding, tussen mijn schouderbladen, door mijn kruis.

Ik zie geen beweging.

Onderweg door de Nieuwe Maas heb ik talloze benaderingen opnieuw overwogen en verworpen. De eenvoudigste lijkt me uiteindelijk de meest effectieve: doodgemoedereerd naar de entreehal wandelen waar­uit de schacht van de Mast oprijst als een kolos­sale betonnen boomstam. Misschien boog ik daar­mee te zeer op Mooks arrogantie en nieuws­gierigheid; mis­schien ga ik te gemakkelijk uit van mijn eigen robuust­heid. Het schot van Rami heeft me misschien over­moedig gemaakt. Maar ik merk dat ik niet bang ben. Ik geloof niet dat Mooks mensen me veel kunnen doen.

Het uitblijven van enig teken van leven baart me echter zorgen. In het verleden had Mook zelfs op dit late tijdstip altijd wel een half dozijn van zijn bendeledenof soldaten, als je het hem of henzelf vraagtrondom de toegang tot zijn domein gestatio­neerd, net zozeer als machtsvertoon als voor werkelijke bewaking.

Hun afwezigheid ruikt naar valstrik. Nog een turfje.

Valstrik of niet, het verandert weinig aan mijn benadering. De kans is niet groot dat Mook over krachtige explosieven beschikt. Langs de route van mijn positie naar de ingang is in het duister bovendien voldoende beschutting van het verwilderde struik­gewas. Ik kan veilig zo dicht naderen dat Mook de schade aan de Mast niet kan riskeren.

Vier meter van de ingang tot de entreehal blijkt hoezeer ik me daarin vergis.

Twee bendeleden stappen de dubbele glazen deuren uit. Door de glazen pui had ik ze niet gezien; nu pas merk ik de gekantelde tafels op die binnen zowel een verdedigingsbarrière als een schuilplaats vormen. Ik herken de kale met de baard: Paul? Ze dragen wat nog het meest op dikke lompe geweren lijkt, met slangen verbonden met de logge tanks op hun rug.

Mijn kansen lijken te keren.

Vuurwapens baren me weinig zorgen. Steek- en slagwapens evenmin. Maar vuur, vuur is een probleem, vermoed ik. Ik heb nog niet getest in hoeverre mijn nieuwe lichaam hittebestendig is, maar mijn bots zijn waarschijnlijk te klein om meer dan een paar seconden stand te houden.

Vlammenwerpers. Ik zet mijn laatste mentale turfje.

Ik draai me om.

Een rokende, stinkende, geel-oranje vlag, zeker vijf meter lang, snijdt me schuin de weg naar links af. Een tweede voegt zich erbij in de andere richting. Tegenover me, door de trillende hitte van het benzine­vuur, zie ik nog twee soldaten die ik niet ken. Hun gezichten, zwetend in het licht van de vlammen, grijn­zen als ze zich in beweging zetten.

Shit.

Koortsachtig schat ik mijn defensieve kansen, over­weeg ik een nood­directief te formuleren. Maar voor ik tot daden kom zijn de twee al zo dicht genaderd dat de hitte ondraaglijk wordt. Ik heb geen keus dan terug te wijken. Nog voor ik me omdraai hoor ik de andere twee vlam­men­werpers aanslaan en voel ik een wolk van hitte tegen mijn rug rollen. Als ik me heb omgedraaid, blijken de twee soldaten bij de ingang uiteen te zijn geweken. Een krimpende corridor van stinkend vuur biedt me maar een uitweg: de entreehal in.

Paul, of hoe hij ook heet, gebaart met zijn hoofd. De boodschap is helder, en ironisch genoeg zelfs welkom. Ingebakerd in de flakkerende hitte wandel ik behoed­zaam de entreehal in.

De hal is zeker twee keer zo hoog als de vorige keer dat ik er was, en verlicht met rokende fakkels. Naast de dubbele liftschacht zijn de plafonds doorgebroken om plaats te maken voor een immense tredmolen, waarvan de as de schacht doorboort. Onderin de tredmolen liggen vijf naakte, zwaarlijvige figuren gelaten te wach­ten. Een snurkt; de anderen richten zich zuchtend op.

Kennelijk wil Mook zelfs de energie voor zijn lift niet meer missen.

Binnen laten Paul en zijn makkers hun vlammen­werpers doven. Ik vroeg het me al af, en glimlach inwendig. Mook heeft misschien een goed wapen gevonden tegen mijn kennelijke onkwets­baarheid, maar de inherente zwakte ervan niet goed doordacht. Ik laat me gewillig de rechter lift in diri­geren. Een van de soldaten trekt een knuppel met twee stalen punten. Terwijl hij naar de tredmolen loopt, laat hij een blauw­witte boog tussen de punten knetteren; de liftslaven zetten zich in beweging. De snurker krijgt de stok in zijn flank en komt tot een bruut schokkend ontwaken. Paul en een van de anderen voegen zich bij me in de lift, en kreunend en krakend begint de lange weg naar boven terwijl de buisverlichting met een glasachtig tingelen aanspringt.

Vanuit de twee hoeken van de lift houden ze me vanonder hun wenkbrauwen in de gaten, hun vingers om de trekkers van de vlammen­werpers, de gelige ontstekingsvlammetjes lui likkend aan de lopen. Ik heb nu de rust voor een geïmproviseerd nooddirectief, maar besluit het risico niet te nemen van een benzine­brand in deze kleine ruimte. Ik schenk de twee een scheve glimlach en wacht tot we boven komen.

Mook heeft een van de oorspronkelijke hotelsuites, negentig meter boven het park, in gebruik als zijn kan­toor en ontvangstkamer. Als de lift met een vervaarlijk piepen tot stilstand komt, trekt Paul de schuifdeuren open en gebaart me de foyer in. De dubbele deuren naar de suite staan uitnodigend open.

Bij mijn binnentreden springt Mook op van een versleten groezelig-witte leren bank aan het andere einde van de ruimte. Breed lachend en met open­gesperde armen komt hij op me af.

‘Groot-Alloceur!’

De twee soldaten staan nog steeds achter me, bij de deur, hun ogen op mij maar hun vlammenwerpers nonchalant naar beneden gericht. De smalle, diepe suite is ingericht met houten meubilair en de aftandse gordijnen lijken van kunststof. Mijn positie is het geometrisch midden van de scherp gepunte driehoek met Mook aan de apex en de soldaten aan de basis. Ik sta mezelf een glimlach toe. Niemand zal hier zijn vlammenwerper willen opendraaien.

Dan kom ik in actie.

Mook schrikt niet. Ik zet mezelf in beweging, ren op hem af met uitgestrekte armen en geklauwde handen, zeker dat de kerels achter me niets kunnen doen. Dat doen ze ook niet.

Maar Mook blijft kalm staan en beantwoordt mijn glimlach.

Het klopt niet.

Halverwege de suite loopt een smalle band van glanzend blauw metaal langs de muren, over het plafond, zelfs op de vloer, een rechthoek van metaal en plastic die de suite omgordt als een portaal. Het portaal triggert een herinnering. Voor ik die scherp kan krijgen, zie ik een tweede identiek portaal voor me.

Mook tilt zijn hand op.

Hij heeft een zwart doosje vast.

Hij drukt op een knop.

Een bijna onhoorbaar zoemen klinkt van opzij en boven en onder. Achter me begint iets schrapend te schuiven.

Twee stappen en ik smak tegen een onzichtbare wand. Mijn hoofd wordt opzij gedrukt terwijl de rest van mijn lichaam er tegenaan smakt.

Ik zet mezelf verbijsterd af tegen de onzichtbare muur, die nauwelijks meegeeft onder mijn handen. In een flits zie ik Mook met een scheef hoofd glimlachen. Ik draai om mijn as en smak met mijn schouder tegen een andere barrière. Het eerste portaal is langs de wanden naar me toe geschoven en dwingt me verder, naar Mook. Ik zwiep mijn linker been omhoog en trap met al mijn kracht vooruit. Mijn blote voet smaktwacht. Mijn blote voet? Ik draag sokken en stevige wandelschoenen. Ik duw nogmaals vooruit en ontegen­zeglijk voel ik de barrière mijn naakte voet blokkeren, terwijl de zolen van mijn sokken en schoenen er probleemloos doorheen gaan.

Plots weet ik waarom de zilverblauwe stroken me bekend voorkomen.

Ons grootste probleem in het nanolab was altijd insluiting geweest: hoe houden we autonome, vrijwel oneindig veelzijdige robots op nanoschaal binnen de muren van het laboratorium? Zolang we de omzetters inactief hielden, voldeden de muren, maar we moesten zelf wel in en uit. Kim had een manier bedacht om een veld te genereren dat macro-objecten doorlaat, maar niets op nanoschaal. Mook had kennelijk om zich heen gegraaid voor hij het lab verwoestte.

Het schrapende geschuif zet door en ik word vooruit geduwd. Al gauw sta ik vastgeklemd in de tussenruimte tussen twee van Kims nanobarrières. Mijn pogingen om bewegingsvrijheid te houden hebben er alleen toe geleid dat ik met armen en benen wijd klem sta.

Ik heb Mook vaak vergeleken met een spin in een web. De ironie is te snijden.

‘Ferdi!’

Op een handvol meters blijft Mook staan. Als hij het woord neemt, lopen de melodieuze zinnen en enthousiast-hoge tonen over van triomf en zelfgenoeg­zaamheid.

‘Wat een verrassing. Ik dacht dat die bom in de sloep genoeg zou zijn, maar zoals je merkt was ik voorbereid op teleurstelling.’

Hij laat een lach horen die alleen zijn mond vervormt. In gedachten vloek ik terwijl ik mijn opties verken. Die zijn zorgwekkend dun gezaaid. Alles wat ik kan, alles wat ik ben, is nanotech. Ik heb niet eens een wapen bij me op macroschaal. Ik zou hoogstens mijn kleding naar hem kunnen werpen, als ik tenminste genoeg kon bewegen om me ervan te ontdoen. Ik zit vast. Ik zit vast, en ben overgeleverd aan de genade van een gangsterbaas die me al jaren haat.

Ik bedenk dat ik ten minste mijn voordeel kan doen met zijn spraak­zaamheid

– directief: opname –

maar zelfs dat voelt pro-forma.

‘We zijn niet zo verschillend, jij en ik, Ferdinandt. Jij hebt jezelf laten opblazen, in het volste vertrouwen dat je back-upplan zou werken. En je had gelijk, want hier sta je. Ik heb je tot hier laten komen in het volste vertrouwen dat mijn tegenmaatregel zou werken. En ik had gelijk, want je kan geen kant meer op.’ Hij schudt zijn hoofd. ‘Als ik me indenk wat wij samen wel niet hadden kunnen bereiken…’

‘Hoe wist je het?’ vraag ik, opgelucht dat ik nog kan spreken. Zijn ogen schieten naar linksboven, maar ik was er sowieso al van overtuigd dat hij zou liegen.

‘Wat denk je? Al je grootspraak over eerlijke ver­deling van energie, maar intussen de dikst mogelijke kabel naar het oude nanolab in 020? Zo ingewikkeld was het niet. Het leuke is,’ zegt hij, terwijl hij terug loopt naar de witte bank, ‘dat jullie nanoveld letterlijk alles doorlaat behalve nanodeeltjes. Alles.’ Hij gaat op zijn knieën op de bank zitten en buigt over de rugleuning. Met gemoffelde stem gaat hij verder. ‘Mensen. Dingen. Lucht. En…’ Met een zwierig gebaar komt hij weer overeind en naar me toe. ‘Vuur.’ Hij toont me de lasbrander die hij tevoorschijn heeft gehaald. Hij ontsteekt het apparaat en draait aan de regelaar tot zich een ijzingwekkend blauwe vlam aftekende.

Een lasbrander. Draagbaar, beheersbaar, en ver­nie­tigend heet.

Mook brengt de vlam steeds dichter bij mijn rechter­hand, die in mijn eigen blikveld ingeklemd zit tussen de twee nanovelden. Hij concentreert de punt van de vlam op de basis van mijn pink. Pijn als zodanig voel ik niet meer, maar de ontelbare signalen van oververhitting en verlies van eenheden zijn erg genoeg. Mijn nieuwe lichaam schreeuwt om een vlucht terwijl mijn bots met duizenden tegelijk uitvallen. De rook passeert het nanoveld, maar genoeg ervan blijft hangen om mijn sensoren te irriteren. Veel te snel heeft hij door de knokkel heen gebrand en tuimelt mijn pink naar beneden.

Mook haalt de vlam weer uit mijn buurt.

‘Hm, geen bloed,’ mompelt hij tegen zichzelf. ‘Zeg eens eerlijk, Ferdi: verwachtte je echt dat het de mensen zou boeien dat ik je had vermoord? Dacht je echt dat ze in opstand zouden komen? De Mast zouden bestor­men?’ Hij doet een stap opzij om me te kunnen aankijken. ‘Me zouden omverwerpen?’

Ik gruw van zijn wijd opengesperde ogen, zijn pupil­len net te groot, en die verkrampte grijns om zijn mond. Niet omdat hij eruit ziet als een maniak, maar omdat hij er nauwelijks anders uitziet dan die Mook die vroeger mijn vriend was. Opeens weet ik niet meer zo zeker dat ik degene ben die is veranderd.

Maar dat moet wel. Want de Mook die ik kende zou nooit Sal hebben gemarteld om onze plannen te achterhalen.

‘De plannen zijn gewijzigd, Mook. Dat omverwerpen doe ik persoonlijk.’

Hij blaft weer een van zijn vreugdeloze lachjes.

‘Geloof je het zelf? Volgens mij zijn je kansen al verkeken. Want laten we wel wezen, Groot-Alloceur: met je lichaam van nanobots, en je gedistribueerde draadloze neurale netwerk, en al je kunstjes, ben en blijf je nog steeds maar… een mens.’

Direct razen mijn gedachten op topsnelheid. Achteloos laat ik mijn pink terug integreren met mijn enkel terwijl Mooks woorden tot mij door­dringen. Met al mijn kunstjes ben ik nog steeds een mens? Hij heeft verdomme gelijk. Zo heb ik me gedragen, zo heb ik me opgesteld. Vast­houdend aan mijn menselijke vermo­gens, rennend van het lab naar het Schip Stad; zelfs mijn zwemtocht naar de Mast heb ik in schoolslag gedaan.

Vasthoudend aan mijn menselijke vorm.

Dezelfde menselijke vorm die nu klem zit tussen twee nanovelden.

Er is misschien een halve seconde voorbij sinds Mooks woorden. Ik geef een subsectie opdracht een robuust nooddirectief te formuleren, terwijl ik de strook muur tussen de twee veldgeneratoren bestu­deer. Al gauw zie ik wat ik wil zien. Nog een halve seconde later is het nooddirectief voltooid. Voor Mook is er nauwelijks tijd voorbij gegaan. Zijn wenk­brauwen gaan vragend omhoog.

Ik geef hem mijn reactie

– directief: luidspreker –

zonder mijn mond te bewegen.

‘Allang niet meer,’ laten mijn bots de lucht resoneren.

Een moment later dwarrelen

– nooddirectief: cellofaan –

mijn kleren op de grond.

– wolkdispersie – doelwit: muren – doelwit: plafond – doelwit: vloer –

Mooks techneuten hebben broddelwerk geleverd. De stroken van de nanoveldgeneratoren zitten nergens strak tegen de muur. Hier en daar heb ik tienden van millimeters ruimte, maar bijna overal heb ik genoeg. Ik glijd er tussendoor terwijl ik in het voorbijgaan

– directief: kompel –

de ruimtes vergroot om sneller te kunnen gaan. Een deel van mijn optische sensoren houd ik op het midden van de kamer gericht.

Mooks ogen en mond vallen open nu de man die hij dacht gevangen te hebben voor zijn ogen is opgelost. Zweetdruppeltjes springen op zijn voorhoofd tevoor­schijn. Zijn ogen flitsen naar links en rechts voor hij in actie komt. Moediger dan ik heb had ingeschat stort hij zich door de dubbele nanovelden.

‘Vuur!’ Weg is de geamuseerde, spottende toon; Mooks stem draagt nu louter paniek. De twee soldaten staren verbijsterd. Mook grist Paul de vlammenwerper uit handen en opent de regelaar wijd.

Een meterslange, krioelend-oranje vlam stort zich uit over de suite. Links, rechts zwiept hij het vuur, dat gretig voeding vindt in de witte bank en de rest van het meubilair. Zelfs de vloerbedekking begint te smeulen.

Zelf ben ik allang langs de wanden achter de soldaten geschoven. Bij de deuren groepeer ik

– directief: sabotage –

en wacht ik af tot mijn ingreep effect heeft.

Mook staat achter de soldaten, vlak bij waar ik bezig ben mijn mense­lijke vorm weer aan te nemen, als de tweede soldaat zijn regelaar weer open zet. Kleine vlammetjes lekken uit het mondstuk en landen op de vloer. De plas die door mijn sabotage-directief uit zijn tank is gelekt, ontvlamt onmiddellijk. De lage blauwe vlam grijpt om zich heen, omcirkelt zijn voeten, vindt het pad naar boven. Hij slaakt een gil als de brandstof­tank vlam vat. Gillend, brandend als een toorts, wan­kelt hij door de suite en voegt zijn bijdrage toe aan de talloze haarden die overal aan het interieur likken.

Paul wringt zich uit de schouderbanden van de brand­stoftank en maakt zich uit de voeten. Ik laat hem gaan.

Brullend zet Mook de regelaar weer wijd open, geen acht slaand op zijn nog steeds brandende medewerker, die blind door de suite struikelt. Ik geef mijn bots

– directief: diamant –

een nieuwe opdracht voor ze ook zijn vlammen­werper onklaar hebben. De brandende soldaat zijgt ineen; zijn gegil verstomt. Nu pas neem ik mijn volledige, solide vorm weer aan.

En haal uit, zo hard ik kan.

Mijn arm zwaait op volle snelheid tegen Mooks hoofd. Hij zwiept opzij in een halve radslag en verliest zijn grip op de vlammenwerper. Half tegen het raam komt hij tot stilstand, bloedend uit zijn linkeroor. Hij ziet mij en krabbelt ongecoördineerd overeind.

Ik kniel om de vlammenwerper te pakken, sta weer op met de loop op hem gericht.

Achter hem kruipt een dunne lijn langzaam over de ruit.

‘Reken het jezelf niet te zeer aan, Mook. Ik begin de mogelijkheden ook pas net te ontdekken.’

‘Schiet maar. Waar wacht je op?’

‘Toen je mij had opgeblazen, Mook, toen heb je Sal opgezocht, nietwaar? Sal, die nooit iets anders wilde dan bouwen. Weet je hoe lang ik Sal al kende, Mook? Weet je hoe lang ik al met hem samenwerkte? Hoe lang hij al mijn vriend was? Mijn geliefde?’ Terwijl ik spreek, loop ik op Mook af, en wijkt Mook achteruit, tot hij met zijn rug tegen het panoramaraam staat. ‘Dat je mij te grazen hebt genomen, dat respecteer ik. Ik vormde een bedreiging voor je imperium. Dat risico had ik genomen. Maar niet mijn team, en niet Sal. Je hebt hem van het dak laten gooien, Mook. Hij deed geen vlieg kwaad, hij was geen bedreiging voor je, en je hebt hem de dood in laten gooien.’

Mook gaat wat rechter staan tegen het raam.

‘En hij gilde! Hij gilde het hele eind naar beneden, en toen spatte hij met een vette, natte smak uit elkaar!’

Ik wijs de loop omhoog en grijp zijn keel met mijn andere hand.

‘Ga jij ook gillen, denk je?’

Mook werpt een onwillekeurige blik over zijn schouder.

‘Mij maak je niet bang, Ferdinandt. Dat is onbreek­baar glas.’

‘Niet meer.’

Ik trek Mook naar me toe en werp hem met kracht tegen het raam. Het glas barst langs de vers geslepen groef, en een grote halfronde sectie tuimelt achterover. Even lijkt Mook naar buiten te zweven op een vleugel van glas; dan kantelt het raamdeel en glijdt hij er vanaf. Om en om tuimelen raam en Mook, Mook en raam; kleiner en kleiner worden ze. Vrijwel geluidloos door de hoogte smakken ze uiteindelijk gezamen­lijk uiteen aan de voet van de Mast, in een wolk van scherven en bloed.

 

#

De entreehal is uitgestorven; kennelijk is mijn faam me vooruit gesneld bij monde van de gevluchte soldaat. Een paar dozijn bots maken korte metten met het slot van het looprad.

‘Maak dat je wegkomt.’

Ik wacht niet af of de liftslaven in beweging komen, maar loop naar buiten. Op tien meter van de ingang draai ik me om, wijs naar de Mast, en blaas over mijn vingertop.

– directief: Von Neumann, zelflimiterend –

Een wolkje nanobots maakt zich los van mijn vingertop en dwarrelt naar de voet van de Mast.

– directief: bever –

Het is tijd voor nog een bezoek aan de Burgervader.

 

#

Rami laat me probleemloos binnen en loopt met me mee naar de opbouw. Ze slaagt er bewonderens­waardig goed in om haar verbazing te verbergen over mijn naakte, seksloze verschijning. Mooks kleren waren te klein; het was praktischer om fatsoen te betrachten met een Ken-directief.

Va komt aarzelend op me af, haar gezicht een moeilijk peilbare menge­ling van opluchting, verbazing en angst. Angst om wie ik blijk te zijn, nu ik heelhuids terugkeer van de Mast? Of…?

Eigenlijk weet ik het antwoord al, maar ik moet het zeker weten. Ik wrijf weer met mijn duim over dezelfde plek op de deur, en luister even naar de opname. Dan knik ik weemoedig.

‘Ferdi! Je bent terug!’ Ze springt in mijn armen en ik omhels haar alsof ze een natte hond is. ‘Wat is er gebeurd?’

Ik schud mijn hoofd.

‘Niet hier.’ Ik gebaar naar Rami en de bewakers. ‘Laten we naar boven gaan.’

Ze gaat me voor naar de brug. In de verte, links van de chaotisch slap hangende witte kabels van de Stervende Zwaan, prijkt de Mast. Het verrast me nauwelijks te zien dat de vlammen om zich heen hebben gegrepen: de lange toren lijkt de kaarsrecht neergeplante fakkel van een reus. Haar plotselinge ademteug achter me vertelt me dat ze het ook heeft gezien.

‘Mook is dood, Va. Mooks tijd is voorbij. De tijd van de Mast is voorbij.’

‘Dat is… dat is mooi, Ferdi. Maar Mook is maar een man. Zijn organisatie sterft niet met hem. De Mast is een symbool. Er komt weer een nieuwe Mook.’

Een trilling vaart door de brandende toren, hevig genoeg om van deze afstand zichtbaar te zijn.

‘Dat denk ik niet. Kijk.’

Door de vlammen is het moeilijk te zien, maar de beweging wordt heviger. Na enige tijd staat de Mast onmiskenbaar uit het lood. Ik hoop dat de liftslaven tijdig zijn ontkomen.

Va maakt een onwillekeurig piepend geluid.

De brandende bovenverdieping van de mast zakt opzij, eerst langzaam, dan steeds sneller. De vlammen trekken een oranje boog door de nacht­lucht. De Mast valt uit het zicht.

‘Ik neem het over,’ zeg ik zonder om te kijken. ‘De Mast was een symbool, dat ben ik met je eens. Mook is weg; de Mast is weg. Ik neem de macht over.’

Ik draai me om.

‘Ik hield van twee mensen, Va. Van jou, toen ik nog dacht dat jij ook van mij hield.’ Haar gezicht trekt in een grimas. ‘Van jou, en van Sal. Maar Sal was een mens, en Mook maakte de vergissing te denken dat ik dat ook nog ben. Mook, en jij, Va.’

– directief: afspelen –

De audiokwaliteit laat te wensen over, maar de verstaanbaarheid is goed genoeg, en haar stem is onmiskenbaar.

‘Mook: Va. Hij was hier net; hij is nu onderweg naar jou.’

De opname valt stil, alsof hij de andere kant van het gesprek niet heeft opgevangen.

‘Niet echt, maar hij heeft wel één woord losgelaten: nano. Je had dus gelijk. Wees voorzichtig.’

‘Ferdi, ik ’ Va heft haar handen bezwerend in de lucht.

‘Ik had rekening gehouden met Mook, Va, maar jij? Jij ook? Heb ik zozeer onderschat hoe gehecht je was aan de status quo?’

Va laat haar handen zakken en haar masker varen. Haat trekt haar neus op; furie fronst haar voorhoofd.

‘Kijk om je heen, Alloceur.’ Ze blaft de titel als een scheldwoord. ‘De wereld ligt in puin. Pakken wat er te pakken is, meer is er niet. Jouw idealisme? Daar lach­ten we samen om, Mook en ik.’ Ze reikt achter zich en trekt haar pistool uit haar broekriem. Met een zweem van triomf in haar ogen richt ze op mijn voorhoofd. ‘Explosieve kogels, Ferdi. En ergens in die nanowolk van je moet nog een brein zitten. De mens­heid heeft allang geen plek meer voor idealisme.’

Ik deins ijlings achteruit.

Va haalt de trekker over.

Het pistool explodeert in haar hand.

De schok werpt me over het bedieningspaneel. Twee ramen barsten in duizenden stukken naar buiten. Va zelf wordt achterover geworpen en slaat tegen de vloer, bloed gutsend uit de flarden vel en vlees waar eerst haar hand zat. Haar gezicht trekt bleek weg terwijl ik overeind kom. Ze poogt zich op een elleboog op te richten, maar zijgt weer achterover in de groeiende bloedplas. Ik hurk bij haar hoofd.

‘Directief Kurk. Ik heb je loop geblokkeerd.’ Ik richt me weer op en wijk achteruit voor het oprukkende bloed. ‘Misschien heb je gelijk. Misschien heeft de mensheid geen plek meer voor idealisme.’

Ik glimlach wrang.

‘Maar weet je, Va? Ik ben geen mens meer.’

Teken van leven : Iris Versluis

Glimlachend stond Leaf tegenover de journalisten die zich voor haar hadden verzameld. Ze kende ze alle­maal en wist hoeveel moeite ze hadden gedaan om hier te zijn. Vanochtend was de laatste persvlucht naar en van aarde geland en er waren slechts tien plekken op beschik­baar geweest.

Ze had New York gekozen als plek voor de ont­moeting en merkte tot haar tevredenheid op dat dit een goede keuze was. De journalisten filmden gretig het zielige hoopje steen dat ooit het Vrijheids­beeld was geweest maar nu, door straling en vervuilde regen, meer op een schimmelkaas leek. De dikke, bruine drab in de Hudson blubte en walmde.

De minicams draaiden richting Leaf en het vragen­vuur barstte los.

‘Leaf, over nog geen twee uur ben je de laatste mens op aarde. Wat gaat er door je heen?’

‘Is het niet beangstigend om straks helemaal alleen te zijn?’

Leaf wendde zich tot Ferry van Amazon 1. ‘Het is helemaal niet beangstigend. Moeder Aarde is er voor mij en ik ben er voor haar. Ik kijk er ontzettend naar uit om met haar alleen te zijn.’

‘Word je nog steeds gezocht, Leaf?’ vroeg Brenda van BBC Earth.

‘Jazeker, daarom heb ik jullie de plek voor de ont­moeting pas vijf minuten voor dit gesprek door­ge­geven.’

‘Ben je niet bang dat ze je alsnog vinden en van de aarde halen?’ vroeg Ferry. Hij wierp een hooghartige blik richting zijn BBC collega. ‘Ik heb gehoord dat de veegtroepen hun scanners op jouw bio-signaal hebben afgestemd zodat ze een nog groter bereik hebben.’

Leaf lachte zelfverzekerd. ‘Al zes maanden lang ben ik de patrouilles te slim af geweest. Ik laat me nu echt niet meer gevangen nemen.’ Ze trok haar gezicht in een ernstige plooi en legde haar handen op haar borst voor een extra dramatisch effect. ‘Ik zal als enige mens samen met de aarde sterven en niemand, ik herhaal, helemaal niemand kan mij daar vanaf houden.’

Op dat moment begon de detector die Leaf om haar arm droeg te piepen. Er kwam een zwotor haar kant uit. ‘Mijn excuses, dames en heren, tijd om te gaan.’

Ze stapte op haar eigen zwotor. Het voertuig her­kende haar aanwezig­heid en kwam met een zacht gezoem los van de grond.

‘Leaf, een laatste boodschap voor de Amazon 1 kijkers!’ riep Ferry.

‘Onze aarde sterft, maar zij sterft niet alleen!’

De journalisten juichten bij het horen van haar iconische strijdkreet. De zwotor kwam in rap tempo dichterbij en Leaf herkende het blauw van de veeg­troepen. Ze draaide de hendel naar volle kracht en stoof weg.

Behendig manoeuvreerde ze over de verlaten puin­hopen. Er was amper nog een stukje aarde te vinden dat niet bezaaid was met afval of brokstukken van ingestorte gebouwen. Ze stuurde haar zwotor door een winkelstraat en zoefde voorbij de groene en blauwe voorgevels. Zonder de holoprojecties waren het trieste, lege panden.

Ze wierp een snelle blik achterom en zag dat de veger haar dicht was genaderd. Shit, dit was een snelle. Ze draaide de hendel nog iets verder open. Een kak­kerlak doemde voor haar op en de voelsprieten van het gemuteerde beest strekten zich naar haar uit. Vergeelde snoeppapiertjes kleefden aan zijn enorme poten. Met een ruk aan het stuur week ze uit naar rechts, gevaarlijk dicht langs een van de winkel­gebouwen. Haar knie schaafde tegen een pilaar en ze had al haar kracht nodig om overeind te blijven. Toen ze weer recht vooruit reed, haalde ze diep adem en probeerde haar roffelende hart iets tot bedaren te brengen. Ze keek achterom en zag dat de kakkerlak met zijn gigantische lijf de weg voor de veger had versperd. Drie felle groene flitsen maakten een einde aan dat probleem. De kakkerlak zakte door zijn poten en de veger manoeuvreerde er langs heen.

Leaf richtte haar aandacht weer op de weg voor haar en zocht naar herkenningspunten. De zwotor van de veger was duidelijk nieuwer en sneller dan die van haar, haar enige hoop was het vinden van een truno­mische schuilkelder. Leaf begon spijt te krijgen dat ze New York had gekozen als ontmoetingsplek. Ze kende het terrein hier niet en wist slechts enkele schuil­kelders te vinden. Nerveus blikte ze om zich heen en draaide een brede straat in. De omgeving was hier iets minder grauw en Leaf zoefde over verschoten posters en gebroken holoborden. Enkele van de borden die nog ophingen, stoorden en herhaalden telkens het­zelfde, bibberende beeld. Kakkerlakken bevolkten theaters en eettentjes. Broadway had zijn charme definitief verloren.

Leaf nam een scherpe bocht een steeg in, in de hoop de veger kwijt te raken, maar moest vol remmen toen er een muur voor haar opdoemde.

Ze draaide haar zwotor maar zag op datzelfde moment de veger de steeg inkomen. Ze vloekte, gooide haar zwotor aan de kant, trok de zonnecel eruit en pakte een haak die aan haar riem bevestigd zat. Met een flinke zwaai gooide ze de haak over de muur. Het touw dat erachter­aan zoefde, trok strak en begon zichzelf op te winden, waardoor Leaf met een ruk omhoog werd getrokken. De veger richtte zijn wapen.

‘Stop, in naam van de evacuatiedienst aarde!’

‘Nooit!’ riep Leaf. ‘Ik laat haar niet alleen sterven.’ Met een klap kwam ze tegen de muur aan. Ze draaide zich om en trok zich het laatste stukje zelf omhoog. Een blauwe flits ging rakelings langs haar heen toen ze zich aan de andere kant naar beneden liet zakken. Ze abseilde verder de muur af en bevond zich op een soort binnenplaatsje. De enige uitgang was een nauw steegje tegenover haar. Ze greep naar de misleider aan haar riem en activeerde het apparaatje. De lucht om haar heen trilde een kort moment. Op het scherm van de misleider knipperde een rood batterijtje met daar­naast seconden die aftikten. Ze zou hoogstens een kwartier onzichtbaar zijn op de scanners van de vegers.

Leaf begon te rennen. De vegers zouden het gebied minutieus uitkam­men en ze moest zover mogelijk weg zien te komen. Terwijl ze rende, zocht ze de verlaten straten af naar een zwotor of ander vervoermiddel. De straten lagen er relatief opgeruimd bij in tegen­stelling tot de geplunderde puinhopen in andere delen van de stad. De deuren en ramen van de statige bruine huizen waren veelal nog intact. Een glimlach verscheen om Leafs lippen toen ze een zwotor tegen een hek zag staan. Ze haalde de oude zonnecel eruit en duwde haar eigen zonnecel erin. Er ging een groen lampje op de cel branden.

‘Goed zo, je werkt nog,’ fluisterde Leaf in zichzelf. ‘Nu het slot kraken.’

Uit haar rugzak haalde ze een ID-wisselaar. Ze hield het apparaat tegen de sensor van de zwotor. Over het scherm van de ID-wisselaar vlogen nullen en enen.

‘Kom op, kom op,’ prevelde Leaf.

In de verte klonk het gezoem van een zwotor. Leaf tuurde in de richting van het geluid en zag een klein figuurtje verschijnen.

‘Kom op nou.’

Het apparaatje bleef rekenen.

De veger kwam al dichterbij.

‘Fuck!’ Leaf trok de zonnecel weer uit de zwotor en borg de ID-wisselaar op. Ze rende de trappen naar het huis op en duwde tegen de deur.

De deur gaf mee.

Ze ging naar binnen en sloot de deur zachtjes.

Geconcentreerd bleef ze staan luisteren. Het gezoem kwam al dichter­bij. Ze kneep haar ogen dicht en pro­beerde het geluid van haar bonkende hart weg te dringen. De zwotor minderde vaart. Stond hij voor het huis?

‘Ga weg, ga weg,’ bad Leaf in stilte.

Het gezoem nam weer toe. De zwotor reed door!

Opgelucht liet ze haar adem ontsnappen. Behoed­zaam liep ze verder het huis in. Als er hier een truno­mische kelder was, zou dat een perfecte schuilplek zijn. Ze begon te zoeken maar stopte abrupt toen ze geluid hoorde. Het klonk niet als het gezoem van een zwotor. Het klonk… melodieus. Behoedzaam liep Leaf richting het geluid. Het huis was leeg en haar voet­stappen echoden door de ruimte. Ze begon woorden te herkennen. Staying alive, staying alive.

Ze duwde de achterdeur open die naar een kleine tuin leidde. Op dat moment zag ze de pijp. De kleine uitlaat van een trunomische schuil­kelder lag verbor­gen tussen gebroken tegels en een berg zand, maar Leaf herkende de driehoekige vorm direct. Dan moest er ook ergens een ingang zijn. Ze volgde haar oren en begon puin te verschui­ven. Kakker­lakken, gelukkig aanzienlijk kleiner dan het exem­plaar dat ze eerder was tegen­gekomen, schoten alle kanten op. Een spin van zo’n vier centimeter doorsnede wandelde er traag achter­aan. Leaf bekeek het insect met verbazing. Het was maanden geleden dat ze een dergelijk exemplaar had gezien en dacht dat ze waren uitgestorven. Daar! Het luik naar de schuilkelder. De muziek klonk nu helder­der. Tragedy, when the feeling’s gone… zongen hoge mannenstemmen. Wat of wie zat er in die kelder? De muziek kwam haar vaag bekend voor en bracht een herinnering aan stoffige lessen kunst­ge­schiedenis naar boven. Leaf trok het luik open en tuurde naar binnen. Er brandde licht aan het einde van de gang. Ze liet zich de gang in zakken, sloot het luik, en sloop zachtjes naar voren. Er hing een zurige, penetrante lucht. Ze her­kende de geur maar kon hem niet direct thuisbrengen. Een mannenstem zong mee met de muziek. Er was daar iemand! De geur was die van een ongewassen mens. Verbazing en woede schoten door Leaf heen. Verdomme, zij was de laatste op aarde. Wie was dat en wat wilde hij?

Ze trok haar wapen, rende het laatste stukje en stapte met het wapen naar voren gericht het licht in. ‘Wie is daar, maak je bekend,’ comman­deerde ze.

Een jongen van een jaar of twintig keek verschrikt op. Hij lag op een matras en las een ouderwets boek van papier. Hij liet het boek vallen en stak zijn handen omhoog. ‘Rustig aan, niet schieten, alsjeblieft.’

‘Wie ben je?’ vroeg Leaf nogmaals.

‘Qwerty,’ zei de jongen.

‘Hoe kom je hier?’

‘Een expeditie. Ik ben achtergebleven.’

‘Waarom?’

‘Een weddenschap. Als ik het hier drie maanden zou volhouden, zou ik tienduizend credits van een paar vrienden krijgen.’ Qwerty had al die tijd zijn ogen strak op de loop van haar wapen gehouden. ‘Zeg, ik weet niet op welke stand je dat ding hebt staan, maar ik zou het erg op prijs stellen als je het niet op mij richt. Wie ben jij trouwens?’

Leaf liet het wapen zakken. ‘Ken je me niet?’

De jongen haalde zijn schouders op. ‘Zou dat moeten dan?’

‘Ik ben Leaf Heywood. De laatste mens op aarde.’

‘Ooh, jij bent die gestoorde chick die erbij wil zijn als ze de laatste beschermingsschilden uitschakelen.’

Leaf richtte direct het wapen weer. ‘Let op je woorden, toetsenbord.’

‘Hey, mijn moeder houdt nu eenmaal van antieke computers. Doe alsjeblieft dat wapen weg. Sorry dat ik je gestoord noemde.’

Leaf stopte het wapen tussen haar riem. ‘Waarom ben je hier nog steeds?’

‘Omdat ik de weddenschap wil winnen natuurlijk,’ antwoordde Qwerty.

Leaf snoof. ‘De laatste expeditie naar aarde was zes maanden geleden. De straling is veel te hoog gewor­den. Je hebt die weddenschap allang gewonnen, slim­merd.’

‘Wat? Maar…’

De jongen stond op en pakte een stuk papier waarop streepjes en data stonden. Het viel Leaf op dat Qwerty geen geavanceerde technologie in zijn trunomische schuilkelder had. Slim, biologische scanners konden niet door het trunomium heendringen, maar de sig­nalen van apparaten konden soms wel worden opge­vangen. Het verklaarde waarschijnlijk waarom de veegtroepen Qwerty niet hadden gevonden. Alleen het antieke muziekspelertje speelde vrolijk door.

‘Volgens mijn berekeningen ben ik hier pas tweeën­halve maand,’ zei Qwerty.

‘Tsja, jongen, dan zijn die echt fout.’

‘Shit!’ Qwerty greep naar een potje pillen.

Leaf herkende de kleur. ‘Cryonische slaappillen? Die dingen zijn niet te vertrouwen.’

‘Ik heb er vijf van genomen. Dat zou tien weken slaap zijn.’

Leaf grijnsde. ‘Ik vrees dat dit ietsjes langer is geworden.’

Qwerty smeet de pillen op de grond en vloekte. ‘Kan ik nog weg?’

‘Er zijn nog steeds veegpatrouilles. Als je midden op Broadway gaat staan, word je wel opgepikt.’

‘En de straling?’

Leaf klopte tegen de dikke trunomium wanden. ‘Dit is een stevig exemplaar. Je hebt hier goed beschermd gezeten. Maar over…’ Leaf wierp een blik op haar multiband. ‘Over een uur moet je wel echt wegwezen. Dan worden de laatste schilden uitgeschakeld en is het binnen enkele dagen afgelopen met het leven op aarde.’

‘Een uur… Jemig.’ De ogen van Qwerty werden groot. ‘En jij bent zo gek dat je hier blijft?’

‘Ik laat moeder Aarde niet alleen sterven.’

Qwerty trok een wenkbrauw op. ‘Juist, ja. Je doet maar wat je niet laten kunt, ik ga ervandoor.’ Hij begon wat boeken bij elkaar te rapen en propte ze in een rugzak die hij over zijn schouder slingerde. Aan zijn riem klikte hij een klimmer, dezelfde soort als die Leaf had gebruikt om over de muur te komen.

‘Wel, leuk je ontmoet te hebben aardedame. Succes met…’ Hij maakte zijn zin niet af.

‘Doodgaan?’ zei Leaf met een grijns.

‘Uhm, dat ja. Weet je zeker dat je niet meewilt? Doodgaan is… uhm, behoorlijk definitief.’

Leaf glimlachte. ‘Ik ben er klaar voor. Zorg jij nou maar dat je hier wordt weggehaald.’

‘Oké, goed.’

Leaf keek om zich heen in de schuilkelder. Ze begon al te wennen aan de stank, die ongetwijfeld minder zou worden als Qwerty weg was, en het was er veilig en comfortabel. Ze zou er het laatste uur dat de evacuatietroepen op aarde aanwezig waren in alle rust kunnen doorbrengen. Ze beet op haar lip.

‘Qwerty,’ begon ze weifelend. ‘Kan ik je vertrouwen?’

‘Tuurlijk.’

‘Zou je deze schuilkelder geheim willen houden? Misschien zelfs de evacuatietroepen de andere kant opsturen? Ik zou hier graag blijven.’

Qwerty greep haar hand en schudde die. ‘Deal. En ik weet het nog beter gemaakt. Ik heb jou nooit ontmoet. Ik werd wakker en besloot dat het tijd was om naar de oppervlakte te gaan.’

‘Klinkt goed. Dankjewel, Qwerty.’

‘Graag gedaan.’

Qwerty knipte een ouderwetse zaklantaarn aan en verdween de donkere gang in. Leaf plofte neer op de matras. Ze haalde een van haar laatste energierepen tevoorschijn en begon op de taaie substantie te kauwen. Een nerveus gevoel nestelde zich in haar buik en ze stond weer op om de kamer te doorzoeken. Haar hart klopte snel en haar hele lichaam voelde onrustig. Het besef dat haar vlucht van drie maanden abrupt tot stilstand was gekomen, begon langzaam door te dringen. Het was klaar. Over enkele dagen zou ze sterven.

Leaf liet het muziekspelertje van Qwerty door haar handen gaan. Ze bevond zich al maanden alleen op aarde, maar nu voelde ze zich voor het eerst ont­zettend eenzaam. Er waren altijd de ontmoetingen met de journalisten geweest om naar uit te kijken. Nu was er niks meer.

Haar ademhaling versnelde en haar hoofd begon te tollen. Snel ging ze weer op de matras zitten. Ze voelde zich misselijk en de weeïg zoete smaak van de reep kwam omhoog in haar keel. Ze moest contact hebben met de aarde. Wanhopig drukte ze haar handen tegen de trunomium vloer maar voelde enkel kille, artificiële substantie. Paniek welde omhoog. Haar lichaam schreeuwde om buitenlucht. Koorts­achtig dacht ze na.

De mosruimte! Sommige schuilkelders hadden een kleine ruimte waarin mos groeide. Het mos was waar­schijnlijk allang dood, maar er zou wel aarde zijn. Koele, bruine aarde. Leaf liep wankelend de gang in en vond wat ze zocht. Een deur met daarop een groen plantje. Ze trok hem open en direct kwam de muffe lucht van vochtige aarde haar tegemoet. Ze ademde diep in en de duizelingen verminderden. Met haar zaklamp bescheen ze de muren en tot haar verbazing was er nog wat mos aanwezig. Grijzig, armetierig mos, maar absoluut levend. Leaf liet haar handen over de plantjes gaan. Kon dit genoeg zijn? Ze bestudeerde de soort en herkende het kleine ronde blad van grijs kweekmos. Helaas, het was een van de mossoorten die ook op Mars gekweekt kon worden. De aanwezigheid ervan zou geen reden zijn om de aarde te redden.

Desondanks was ze dankbaar dat ze haar laatste dagen samen met dit fragiele leven kon doorbrengen. Moeder Aarde had wederom voor haar gezorgd. Ze knielde neer en verzonk in een diep en dankbaar gebed.

 

Leaf opende slaperig haar ogen. Ze had de matras naar de mosruimte versleept en moest daar in slaap zijn gevallen.

Een klap boven haar. Het luik viel dicht!

Direct was ze klaarwakker. Had die klootzak haar verraden? Ze greep naar haar wapen en kroop behoed­zaam naar de deur. Ze duwde zichzelf tegen de wand en luisterde naar de voetstappen. Ze zou maar één kans hebben. De voetstappen kwamen al dichter­bij.

Nu! Ze draaide de gang in en schoot.

Iemand dook weg en kwam met een doffe dreun op de grond terecht. ‘Leaf, ik ben het, Qwerty!’

Leaf activeerde de lichtfunctie op haar multiband en zag Qwerty met een verongelijkt gezicht omhoog krabbelen.

‘Je had me bijna vermoord.’

‘Wat doe je hier? Je bent toch niet gevolgd?’ vroeg Leaf.

‘Nee, ik ben niet gevolgd. Dat is juist het probleem.’

‘Wat?’

‘Ik heb drie kwartier op Broadway gestaan. Ik heb staan zwaaien, roepen, met dingen gegooid. Niks, nada, noppes. Geen veger te bekennen. Weet je zeker dat ze er nog wel zijn?’

‘Heel zeker. Om twaalf uur stipt worden de troepen weggehaald. Ik snap het niet… Ik kan mijn hoofd niet aan de oppervlakte vertonen en ik heb zo’n gast…’ Leaf klapte abrupt haar mond dicht. ‘Ooh, ojee. O shit, dat is balen.’

‘Wat?’ riep Qwerty uit.

Leaf beet op haar lip en keek naar de grond. ‘Een journalist vanmorgen zei dat ze de scanners op mijn signaal hebben afgestemd, om beter te kunnen zoeken. Ze zoeken niet meer naar menselijke sig­nalen…’ ze richtte haar blik op Qwerty. ‘Ze zoeken alleen nog maar naar mij.’

‘Nou, da’s lekker dan.’ Qwerty liep langs haar heen, pakte het muziek­spelertje en smeet het op de grond. ‘Fuck!’ Hij draaide zich naar haar om. ‘Ik heb echt geen zin om hier dood te gaan, Leaf.’

‘Ik… Het spijt me.’

‘Je moet met me mee naar boven. Jouw signaal zullen ze vinden.’ Qwerty ging vlak voor haar staan en keek haar doordringend aan.

Leaf omklemde haar laserpistool. ‘Nee,’ zei ze zacht. ‘Ik ben de laatste op aarde. Ik zal bij moeder Aarde blijven als ze sterft. Dit is mijn levensdoel.’ Ze duwde het laserpistool tegen Qwerty aan. ‘Naar achteren, nu.’

‘Bitch!’ Qwerty zette een stap naar achteren. ‘Jij, achterlijke bitch. Newsflash, je bent de laatste niet meer. Als jij mij hier laat zitten, zijn we toch echt met zijn tweeën.’

‘Dat weet niemand.’

‘Oooh, ooh, is dat waar het allemaal om draait. De aandacht, dat jij de geschiedenisboekjes in gaat als de laatste mens op aarde. De grote Leaf, weldoener voor de aarde. Je wilt helemaal niet bij je geliefde aarde­moeder zijn. Je geilt gewoon op aandacht.’

‘Dat neem je terug! Ik wil voor haar sterven!’ Leaf richtte het laser­pistool op Qwerty’s borst. ‘En news­flash voor jou, toetsenbord, als ik jou nu neerschiet, ben ik nog steeds de laatste.’

‘Ga je gang, Leaf Heywood, weldoener voor de aarde, moordenaar van mensen.’

Leaf trilde over haar hele lichaam. Ze voelde tranen achter haar ogen branden. Verdomme, ze wilde niet janken. Ze kon die jongen toch niet neerschieten? Ze kon hem toch niet dood laten gaan? Maar ze kon ook haar missie niet opgeven. Het idee om meegevoerd te worden naar één van de trunomium woonschepen, kneep haar keel dicht en maakte haar misselijk.

Ze liet het laserpistool zakken. ‘Ik wil echt bij haar blijven, Qwerty.’ Leafs stem was onvast en haar tranen klonken erin door. ‘En ja, ik vond de media aandacht leuk, ontzettend leuk. Maar ik ga sterven voor haar, voor de aarde, dan mag dat toch wel.’

Qwerty zuchtte diep. ‘Ja, dat snap ik ook wel. Ik bedoel, het is best stoer wat je doet. Kunnen we niet iets bedenken? Dat jij vlucht zodra de vegers mij in het vizier hebben. Ik kan je helpen een zwotor te vinden en aan de praat te krijgen.’

Leaf keek op haar multiband. ‘Daar hebben we dan nog precies tien minuten voor. Daarnaast, alles hier op aarde is verouderd. Ik ben de laatste keer al ter­nauwer­nood ontsnapt. Als ik me nu weer open en bloot vertoon, pakken ze me.’

‘Ik zou ze tegen kunnen houden. Tijd voor je winnen.’

Leaf schudde haar hoofd. ‘Ik zal bij je moeten blijven tot ze je daad­werkelijk fysiek zien, anders rijden ze je nog voorbij. Ze zullen mij pakken. Voor de vegers ben ik de ultieme prijs, het voorbeeld dat niemand de lange arm van de wet ontloopt, zelfs Leaf Heywood niet.’

Qwerty ging tegen de wand zitten en wreef over zijn gezicht. ‘Wat een zooitje. Was ik maar nooit aan die stomme weddenschap begonnen.’

‘Waarom heb je het eigenlijk gedaan, die wedden­schap?’ vroeg Leaf.

‘Mijn moeder heeft mij alleen opgevoed. We hebben het niet breed en dat geld zou ontzettend welkom zijn. Ik dacht, ik doe dat wel even, drie maanden op aarde. En het had ook gelukt als die stomme pillen…’ Met zijn vuist sloeg hij op de trunomium vloer.

‘Ik begrijp het,’ zei Leaf en stond op. Ze kon een moeder niet haar zoon afnemen. Ze reikte haar hand naar Qwerty. ‘Zullen we maar naar boven gaan dan?’

‘Wil je het doen?’

Leaf zag de opluchting in Qwerty’s ogen. ‘Kom nou maar, voor ik me bedenk.’

Qwerty greep haar hand en stond op. Leaf draaide zich nog één keer om en zoog de lucht van de vochtige aarde haar longen in. Haar benen voelden als lood en haar keel brandde.

‘Qwerty,’ begon ze. ‘Hoe doe jij het, leven in de trunomium schepen? Nooit meer de wind door je haren voelen of de koude grond onder je voeten. En altijd maar die mensen, overal die afschuwelijke mensen. Hoe ga je daarmee om?’

‘Ik ben er geboren, ik weet niet beter.’ Hij haalde zijn schouders op. ‘Ik wou dat ik je het kon vertellen. Ik… wacht even!’ Een twinkeling verscheen in zijn ogen. ‘Ik heb iets voor je. Misschien dat het ietsjes helpt.’ Hij dook de moskamer in trok daar een klein deurtje open wat grotendeels overgroeid was met mos. ‘Een klein experimentje voordat ik in de cryonische slaap ging. Misschien…’ Qwerty haalde een glazen stolp tevoor­schijn en koppelde een slang los. ‘Ha, zie je, het leeft nog.’

Met half open mond pakte Leaf het plantje aan. Het was een klavertje vier. Een armetierig klavertje vier, maar absoluut levend. Aan twee van de vijf stengels zaten zelfs blaadjes.

‘Hoe heb je dit voor elkaar gekregen?’

‘Een beetje zitten klooien met de filters. Ik heb de R372 straling er grotendeels uit kunnen halen, die is het meest funest voor alles wat groeit en bloeit.’

‘Oh mijn lieve Aarde, weet je wat dit betekent?’ riep Leaf uit.

‘Wat?’

‘Er is nog plantaardig leven mogelijk op aarde. Ze mogen de schilden niet uitzetten. Klavertjes vier groeien niet op Mars!’

‘Wat? Meen je dat? Ik bedoel, dit plantje is groot geworden door weet ik niet hoeveel filters. Dat is nou niet echt natuurlijk leven.’

‘Dat maakt niet uit, Qwerty. Ik ben zo ongeveer mijn hele leven al aan het vechten voor de aarde, geloof me, ik ken de regels. Daarnaast… Die spin. Misschien zijn het niet eens jouw filters… Misschien wordt het echt beter. Kom!’

Leaf rende de tunnel door en duwde het luik omhoog. Ze graaide in haar rugzak en vond helemaal onderop de luchtkwaliteitsmeter. Waarom had ze de hoop opgegeven? Ze had moeten blijven meten. Ze had zich alleen nog maar gericht op het ontlopen van de vegers en het plannen van persmomenten. Stomme muts. Met een piep kwam het apparaat tot leven. ‘Korte meting, vergelijken met vorige meting,’ com­man­deerde Leaf.

Het apparaat begon zacht te piepen tot “meting compleet” in het beeldscherm verscheen. ‘Kwaliteit met vijf procent verbeterd ten opzichte van vorige meting,’ meldde de meter.

Qwerty kwam met een verwarde blik in zijn ogen de tunnel uit. Hij had het plantje vast.

Leaf lachte. ‘Goed dat je die hebt meegenomen.’

Haar multiband gaf 11:57 aan, ze had nog drie minuten. ‘Contacteer Ferry van Amazon 1,’ zei ze tegen de multiband.

‘Met Ferry,’ kraakte het luidsprekertje.

‘Ferry, dit is Leaf Heywood. Het uitzetten van de filters moet onmidde­llijk worden gestaakt. Er is nog plantaardig leven mogelijk op aarde. Ze activeerde de camera op de multiband en liet het plantje onder de stolp zien.’ Qwerty grijnsde schaapachtig van achter het plantje.

‘Waaaat!’ riep Ferry uit. ‘Leaf Heywood, je houdt niet op te verbazen. En wie is die knapperd?’

‘Dat leg ik je later uit. Contacteer alsjeblieft de juiste mensen, Ferry.’

‘Komt voor elkaar. Maaruh, Amazon 1 krijgt exclu­sieve rechten van al dit.’

‘Ja, ja, schiet nou maar op.’

Het gezoem van een zwotor kwam dichterbij, de vegers hadden Leaf gesignaleerd.

‘Wat gebeurt er allemaal?’ vroeg Qwerty.

‘We gaan niet dood vandaag, Qwerty, dat is wat er gebeurt. En ook moeder Aarde blijft leven.’

‘Denk je echt dat ze alles zullen stopzetten? Vroeg Qwerty. ‘Ik bedoel, dat plantje zou nep kunnen zijn.’

‘Dat risico gaan ze niet lopen. De afspraken met de milieuorganisaties zijn heel duidelijk. Als ze nu door zouden zetten en dat plantje blijkt echt te zijn, dan breekt de hel los.’

‘Wow, wij hebben dus gewoon de aarde gered?’

‘Dat hebben we zeker, toetsenbord.’ Leaf stompte hem vriend­schap­pelijk tegen zijn schouder.

De zwotor stopte en de veger klapte zijn vizier omhoog. ‘Leaf Heywood, in naam van evacuatiedienst aarde verplicht ik je de aarde met mij te verlaten. En dat geldt ook voor jou.’ De veger knikte richting Qwerty.

‘Prima,’ zei Leaf en stak haar handen naar voren zodat de veger haar kon boeien.

Een tweede veger stopte en liep naar Qwerty. Hij bekeek zorgelijk hoe de veger handboeien om zijn polsen sloeg. Ondanks de boeien bleef hij het plantje stevig vasthouden.

Leaf glimlachte naar hem. ‘Maak je geen zorgen, we gaan hoogstens een paar weken de cel in. Mijn advo­caten hebben ons zo weer vrij.’

Achterop de zwotors van de vegers werden ze naar een evacuatieschip gebracht. Ze waren nog maar net binnen toen het schip loskwam van de grond en ze de aarde onder hen zagen verdwijnen. Leaf keek naar de contouren van land en water. De oceanen hadden een grijze waas en op de continenten was geen groen meer te bekennen maar toch ontroerde het haar. Het zou weer goed komen met de Aarde.

‘Leaf?’ vroeg Qwerty zacht.

‘Ja.’

‘Mag ik je helpen, bij je gevecht voor de aarde?’

Leaf trok haar blik los van de steeds kleiner wordende bol onder haar en keek Qwerty aan. Ze glim­lachte. ‘Dankjewel, Qwerty. Dat zou ik fijn vinden.’

Iemand opende de deur van hun compartiment en werd gevolgd door twee bars kijkende vegers. Leaf herkende Ferry.

‘Leaf, wat een nieuws. Is de aarde dan toch niet verloren? Hoe heb je het gedaan?’ vroeg de Amazon 1 journalist.

Leaf wilde antwoorden maar bedacht zich. ‘Geen commentaar, Ferry.’

‘Wat? Maar Leaf, lieveling. De mensen zijn gek op je. Kom op, ik zou de primeur krijgen. Zeg iets.’

‘Het spijt me, Ferry. Moeder Aarde heeft mijn volle aandacht nodig. Ik heb me de laatste maanden veel te veel door jullie laten afleiden.’

‘Nou ja!’ Ferry trok een beledigd gezicht en wendde zich naar Qwerty. ‘Kerel, vertel me over jezelf. Maan­den op de stervende aarde leven zonder gevonden te worden. Hoe heb je het gedaan?’

Qwerty grijnsde. ‘Sorry, ik sluit me bij Leaf aan. Geen commentaar.’

‘Je hebt ze gehoord,’ zei een van de vegers. ‘Wegwezen hier.’ Ruw trok hij Ferry mee.

‘Maar…’ sputterde Ferry tegen.

De vegers duwden hem het compartiment uit.

Leaf richtte haar blik weer naar buiten. Vingers beroerden zacht haar hand. Ze nam Qwerty’s hand in de hare. Het klavertje vier stond tussen hen in. Voor het eerst sinds lange tijd had Leaf het gevoel dat het allemaal goed zou komen.

Dode mannen dromen niet : Marcel Orie

Eerste akte: het boegbeeld

 

Noem me maar Shilpa. U bent nieuw hier? Het straalt van u af.

Misschien heeft u al van me gehoord? Shilpa de moritat-zanger? Luister naar mijn lied en stop een penning in het bakje van Herr Stumm, mijn aapje. Is hij niet schattig? Zie: hij is gekleed als een klein mensje. Ik maak mijn ronde over de zompige pieren van dit stadje. Met mijn draai­orgeltje begeleid ik de moord­ballades die ik zing, terwijl Stumm springt en danst.

De doden lopen hier schouder aan schouder met de levende dromers. Soms is het verschil moeilijk uit te maken, slechts in de details schuilt het echte kwaad.

Dit is een baai waaruit niemand meer vertrekt. Zie hoe de schepen opeen gepakt liggen. Kijk hoe de Baal met zijn boegspriet tegen de achtersteven van het zwarte galjoen Queen of Spades aanschurkt als een hitsig beest.

Her en der steken er nog masten boven het groene water uit, van gezonken en nooit geborgen schepen die als koraal­riffen vlak onder de waterlijn verstoken liggen. De wrak­ken maken de binnenhaven ondiep en verraderlijk.

In geval van storm deinen de schepen op de golven en ze botsen en schuren en klappen tegen elkaar, terwijl de beman­ningsleden als opgeschrikte mieren over het dek zwermen, touwen vastsjorrend, enterhaken gereed houdend, verwen­singen schreeuwend die weggevoerd worden door de wind.

Maar meestal is het water kalm in de vergeten binnen­haven van Wurmwater. De seizoenen zijn hier gelijkmatig. En de bemanning van piraten, moordenaars en plunde­raars, schoften van allerlei allooi houdt zich ook kalm. De bootsmannen zien erop toe dat de schepen onderhouden worden, ook al hebben ze er geen hoop meer op ooit nog uit te varen. En tussendoor wordt er gedobbeld, gedronken, gesnoefd en geslapen. De landerige stemming die zich van de zeebonken meester maakt baart de verstandigste kapiteins zorgen. Uit dit soort doelloos gelummel kunnen plots muiterijen ontkiemen.

 

*

 

Op de achterplecht van de Queen of Spades vindt een overleg plaats tussen drie kapiteins. In de namiddag hebben ze Madeira-wijn zitten drinken in de schaduw van grote ronde parasols. Nu begint de zon onder te gaan en zijn kaarsen bijgezet op ijzeren standaards. Het flakkerende licht vormt het drietal tot wrakhouten boegbeelden, losgebroken van hun schepen en na een lange sluimertijd gedobberd te hebben in zout water, aangespoeld op een vreemde kust. Verweerde koppen, stulpend en wrattig als overdekt met zeepokken. Het schaduwspel verhult niet, maar benadrukt slechts hun inborst.

De kapitein van dit schip luistert naar de naam Edward Teach, maar werd gevreesd als de piraat Black-beard. Hij harkt gedachteloos met zijn vingers door zijn lange, woeste baard, terwijl hij spreekt.

Hij heeft de andere twee kapiteins uitgenodigd. De Marsh­-broers, kapiteins op hetzelfde schip, wat het spreek­woord daar ook van vinden mag: de Baal. Beide mannen hadden bij leven de voorname leeftijd van zestig al bereikt, voordat ze stierven en aan hun tweede leven in Wurmwater begonnen. Ze zijn beide zwaar van lijf. De jongste broer, de stamvader Obed, is corpulent, zelfs vet te noemen. Ahab, de oudere broer, is zwaar op een andere manier, hij heeft nog steeds de bedacht­zame kracht van zijn walvisvaardersbestaan opgesloten in zijn gedaante.

Hun hoofden zijn te groot, bedenkt Edward zich, terwijl hij nog eens inschenkt. Obed heeft een schedel als een os, en bij Ahab is dat prominente voorhoofd ook nog eens getekend met littekens.

Ze spreken over vele dingen. Over hun gevangenschap in deze verstikte baai. Over hun verlangen om het zeegat uit te varen. Ze spreken over hun levens, over de handel, de walvisvaart en de piraterij. Ze lijken het eens. Een man moet zijn weg in het leven vinden. Neem je lot in eigen handen.

Ze dissen elkaar anekdotes op uit hun bewogen levens. Ze keuvelen. Over wijn en likeur. Over vrouwen. Obed Marsh haalde zijn vrouwen in Polynesië, dat is geen geheim, evenmin als wat hij met die vrouwen deed. Ze spreken over de landen die ze bezochten. De mannen die ze bedrogen. De wijn vloeit rijkelijk. De drie oude mannen blijken jongensogen te hebben, de schelmachtige twinkeling verraadt ze.

Maar er is ook achterdocht, als een verraderlijke onderstroming. Met welk doel heeft Edward de andere twee uitgenodigd? Ze zijn reeds jaren elkaars buren in deze haven en uitgerekend vandaag komt hij met een uitnodiging? Het is uiteindelijk Ahab Marsh die de onvermijdelijke vraag verwoordt: ‘Je schenkt goede wijn, Edward, en je conversatie wordt ook gewaardeerd. Maar toch blijf ik me afvragen waarom je ons eigenlijk hebt uitgenodigd.’

Edward knikt, alsof hij op deze vraag heeft zitten wachten. Hij neemt nog een slok en gooit dan de naam op tafel.

‘Kennen jullie de smokkelaar Karagiozis? Hij is een Griek, of sommigen zeggen een Turk. Een ge­bochelde. Hij heeft een tijd lang gewerkt voor de ivoor­handelaar Kurtz, heb ik horen vertellen. Hij werkt nu al jaren voor zichzelf. Hij smokkelt. Voor­werpen, personen. Er wordt gezegd dat hij geheime wegen naar het land der levenden kent.’

‘Een gebochelde Orpheus,’ beaamt Obed Marsh, ‘ik heb over hem gehoord.’

‘Ik ook,’ zegt Ahab, ‘een Griek en een zwendelaar.’

Edward gaat verder. ‘Ik heb horen vertellen dat hij een van jullie bemanningsleden onder zijn hoede heeft genomen.’

Er valt een lange gespannen stilte, waarin de drie mannen elkaar maar aan zitten te kijken.

Na een tijdje haalt Edward zijn schouders op. ‘Van deserteurs hebben we allemaal last. Het is de vraag hoe je het probleem oplost… zodat de rest niet hetzelfde idee krijgt.’

‘Ja,’ zegt Obed, ‘onze verloren zoon moet terug­keren. Goedschiks of kwaadschiks.’

‘Ontbied de Griek. Ondervraag hem,’ suggereert Edward.

Even later vertrekken de broers. Ahab wankelt van de wijn. Zijn rechterbeen is van ivoor, kunstig gesne­den uit walvisbeen. Hij legt een van zijn grote handen op de schouder van zijn broer, voor steun.

Eenmaal alleen neemt Edward Teach weer plaats in zijn zetel en schenkt zichzelf nog eens in.

‘Veel geluk,’ grijnst hij tegen zichzelf.

 

*

 

Daar gaat Mackie Messer, de pooier. Hij heeft betere dagen gekend. Zijn haar wordt dun en hier en daar grijs. De praalhans in zijn ooit dure, maar nu gelapte heren­jas. Verborgen in die jas draagt hij zijn messen, met lemmeten die je pas ziet blikkeren als het te laat is.

Pooier is misschien een onaangename term. Mackie zou zichzelf niet zo omschrijven: hij is een entre­preneur. Hij doet wat hij moet doen om aan zijn duiten te komen, of hij nu zijn vrouw de straat op moet sturen, of zelf zijn handen vuil moet maken. Hij draait zijn hand ook niet om voor afpersing, mis­han­de­ling of brandstichting. Lang geleden, toen ze nog leefden, hebben Polly en hij nog opgetreden met een messen­werper-act, maar daar zijn ze mee gestopt toen de handen van Mackie teveel gingen trillen.

De tragiek van hun bestaan, als een worm die zich door een appel knaagt, is dat ze elkaar in Wurmwater ook weer tegen zijn gekomen. Ze zijn weer samen gaan wonen, in een klein huisje in de binnenstad. Polly werkt in een her­berg als kamermeisje en af en toe pikt ze nog een klant op, maar dat wordt moeilijker nu het haar grijs wordt en haar tanden slecht. Ze heeft nog steeds haar ranke figuur, de hoge billen en puntvormige borsten, en daar is Mackie blij mee.

Zelf pakt hij alles aan om de eindjes aan elkaar te knopen. Souteneur is een term waar hij zich wel onder kan scharen. In het Frans klinkt het toch allemaal net wat eleganter, en hij spreekt de taal niet.

 

*

 

Edward Teach op vrijersvoeten. Hij heeft zijn woeste zwarte baard uitgekamd en in drie punten verdeeld, elk vastgezet met een gestrikt kleurig lint, zodat zijn baard de vorken van een drietand vormt, een symbolische daad die niet alleen zijn aangeboren ijdelheid bevredigt maar ook de goedkeuring van de zeegoden kan wegdragen. Hij bespren­kelt zich rijkelijk met reukwater en wikkelt een sjaal rond de littekens in zijn nek. In de wakende landen hadden zijn tegenstanders hem door­stoken, ze hadden zijn hoofd afgehakt en het aan de haren aan de boeg­spriet van zijn buitgemaakte galjoen geknoopt.

Hij is een dode met een voortdurend verstijfd lid. Wil je weten hoe je obsessie spelt?

Hij klimt de drie treden omhoog en opent met trillende handen het deurtje naar de galerij. Het vergulde krul- en lijstwerk van de spiegel achter hem vormt de barokke achtergrond voor zijn romantische ontmoetingen. De boegspriet van de Baal steekt, zoals reeds vermeld, rake­lings langs de achtersteven van zijn galjoen. De na­bij­­heid van de schepen maakt een bijna besloten ruimte van de galerij. Een besloten hofje voor twee tortel­duiven. De griffioenen die de glas-in-lood raampjes van zijn kajuit flankeren, zijn het enige publiek.

Links is het hokje waar zijn privaat gesitueerd is. Rechts de toegangs­deur tot zijn hut, die hij openlaat om extra beschutting te creëren. De boeg van de Baal ontneemt vrijwel alle zicht op de rest van de baai. Boven zijn hoofd torent het overdreven hoge voorkasteel.

Maar recht voor zich ontvouwt zij zich. Iedere keer is het alsof hij haar voor het eerst ziet. Iedere keer weer, ook al bezoekt hij haar soms wel twee keer per dag, bij voorkeur tijdens de ochtendschemering of na het onder­gaan van de zon. Ze strekt haar ene arm voor zich uit, haar biceps rustend tegen de zachte welving van haar prachtige gezicht, haar reikende open hand is een smeekbede waarmee ze om de toegang tot tot zijn kapiteinshut verzoekt. De souplesse in die pols, de expressie in haar tastende vingertoppen!

Het boegbeeld belichaamt de ziel van het schip, zeggen zij met een romantische inborst. Maar de Baal is een kraak, een hoge beroete kolos en zij is daarvan juist de antithese. Haar fijne ivoren beelte­nis is gesneden uit walvisbot.

Haar vlakke, brede gezicht verwijst naar haar Poly­nesische afkomst. Haar oogleden zijn altijd ge­slo­ten, de krulling van haar wimpers in de juk­been­deren gekerfd. Ze is een prinses van het eiland Kokovoko, heeft ze hem eens toegefluisterd, al bleven haar brede lippen onbeweeglijk gesloten in een uit­druk­king die hem soms pruilend, soms trots voor­komt. Hij moet op zijn tenen staan om haar lippen te kunnen bereiken.

Ze kromt haar bovenlijf alsof ze los wil sidderen van de boeg waaraan ze gekluisterd is. Alsof ze de last die achterop haar komt van zich af wil schud­den. Haar wulps puilende borsten, onder­steund door haar andere arm, zijn besneden met wijd bemeten areola en elk bekroond met een tepel die priemt als een tastende vinger. Door de krom­ming van haar torso zijn de ribben zichtbaar, zo glad en gepolijst en toch met weerhaken verankerd in zijn geheugen. Onder de welving van haar buik, en de holte van haar navel die zo diep is dat zijn wijsvinger er twee kootjes diep in verdwijnt, begint haar vissenstaart. De vissenschubben waaieren uit als de schubben van een dennenappel, schrapen zijn handenpalmen als hij ze er begerig overheen laat glijden. Alleen het onderste gedeelte van de staart kromt zich bij de voorsteven vandaan, een vinger­wijzing naar haar verlangen om vrij te zijn van het schip waaraan ze gekruisigd is. Haar uitlopende staartvin kan hij slechts beroeren wanneer hij gaat liggen op de galerij en hij zijn bovenlijf vervaarlijk over de rand laat bungelen, zijn gespreide benen als contra­gewicht, en dan slechts met een volledige uitge­strekte arm, zich als het ware spiegelend aan haar pose, slechts dan kunnen zijn vingertoppen de gegroefde lijnen in haar staartvin bevoelen.

Soms, ja zelfs regelmatig, culmineren deze gestolen ontmoetingen, als het verlangen ziedend in hem brandt, in een dierlijk schurken, hij maakt woest en onstuimig zijn riem los, trekt zijn kleren opzij en wrijft zijn tumescente onderlijf tegen haar buik, tot hij iets van verlichting heeft bereikt.

Daarop volgt de angst dat iemand hem bespied heeft. Een van zijn onderofficieren over de uitwaaie­rende balustrade van het achter­kasteel; of waar­schijn­lijker, een van de nieuwsgierige vissen­kop­pen die aange­trokken door vreemd rumoer op de boeg­spriet van de Baal zou klimmen. Edward trekt zich dan knarsetandend terug in zijn hut, en slaat zijn geliefde gade door de tralies met gekleurde glaasjes. Hij is een man die bevelen buldert, waarbij zijn man­schap­pen overeind veren om die bevelen ook uit te voeren. Wanneer hij gedwongen wordt om zijn liefdes­ver­klaringen te fluisteren voelt hij zich minder dan die man. Het is alsof hij zichzelf kleineert. Alsof er met die nood­zakelijke heimelijkheid een mate van lafheid achter­blijft dat zich nestelt in het merg van zijn botten.

Hij is ook geen dwaas, geen brulboei die een scheepsslag ontketent omdat hij zijn eigen kleine pleziertjes najaagt. Om tussen die gebroeders Marsh te laveren is om jezelf te positioneren tussen hamer en aambeeld. Maar hij is ook geen lafaard!

 

*

 

Maar wat er na de wittebroodsweken komt? Het beeld van een huwelijk dat al te lang geduurd heeft? Neem bij­voorbeeld Mackie Messer en zijn Polly, ze zitten samen aan de bar van de Lustvolle Zwaardvis.

Verstandige drinkebroers blijven wijselijk op afstand als twee echte­lieden beginnen te kijven.

De stemming van Mackie Messer is grillig: hij wisselt van opgetogen naar humeurig. Als hij larmoyant over zijn glas gebogen zit, zijn kop zo rood aangelopen als de port die hij heel de middag heeft laten weglopen in de bodem­loze put van zijn keel, dan plotseling weer vocaal en roffelend op zijn borst als een mensaap. Kenners weten dat Mackie nu op zijn gevaarlijkst is, maar Polly is zelf te beschonken en door de wol geverfd om er nog om te geven.

‘Je weet toch wie ik ben, is het niet?’

‘Tuurlijk, tuurlijk, jij bent Mackie Messer. Mackie het Mes. Denk je dat ik dat niet weet? Wou dat ik het vergeten kon…’

‘Ik ben toch je vent, of niet? Ben ik je vent of niet?’

Zijn echtgenote trekt aan haar sigaartje en blaast de rook naar hem toe.

‘Ik vraag je wat! Ik vraag je wat! Ben jij mijn wijf of niet?’

‘Ja, dat ben je Mackie! God weet dat ik je wijf ben! Ik draag er de schandvlekken van.’ Ze herschikt de doek om haar schouders, trekt de stof om zich heen alsof ze het plotseling koud heeft.

‘Aaah, wat ben je toch een monster. Geef ik je dan niet genoeg?’

‘Jij geeft me meer dan genoeg, Mackie!’ spuwt ze hem toe. Ze buigt naar hem toe en even lijkt het alsof ze hem met haar lange tanden in zijn neus zal bijten. Haar ene voortand is verkleurd na een stomp in haar aangezicht, bij een echtelijke ruzie enkele jaren eerder.

‘Zeg maar wat je hebben moet! Zeg het me maar!’ Hij slaat met zijn vuist op de bar zodat de glazen rinkelen, maar verder is het stil in de Lustvolle Zwaardvis. De toog is hun niemandsland geworden, waar niemand zich nog op wil houden. De waard poetst glazen, zo ver moge­lijk bij de echtelieden vandaan. Aan de tafeltjes staren de andere klanten in hun glazen.

‘Wil je een gouden ketting om je nek? Wil je er twee? Zeg het maar. Dan ga ik ze halen! Ik haal ze voor je!’

Hij staat op en zijn barkruk gaat met een klap tegen de grond.

‘Ik ben nog steeds Mackie Messer!’

‘Weet ik toch,’ mompelt Polly.

Dat had ze ook nooit mogen zeggen.

 

*

 

Het gerucht dat de Marsh-clan op zoek was naar de Griek Karagiozis verspreidt zich door de stad met de virulentie van de Franse pokken.

Een harpoenier uit Nantucket vertelde het tegen een paar stuwadoors. En even later werd er op de visafslag, waar de kade glibberig was van de inge­wanden, ook al druk gespeculeerd over de ware toe­dracht. Wat waren de motieven van de betrokken partijen? Zelfs de gekluisterde kraankinderen in de tredmolens die de grote hijskraan aandrijven, hoor­den het aanzwellende gerucht aan, al konden ze er niets mee, voort­stappend als muildieren.

De woorden reisden langs de kanalen de stad in. Een papyrussnijder hoorde het van een blinde bede­laar. Hij vertelde het door tegen de fruit­verkoopster met een rieten mand op haar hoofd. Een passerende ratten­vanger vertraagde zijn pas om hen af te luisteren. Hoorde hij dat goed? Tien dukaten? De grijze man droeg een hark over zijn schouder waar­aan hij zijn vangst aan de naakte staarten had opge­knoopt, en die zwierende dode ratten hadden ver­ont­rustend menselijke gezichtjes.

Gerucht en roddel waren het levensbloed van deze stad.

Op het moment dat het het havenvolk de kroegen binnen golfde, bereikte zijn koortsachtig hoogte­punt. Met genoeg drank om de kelen te smeren en de vuren der heldhaftigheid op te stoken, tuimelden de vrijwilligers over elkaar om de gluiperige Griek (of was het toch een Turk) in de kraag te vatten en uit te leveren bij de Marsh-clan. De beloning was nog niet verdiend of ze was al uitgegeven.

De verschillende bevolkingslagen werden geïnfec­teerd met de roddel. De filosofen en dichters die tot diep in de nacht aan de toog hingen om hun onto­logische dorst te lessen, ook zij hoorden van het kop­geld. Met hun verhitte fantasie groeide Kara­giozis uit tot een schurk van formaat, voort­vluchtig en ongrijpbaar. Iedereen kon wel een schanddaad van dit mispunt opdissen. De meesten hadden uit eerste hand onder zijn doortraptheid geleden (ook al hoor­den ze vanavond voor het eerst zijn naam).

De woorden werden herhaald en verhaspeld , ze kwamen terecht bij zovelen die er niets mee konden, maar zo nu en dan ook bij een man die er het zijne van dacht. Een nerveuze man die iedereen Black Dog noemde, vertelde het tegen een van zijn kompanen, terwijl ze zaten te drinken in de Lustige Zwaardvis. Oh voor­zienigheid! Een sluimerende, beschonken Mackie Messer lag te slapen op een houten bank in de nis ernaast. Hij was niet wakker, maar hij was ook niet in slaap. Hij was volkomen droomloos, zoals alle doden in deze stad. De woorden vonden zijn oren, weefden zich door zijn bijna-maar-net-niet bewustzijn.

 

*

 

De Roodjassen hebben een prooi gegrepen. Het trom­geroffel roept de menigte van toeschouwers bijeen. Nieuwsgierig dromt het volk samen rond het schavot, terwijl de Roodjassen hun gevangene vastketenen. Ze laten de ongelukkige knielen, drukken zijn hoofd op een houtblok, kluisteren kettingen om zijn armen en benen die ratelend strak getrokken worden door vier metalen ogen. Zo uitgespreid is het nog slechts wachten op de beul.

De soldaten dragen rode knielange jassen en vilten puntmutsen met gaten voor ogen en mond. Zwijgend en argwanend slaan ze de menigte gade, musketten in de hand, sabels aan de zij. Een omroeper declameert wat onduidelijkheden over ‘misdaden tegen het Gemenebest’. In Wurm­water zijn begrippen als rechtvaardigheid en schuld betekenisloos gewor­den. Er is nog maar één strafmaat en die wordt uitgemeten door de Bloedvuist. Als hij ten tonele verschijnt in zijn slagersschort wijkt de opdringerige menigte uiteen. Een reus van een man, de langsten onder de toeschouwers reiken nog niet tot aan zijn borst. Hij heeft een slepende tred. Hij draagt zijn zware slegge over zijn ontblote schouders. Zijn huid is krijtbleek. Zijn overmaatse kop wordt verhuld door een juten aardappelzak, gedoopt in scharlaken verf, met twee rafelige ooggaten. Er wordt van de Bloedvuist gezegd dat hij sterk genoeg is om bloed uit een steen te knijpen. Hij schept er genoegen in om de hoofden van degenen die hem ter beschikking gesteld worden met één machtige slag plat te slaan. Slechts heel zelden heeft hij twee of meer slagen nodig. Zijn werk gedaan, verdwijnt de beul weer. De andere Roodjassen scheppen de gekliefde overblijfselen in een houten kruiwagen en voeren ze af. Er wordt gezegd dat ze de hoofdloze kadavers verbran­den in ondergrondse ovens die zo heet zijn dat zelfs de botten tot as vergaan.

 

*

 

Het roffelen van de pauken doet Mackie wakker schrikken in de alkoof waarin hij zijn roes ligt uit te slapen. Hij drukt zijn warme gezicht tegen het kleine ronde glas-in-lood raampje en loert door het flessenbodem-glas naar buiten. Hij heeft geen inte­resse in een executie, zo lang het maar niet die van hemzelf betreft. Het lot van zijn medemens laat hem sowieso koud.

Maar hij ziet buiten wel iets dat hem interesseert. Een herinnering aan gefluisterde woorden kriebelt in zijn brein en vertaalt zich tot een glimlach. Het is zoals zijn moeder altijd placht te zeggen: sommigen zijn nu eenmaal voor het geluk geboren. Hij kruipt uit de alkoof, fatsoeneert zijn kleren en haar, zo goed en kwaad als dat gaat, en haast zich naar buiten.

De moritat blijft een opmerkelijke verschijning in haar kleurige goed, kniehoge leren laarzen, een pofbroek en een keurlijfje dat haar kleine borstjes opstuwt. Een brede paarse doek om het hoofd geknoopt, waaruit haar stugge haar getoupeerd oprijst als een toren, omwonden met kralensnoeren en linten. Haar aapje zit op haar schouder, hij is netjes aangekleed en heeft een hoge hoed op zijn kopje. Ze is bezig een roldoek vast te spijkeren aan de achterzijde van een privaat-huisje.

Mackie sist naar de straatzangeres. ‘Shilpa schatje, waarom zing je mijn liedje nooit meer?’

Stil als een schaduw is hij haar beslopen en hij geniet van de schrik in haar ogen.

Ze herstelt zich vlotjes. Arm in haar zij. ‘Heb je er een penning voor over, Mackie?’

‘Andere keer, schatje. Ik zit nu wat krap bij kas.’

Hij is dichterbij haar komen staan. Hij reikt naar haar arm, maar zij stapt snel bij hem vandaan.

Hij glimlacht breed naar haar en schudt zijn hoofd.

‘Van mij heb je niets te vrezen, schatje.’

Ze tikt met twee vingers tegen haar slaap. ‘Ik ben je liedje niet vergeten: de haai heeft tanden en die draagt hij in zijn gezicht.’

‘Ik kan niet begrijpen dat wij nooit zaken hebben kunnen doen, zo’n mooie slimme meid als jij en…’

‘Laten we dat maar niet doen, Mackie.’

Hij zucht. ‘Zoals je wilt. We hebben het er een vol­gende keer wel over.’ Hij wijst op een figuur in de  uiteenvallende menigte. ‘Zeg eens, die grote vent daar, met die bochel als een dromedaris, dat is Karagiozis de Griek, toch? Met die lelijke kale kop en die haakneus.’

Shilpa hoeft nauwelijks te kijken. Ze knikt alleen maar.

‘Dacht ik al,’ glimlacht Mackie. ‘Goed zo. Heel goed. De volgende keer koop ik een liedje van je, Shilpa.’

De moritat-zinger besluit toch een andere plaats te zoeken om haar liederen ten gehore te brengen. Ze haalt haar juist vastgespijkerde doek weer los, rolt hem behendig op, hangt haar kleine draaiorgeltje weer aan de leren band over haar schouder en maakt zich dan uit de voeten, het kwetterende aapje in haar kielzog.

Mackie Messer blijft achteraf staan, leunend tegen het zweterige metselwerk, zijn handen weggestoken in de hoge zakken van zijn jas.

De ter dood veroordeelde wordt alweer afgevoerd in zijn kruiwagen. De beul sjokt er vandoor. De menigte begint uiteen te vallen, te desintegreren. Kleinere kluitjes kiezen weer hun eigen pad. Straat­verkopers en temeiers proberen ze nog te onderscheppen om hun schamele waren te slijten.

 

*

 

Ik zeg niet dat Wurmwater het hiernamaals is. Ik weet niet hoe heet de hel is, of wat de onderscheidende karakteristieken van het vagevuur precies zijn. Deze havenstad lijkt in ieder geval niets op de beschrijvingen die ik wel eens heb horen geven van de hemel of het paradijs. Maar misschien komt deze poel des verderfs een rechtgeaarde zondaar juist wel hemels of paradijselijk voor. Wie zal het zeggen? Ik in ieder geval niet. Ik ben maar een eenvoudige straatzangeres, geen geleerd theo­loog, predikant of moralist.

Laten we het erop houden dat Wurmwater een stad is, ergens, aan de nachtzijde der dingen, met een haven waar ongewoon veel zondaars strandden. Het komt op geen enkele kaart voor, las ik eens ergens, want echte plaatsen vind je nooit op een kaart.

Er zijn hier zoveel doden die een tweede kans hebben gekre­gen. Ze imiteren de levenden: ze vreten en zuipen, neuken en vechten, liegen en bedriegen, alsof er nooit meer een morgen zal komen. Een tweede kans om dezelfde misstappen te maken als de eerste keer. Daarom zing ik nooit een aubade of pastorale. Ik zou verhongeren, want mijn toehoorders zijn zo door de wol geverfd, dat hun aandacht slechts wordt getrokken als ik mijn roldoek vastspijker aan een schutting of paal. Het bloed moet van het doek druipen, anders blijven zij niet staan. Ik moet krassen over moord, brandstichting en verkrachting, anders zoeken zij hun vertier elders.

 

 

Tweede akte: de worst

 

Kent u de vissen die ze piranha noemen? Ze leven in de man­grove ten oosten van de stad. Het water is daar opaak en groen als absint. Heel kalm, ook. Glad als een beslagen spiegel. Ze eten geen vlees, deze vissen, ze voeden zich slechts met de vruchten die overrijp van de bomen in het water vallen.

Maar als er iets in het water valt, is het gedaan met de kalmte. Ogenblikkelijk wordt het water een woelende, kolkende maalstroom van tanden en honger. Even later is de rust weer teruggekeerd. Geen rimpel herinnert nog aan de chaos van zojuist.

Vissen, dus.

U begrijpt wel dat ik het eigenlijk over deze stad heb?

 

*

 

De uitbater van Het Spuigat is een kleine man die Mumbai genoemd wordt, naar de stad waar hij ooit geboren was. Hij doet denken aan een poetsgarnaal met zijn kruiperige, springerige bewegingen. Ook zijn stekelige doorgegroeide bakkebaarden en de sprietige spierwitte wenkbrauwen- herinneren aan de kleinste der kreeftachtigen.

Het Spuigat is zo’n kroeg met kerven op de borrelglazen die een borrel of een dubbele mar­keren. De waard put zich uit in excuses terwijl hij aan het inschenken is. Hij spreekt in een onver­staanbaar binnensmonds pidgin, zodat zijn klanten nooit begrijpen waarvoor hij zich precies veront­schuldigt.

De inferieure kwaliteit van zijn drank? De glazen vol vingerafdrukken? Het feit dat er slechts een enkele olielamp brandde en de zaak donker als een graf was? Misschien omvat de voortmeanderende mea culpa de algehele smoezelige staat van het etablissement of de gastheer?

Het verzakte houten drinklokaal ligt ingeklemd tussen een pandjeshuis en een teerderij. Tegen de vergoeding van enkele koperen penningen opent Mumbai discreet een van de achterdeuren waarlangs een klant toegang krijgt tot een achterplaatsje, een cul-de-sac omsloten door de wrakhouten bouwsels, enerzijds begrensd door een hok met een blind varken en anderzijds afgepaald door een houten schutting. De zaak ontleent zijn bijnaam aan de ronde gaten die in deze schutting geboord zijn, ruwweg op heuphoogte.

Achter de schutting is de plaats waar Mumbai zijn vaten met drank opslaat. Er is een aparte deur voor het personeel.

Wanneer er een behoeftige klant zijn broek had laten zakken en plaats nam voor een van de gaten, was het slechts een kwestie van tijd voordat Mumbai iemand vond om plaats te nemen aan de andere zijde van de schutting om de overeenkomst te bezegelen. Ofwel een van de tippelaars die hier over straat zwalkten, of wanneer hij het met de lichtekooien niet eens kon worden over de vergoeding dan stuurde nog wel eens de doof­stomme keukenhulp, die hij dreigde met slaag.

Van de klanten wordt slechts verlangd dat zij vooraf betalen en dat zij zich verder niet storen aan het rochelachtig geknor van de zwart-witte zeug in haar modderige kot, of aan de zurige geur van de uitgekookte rats die in haar trog ligt te zweten.

Het gerucht gaat dat wanneer Mumbai geen ge­schikte knieler kan vinden, hij zich dan maar ver­ontschuldigt in de kroeg, zijn kunstgebit uit de mond neemt en in een bakje achter de toog verstopt, waar­bij hij zelf naar het achterterrein gaat.

 

*

 

Vanavond is er een vaste klant aangetreden: de Griekse bultenaar Karagiozis. (Van de schaduw die hem al de nodige tijd volgt door de drukke straatjes van Wurm­water heeft hij geen weet.) Hij is gekomen voor zijn pleziertjes. Hij heeft eerst zijn blaas geleegd op het achter­plaatsje en propt nu zijn van anticipatie aanzwel­lende olifantslid door een spuigat dat zich voor hem op praktische hoogte bevindt. Zo wacht hij af, terwijl Mumbai op straat een meisje van de nacht probeert te regelen. Het ongewisse van zo’n uitwisseling is wat Karagiozis zo bevalt.

Hij staart omhoog naar de maan, die als een uitgeslagen wiel kaas aan de hemel schimmelt. Hij laat zijn kale schedel rusten tegen zijn bult alsof hij een kussen meedraagt tussen zijn schouderbladen. Zijn vingers verkennen het ruwe oppervlak van de schutting waar hij tegenaan leunt. Hij probeert een liedje te neuriën dat hij eerder die dag uit een draaiorgel gehoord heeft, maar zijn mond is te droog. Hij likt aan zijn gebarsten lippen.

Een siddering trekt langs zijn ruggengraat als hij de personeelsdeur hoort dichtklappen. Actie!

 

*

 

Mackie sluipt langs de schutting. Hij draagt zeven messen van verschillende formaten verborgen op zijn persoon, maar hij heeft ze nog geen van alle tevoorschijn gehaald. In een opwelling heeft hij een schaar uit zijn laars gehaald. Hij klapt hem open en schuift hem langs de schutting, als een kind dat speelt dat de schaar een haai is.

Snip-snap. De maan blikt op hem neer, knipoogt naar hem.

Dan begint het schreeuwen.

 

*

 

Met lichte tred keert Mackie Messer terug naar het krot dat hij met zijn Polly deelt. Zijn trofee draagt hij mee in een stuk oliedoek. Hij wast zijn kleverige handen bij de geitenkop fontein, het melkwitte water dat uit de rots sijpelt ruikt naar zwavel. Dan daalt hij het steegje af waarin hij zijn huis heeft. Er zijn geen straatlantaarns hier, maar hij kent de weg. Twee treden omlaag, op de tast de sleutel in het slot.

Hij bergt zijn trofee op in zijn geldkistje, zodat de vliegen er niet bij kunnen. Hij ontkleedt zich en gooit zijn kleverige plunje achteloos op de zaagselvloer. Dan kruipt hij bij zijn echtgenote in de bedstee. Nog slapend, kruipt ze bij hem vandaan, instinctief, zo ver als ze kan, voordat de muur haar tegenhoudt. Hij kruipt tegen haar aan, duwt haar klem en begint haar slaapjurk omhoog te hijsen. Niets laat zijn eigen bloed zo stromen, als wanneer hij het bloed van anderen heeft laten stromen. Een probaat afrodisiacum.

 

*

 

De zon is nog maar net op, maar Mackie heeft zich al aan boord van de Baal laten takelen. Het geteerde zwarte hout van deze zeewaardige kraak contras­teert met de bleke ornamenten die overal het schip opluisteren. Scrimshaw, gesneden uit de botten en tanden van walvissen. Het zijn gedetaileerde en verfijnde beeldhouwwerken die octopussen en andere zeemonsters weergeven. Ongekend is het aantal manuren dat hieraan besteed is, krassend met een scherp mes of beitel, in dat harde tand en bot. Maar Mackie krijgt geen tijd om de details in zich op te nemen want de bemanning van vissenkoppen verdringt zich om hem van dichtbij te bekijken, alsof hij de curiositeit is en niet zij. Gedrochten met hun rare smalle hoofden, hun platte neuzen en die uitpuilende starende ogen. Echte vissenogen. Alle verhalen zijn waar, bedenkt Mackie, over het geslacht van stamvader Obed Marsh. Hoe ze hun vrouwen haalden van verre eilanden en ze lieten paren met zeemonsters.

Mackie heeft de oliedoek opengevouwen en toont de gedrochten zijn trofee.

De bootsman heet Barnabas Wade. Hij snuift en kwaakt. Hij heeft kopergroene schubben in zijn hals. Zijn oren zijn verdwenen. Hij heeft kieuwen als rafelige openingen in zijn hals. Er hangen vlezige snorharen langs zijn mond omlaag. Heel zijn onmen­selijke gelaatsuitdrukking ademt afkeer. Zijn ont­blote bovenlijf is overdekt met tatoeages.

‘Dit is Karagiozissss niet! Wij zoeken een man, jij brengt ons dit!’

‘Haal je kapitein maar,’ zegt Mackie, ‘die snapt me vast wel.’

De bootsman brengt zijn gezicht vlakbij dat van de pooier. Zijn kieuwen blazen open als hij snuift en blaast. ‘Ontbied één van onze kapiteins.’

Ondertussen komen de vissenkoppen nog wat dichter om Mackie heen staan. Om hem te inti­mi­deren, maar hij geeft geen krimp. Ze ruiken naar vis, naar de zoute zee, maar die observatie besluit hij maar voor zich te houden.

Wanneer de oudste van de Marsh-broers, kapitein Ahab, eindelijk aan dek verschijnt, steunend op zijn kruk, wijkt de bemanning uiteen om hem vrij door­gang te geven. De oude walvisjager slaat de trofee een ogenblik met een glinsterend oog gade. Hij schudt zijn hoofd, misschien omdat hij zich blijft verbazen over de waanzin en eerloosheid in deze stad.

‘Waarom ons de man zelf niet gebracht?’ vraagt hij dan aan Mackie.

‘Ik vond hem te corpulent om te dragen.’

‘Dus je verkondigt dat je te lui ben om te werken en toch kom je om een beloning bedelen?’

‘Mijn slagerswerk is inspannend genoeg geweest. Ik handelde inventief en doortastend, om de Marsh broers te brengen waar zij om verzochten. Goud voor bloed, want woord is woord bij de Marsh, dat weet iedereen.’

‘Wij vragen om de man, niet om een onderdeel van de man.’

‘En ik vraag slechts om de kopprijs die jullie hebben uitgeloofd.’

‘En toch is degene die wij zoeken niet hoofdelijk aanwezig.’

‘Maar voor dit hier.’ Mackie Messer schudt het lillend vlees dat hij nog steeds als een offerande op zijn uitge­strekte handen ophoudt. ‘Zal de Griek zich vanzelf komen presenteren. Verkondig dat jullie dit onderdeel van hem hebben, en hij zal er voor komen. Hij zal komen bedelen als een hond. Hij zal alles doen wat je vraagt.’

‘En hoe weet ik dat jij als slagersgezel dit onderdeel niet van een varken hebt afgesneden?’

‘Gezegend zou de gedroomde beer zijn. Kijk naar de afmeting, kijk naar de vorm. Gezegend is de Griek, zoals het verteld wordt, want hij heeft niet alleen een bult op zijn rug, maar ook één tussen zijn benen. Hij is kameel in plaats van dromedaris. Of althans dat was hij tot ik hem ontmande.’

Kapitein Ahab richt zich tot zijn bootsman. ‘Neem het lid en betaal heer Messer vijf dukaten.’

De kapitein draait zich al om, als Mackie opmerkt: ‘Maar de uitgeloofde beloning was tien dukaten.’

‘Tien dukaten voor de man. Ik geef je er vijf voor zijn lid. Dat is rechtvaardig.’

Steunend op zijn kruk, keert kapitein Ahab terug naar zijn vertrekken.

 

*

 

Polly schudt de kussens op en het regent veren. Ze had gewoon bij Vrouw Holle moeten blijven werken. Waarom had ze zich ooit laten weglokken door Mackie? Vannacht was het weer raak geweest: eerst een pak slaag en daarna erop. Alle mannen zijn zwijnen, en Mackie Messer de ergste.

Maar wat moet ze dan? Bij hem weglopen? Ha! De vorige keer dat ze dat deed, had hij haar teruggevonden. En het haar laten voelen ook. De fout maakte ze niet meer.

Wie is die idioot die op de binnenplaats staat te schreeuwen?

Een blik uit het open raam vertelt haar dat het haar idioot is.

‘Polly! Polly schatje!’

‘Ik ben aan het werk,’ roept ze terug.

‘De rode haan op het dak van deze herberg!’ schreeuwt hij terug, ‘Kom naar buiten. Je man zorgt voor je! We gaan dansen en drinken!’

Hij danst een onnozele horlepiep op de kasseien. Polly moet er om glimlachen.

 

*

 

Karagiozis heeft zijn escorte naar een oude wacht­toren geleid.

De bootsman Barnabas Wade heeft de leiding over de excursie. Hij heeft vier matrozen bij zich, met pikhouwelen en scheppen in de hand. Aan wal verhullen ze hun onmenselijke trekken met petten en sjaals. Een jonge matroos genaamd Tobias heeft de dubieuze eer om het lid van de Griek te dragen.

De wachttoren is ingestort en alleen de onderste verdieping staat nog overeind. Op die afgebrokkelde muur is een primitief afdak van bladeren aange­bracht. De oude zigeunerin die haar intrek in de toren heeft genomen wordt door de vismensen naar buiten gejaagd. Mokkend, maar machteloos kijkt ze van een afstand toe. Ze maakt het teken van het boze oog en spuwt door haar vingers, maar daar staakt haar verzet. Wat moet ze anders? Geen weldenkend mens durft de aandacht van de grillige Roodjassen te trekken.

De vismensen zijn druk bezig om een gat te graven midden in de hut, op aanwijzingen van de Griek.

‘Hier heb ik hem laten begraven, met alles wat hij bij zich had.’

De Griek zweet overdadig.

‘Als je liegt, dan zal ik nog meer van je afsnijden,’ grijnst Barnabas hem toe.

‘Graaf dieper,’ zegt Karagiozis, ‘want daar ligt jullie wegloper.’

Zo gaat het een tijdje door.

‘Botten!’ roept een van de matrozen schril uit het gedolven gat. ‘We stuiten op botten!’

Barnabas loopt naar de rand van het gat en zakt op zijn knieën op de aarden wal.

Meer en meer botten worden opgegraven en door­ge­geven. Dan een schedel. Een ribbenkast. Een menselijk geraamte wordt bijeengeraapt en gerang­schikt als een puzzel.

Dan stuit een spade op iets hards, dat toch de deksel van een kist moet zijn.

‘Voorzichtig,’ sist Barnabas. ‘Gebruik jullie handen om de kist vrij te maken.’

In de verhitte drukte die ontstaat, is matroos Tobias ook in het gat gesprongen. Gehurkt als honden klauwen en graven de vismensen de kist vrij. De bootsman blijft hen aansporen vanaf de aarden wal. ‘Voorzichtig met de relieken. Voorzichtig.’

De kist wordt uitgegraven en devoot omhoog getild door zoveel handen. Barnabas forceert het slot met zijn dolk. Maar in de kist zitten alleen maar scherven gebroken aardewerk, blauw geglazuurd. De boots­man raapt ze er steeds sneller uit en werpt ze op de grond. ‘Wat is dit voor truc, Griek?’ gromt hij, om zich heenkijkend.

Maar Karagiozis is natuurlijk al nergens meer te bekennen.

‘Waar is de pik van dat Griekse zwijn?’ is de volgende logische vraag van de bootsman.

Waarop matroos Tobias slechts stamelend kan uit­brengen: ‘Ik legde het ding daar… daar op de werk­bank van de heks… naast de opgezette krokodil. Excuses bootsman… ik wilde alleen maar helpen met graven.’

 

*

 

De relatie tussen oorzaak en gevolg is hier niet uit te drukken als een lijn, valt niet als een pijl te symboliseren. Hier is de causaliteit meer als het slappe koord dat sommige potsen­makers bewandelen. En velen vallen er voortijdig af. Of ze vallen naar de kant van de schuld, of naar de onschuld, doet nauwelijks ter zake. Niemand maalt erom. Hier niet.

Kijk naar mijn rolprenten. Luister naar mijn liederen. De bloeddorstigheid ervan zou de daders zelf verstommen. Ze weten niet wat ze doen…. Er is meestal geen band tussen slacht­offer en dader, geen lichtend koord dat ze aan elkaar verbindt. In deze boosaardige stad kunnen het passanten zijn, die om schijnbaar niets verwikkeld raken in een bloedvete. Voorzienig­heid was nooit zo banaal. In deze stad struikelen de schik­godin­nen en raken verward in hun eigen weefsel.

 

*

 

Karagiozis sleept zijn peervormig lijf voort. Hij draagt een strooien hoed om zijn kale schedel tegen de zon te beschermen, maar de druppels glijden al omlaag over de spekrollen die weelderig zijn nek bedekken. De bochel die tussen zijn schouders oprijst wiegt heen en weer als de bult van een dromedaris. Hij heeft gekoelde groene thee zitten drinken op de achterplecht van zijn woonboot, zitten drinken en zitten dommelen, totdat hij weer ontwaakte door het gerommel van zijn maag. Zijn hechtingen jeuken wat en hij heeft een branderig gevoel bij het urineren, maar verder lijkt alles benedendeks in orde. Het heeft hem een aanzienlijk deel van zijn spaar­geld gekost om zijn lid weer vast te laten naaien. Die chirurgijn Johann Faust die praktiseert in de Altstadt heeft verzekerd dat zijn toverfluit binnen enkele dagen weer naar behoren zou moeten functioneren.

Nu waggelt Karagiozis over de krakende, steunende steigers en plankiers die de waterkant van Wurmwater-aan-zee markeren. Het water loopt hem in de mond als hij denkt aan gestoomde zoete broodjes die Chai Mai vult met het gebraden gehakt dat ze koopt bij Ursala de varkensvrouw. Eerst zal hij eten, nog wat kracht opdoen, en dan zal hij testen of zijn lid inderdaad weer werkt. Hij zal op de terugweg langs het Kale Huis gaan, waar de meisjes hun schaamstreken en oksels scheren om de schaamluis op afstand te houden, waarna ze zich ver­sieren met triangelvormige kunstpruikjes van bever­bont. Ze kennen hem daar, hij is een gulle tipper.

De zon staat op zijn hoogst boven deze gedroomde en verdronken stad, een onverbiddelijk zengend oog van een wraakzuchtige oud-testamentische god. Op dit uur is de heerschappij van de zon volledig en zijn zegetocht is vol pracht en praal. De aangekoekte zoutkorsten op de ducdalfen schitteren alsof ze bepoederd zijn met diamantstof. De schaduwen van de overstekende daken zijn verdrongen, nestelen zich hoog tegen de gevels als sluimerende vleer­muizen dromend over hun nachtelijk bewind.

Ook het ongedierte blijft uit het zicht, ze scharre­len onder de plankiers over de met schaaldieren begroeide palen en dwarsbalken. Als er een voet­ganger passeert, houden ze zich stil, totdat de stam­pende reuzen­voeten zich weer verwijderen. Het gewicht van de Griek is aanzienlijk, zijn puilende buik schudt en wiebelt als hij loopt. De sleutelbos met koperen sleutel rinkelt vanaf zijn brede riem, onder het afdak van zijn pens. Er hangt ook een vuurslag­pistool in een leren holster aan die riem. Hij heeft een sabel in de schede, die hij als wandelstok gebruikt. Hij zal niet toestaan dat die viskoppen hem verder mutileren of bedreigen. Schoften!

Hij herinnert zich de jonge vissenkop nog wel. Zijn naam is hij vergeten, evenals de precieze plek waar hij hem begraven heeft. Over de jaren heeft hij zoveel slachtoffers in de grond gestopt om de wormen te voeren. Ze zien in hem een veerman die ze terug naar het leven kan loodsen, maar hij is hun engel des doods.

Heel de stad is lusteloos en loom. De lucht verdikt tot stroop. Het roepen van de straatverkopers komt met steeds langere tussenpozen. Onder de stad is het maar marginaal koeler. De naakte oesterduikers en vissers hebben hun rieten bootjes vastgebonden aan de palen en stelten waarop de stad gebouwd is. Ze liggen in hun bootjes te slapen, als kadavers die wachten op de wederopstanding.

Maar niet iedereen geeft zich over aan de siesta: er glijden schaduwen door het water, vluchtig als de vormen van mangrote vissen, vreemde lichamen die net onder het troebele olijfgroene water schuil gaan. Nu en dan verschijnt er heel even een snuit boven de waterlijn als van een kaaiman of een snoek. Ogen zonder oogleden volgen de gangen van de sleutel­bewaarder van net onder de waterlijn. Vier, nee vijf, van deze donkere vormen, elk zo groot of groter dan een mens, zwemmen achter hun prooi aan. Ze volgen de Griek al vanaf het kanaal der papyrus, en nu door de steeds smallere grachten en kreken van de achterbuurt die de Duivelsvingers genoemd worden. De steigers zijn hier lager, bevinden zich dichter bij het wateroppervlak. Met een behendigheid die zijn omvangrijke gestalte niet zou doen vermoeden balanceert Karagiozis over een van de doorverende kattenbruggetjes die de vlotten, woon­boten en steigers met elkaar verbinden.

Ongemerkt zijn de jagers dichterbij gezwommen.

Als Karagiozis op het laagste punt is, de plank waarop hij staat tot het uiterste gebogen, de gekrulde tenen van zijn schoenen nog maar een handbreedte boven het water, springt er iets omhoog uit het water als een orka. Een plons als het uit het water omhoog komt, gevolgd door een iets luidere plons. De kattenplank veert nog na. Kara­giozis is uit het zicht verdwenen. Alleen de uit­dijende rim­pelingen in het water verraden waar hij heen gegaan is.

Onder water worden zijn spartelende ledematen gegrepen en gefixeerd door sterke vingers met zwem­vliezen. Zijn sabel ontglipt hem en zinkt weg in de oer­soep. De vismensen hebben hem te pakken. Soepel als dolfijnen dartelen zij om hem heen, klauwend en bijtend trekken ze hem mee omlaag, steeds verder de diepte in. Een worsteling met de allure van een dans. De enige muziek is de waterdruk die trommelt in zijn oren. Zorgvuldig, bijna sensueel wordt zijn broekriem los­gemaakt, alsof de aanvallers benieuwd zijn naar het enorme lid dat de man zich weer heeft laten aannaaien, maar de vingers met zwemvliezen halen slechts de sleutelring en het holster met het pistool los van de riem. De wijde broek glijdt omlaag tot aan de gezwollen enkels om daar te blijven haken. Uiteindelijk binden de vis­mensen hem vast aan een verroest afgeworpen anker dat half begraven in de drek op de bodem ligt.

 

*

 

Veel van wat verloren is, kan nooit meer teruggevonden worden. Wurmwater is weliswaar de stad der tweede kansen, maar hoop gedijt niet goed op deze mestvaalt. Vrijwel iedereen die hier leeft is al eens gestorven, veelal gewelddadig. Daarom hangen ze nu ook zo aan het leven, omdat ze betwijfelen of er nog een wereld is, hierna. Een onderwereld voor de onder­wereld, is dat geen vreemd concept?

De levende dromers die deze streken bezoeken, ja, met hun geestesgesteldheid moet iets goed mis zijn. Om in deze zeepbel van een droom vrijwillig rond te waren, dat kun je niet minder dan waanzin noemen, en dat terwijl de doden hier niets liever willen dan terugkeren naar de wakende wereld.

Wat vraagt u me nu? Nee, over mijn eerste dood zal ik niet vertellen. Ik vrees voor uw nachtrust, gewaardeerde luisteraar.

 

 


Derde akte: de tiara

 

Wat een regen! Nu we hier schuilen heeft u misschien een moment om naar mij te luisteren? Heeft u nog steeds haast, ook al pissen de goden op onze hoofden?

U bent nieuw hier? Onderweg naar de Altstadt? Ik kan een moordballade voor u zingen, maar als u een penning laat vallen in het bakje van Herr Stumm dan kan ik u ook aanwijzingen geven. Uw gids zijn in deze straten, zo u wilt.

 

De echte stad ligt natuurlijk hogerop, daar tegen de rots Krabbenpunt aan. Verder bij de haven vandaan, langs de tijdelijk opgeworpen houten bouwsels, de verzakte paalhutten en armzalige woonsloepen van de vissers, over de doorzadelende houten planken, langs de naar vis stin­kende krotten in het zand, langs al het wrakhout dat lig te wachten op het volgende springtij dat alles weer weg zal spoelen, daar voorbij verschijnen de eerste stenen huizen van Wurmwater, dat door velen Wurmwater-aan-zee genoemd wordt. De huizen die tegen de voet van de grote rots Krabbenpunt aanschurken lopen bij zwaar weer ook onder water. Bij wind uit zee verzamelen de bewoners hun schamele bezit­tingen en wachten af welke rampspoed de storm hen brengen zal.

De smalle straatjes die omhoog slingeren en klimmen naar de woningen van de beter gesitu­eer­den op de top van de rots vormen een stenen laby­rint met overhellende muren. Een wirwar van benauwde kloven die splitsen en kronkelen, ze komen samen en scheiden zich weer af. De huizen hier zijn tegen en soms gedeeltelijk in de karst gebouwd, zodat niet goed meer te duiden valt waar de natuur eindigt en de bouwkunst begint. De huts­pot van bouwstijlen ademt een vergane glorie en antiquiteit uit die de Oude Wereld suggereert.

Het volk schuilt voor de regen onder de gemetselde booggewelven, opkijkend naar de pissende water­spuwers, de bewerkte kraagstenen en korbelen, de gotisch ogende torenspitsen en de kleine raampjes en nissen in de rotswand. Daarboven is de hemel dichtgeschoven met gebeeldhouwde grauwe wolken die even tastbaar lijken als rotsen beneden.

Alles druipt inmiddels van het water. De muren van gestapelde stenen zijn bedekt met mos zo weelderig als een dierenpels. Op de daken groeien varens. Een ingestorte schoorsteen wordt nooit meer gerepa­reerd, de stenen worden weggehaald en gebruikt voor andere tijdelijk bouwsels.

De bewoners zijn slechts dat: nomaden op door­tocht in deze tochtige ruïnes. Als neander­thalers laten ze hun handafdrukken na op de wanden van hun grotten. Ze drijven hun geiten bijeen in kapellen gewijd aan lang vergeten goden. Ze stoken hun vuren op gebarsten tegelvloeren.

De regenval heeft de gebarsten kleigrond in de steile straatjes tot modder getransmuteerd. De voeten van het volk zullen die modder woelen en ploegen tot de drek die men in een varkenskot aantreft. Omberen plassen dampen als kleine vulkanische meertjes. Stroompjes sijpelen langs de glibberige traptreden omlaag.

Zie, het druppelt nog maar een beetje. Schichtige krielkippen beginnen in en uit de gapende deur­openingen te scharrelen. De eerste mensen schuifelen ook tevoorschijn uit hun krochten en schuilplaatsen. Een uitgestoken hand en een schattend oog. Blijft het nu droog? In de verte, achter de gespleten top van de karst die vanuit de juiste positie inderdaad iets wegheeft van een opgestoken krabbenklauw, rolt de donder zachtjes en geduldig. De druppels beginnen alweer te vallen.

 

*

 

Tobias ligt in zijn hangmat en luistert naar het roffelen van de regen. Hij slaapt in het middelste ruim, ter hoogte van de waterlijn. De regenval op het water is een monotone ruis.

Hij probeert zoveel mogelijk op zijn zijde te slapen. De striemen op zijn rug beginnen nu te helen, maar blijven nog steeds pijnlijk. De woede van de bootsman om zijn onzorgvuldigheid was uitbetaald met vijf venijnige zweepslagen.

Heel het ruim, evenals de ruimen erboven en onder, zijn gevuld met hangmatten vol slapende broeders. De Baal is overvol sinds de Sumatra Queen van kapitein Obed Marsh verbrand en gezonken is, de bemanning is meer dan verdubbeld. De oudere broeders, degenen wiens trans­formatie voltooid is, slapen niet meer aan boord van de Baal. Ze leven in het water, dichter bij Vader Dagon, en komen nog slechts zelden aan boord.

Hij moet steeds vaker denken aan degene wiens naam ze niet mogen noemen. De afvallige broeder die zijn lots­bestemming probeerde te ontvluchten. De botten die ze hadden opgegraven waren niet van hem geweest. Het waren slechts de overblijfselen van een andere onge­lukkige die de Griekse smokkelaar had laten begra­ven. Wie weet hoe vaak die moordlustige zwendelaar zijn trucs had uitgevoerd.

Als Tobias de slaap niet vatten kan, zal hij weer een ongemakkelijke nacht doorbrengen, zoekend naar een comfortabele houding in zijn hangmat. Vruchteloos trachtend om het concert van gesnurk, gefluit en gerochel uit te bannen.

Doodmoe zal hij opstaan, als de bronzen bel voor het ochtendgebed geluid zal worden. In een processie trekken de gewekte bemannings­leden naar het voor­onder, waar kapitein Obed de plechtigheid zal leiden. De hybriden kwaken en fluisteren. Hobbelend op kromme benen die beter geschikt zijn om te zwemmen dan te lopen. Ze zullen zich verdringen om te knielen in het vooronder, om te luisteren naar de preek van de kapitein.

Maar dat is pas tegen de ochtend. Nu ligt heel de nacht nog voor hem en is hij alleen met zijn gedachten, verlaten en moederziel alleen tussen al zijn broeders.

 

*

 

In de stortbui ligt de pier er verlaten bij. Het zijn twee dwazen die tegen wil en dank de de elementen trotseren. Voorop gaat de matroos Peters, die aan de tering overleden is. Voorovergebogen, met raspende adem­haling en eeuwig bloed ophoestend. Bij leven heeft hij de dertig niet gehaald, maar hij ziet er uit als een oude man.

Hij wordt op de voet gevolgd door Jack Sweetheart. Het contrast tussen die twee is groot, want Jack is een prachtig lijk, met zijn strakke zongebruinde vel en zijn fonkelende witte intacte gebit. Zijn kastanje­bruine krullen zitten aan zijn schedel geplakt en het regenwater druipt over zijn gezicht. Hij ziet er veel te goed uit om dood te zijn. Er is geen hoer in de stad die hem geen korting geven zal. Voor zijn borst draagt Jack een bolle kruik, hij loopt met kleine be­dachte waggelende stapjes, zijn gespierde armen om de kruik zoals een hoogzwangere vrouw haar buik zou vasthouden.

‘De ouwe man is zongestoofd,’ meent Peters, over zijn schouder. ‘Zijn brein tot moes.’

‘Is het ooit anders geweest,’ vindt Jack, die zich graag op de vlakte houdt. ‘Hij blaft, wij rennen.’

Ze volgden Blackbeard bij leven en nu volgen ze hem in de dood. Iets anders is muiterij.

‘Ooit zat er doelgerichtheid in zijn waanzin. Nu niet meer. Een afleidingsmanoeuvre… hoe haalt ie het in zijn botte kop.’

Jack heeft de kruik neergezet op een krat met kakelende kippen.

‘Laten we de boel aansteken en ons uit de voeten maken.’

‘Eens kijken of ik vuur kan slaan in dit weer.’

 

*

 

De vier piraten zijn stilletjes vanuit de kapiteinshut naar de galerij geklommen. Hun kapitein slaat ze gade door de glas-in-lood raampjes. Ze hebben hun timmergereedschap bij zich.

‘Wat een hondenweer!’ moppert Spanish Joe.

‘Wraaaf-wraaaaff!’ gromt de gestoorde dolleman Scar-face hem toe.

‘Stil!’ sist scheepsmaat Ellis, die vindt dat hij de leiding heeft over deze heimelijke operatie. ‘Let op of we niet in de gaten lopen.’

Scar-face, met zijn ene bruikbare oog, staat op de uitkijk. Hij moet letten op vissenkoppen die op het geluid afkomen. Ellis en Spanish Joe zijn bezig om hun beitels tussen boegbeeld en schip te slaan. De lappen die ze om hun gereedschap gewikkeld hebben om de klappen te dempen zijn nu doorweekt. Joe heeft al twee keer op zijn hand geslagen. De richel waarop ze staan is glibberig en tot overmaat van ramp moeten ze ver voorover hangen om het boegbeeld los te wrikken, ver onder hen kolkt en klotst het water van de baai.

Ze werken met horten en stoten. Steeds pauzerend om te zien of er geen alarm geslagen wordt.

Long Tom staat al die tijd als Atlas gepositioneerd onder de overvloedige boezem van het boegbeeld.

Ze bikken tot er een klein beetje ruimte tussen boeg­beeld en boeg komt.

‘Geef me die koevoet aan! En hou de touwen klaar.’

Ze wrikken de spleet wijder en voeren de touwen erdoorheen, ze omwikkelen het boegbeeld en leggen vlotte knopen. Spanish Joe en Scar-face nemen ieder een touw ter hand. Long Tom klemt zijn kaken opeen voor de last die hij gaat ontvangen. Ellis plaatst de koevoet om de laatste nagels waaraan het beeld nu nog hangt los te wrikken.

‘Op drie,’ fluistert hij, ‘Een, twee…’

 

*

 

De zware koperen bel in de schelpentoren blijft maar luiden. De houten pier staat inmiddels in lichterlaaie. Het vuur brandt met een giftige groene vlam. De kolom van vettige, zwarte wolken die ervan af komt stijgt langzaam en statig hemelwaarts. De zware regenval lijkt de brand niet te willen doven. En de aanlandige wind jakkert de vlammen alleen maar aan.

‘De blaasbalg van de Duivel,’ noemt Spanish Joe die wind. Hij wrijft over het tinnen beeldje dat hij om zijn hals heeft hangen, de visserkoning Jezus doorboord door een vissershaak.

‘Wat een waanzin,’ fluistert Ellis. ‘En waarvoor?’

Enkele tientallen meters verderop, aan boord van de Baal, zwermen de vismensen uit over het dek om naar de brand te kijken. Om aan het gewemel op het dek te ontvluchten is Tobias in het want geklauterd. Hij wordt heen en weer geschud door de wind en heeft geen droge draad meer aan zijn lijf, maar toch kan hij zijn ogen niet van het spektakel afhouden.

Als de pier in het midden doorzakt als de schragende palen afknappen als luciferhoutjes, en de hele boel bran­dend in de baai stort, lijkt dat geluidloos te gebeuren.

 

*

 

Scheepsmaat Ellis valt de twijfelachtige eer ten deel om zijn kapitein te wekken na de huwelijksnacht. De zon had het hoogste punt op haar rondgang langs de hemel al gepasseerd en was alweer aan haar afdaling begonnen. De kapitein had zich heel de dag nog niet laten zien. Hij vermaakte zich waarschijnlijk opperbest in het hemelbed dat hij nu deelde met de albasten reuzin.

Ze hadden het boegbeeld met zijn vieren maar net kunnen torsen. De kapitein had geen hand uitgestoken, had hen slechts aanwijzingen toegesnauwd toen ze de kapiteinshut eenmaal binnen waren. Drijfnat hadden ze het in het bed van de kapitein geschoven. Daarna werd Edward Teach plotseling joviaal. Hij had ieder van de mannen een dukaat en een platte fles rum in de handen gedrukt. ‘Mondjes dicht, brave jongens.’ Zijn gezicht vlak bij dat van hen, met zijn uitwaaierende woeste baard en blikkerende tanden leek hij meer dan ooit op een weerwolf.

Ellis klopt nog eens aan, gevolgd door een schor: ‘Kapitein!’ Ditmaal klinkt er gerommel vanuit de hut.

‘Wat is er? Waarom stoor je me?’

‘De Marsh-broeders verzoeken om palaver!’

De deur van de kapiteinshut wordt ontgrendeld en tot op een kier geopend. Een argwanend oog loert naar buiten.

‘Op dit uur?’

‘De zon is opgekomen en gaat alweer onder, kapitein.’

‘Wiens zaak is het hoe lang deze kapitein uitslaapt!’

‘Niemands zaak, kapitein, maar ze zijn onrustig. Ze hebben ontdekt dat hun boegbeeld weg is.’

Het blijft even stil.

‘Zeg ze dat Blackbeard eraan komt,’ zegt Edward Teach en de deur klapt dicht.

 

*

 

Volledig gekleed en met zijn beste driekantige steek op verschijnt Edward Teach nu aan dek. Hij heeft vier van veertig 18-ponders laten laden en op hun rolpaarden laten verslepen naar het achtersteven. Ze zijn nu opgesteld in de twee hutten voor speciale gasten, direct onder de kapiteinshut. ‘Richt ze op de boeg van de Baal.’ Er zijn hier geen schietgaten, maar als het erop aan komt, moeten de mannen de ramen eruit slaan.

Zijn raadgevers zijn onrustig en darren om hem heen. Ze blijven hem maar wijzen op het numeriek overwicht van de Marsh-clan. Edward wuift hun angsten weg.

‘We hebben wel vaker tegen een overmacht gestaan. En keer op keer gewonnen.’

‘Maar ze zijn fanatiek, die geloofswaanzinnigen. En het zijn er honderden!’ dringt zijn bootsman, ‘alleen al op de Baal. Wie weet hoeveel van die grote gedrochten er onder water schuil gaan?’

‘Hou je bek als je tegen me praat!’ Hij duwt de boots­man hardhandig achteruit.

Hij wacht een moment om zijn kalmte te herwin­nen, en met zijn gezicht in de plooi beklimt hij het achterkasteel. De geur van roet bezwangert de lucht. Vanaf hier is het rep en roer aan boord van de Baal goed zichtbaar. De bemanning met hun schubbige koppen is en masse, de menigte stekelig van de hemelwaarts gerichte harpoenen en musket­lopen.

Hij stapt naar voren en leunt op de reling.

Enkele meters onder hem, staan de twee Marsh-broers te wachten, omgeven door hun manschappen op het voorkasteel.

‘Een hele goede morgen, waarde buren!’

Ze kijken knipperend en vol venijn naar hem op.

‘De ochtend is al lang voorbij!’ zegt Ahab, ‘welke zeeman kan het zich veroorloven om tot na het middaguur te slapen.’

‘Zijn dat jouw zaken, buurman? Zijn het jouw zaken, hoe lang ik uitslaap?’

‘Natuurlijk niet,’ zegt Obed, met een hand op zijn broeders’ arm. ‘Er is geen reden tot wrevel. We zijn wat aangedaan omdat er een misdaad is gepleegd.’

‘Verklaar je nader.’

‘Vanuit jouw kajuit, Blackbeard,’ neemt Ahab weer het woord, ‘heb je waarschijnlijk een prachtig uitzicht op onze boeg. Is het ontbreken van ons boegbeeld je soms nog niet opgevallen?’

‘Boegbeeld? Zijn jullie je boegbeeld verloren? Zo hard heeft het vannacht toch niet gestormd? Het is de vloek van ons verblijf in deze baai. Schepen zijn bedoeld om te varen, niet om te verrotten in dit akelig klimaat.’

‘Gestolen,’ zegt Obed slechts.

‘Wie steelt er een boegbeeld?’

‘We vragen je alleen maar, waarde buurman,’ zegt Obed, ‘of je misschien iets gehoord of gezien hebt vannacht.’

‘Niets.’

‘Dus je hebt ook de pier niet zien branden? Hij is aangestoken met Grieks vuur, wordt er verteld. De brandende kippen dreven als fakkels op het water.’

Edward is even stil.

‘Grieks vuur, zei je toch?’ Edward laat de woorden door zijn mond rollen alsof hij proeft van zijn geliefde Madeira.

‘Ja, wat weet je ervan?’

‘Niets, behalve dat jullie het aan de stok hebben met een Griek. Of was het toch een Turk. Die Karagiozis…’ Hij leunt over de reling naar de Marsh-broers toe.

‘Met Karagiozis hebben we al afgerekend,’ zegt Obed.

‘Dan misschien één van zijn handlangers?’ suggereert Edward fijntjes. ‘Wie weet. Sommige situaties zijn bekleed met zoveel toevalligheid dat ze geen toeval meer mogen heten…’

‘Waar bazel je over, man?’

‘Griekse bultenaar… Grieks vuur.’ Edward weegt de twee begrippen op zijn uitgestoken handen. ‘Lijkt mij een boodschap als ik er ooit een hoorde.’

‘Heel onze bemanning heeft ernaar staan kijken. Die van jou waarschijnlijk ook,’ zegt Ahab, ‘maar jij bent kalmpjes door het rumoer heen geslapen.’

‘Ik slaap als een zuigeling tegen de warme boezem van zijn moeder,’ zegt Edward, ‘mijn ogen gesloten en mijn oren dicht. Zelfs dromen storen me niet in die inktzwart coma.’

‘Maar er is een belangrijk verschil,’ meent Ahab, ‘tussen de slaap der onschuldigen en de slaap der doden.’

‘Ja,’ grijnsde Edward Teach, ‘niemand hier is onschul­dig.’

 

*

 

Karagiozis wordt weer opgevist. Na enkele dagen op de bodem van de rivier, heeft kapitein Obed Marsh toch besloten dat hij de smokkelaar nog enkele vragen wil stellen. Tegen die tijd hebben ze inmiddels de kleine woonboot van de Griek al gelo­kaliseerd en leegge­plunderd. Alle papieren en waar­de­volle spullen mee naar de Baal genomen. Ze hebben zelfs de Perzische tapijten opgerold en afge­voerd. Maar de ceremoniële sieraden, de bewerkte tiara en de polsbanden die de afvallige zoon gestolen had, waren nog steeds onvindbaar.

‘Vis hem maar weer op,’ snauwde Obed uitein­delijk.

Het kost de kapers die Karagiozis aan het anker bonden een ochtend om hem terug te vinden in het rivierwater dat waarschijnlijk even opaak is als de oersoep waar ooit het eerste leven uit tevoorschijn kroop.

De huid van Karagiozis is verweekt, bleek en gerim­peld. Hier en daar hebben vissen de huid kapot geknabbeld om bij het vlees eronder te komen. De wonden lekken nu als zweren. Het zorgvuldig aange­naaide aanhangsel is voor een tweede maal van het corpus van de Griek gescheiden, ditmaal losgerukt en gestolen door een onbevreesd toeslaande snoek­baars. Waarschijnlijk verslonden, of in ieder geval reddeloos verloren op de bodem van de rivier.

Karagiozis kan er in zijn huidige penibele situatie nog niet echt om treuren. Hij ligt nu vastgespijkerd op een zware tafel in de kajuit van de Baal, de ijzeren nagels zijn tussen de botten van zijn polsen en door zijn voeten geslagen. Bij de ondervraging is zijn rechteroog al uit de kas gehaald met een vishaak. Karagiozis wilde wel antwoord geven op de vragen die hem gesteld werden, maar zijn longen en maag zaten vol met water en slijk, zodat hij niet anders kon dan overgeven en hoesten. De visman die hem ondervraagt, dezelfde bootsman Barnabas Wade die hij enkele dagen daarvoor te snel af was, lijkt mede­dogen noch geduld te kennen.

Als Karagiozis eindelijk weer, schor en hees, wat uit kan brengen, besluit hij de waarheid te vertellen. Hij smeekt om wat wijn, om zijn keel te zalven, maar hij krijgt slechts meer water. Alsof hij nog niet genoeg water geproefd heeft de afgelopen dagen!

Dan rolt het hele verhaal eruit.

Hoe hij de jonge matroos heeft wijs gemaakt dat hij hem naar de landen der levenden kon smokkelen. Dat de gestolen sieraden zijn overtocht zouden betalen. Hoe hij de jongen heeft laten begraven.

Maar de sieraden, dringt Obed Marsh aan, waar zijn de sieraden? Waar is de tiara, stompzinnige Griek?

Karagiozis jammert het uit. Nu hij toch begonnen is met de waarheid, stroomt deze uit hem. ‘Ik verkocht ze aan een levende dromer. Een grootmeester uit Gent. Het is een ouwe sluwe sjacheraar. Er zijn manieren om voor­werpen mee te smokkelen naar de dagwereld. Het is moeilijk, maar voor iemand met inventiviteit en door­zettingsvermogen is het mogelijk. Ik doe vaker zaken met hem. Ik kan met hem in contact komen. Ik kan hem vragen…’

‘En mijn boegbeeld? Waar heb je dat gelaten?’

‘Een boegbeeld? Ik weet van niets, heer! Ik weet echt niets van een boegbeeld. Ik heb u mijn misdaden opge­biecht. Geef me een kans om het goed te maken. Ik zal de Gentse dromer terug lokken, ik zal uw sieraden terug­halen. Ik breng u de kroon!’

De kapitein denkt even na. ‘Onwaarschijnlijk,’ meent hij, ‘kansloos.’

Hij draait zijn logge gestalte bij de tafel vandaan. De treden naar het dek kraken onder zijn gewicht. Vanaf de trap snauwt hij: ‘Ga door met de ondervraging.’

De bootsman knikt gretig. ‘Breng me een kruik kokend water,’ kwaakt hij tegen een van zijn matrozen.

‘Ik zal je leren wat lijden is,’ fluistert hij de Griek toe. Hij is vlakbij en steekt zijn tong uit om over de enige intacte oogbal van Karagiozis te likken.

‘Genade!’ smeekt Karagiozis nog, maar niemand zal ooit nog naar zijn antwoorden luisteren.

 

*

 

In het holst van de nacht glipt Tobias overboord. Hij neemt niets mee dan de kleren aan zijn lijf. Daarvoor zullen ze hem niet hoeven najagen. Hij wacht tot de wachtposten hem passeren op hun ronde en laat zich dan aan een touw overboord zakken. Bijna geluidloos ont­vangt het water hem.

Hij neemt een grote hap lucht en zwemt omlaag om onder de kiel van het volgende schip door te duiken. Zijn kieuwen moeten nog verschij­nen, maar hij kan zijn adem inhouden als een parelduiker.

Met grote slagen begint hij naar de kade te zwemmen.

De lijkenkrabber : Tom Thys

De irissen van het monster waren zwarter dan de duisternis in de tunnel. Lieven verwijderde zijn mond­masker en keek goedkeurend naar het kunst­­werk. Het tl-licht dat van het platform een beetje verderop in de tunnel sijpelde, voorzag het gedrocht van een onwer­ke­lijke schijn. ‘Je hebt jezelf weer eens over­troffen,’ zei hij.

Zohra schudde met haar spuitbuis alvorens een laatste detail aan te brengen. Ze was een perfectionist, nog meer dan Lieven. ‘Klaar,’ zei ze. De obscene grijns was nu echt volmaakt. Ze zetten allebei een stap achter­uit om de tekening te bewonderen.

‘Enkel de tag ontbreekt nog.’ Zohra wilde haar hand­ekening onder het kunstwerk zetten, maar werd plots verblind door een bundel licht. Ogenblikkelijk werden alle gore details in de tunnel zichtbaar: ratten, zwerf­vuil, een verdwaalde schoen, bloederig maand­erband, uitwerpselen van daklozen en heroïnenaalden. ‘Shit, we zijn erbij.’ Ze deinsde achteruit en struikelde bijna over het tramspoor. De lichtstraal was afkomstig van het platform. Daarachter dansten de contouren van een opzichter. Hij riep iets onverstaanbaars.

Zohra kreeg een déjà-vu. Twaalf maanden geleden was ze opgepakt voor het bekladden van een oude treinwagon. Wat zij als kunst beschouwde, noemde de rechter vandalisme. Ze werd veroordeeld tot een taakstraf en moest ook de kosten voor het reinigen van de treinwagon betalen. Die taakstraf vond ze niet eens zo erg, dan had ze tenminste iets om handen. Het wegwassen van haar creatie daarentegen voelde als een abortus.

De hele stad was bevolkt met haar kinderen, de adem­benemende monsters die zij met haar spuitbus het leven schonk in de betonnen jungle. Het was een manier om zichzelf van haar innerlijke demonen te bevrijden. Zohra had het gevoel dat haar talent mis­kend werd. Ze had gezworen harder dan ooit terug te slaan. Het afschuwelijke monster dat zonet in de tunnel tot leven was gekomen, gold in de eerste plaats als een statement.

Lieven greep haar pols vast. ‘Kom, we moeten hier weg.’ Hij trok haar dieper de tunnel in. Met hun hoofd­lampjes als gids ontweken ze de troep op de grond. Ze moesten snel zijn, want de opzichter was van het platform gekropen en had de achtervolging inge­zet. Zijn lichtbundel schoot alle kanten uit. Zijn zware passen weergalmden tussen de betonnen muren. Hij schreeuwde iets, maar zijn woorden klonken als één langgerekte echo.

Hand in hand renden Zohra en Lieven de ingewanden van Antwerpen in. Als ze zich daarnet in het keelgat bevonden, dan waren ze nu op weg naar de maag, en de darmen. Zohra hijgde. Ondanks de steken in haar zij probeerde ze Lievens tempo te volgen, maar ze wist dat ze het niet lang meer zou volhouden. De kille, vochtige tunnelstank nestelde zich in haar longen. Ze werd misselijk van de inspanning. ‘Lieven, ik kan niet meer.’ Zohra stond stil en nog voor Lieven iets kon zeggen, begon ze te braken. Met een onwezenlijk geluid klet­terde haar maaginhoud op de sporen.

Ze keek over haar schouder, vervolgens naar de inkt­zwarte leegte die zich voor haar uitstrekte, en weer over haar schouder. Opeens werd ze overvallen door een gevoel van beklemmende angst. In flarden van kranten had ze gelezen over de seriemoordenaar. Antwerpen werd al maanden geteisterd door mys­terieuze moorden en verdwijningen. Over­al in de stad had het onzichtbare kwaad toegeslagen. Op sommige plaat­sen werden bloedeloze lichamen teruggevonden, op andere plaatsen waren mensen gewoonweg ver­dwenen.

Heel even dacht Zohra dat de opzichter geen opzich­ter was, maar de moordenaar. En dat hij haar ter plaatse zou afslachten. Nee, ze dacht het niet, ze wist het zeker.

Lieven trok haar overeind. Haar lichaam voelde slap. Haar sprint had haar zoveel energie gekost dat ze wankelde. Lieven duwde haar voor­zichtig tegen de wand. Er zat een scheur in het beton, smal en lang­werpig, net groot genoeg voor een slank meisjes­lichaam om in te verdwijnen. ‘Verstop je daarin,’ zei Lieven. Zohra wilde protesteren, uit angst voor de moordenaar, maar er was geen tijd. Bovendien kon ze slechts happen naar adem. Woorden bleven hangen in haar keel. Als ze niet in de klauwen van de moordenaar terecht wilde komen, zat er niets anders op dan zich te verstoppen. Zohra wurmde zich naar binnen.

‘Ik leid hem af, oké?’

Zohra knikte.

‘Ik zie je straks terug op het platform,’ beloofde Lieven haar. En toen zette hij het opnieuw op een lopen. Zijn voetstappen stierven na enkele seconden weg.

Nog enkele seconden later zwol het gekreun en het gehijg van de man met de zaklamp aan. Ook hij had duidelijk geen al te beste conditie, maar dat maakte hem niet minder gevaarlijk. Zohra gluurde door de scheur naar buiten. Ze bad dat zijn lichtbundel haar niet zou vinden. Terwijl allerlei horrorvisioenen zich in haar hoofd afspeelden, hield ze haar adem in. Haar borstkas deed verschrikkelijk veel pijn. Haar hart klopte zo hart dat ze dacht dat hij het kon horen. Met moeite onderdrukte ze een hoestbui.

Een donkere schim gleed voorbij.

Wat verderop hield de man halt. ‘Rotjochies.’ Hij rochelde en spuwde. ‘Die klootzakjes mogen blij zijn dat ik hen niet te pakken heb gekregen.’ Hij scheen met zijn zaklamp in de uitgestrekte duisternis.

Lieven was al lang verdwenen. Hij kende de tunnels als zijn broekzak. Zohra en hij maakten al sinds hun puberteit graffititekeningen. Dat was nog niet veranderd nu ze allebei meerderjarig, uitgespuwd door de maat­schappij en dakloos waren. Straks zou ze hem terugzien. Tenminste, als de moordenaar haar niet zou opensnijden. Haar ledematen trilden van de spanning. De scheur in het beton dwong haar in een ongemakke­lijke positie, waardoor ze langzaam maar zeker kram­pen kreeg in zowat elke spier.

De man draaide zich om. Had hij de strijd opgegeven? Zijn logge lichaam kwam langzaam maar zeker weer in beweging, op weg naar het platform. Zijn schoenen knerpten. Net wanneer Zohra dacht dat ze zijn schim weer voorbij zou zien komen, werd het stil. Ze durfde niet meer te kijken en sloot haar ogen.

Een rauwe schreeuw verscheurde de stilte.

Zohra schrok zo hard dat ze ter plaatse versteende. De schreeuw galmde na. Daarna niets dan stilte. Ze begreep niet wat er gebeurde.

De schreeuw bleek afkomstig van de man. Even later hoorde ze hem stotteren: ‘Wat is dit in hemelsnaam?’ Ze vreesde dat hij haar schuil­plaats had ontdekt. Angstig opende ze één oog tot een spleetje. Hij stond aan de andere kant van de sporen met zijn rug naar haar gekeerd. Nu zag ze zijn opzichtersuniform. Dat stelde haar enigszins gerust. De lichtcirkel van zijn zaklamp onthulde de omtrekken van een lichaam, naakt en bleek. ‘Jezus Christus,’ mompelde hij.

Zohra opende ook haar andere oog en zag het nu duidelijk. De vrouw die daar lag was dood. Ze was geperforeerd met gaten ter hoogte van belangrijke slagaders. Het lichaam was spookachtig wit in de duisternis, alsof het helemaal leeggebloed was.

De opzichter zette een stap opzij. Met zijn ene hand bedekte hij zijn neus, met de andere bediende hij zijn walkietalkie om versterking te roepen. ‘De serie­moordenaar heeft weer toegeslagen,’ zei hij vertwij­feld. Daarna strompelde hij weg van het lijk. Hij bukte zich voorover en braakte, niet ver van de plaats waar Zohra daarnet bijna in elkaar gezakt was.

Dit was haar kans om te ontsnappen. Ze kon gebruik maken van zijn ontsteltenis om weg te sluipen, maar iets dwong haar te blijven kijken, ook al kon ze het zich niet veroorloven om weer gepakt te worden. Zohra was zo in de ban van dat ene beeld, dat ze maar bleef staren. Het verbaasde haar tegelijkertijd dat ze het lijk niet eerder had opgemerkt. Het lag naast de sporen. Even­goed zou ze erover gestruikeld zijn daarnet. Ze vroeg zich af hoe het daar terecht was gekomen. In haar hoofd ontvouwden zich de meest macabere scenario’s.

Een kriebel kronkelde door haar ingewanden. Het deed haar denken aan toen ze als kind met een tak in het opengereten lichaam van een kat had gepord. Enerzijds had ze medelijden met dat beest gehad. Het was overreden en lag ergens langs de kant van de weg. Anderzijds had ze zich niet kunnen bedwingen om met de tak in de organen te prikken, waar de maden en vliegen zich reeds genesteld hadden.

 

#

 

‘Je gelooft nooit wat ik gezien heb,’ zei Zohra. Het was ondertussen al bijna ochtend. Ze had uren onder de grond doorgebracht.

Lieven gaf haar een halve cheeseburger die hij uit een vuilnisbak had gevist. ‘Wat dan?’

Zohra nam een hap uit het koude vlees en vertelde over het lijk. ‘Het was alsof een of ander monster al het bloed eruit gezogen had.’

Lieven luisterde geboeid naar het verhaal, maar uit zijn blik viel af te leiden dat hij niet alles geloofde. ‘Je overdrijft.’

‘Ik zweer het,’ zei Zohra bitsig. ‘En nadat ze het lijk hadden geruimd, ben ik uit de spleet gekropen.’

‘Wel, misschien moeten we de tunnels een tijdje mijden.’

‘Waarom, je gelooft me toch niet?’

‘Ik geloof dat je iets gezien hebt.’

‘Maar?’

‘Niets. Ik denk gewoon dat het veiliger is om een tijdje weg te blijven uit de tunnels. De kans om gepakt te worden is er te groot. Zeker nu een seriemoordenaar de stad onveilig maakt. De flikken zijn alert.’

Zohra at het laatste stukje van de hamburger op. Al kauwend zei ze: ‘Minder aandacht voor graffiti­kunste­naars, met andere woorden.’

‘Misschien, maar toch… ‘ Lieven stak een joint op. ‘Ik weet nog een coole plek. Echt de shit.’ Hij inhaleerde en blies de rook in kringetjes voor zich uit. ‘We kunnen er ook slapen. Zullen we?’

Ze stalen een fiets. Lieven klom op het zadel, Zohra op het bagagerek. Zo reden ze de zwoele, vochtige ochtend in, naar de rand van de stad die ze zo verachtten. Antwerpen ontwaakte langzaam. Haar eerste bewoners begaven zich in de stinkende straten, klaar voor een nieuwe dag van verderf en verruk­kingen. In het oosten klom een pastelgele zomerzon moeizaam boven de grijze skyline. De lucht had de kleur van urine, waterig en vies.

‘Hier is het,’ zei Lieven enige tijd later. Hij was buiten adem van de lange rit.

Zohra stapte kreunend van de fiets. Haar schoot deed zeer, maar dat was slechts een kleine prijs voor dit geschenk. Vol ontzag keek ze omhoog. De wolken­krabber stond erbij als een verstoten kind, droevig en volledig afgesloten van de rest. Onkruid had het gelijkvloers gedeeltelijk overwoekerd. Het gebouw telde ongeveer twintig verdiepingen, schatte ze. Het was afgetakeld en al lang vergeten. Zelfs krakers en vandalen haalden er tegenwoordig hun neus voor op. Gek genoeg was Zohra nog nooit in dit deel van de stad geweest.

Ze zag meteen de mogelijkheden. Met haar spuitbus zou ze deze som­bere kolom van steen en gebroken glas transformeren tot de ultieme mid­del­vinger naar het establishment. ‘Lieven, dit is geweldig. Echt waar… ik ben sprakeloos. Maar fuck, ik ben zo moe.’ Ze geeuwde. ‘Het is een lange en uitputtende nacht geweest. Mis­schien moeten we eerst wat slapen.’

‘Kom.’ Lieven liep naar het flatgebouw. De ingang was dichtgetimmerd met spaanplaten. Blijkbaar had de overheid maatregelen genomen om ongewenste be­zoekers op een afstand te houden. Het zou geen een­voudige klus zijn om binnen te geraken. Zohra beeldde zich de verlaten inkomhal in. Honderden belletjes voor evenveel piepkleine apparte­menten, ooit volgestouwd met mensen die door het systeem waren uitgebraakt.

‘Ik heb een idee,’ zei Lieven.

Zohra volgde haar hem naar de achterkant van het gebouw. Daarbij keek ze nog een keer omhoog. De piek leek de hemel te doorprikken en over te hellen, alsof hij elk moment kon omvallen. Ze werd er een beetje draaierig van. Om de hoek zat een grote poort in het beton. De deur in het midden van de poort was uiter­aard vergrendeld. Het gereedschap dat Lieven in zijn rugzak bewaarde om fietssloten door te knippen, volstond om het oude, verroeste hangslot te vernielen.

Lieven duwde de deur open, maar het was Zohra die als eerste naar binnen ging. Het was er pikdonker. Ze zette haar hoofdlampje op. Een weeë, rotte stank deed haar longen verschrompelen. De tegelvloer zat vol ranzige vlekken. Dit had evengoed een slachthuis kunnen zijn. ‘Wat moet dit voorstellen?’ vroeg ze.

‘Zie je daar de stortkoker?’ Lieven scheen met zijn hoofdlamp naar een vierkanten schacht die uit het plafond kwam. Onder de schacht stond een grote, ijzeren container. De ruimte bood verder geen recht­streekse toegang tot het flatgebouw. ‘Dit is de plaats waar de bewoners hun afval dumpten.’

‘Aan de stank die hier hangt zou je zeggen dat hier nog steeds mensen wonen.’ Zohra kokhalsde. ‘Of erger nog, dat ze hier gestorven zijn.’

Lieven moest lachen. ‘Dat went wel.’

‘Dat betwijfel ik.’

‘Hierbinnen zitten we voorlopig veilig. Ik heb horen zeggen dat hier af en toe politie patrouilleert, maar niets om je zorgen over te maken.’ Lieven liet de deur op een kier staan voor wat frisse lucht.

‘Dit moet ongeveer de goorste plek zijn waar we ooit geslapen hebben.’ Zohra grinnikte. ‘Weet je nog, al die keren dat we onder de ijzeren brug lagen? Tussen de gebruikte condooms en heroïnenaalden? Of die keer toen we een huis gekraakt hadden in Doel? Gerrit en Savannah hadden er een echte smeerboel van gemaakt. Overal lagen sigarettenpeuken en scherven van bier­flesjes. En net toen je dacht dat het niet erger kon, liep Karstens LSD-trip helemaal fout en begon hij in zijn broek te schijten tot de bruine drab uit zijn broeks­pijpen stroomde.’

Lieven bulderde van het lachen om die wan­smake­lijke herinnering.

‘Wel, dit is erger. En tegelijkertijd zoveel mooier.’ Zohra vond schoon­heid onderschat. In haar ogen was lelijkheid veel waardevoller.

‘Ik wist dat je tevreden zou zijn.’

‘Maar nu moet ik echt slapen, hoe graag ik ook zou schilderen.’

‘Daar weet ik wel iets op,’ zei Lieven. Hij haalde een plastic zakje uit zijn broekzak en liet het heen en weer bengelen.

‘Kristal?’ Zohra’s mond viel open van verlangen. Het was zeker een half jaar geleden dat ze dat spul nog had gebruikt. ‘Waar heb je dat vandaan?’

‘Vannacht gescoord, terwijl jij lijken aan het bewon­de­ren was.’ Lieven ging naast Zohra op de grond zitten. Uit zijn rugzak haalde hij een glazen pijpje. Daarna pakte hij voorzichtig de kristallen uit het zakje en duwde ze in de bol aan het uiteinde van het pijpje. Zijn aansteker hield hij onder de bol. De vlam likte aan de onderkant van het glas. Na een tijdje begon­nen de kristallen te smelten. Lieven inhaleerde de rook die vrij­kwam. Zijn eerste haal duurde ongeveer een halve minuut.

Smachtend keek Zohra toe. Toen Lieven klaar was, griste ze het pijpje uit zijn handen. ‘Nu ik,’ zei ze. Lieven stak de rest van de kristallen in de bol, verwarmde ze en Zohra inhaleerde tot het genot haar longen en elke vezel in haar lichaam binnendrong. Onmiddellijk daarna schakelde haar hart een versnel­ling hoger. Ze kreeg het warm. De vermoeidheid verdween. Ze werd volgepompt met energie en kreeg het gevoel dat ze de wereld aankon. ‘Fuck, wat heb ik dit gemist,’ zuchtte ze voldaan.

Zohra stond op en nam enkele spuitbussen uit haar rugzak. Ze liep naar buiten en begon een monster op de poort te schilderen. Het was een artistiek ritueel, maar evengoed had het een heilzame werking op haar lichaam en geest. Ze vermoedde dat het een psychisch equivalent was van een bevalling. Op haar manier schonk ze een kind het leven. Het was haar creatie. Lieven bracht enkele accenten aan. Zo werkten ze altijd. Hij voelde en vulde haar perfect aan. En zo, high van de kristallen, gingen ze uren door, onverstoord en uiterst nauwkeurig, tot er een wanstaltig wezen voor hun ogen tot leven kwam.

Bij het vallen van de avond was de muurschildering af. Net zoals het monster was de hemel een explosie van kleuren. De ondergaande zon bloedde in onheil­spellende tinten langs de randen van een onweerswolk. Een sterke wind was komen opzetten. Zohra en Lieven keken beiden naar de lucht. ‘Gelukkig is de verf al droog,’ zei ze. De kristallen waren bijna uitgewerkt. Ze wist dat de klop elk moment kon komen. Dan zou ze zich slap en ziek voelen, maar ze had tenminste een rustige plaats om te slapen.

‘Laten we naar binnen gaan,’ zei Lieven.

Ze gingen op de harde vloer liggen. Hun rugzak ge­bruikten ze als hoofdkussen. Lieven had nog een half flesje cola. Hij gaf het aan Zohra. De drank was lauw en er zaten geen bubbels meer in, maar de zoete smaak was precies wat ze nodig had. Haar maag gromde. Morgen zouden ze wel ergens iets te eten stelen. Nu was ze uitgeput. Te moe zelfs om nog een woord uit te brengen. Ze sloot haar ogen en droomde van haar kinderen.

 

#

 

Rollende donder rukte Zohra brutaal uit een onrustige slaap. Het gerommel klonk eerst ver weg, maar zwol aan tot een hels kabaal. Het kwam van boven, baande zich een weg naar beneden en kwam steeds dichter, alsof het flatgebouw doormidden werd gescheurd door een monumentaal onweer. Het duurde een volle seconde voor Zohra besefte dat er iets niet klopte. Dit was niet hoe onweer klonk. Nog een seconde later werd haar vermoeden bevestigd. Een eigenaardig geluid vulde de afvalkamer, een ware zondvloed van smerige klanken. Het klonk als diarree, maar dan een vlezige, metalige exponent daarvan.

‘Welke klootzak gooit op dit uur afval in de stortkoker?’ wauwelde Lieven. Hij knipte zijn hoofd­lampje aan en stond op, slaapdronken.

Zohra deed hetzelfde. Ze was meteen klaarwakker. Haar ledematen tintelden en ze had overal jeuk, een neveneffect van de drugs. Ze scheen met haar lampje op de container. Lieven keek haar aan. Hij leek even verbaasd als zij zich voelde. Nieuwsgierig als ze was, schuifelde ze naar de container. Met elke meter die ze dichterbij kwam, werd de stank hardnekkiger. Ze kneep haar neus dicht, Lieven hield zijn T-Shirt voor zijn gezicht.

Zonder iets tegen elkaar te zeggen legden ze hun handen over de rand van de container. Die was te hoog om zo in te kunnen kijken, dus moesten ze zich eraan optrekken. ‘Help eens,’ zei Zohra. Ze gebruikte Lievens handen als trapje en klom omhoog.

‘Zie je iets?’

Zohra hing met haar hoofd en borst boven de rand. Haar licht bescheen het afval. Omdat ze zich met beide handen vasthield, kon ze niet anders dan de stank inademen. Het was het vreselijkste wat ze ooit geroken had. Nog erger dan de ingewanden van de dode kat die ze ooit had bestudeerd, nog erger dan de biefstuk die ze bij wijze van experi­ment had laten ontbinden in de zon, tot de maden tussen de vezels van het vlees krioelden. Ze kokhalsde. De enige reden waarom er niets uit haar keel kwam, was omdat ze een hele dag niets had gegeten.

‘Wat is het?’ drong Lieven aan.

Zohra liet zich zakken. Ze stond voorover gebogen. Ze was draaierig. ‘Kijk zelf maar.’ Ze vond geen woorden voor wat ze gezien had.

Niet veel later stond ook Lieven te wankelen op zijn benen, kermend van de pijn in zijn middenrif.

De container was gevuld met lichaamsdelen, inge­wanden, beenderen, spierweefsel, hersenen en ondefi­nieer­bare menselijke resten, zowel rot als vers. Iemand had dit alles in de stortkoker gekieperd. Zohra keek naar Lieven, wiens tranen over zijn wangen biggelden. ‘Zou dit de dump­plaats van de seriemoordenaar zijn?’

Lieven rende naar buiten. Daar inhaleerde hij de frisse nachtlucht. Het regende zachtjes. Van onweer was geen sprake. Hij bibberde over zijn hele lijf en zijn stem was onvast. ‘We moeten hier zo snel mogelijk weg,’ stamelde hij.

Zohra besefte dat ze weleens gelijk kon hebben. Wat als dit de plek was waar hij zijn slachtoffers naartoe bracht, tenminste, diegene die hij niet liet rond­slinge­ren in de ondergrondse en bovengrondse straten van Ant­werpen? Eerder nieuwsgierig dan bang of gechoqueerd zei ze: ‘Wacht.’

Lieven keek haar onbegrijpend aan.

‘Dit is een unieke kans. Hij weet niet dat wij hier zijn.’ Ze wist dat ze haar zielsverwant kon overtuigen hier te blijven, als ze het maar juist aanpakte. Tenslotte zou hij alles doen om haar te beschermen, net zoals met zijn afleidingsmanoeuvre vorige nacht in de tunnel.

Het duurde even voor Lieven antwoordde. ‘Wat bedoel je precies?’

‘Heb jij er dan nooit van gedroomd om een serie­moorde­naar te ontmaskeren?’

‘Eh, niet echt. En al zeker niet ten koste van mijn eigen leven.’

Zohra wist precies wat Lieven nodig had. ‘Heb je nog kristal?’ vroeg ze.

‘Ja, maar – .’ Hij zuchtte, beet op zijn lip, keek naar de top van het flatgebouw en vervolgens naar de afval­kamer, het menselijk abattoir.

‘Laten we eerst high worden.’

‘Shit, Zohra, ben jij helemaal gek geworden? Ik wist dat je een zieke geest had, maar deze keer ga je echt te ver. Als we niet in die container willen eindigen, moeten we nu vertrekken.’ Ondanks zijn protest pakte hij het zakje kristallen, dat nog halfvol was. Hij ratelde maar door over waarom dit zo’n slecht plan was. Zohra liet hem praten. Ondertussen prepareerde ze een dosis. Niet veel later rookten ze elk de helft van de kristallen. De kick kwam snel en hard. Hun spieren spanden zich op en pure energie vloeide door hun aderen. De roes overwon de angst.

‘En nu?’ vroeg Lieven. Zijn pupillen waren groot en glansden als ruwe olie.

‘Ik hoopte dat jij een manier weet om binnen te geraken.’

Tien minuten later stonden ze in de inkomhal. Daar­voor waren ze nog een keer rond het gebouw gelopen, op zoek naar de ingang die door de serie­moordenaar gebruikt werd, maar ze hadden niets gevonden. Daarom hadden ze een spaanplaat losge­wrikt en waren ze door de spleet naar binnen geglipt. Het schemerde in de inkomhal. De elektriciteit was al lang afgesloten, maar een smalle reep maanlicht viel door een gebroken venster naar binnen. Zohra en Lieven hadden hun hoofd­lampjes voorlopig niet nodig.

De inkomhal was in twee stukken verdeeld. Aan beide kanten was er een grote ruimte waar de brievenbussen zich bevonden. Vandalen hadden ze bespoten met graffiti of van de muur getrokken. In het midden van de inkomhal stond een wand met belletjes. Sommige naam­plaatjes waren nog leesbaar, andere waren ver­dwenen, alsof de eigenaars hier nooit gewoond hadden. De inkomdeur die naar de gang en de liften leidde stond uitnodigend open. In het kozijn staken scherven ter grootte van een machete.

Zohra deed haar trui uit, wikkelde de stof rond haar hand en trok een stuk glas uit de deur. Ze keek naar de vlijmscherpe punt. ‘Komt mis­schien nog van pas.’

Lieven volgde haar naar binnen, maar gleed uit over de plas van scherven bij de deur. Met een doffe klap viel hij op de tegelvloer. Brokjes glas schoten rinkelend en fonkelend alle kanten uit. Door de adrenaline merkte hij de pijn in zijn staartbeentje en bloedende handen nauwelijks. Wel schrok hij van zijn eigen kabaal. ‘Shit,’ fluisterde hij.

Zohra en Lieven stonden als stenen beelden in het territorium van de slachter. Met ingehouden adem keken ze naar elkaar. Gelukkig was het gebouw immens groot en moesten ze al heel veel pech hebben om uitgerekend hier en nu betrapt te worden.

Een beetje later zei Zohra: ‘Het is veilig, denk ik.’ Voorzichtig keek ze om het muurtje en liep daarna de gang in. Ze wenkte Lieven, die haar volgde terwijl hij glassplinters uit zijn handpalmen trok. Het was koel in de gang en het rook er naar schimmel. Overal vielen gekartelde bundels maanlicht door gebroken vensters naar binnen. Instinctief hielden Zohra en Lieven halt bij de eerste lift die ze tegenkwamen.

‘Dit gebouw is een labyrint,’ zei Lieven. ‘Twintig ver­diepingen, honder­den appartementen. Hij kan overal zitten. Dit is onbegonnen werk.’

Hij sprak het niet uit, maar Zohra bespeurde in zijn stem het verlangen om weg te gaan, om te vergeten wat ze gezien hadden. Maar Zohra wilde die container niet vergeten. Ze kon de lichaamsdelen en de stank niet uit haar hoofd zetten. Nee, zij moest weten wat er zich aan de andere kant van de stortkoker bevond. Peinzend keek ze om zich heen. ‘Volg het bloed,’ zei ze opeens, en ze wees naar een spoor van vlekken op de vloer.

De donkere vlekken leidden naar de dienstlift. Daar hielden ze op. Het knopje om de lift op te roepen was besmeurd met dezelfde vlekken. Het schermpje erboven gaf in digitale tekens “20” aan. Daar was de lift tot stilstand gekomen. Lieven huiverde. ‘Wacht eens,’ zei hij. ‘Er is iets wat ik niet begrijp.’

‘Wat?’

‘De elektriciteit in dit gebouw is afgesloten.’

‘Ja.’

‘En toch is de lift in gebruik.’

Zohra dacht na. ‘Een ander circuit misschien?’ gokte ze. Feit was dat het veel eenvoudiger was om een lijk met de lift te verplaatsen dan via de trappen. Blijkbaar had de slachter voor zichzelf een manier gevonden om dat probleem op te lossen.

‘Als we de lift oproepen, dan weet hij dat hij ont­maskerd is,’ opperde Lieven. ‘Zo kunnen we hem in de val lokken.’

Zohra schudde met haar hoofd. ‘Nee, we nemen de trap naar de twintigste verdieping. Ik wil zijn werkplaats zien.’

‘Je spreekt over hem alsof hij een kunstenaar is.’

Misschien had Lieven gelijk. Ergens in haar morbide fascinatie ging een intuïtieve hunker naar verwant­schap schuil. Ze had het gevoel alsof ze in een van haar eigen nachtmerries ronddoolde.

Zohra liep naar een deur met het pictogram van een trap. De deur was uit de scharnieren getrokken en hing schuin in het kader. Ze kroop door het driehoek­vormige gat naar binnen. Aangezien de maan zich aan de andere kant van het gebouw bevond, was het hier pikdonker. Ze knipte haar hoofdlamp aan en scheen ermee op de betonnen trappen. Heel even waagde ze het om in het ravijn tussen de trappen naar boven te gluren. De hoogte was duizelingwekkend.

Zohra begon samen met Lieven aan haar tocht naar de top. De hele tijd hield ze de glazen machete voor zich uit. Ze merkte dat haar handen beefden, maar wist niet zeker of het door angst of opwinding kwam. Of allebei. In de trappenhal hing een vochtige hitte, alsof de zomer zich tijdens de afgelopen dagen in elke porie van het gebouw genesteld had.

Met elke verdieping versnelde Zohra’s hartslag. Het duurde niet lang voor het zweet van haar voorhoofd naar het puntje van haar neus stroomde, waar het een parel vormde. Ze was nog stijf van haar sprint in de tunnel. Haar kuiten, hamstrings en quadriceps leden onder de inspan­ning. Hoewel Lieven in betere conditie was, bleef hij veilig achter haar.

‘Ik wil niet sterven,’ zei Lieven opeens. Ze waren bij de tiende verdie­ping aangekomen, precies halverwege. Die psychologische grens had hem kennelijk aan het twijfelen gebracht. ‘Tenminste, niet hier en al zeker niet vandaag.’

‘Je weet dat ik niet terug kan.’ Zohra keek Lieven vast­beraden aan. ‘Ik snap best dat je weg wil gaan, maar ik moet weten wat hier aan de hand is. Ik moet het zien met mijn eigen ogen.’ Ze wiste het zweet van haar neus. ‘Alsjeblieft, Lieven, zeg me dat je dat begrijpt.’

Ze stonden stil op de trappen. Het enige geluid was afkomstig van hun zwoegende longen. Ze hijgden een tijdje zonder iets te zeggen. Uitein­delijk knikte Lieven weifelend. ‘Je weet dat ik jou hier niet kan achter­laten.’

‘Dat weet ik.’ Zohra keek omhoog, naar de resterende tien verdie­pin­gen, en begon opnieuw te klimmen.

De negentiende verdieping was sneller bereikt dan ze had gedacht. Ze spitste haar oren, in de hoop een geluid op te vangen. Eender wat, gekrijs van een slacht­offer of een ronkende kettingzaag die lichamen in stukken sneed. Maar het was onheilspellend stil in de top van de wolkenkrabber.

Zohra knipte haar hoofdlamp uit. Lieven deed het­zelfde. Nu kwam het erop aan om geen fouten te maken. Geen bruuske bewegingen, geen geluid. Samen slopen ze de laatste trappen op. Zohra omklemde haar glazen machete met beide handen. Ze voelde de randen door haar trui in haar handpalm snijden, maar schonk geen aandacht aan de pijn. Onoplettendheid kon dodelijk zijn in deze fase.

Er was geen deur tussen de trappenhal en de twintigste verdieping.

Ondertussen hadden de kristallen Zohra naar het hoogtepunt van haar roes gestuwd. Ze merkte hoe haar hersenen een vloedgolf aan dopamines vrijgaven. De angst was nu volledig verdwenen. Ze was opgewonden. Alsof ze een simultaan orgasme hadden leek ook Lieven zijn climax te beleven. Van de bezorgdheid in zijn blik en de manier waarop hij door besluiteloosheid zijn lippen daarnet nog op elkaar perste, was geen sprake meer. Het was zelfs hij die als eerste de gang in liep.

De twintigste verdieping was afwisselend gehuld in plassen van duisternis en plaatsen waar de bleke maan-gloed zich over de vloer uitstrekte. Aan het plafond hingen tl-lampen. De meesten waren stuk­gegooid en het glas lag versplinterd op de grond. Links en rechts bevonden zich de wooneenheden. Zohra keek beide kanten op. Nergens geluid, nergens beweging. Ze verstevigde de grip op haar wapen. In haar handpalm welde bloed op. Ze voelde zich zo zeker van haar stuk, dat ze geen angst voelde om de confrontatie aan te gaan met de serie­moordenaar. Het maakte niet uit of hij twee meter groot was en honderd kilo woog. Ze zou zijn keel doorsnijden voor hij nog maar besefte dat ze voor zijn neus stond.

‘Welke kant op?’ Lieven deed zijn best om te fluisteren, maar de kristallen hadden hem hyper gemaakt. Zijn stem sloeg over.

Zohra wees met de punt van haar glazen machete naar de vloer. Een fijn spoor van donkere druppeltjes liep naar het midden van de gang. Om tot daar te komen, moesten ze voorbij verschillende woon­eenheden. Allemaal mogelijke schuilplaatsen van de slachter.

Rug aan rug volgden ze het spoor. Lieven hield een spuitbus in de aanslag. Een weinig doeltreffend wapen, besefte hij, maar voldoende om een belager mee te desoriënteren zodat hij kon ontsnappen en niet in de container zou belanden. Zo slopen ze meter voor meter naar hun doel. Bij elk appartement bukten ze zich om buiten het gezichtsveld van de spionnetjes te blijven. De deuren waren gesloten. Zohra beeldde zich telkens in dat achter het kijkgaatje een duister oog hen in de gaten hield. Ze was voorbereid op het moment waarop de psychopaat naar buiten zou stormen. Ze zou het glas recht door zijn hart stoten.

Bij het vierde appartement dat ze passeerden stond de deur open. Zohra aarzelde om naar binnen te kijken. Uit de ruimte dreef een mengeling van geuren. Het waren geen typische geuren van een bewoond huis, eerder een soort walm van dood vlees, zij het niet zo sterk als in de stortplaats. Zohra gebaarde naar Lieven om te wachten. Na een uitwisseling van tekens gingen ze elk aan weerszijden van de deur staan. Toen ze lang genoeg geluisterd hadden om te horen dat het volledig stil was in het appartement, waagden ze het om naar binnen te gaan.

De eerste ruimte die ze betraden was in betere tijden de woonkamer geweest. Nu stonden er slechts enkele meubels: een zitbank waarvan het schuimrubber uit de bekleding lekte als etter uit een puist en een grote tafel met daarop verroeste messen en beenzagen. Het tapijt onder de tafel was doorweekt met een smerige sub­stantie. Overal maakten vliegen abstracte schilde­rijen in de weeë lucht. Zohra besefte meteen dat ze in het atelier van de moordenaar stonden. Ze knipperde enkele keren met haar ogen om zich ervan te verze­keren dat het geen hallucinatie was. Kristallen hadden nu eenmaal de neiging om je zintuigen te bedriegen.

Maar dit was echt.

Aan de muur waren planken bevestigd waarop plastic bussen stonden. Het waren doodgewone bussen bleek­water van vijf liter, behalve dat er geen bleekwater in zat. ‘Zou hij zijn slachtoffers daarom laten leeg­bloeden? Hij snijdt hun keel over en vangt het bloed op in deze flessen.’ Lieven keek over zijn schouder naar de andere kant van de kamer. Daar hing een vleeshaak aan het plafond. Op de grond eronder stond een ijzeren kuip. Naast de kuip lag een trechter. ‘Weet je hoeveel mensen je moet vermoorden voor zoveel bloed?’

In een oogopslag begreep Zohra wat er aan de hand was. De serie­moordenaar was uit op het bloed van zijn slachtoffers. Als hij geen tijd had om het ter plaatse uit hun lichaam te halen, nam hij ze mee en deed hij het hier. Allerlei gedachten schoten door haar hoofd. Haar mond ging open, maar spreken lukte niet. Ze kon het antwoord op Lievens vraag alleen maar denken: veel mensen; heel veel. Ze moest weten waarom.

Ze werden opgeschrikt door kabaal. Gerommel, ergens op de twintigste verdieping, dicht genoeg om te weten dat ze niet alleen waren, maar waarschijnlijk ver genoeg om tijdig uit dit smerige hol te ontsnappen.

Lieven stond als eerste terug bij de voordeur. Voorzichtig keek hij om het muurtje de gang in. ‘Kom,’ fluisterde hij, en geruisloos liep hij naar buiten. Zohra volgde hem. Op hetzelfde moment ging er tegenover hen een deur open.

Allebei verstarden ze toen een gedaante uit het kamertje kwam. Eén seconde, misschien twee, gebeurde er niets. In die tijd deed Zohra verschillende indrukken op. Ze sperde haar ogen wijd open. In het kamertje achter de gedaante bevond zich de stortkoker. De klep van de koker stond open en er bungelde een been uit. De slachter was groot en dik. Zijn ademhaling was een ketting van astmatische reutels. Hij droeg een rubberen schort, besmeurd met viezigheid. Zijn armen hingen naast zijn lichaam en in zijn rechterhand zat een kolossale hamer; het type hamer waarmee je met één slag schedels kon splijten tot de hersenen uit de oren spoten.

Zohra liet haar wapen vallen. Haar benen voelden krachteloos, alsof ze het gewicht van haar tengere lichaam niet meer konden dragen. Ze had geen enkele controle meer over haar ledematen. De kristallen waren van uitstekende kwaliteit geweest, maar helaas geen partij voor de angst die nu door elke vezel van haar lichaam gonsde. Het glas raakte de grond, scherven rinkelden.

De slachter deed een stap naar voor zodat hij omhuld werd door maneschijn. Langzaam gleed Zohra’s blik naar zijn gezicht. Het was geen man. Het was een vrouw: dubbele kin, slecht gebit en sliertjes zwart krulhaar die haar bezweet gezicht craqueleerden.

Dit moment, dat slechts enkele seconden duurde, ein­digde met een bruuske beweging. De hamer rees. Lieven drukte zijn spuitbus in. Een nevel van verf hing tussen hem en de reusachtige vrouw, maar zijn wan­hoops­poging mocht niet baten. De hamer kwam frontaal in zijn gezicht terecht. Zijn huid scheurde open en de botten eronder kraakten. Hete druppels van zijn bloed spatten op Zohra’s wang.

Vol afschuw zag ze hoe haar zielsverwant in elkaar zakte. Zijn gelaat was getransformeerd tot een rode brij. Nog voor ze kon beslissen of ze zou vluchten, zich over hem zou ontfermen of de tegenaanval inzetten, voelde ze een klap op haar hoofd. Plots was de wereld stil en zwart.

 

#

 

Voor het eerst sinds jaren ontwaakte Zohra uit een droom­loze slaap. Onder haar lichaam knerpte een bed van keien. Ze had barstende hoofdpijn, was misselijk en gedesoriënteerd. Haar zicht was wazig. Op haar armen en aangezicht vielen druppels. Ze keek naar de hemel. Het regende zachtjes. De randen van de wolken glansden als een neon­reclame. Ze kon onmogelijk zeggen of het licht van de zon of de maan afkom­stig was. Ze ging rechtop zitten.

Zohra had enkele ogenblikken nodig om te beseffen dat ze zich op het dak van de wolkenkrabber bevond. Toen die kennis doordrong, speelden alle fragmenten van voor de klap zich als een omgekeerde film af in haar hoofd. Haar eerste gedacht was om Lieven te zoeken. Diep vanbinnen wist ze echter dat hij dood was, na te zijn leeggebloed in de kuip. Waarschijnlijk stond een bus met zijn bloed al tussen de andere en was hij als een puzzel van vlees en beenderen in de stortkoker gekieperd. Het was haar een raadsel waarom zij niet naast hem in de container lag.

Zohra deed een poging om op te staan. Ze wankelde. De wond aan de zijkant van haar hoofd pulseerde in een scherp, brandend ritme. Ze legde haar hand erop en voelde dat het bloed gedeeltelijk gestold was. Ze had meer geluk gehad dan Lieven. Het moest een afscham­per geweest zijn, voldoende om haar bewuste­loos te slaan, maar niet hard genoeg om haar te vermoorden. Toen Zohra eenmaal stevig op haar benen stond en haar ogen een beetje aan het schemerduister begonnen te wennen, drong het panorama van de verdorven stad tot haar door. Alles leek heel ver weg.

Zohra herinnerde zich weer waarom ze naar hier was gekomen. Het was een onverklaarbare, niet te negeren aantrekkingskracht geweest. Het feit dat ze nog leefde, sterkte haar in de gedachte dat deze situatie voor­bestemd was. Haar vastberadenheid over­scha­duwde de gevoelens van woede, verdriet en angst die in haar ingewanden tintelden. Ze zou niet weggaan voor ze wist wat die vrouw met Lievens bloed van plan was.

Er stond een zachte bries. Een eigenaardige, niet te definiëren geur dreef Zohra’s kant op. Intuïtief wist ze dat ze die geur moest volgen, ook al walgde ze ervan. Ze probeerde een overzicht te krijgen van het dak. Het was zo groot als een voetbalveld en ingericht als een doolhof met ventilatieschachten, antennemasten, lift­okers en trappenkamers die het zicht belem­erden. Ze strompelde naar de dichtstbijzijnde mast en verschool zich erachter. Het inademen van de buitenlucht deed haar deugd. Langzaam voelde ze het leven weer in haar lichaam sijpelen.

Zohra sloop van het ene obstakel naar het andere. Onderweg begonnen haar zintuigen opnieuw normaal te functioneren. De realiteit was niet langer een onbe­trouwbare fata morgana. Ze zag alles weer helder, ondanks de barstende hoofdpijn. En ze hoorde ook iets: een vreemd, onbestemd geluid.

Tongen die slurpten, tanden die knarsten, obscene huigklanken.

Zohra gluurde door het rooster van een ventilatie­chacht. Aan de rand van het dak ontvouwde zich een macaber schouwspel. Het beeld was gefrag­enteerd als een mozaïek. Heel even hoopte Zohra dat ze nog steeds bewusteloos was en door duistere dromen gekweld werd, maar het had geen zin om de werkelijkheid te ontkennen. Ze kon niet ophouden met staren. Een gevoel van herkenning ontlook in haar binnenste, als een lang vervlogen herinnering aan een speciale ont­moeting.

Met lange tongen likten de wezens het bloed uit een bassin. Ze dronken gulzig terwijl de vrouw een nieuwe bus leeggoot. Het bloed was dik en stroperig.

Zohra bewonderde de contouren van de wezens. Sommigen waren hoekig en puntig, anderen zacht gewelfd als zandduinen. De nevelige lucht wierp een doffe schijn op hun huid. Bleek en ziekelijk glinsterden ze. Hun iele lichaampjes waren bedekt met schubben, gezwellen of afgestorven weefsel. Hun geraamte was misvormd, net als hun gezicht. Monden als vagina’s, ogen van slijm. Allemaal hadden ze unieke trekken, alsof ze afstamden van verschillende voorvaderen.

Slechts twee dingen hadden ze met elkaar gemeen. Ze dronken bloed om te overleven. De vrouw, hun slaaf, hadden ze uitverkoren om hen te voeden. Als een levende dode voerde ze hun telepathische bevelen uit.

Het tweede wat de monsters, ondanks hun verschil­ende uiterlijke ken­merken, met elkaar verbond, was Zohra. Zij had hen het leven geschon­ken in de vergeten hoeken en krochten van de stad. Zij had hen bedacht en een gezicht gegeven, met verf op beton. Zij waren de kunstwerken die zo gehekeld werden door het establishment. De verstotelingen van Antwerpen hadden zich allemaal op het dak van de wolkenkrabber verzameld, ver weg van de bekrompen burgers.

Ze leken niet eens verbaasd toen Zohra tevoorschijn kwam, alsof ze haar komst geduldig hadden afgewacht.

De vrouw schrok wel. Haar ogen sprongen open als had ze een spook gezien. Ze liet de bussen bloed uit haar handen glijden. Even leek ze niet te kunnen vatten wat er gebeurde. Daarna waggelde ze schuimb­ekkend op Zohra af.

Maar Zohra was niet bang. Ze wist dat haar kinderen haar zouden beschermen, net zoals ze ervoor hadden gezorgd dat ze nu niet naast haar zielsverwant in de container lag.

En zo geschiedde.

Nog voor de vrouw Zohra kon bereiken, hadden de monsters haar al te grazen genomen. De vrouw begon woordeloos te krijsen. Haar stem was zwaar en diep, als een vrachtwagen die over kasseien bulderde.

Ze trokken haar neer met hun klauwen. Hun voor­malige voedster grabbelde in het ijle en viel met een smak op de grond. De monsters beten haar keel over en peuzelden het vlees van haar beenderen. Het kolossale lichaam van de vrouw werd alsmaar kleiner, eerst de benen en de armen, daarna haar roze romp. Langer dan enkele minuten duurde het vreetfestijn niet. Zohra’s kinderen speelden met de ingewanden en jong­leerden met de oogbollen.

Het vlees spuwden ze weer uit. Bloed was het enige waar ze op uit waren. Nooit hadden ze genoeg. Ver­honge­ren zouden ze echter niet doen. Vanaf nu was Zohra er immers om hen te voeden. Ze was tot het ergste bereid om hen sterker te maken. Zelfs Lievens bloed mocht niet verspild worden. Het waren tenslotte haar kinderen. Door de monsters zijn bloed te schenken, kon hij in hen een tweede leven leiden. Ze miste hem nu al.

Zohra liep naar de hoek van het dak en ging met haar benen over de rand zitten. Ze keek uit over de stad. Zoveel mensen, zoveel bloed. Nu waren de monsters nog zwak, maar binnenkort zouden ze sterk genoeg zijn om Antwerpen over te nemen.

De ijzeren vrucht : Johan Klein Haneveld

Achteraf gezien had ik de kuil natuurlijk veel eerder moeten zien. Maar niemand had die nacht iets vreemds gehoord en ikzelf was in gedachten bezig geweest met het verhaal voor een 3D-voorstelling op het elek­tronische dorpsplein. Bovendien bestuurde de maaimachine zich groten­deels zelf. Mijn aanwezigheid in de cabine was nauwelijks meer dan een formaliteit. Dus schrok ik toen het apparaat steigerde en ik voor­over op het instrumentenpaneel werd geworpen. Van onder mij klonk een serie droge knallen als van brekende takken. En toen stond het apparaat plotse­­ling stil.

Ik knipperde met mijn ogen, duwde mezelf overeind en liet me uit de cabine zakken. Met een plof landde ik op de grond, een deken van plat­liggende halmen, daar waar ik zo-even langs was gekomen. ‘Wat is het probleem?’ vroeg ik.

De computer in mijn contactlens tekende een lijn­patroon over het oranje chassis van de maai­machine, met een rood oplichtende cirkel vooraan, waar het graan werd afgesneden. Ik liep ernaar toe en bukte voorover. De keramieken bladen waren afge­knapt. Midden erin als in een wit vogelnest bevond zich een metalen bol, aan één zijde zwart­gebla­kerd, door­sneden met kaarsrechte littekens. Er hadden antennes aan gezeten, maar daar resteerde er nog slechts één van, geknakt als een strohalm. Ik was nieuwsgierig wat het kon zijn, maar eerst zond ik de beelden door naar de speciale keramiekprinter, met een verzoek om nieuwe messen volgens de specificaties.

‘Je krijgt voorrang, meneer Dalik,’ hoorde ik de stem van een vrouw van voor in de dertig, die mijn com­puter voor mij identificeerde als ene Tessa Wildstrom. ‘Je hebt tot nu toe namelijk een vlekkeloze score op je landbouwtaken.’ Er viel een stilte. Waarschijnlijk liep ze mijn gegevens na. Toen vervolgde ze: ‘Vergeet je niet de oude dadelijk in te leveren?’

Ik rolde met mijn ogen. Ja, ik dacht soms niet aan dat soort praktische dingen, maar voor mijn hoofdtaken hoefde dat ook niet. Van schrijvers verwachtte men dat ze met het hoofd in de wolken liepen. Rechtsboven in mijn gezichtsveld zag ik Tessa’s persoonlijke karak­teristieken en een overzicht van onze interacties. Kennelijk had ze meer dan de helft van mijn voorstellingen meegemaakt en had ze zelfs wat van haar tijd gebruikt om mij van gemeenschapstaken vrij te stellen. ‘Geen probleem,’ antwoordde ik dus. ‘Voor een fan doe ik extra mijn best.’

‘Of wil je dat ik iemand naar je toestuur?’

‘Dat is niet nodig.’ Ik had voorlopig namelijk geen tijd om iets terug te doen. ‘Ik vraag wel een auto­stuurder om de kapotte spullen op te halen.’ De com­puter had meegeluisterd en een verzoek naar de cen­trale stond klaar. Een zelfsturende e-kar zou dade­lijk arriveren aan de rand van het veld. Nog steeds een eind lopen, maar dat was niet erg. De gezondheids­signalen links in beeld knipperden al weken met de mededeling dat mijn vetpercentage wat was gestegen.

Tessa nam afscheid: ‘De nieuwe bladen zijn over twee uur bij je. Ik ben benieuwd naar je volgende show!’

‘Ik ook,’ mompelde ik. Het idee dat zo-even bij me was opgekomen, was met het uitvallen van de machine verdwenen als een schichtige ree. Ik kon alleen maar hopen dat het uit zichzelf weer uit het kreupelhout van mijn onderbewuste tevoorschijn zou komen.

Voorzichtig, om mezelf niet te snijden aan de messen, tilde ik de ijzeren bal uit de machine. Hij was zo groot als een meloen, maar veel zwaarder, en voelde een beetje warm aan. Ik bekeek het vreemde voor­werp van alle kanten. Er stonden geen merk­tekens op en er was geen manier om het open te maken. Voor zover ik kon zien, diende het geen enkel nut. Maar ik wist ook niet alles. Een paar gemompelde commando’s volstonden om via mijn lens wat foto’s te maken en die op een techno­logie­netwerk te posten. Vervolgens tilde ik de bol op en legde hem in de cabine. Net toen ik weer naar beneden was geklom­men, lichtte in mijn gezichtsveld een groen symbool op. Iemand uit Wit-Rusland had het ding herkend. Het bleek een communicatie-eenheid te zijn, die in het ruimte­vaarttijdperk was gebruikt om materialen en gegevens uit te wisselen tussen bemande satellieten. Deze was kennelijk uit zijn baan geraakt en neer­gestort.

‘Had hij dan niet helemaal verbrand moeten zijn?’ wilde ik weten. De Russische jongen herinnerde me eraan dat het ruimtetuig een eigen aandrijving had en zichzelf dus had kunnen afremmen. Maar dat deed me weer vragen waarom hij dan ooit zover van zijn baan had kunnen afwijken dat hij hier op ons veld was neergekomen. Op het netwerk ontstond daarover prompt een levendige discussie.

Ik wilde net een uitgebreid commentaar toevoegen, toen ik werd gewaar­­schuwd dat de autostuurder was gearriveerd. Het apparaat kon bovendien maar een kwartier blijven staan. Daarna moest hij een pakket ophalen bij iemand anders in het dorp. Ik gaf de jongen uit Rusland snel een vijf sterren-beoordeling en sloot de discussie. Gehaast trok ik de kapotte bladen uit hun zettingen, wikkelde ze in een stuk plas­tic en rende naar de rand van het veld. Toen ik arri­veerde, begon de onbemande wagen al weer op te trekken. Ik holde er achteraan. Ik kon nog net het pakket in de open achterbak gooien. De pijn in mijn zij over­tuigde me ervan dat de gezondheidssignalen wel eens gelijk konden hebben. Ik wachtte tot ik op adem was gekomen en gaf mijn planner toen de opdracht gezondere maaltijden op mijn schema te zetten. Ver­volgens liep ik terug naar de maaimachine. Niet veel later arriveerde de drone met de nieuwe onderdelen.

 

Het begon te schemeren toen ik uiteindelijk met mijn werk klaar was, bijna twee uur later dan normaal, en de machine had geparkeerd op het centrale oplaad­punt. Mijn volgende landbouwdag stond pas voorover anderhalve week in de planning, en dan was ik nodig in de kassen. Dat lag me altijd beter dan werken op het land. Met de mysterieuze bol in mijn armen liep ik terug naar het dorp. Hij was zwaarder dan ik had gedacht, dus ik moest hem meerdere keren op de grond leggen en mijn voorhoofd afvegen. Ik was echter zo eigenwijs geweest niet op een volgende autostuurder te wachten.

Boven de horizon gloeiden de met zonnepanelen bezette daken als kolen en zwiepten de windmolens door de lucht als brandende zwaar­den. De zonsonder­gang strekte zich zoals altijd hoog uit in de hemel­koepel, aangewakkerd door het koelende stof dat sinds decennia in de atmosfeer werd geblazen.

Vlak voor de eerste huizen van het dorp schoot een tiener op een hoverboard vlak langs me voorbij. ‘Kijk uit waar je loopt, ouwe,’ riep ze, haar stem vervormd. Een vuurwerk van graffitivirussen en spookbeelden flakkerde over mijn gezichtsveld. Haar lachen stierf weg achter me, zonder dat ik had kunnen zien wie het was. Mopperend zette ik de reinigings­programma’s aan het werk. Toen ik jonger was, hadden mensen hun eigen uitzicht niet steeds virtueel schoon hoeven boenen.

Tegen de tijd dat ik mijn appartement bereikte, voelde ik mijn armen bijna niet meer. De camera boven de deur herkende me en het grijze vlak schoof automatisch opzij. De lampen in de gang schoten aan. Gewoonlijk controleerde ik altijd hoeveel energie mijn panelen hadden opgewekt en met wie die was gedeeld, maar nu liep ik direct door naar mijn woon­kamer. Ik liet mijn schat onceremonieel op het tapijt vallen. Terwijl ik mijn verkrampte vingers kromde en strekte keek ik om me heen. Ik had niet veel tijd besteed aan het interieur. De meubels waren de meest populaire modellen uit de printer en gemaakt van taupe kunst­stof, zonder enige opsiering of patroon. Een paar groen met blauwe kussens die mijn moeder ooit voor me had meegebracht, waren de enige versiering – samen met een schilderij van een kunstenaar twee dorpen verderop. Op een tafel in de hoek stond een glazen bak met water, met daarin een eenzame kemp­vis, wapperend met zijn rode vinnen. Het keukenblok, met de kleine uitklaptafel, bevond zich tegen de achter­wand. Uit een rij van beschikbare gerechten op het scherm koos ik de pasta. Mijn favoriete roomsaus stond er niet bij, alleen tomatensaus. Met veel groen­ten. Mijn planner liet er duidelijk geen gras over groeien! Terwijl het voedselapparaat zoemde, printte ik alvast borden en bestek.

Met de dampende rode massa voor me, ging ik bij de tafel zitten. Hoewel mijn gedachten bezig werden gehouden door de bol, wilde ik niet van mijn dagelijkse ritme afwijken. Ik liet mijn computer een program­ma voor me samenstellen. Als eerste ver­scheen in mijn gezichts­veld een opsomming van de nieuwste recensies. Ik zuchtte. Ik kon het maar beter achter de rug hebben! Ik zag al waarschuwings­sig­nalen voor mijn hartslag, maar het bleek nergens voor nodig. Alleen maar scores van drie sterren of hoger. Ik bleek zes plaatsen te zijn gestegen op de inter­nationale ranglijst en zelfs mensen uit de gezonken koepels van Neder­land hadden mijn laatste werk gedownload.

Vervolgens schotelde mijn systeem me een selectie van beelden voor. Geen sport of roddels, het kende me gelukkig beter dan dat. Wel een aankondiging van een samenwerking van kunstenaars aan een lang­speelfilm. En opnames van een debat over de zuidelijke oceaan. Extreme milieuactivisten pleitten ervoor geen krill meer te oogsten. Dan zou het systeem zich nog sneller kunnen herstellen. Aan de andere kant bleken er meer bezoekers te mogen komen naar het terug groeiende Groot-Barrièrerif. Een animatiefilmpje van een team uit Japan deed me lachen. Ik gaf ze een paar van mijn minuten. Waarschijnlijk zou ik een keer een klus in een fabriek voor ze moeten doen. Tijdens het eten ontving ik ook nog een uitnodiging. Twee van mijn vrienden en een bezoeker uit een ander dorp gingen naar de kroeg. Met ze meegaan zou mijn sociale score verhogen waardoor ik meer uitnodigingen uit andere dorpen zou krijgen, maar ik had allang geaccepteerd dat ik op dit gebied bij anderen achterliep en liet het bericht onbeantwoord.

Toen ik klaar was, liet ik mijn besmeurde eetgerei in de afvoerbuis vallen, waarna het met een zachte ‘woesj’ verdween. Een opdringerige reclame op het keuken­scherm probeerde me te overtuigen dat ik eens een koffie van echte bonen moest gebruiken. Maar daar had ik niet een heel kwartier voor over. Ik proefde boven­dien nooit het verschil met de gratis synthetische varianten. Ik goot kokend water op een donkerbruine pil en terwijl die bruisend oploste, tilde ik mijn vondst van die middag voor me op tafel: een boodschapper uit de ruimte. Een overblijfsel uit de tijd dat we nog verkwistend met fossiele brandstoffen konden om­springen. Wie wist welke geheimen het bevatte?

Uit de luidsprekers klonken rustgevende klanken van een voor mij onbekende synthogroep, die volgens de computer bij mijn stemming moesten aansluiten. Altijd als ik alleen wilde zijn, schreef het systeem me een melancholisch gevoel toe en ik had nog geen manier gevonden die automatische aanname te corrigeren.

Het oppervlak van de bol bevatte geen luikje, of ook maar een schroefje dat ik zou kunnen losdraaien. Ik zag alleen mezelf onduidelijk gereflec­teerd als in een lachspiegel. Ik activeerde het technologie­netwerk waar ik ’s middags de foto had geplaatst. Het gesprek bleek in de tussentijd te zijn ontaard in tegen elkaar schreeuwende aanhangers en tegenstanders van samen­zwerings­theorieën. Er waren verhalen als zouden meer­dere ruimtestations van vroeger nog elek­tro­nische activiteit vertonen, al was het bijna een eeuw geleden dat ze voor het laatst waren bevoorraad, en korre­lige opnames waarop onverklaarbare sporen van raket­aan­drij­vingen zichtbaar moesten zijn. Een afge­zon­derde samenleving in de ruimte. Ik begreep dat ik hier geen antwoorden zou krijgen en sloot de discus­sie af. Ik zuchtte. Met mijn mouw probeerde ik het doffe metaal wat op te poetsen.

‘Ze hebben trouwens gelijk, die vrienden van je.’

 

De stem klonk van vlak achter mij. Ik draaide me om, zo snel dat mijn stoel omviel, en hapte naar adem. Een magere man, iets langer dan ik, keek mij minzaam glimlachend aan. Zijn gezicht was glad, met nauwe­lijks opvallende rimpels rond zijn ogen, maar in zijn haar stonden grijze strepen afgetekend. Hij had het in een strakke scheiding gekamd. In zijn vierkante kin bevond zich een klein kuiltje. Zijn kleding was op maat gemaakt, maar zag er niet uit als wat er uit mijn printers kwam rollen. De stof glansde en er fonkelde goud aan zijn manchetten. Aan zijn pols droeg hij een ouderwetse smartwatch met een bandje van groen slangenleer.

Ik stak mijn arm uit. Hij ging dwars door de man heen. Hij deed een stap achteruit en tilde beide handen op. ‘Dat was nergens voor nodig. Ik kom in vrede.’

Ik vroeg de beveiligingsapparatuur mijn ruimte te scannen. De ca­mera’s namen niks waar. Niet op het zichtbare spectrum, maar ook niet infrarood of ultraviolet. De eeuwige dans van de stofdeeltjes werd alleen door mij verstoord en door niemand anders. Een oproep van het medische centrum verscheen in beeld. Mijn vraag aan de apparatuur duidde op een toestand van verwarring, meende de computerstem. Had ik misschien medicijnen nodig? Of een gesprek? Ik had tenslotte vandaag iets traumatisch meege­maakt. Ik antwoordde ontkennend. ‘Goed,’ besloot het centrum. ‘Maar als u binnen 24 uur nogmaals tekenen ver­toont van irrationeel gedrag, wordt voor u een afspraak gemaakt met een telepsychiater.’

Als ik dat wilde voorkomen, kon ik mijn bezoeker maar beter niet te woord staan. Ik zuchtte diep. Het was niet de eerste keer dat dit me geflikt werd. De vrouw die ik destijds had gesproken, had erom moeten lachen. De computers hadden nog steeds moeite met kunstenaars, was haar verklaring. Die begrepen ze niet. Ik besloot het risico op nog zo’n afspraak maar te nemen. Als ik weer aan dezelfde psychiater werd toe­gewezen, zou dat geen enorme ramp zijn.

Mijn hartslag was ondertussen weer genormaliseerd. Ik keek heen en weer tussen de strak geklede man en de bol. Er verscheen een geamu­seerde twinkeling in zijn ogen. ‘Dat is inderdaad waar ik me bevind. Mijn systeem prikkelt direct je visuele en auditieve centra. En de rest vullen je hersenen voor je in.’

De illusie was volmaakt. Zelfs de schaduw op het mintgroene tapijt klopte.

‘Zo goed is onze techniek niet’, constateerde ik. ‘Dat wil dus zeggen dat je ergens anders vandaan komt.’

Hij knikte. ‘Mijn naam is Robert Minson, directeur van Panacon Farmaceuticals. Misschien ken je me wel?’

Ik haalde mijn schouders op. Ondertussen liet ik mijn computer een zoekopdracht uitvoeren. Het be­drijf bleek ooit een wereldwijd top­concern te zijn geweest, maar was zoals zoveel andere opgeheven tijdens de klimaatoorlogen een eeuw geleden. Ik keek de man afwachtend aan.

‘Het maakt duidelijk geen indruk.’ Robert leek teleurgesteld. ‘Na alles wat ik voor jullie heb gedaan.’

Ik onderbrak hem. ‘Volgens mij ging je me uitleggen waar je vandaan kwam.’

‘Ik zei dat je vrienden gelijk hadden. Ik kom inder­daad uit de ruimte. De zelfstandige satelliet Neo-Eden om precies te zijn. Bevindt zich op Lagrangepunt L2. Hij is vlak voor de oorlog daarheen gebracht middels een geheime lancering van een drijvend plat­form.’

‘Was jij een astronaut?’ Het leek me onwaar­schijn­lijk.

Robert schudde van nee. ‘Luister je niet? Ik was directeur van de grootste farmaceutische onder­neming op de planeet. Ik ben nooit de ruimte in gegaan. Niet fysiek in elk geval.’

‘Sorry,’ zei ik en ik duidde hem aan verder te vertellen.

Hij trok de revers van zijn jasje recht. ‘We hadden de bui al een tijdje zien hangen. De publieke opinie begon zich tegen ons te keren en anti-kapi­ta­listische filoso­fieën begonnen opgeld te doen. Een groep van de rijkste CEO’s en ondernemers ter wereld besloot hun fortuin veilig te stellen. We investeerden niet alleen in de satelliet, maar ook in de nieuwste kwantum- en DNA-computers. Die waren toen al zo ver door­ont­wikkeld dat complete menselijke persoon­lijkheden konden worden gekopieerd. De satelliet zou een virtueel paradijs scheppen, waar we konden leven in oneindige overvloed, zonder ooit te hoeven sterven.’ Hij keek langs zijn eigen lichaam op en neer, met een tevreden uitdrukking op zijn gezicht. ‘Ik ben in honderd jaar geen seconde ouder geworden.’
‘Als het daar zo geweldig is,’ wilde ik weten, ‘waarom ben je dan terug­gekomen?’

Heel even vertrok Roberts gelaat, maar direct keerde zijn glimlach terug. ‘Om jou een aanbod te doen.’ Hij boog zich naar me toe, dichter dan ik comfortabel vond. Al wist ik dat wat ik zag geen werkelijkheid was, toch meende ik zijn adem in mijn gezicht te voelen. ‘Ik kan van jou de rijkste man ter wereld maken.’

Ik was bang dat ik hem niet goed had verstaan. ‘De rijkste …?’ Ik knipperde met mijn ogen. ‘Wat …?’

‘De rijkste man van de wereld,’ bevestigde Robert. ‘Of wil je zeggen dat hier zelfs geen geld meer bestaat?’

‘We betalen met tijd, als we iets willen bezitten dat we niet zo kunnen printen.’ Ik dacht aan mijn koffie. Er kwam ondertussen nauwelijks nog damp van de mok. Ik zette mijn lippen aan de rand en nam een slok. Lauw. Had ik me maar niet moeten laten afleiden. ‘Meestal heb ik dat niet nodig.’

De man hield zijn hoofd schuin. ‘Zou je dan geen mooiere meubels willen hebben?’

‘Ik hou van eenvoud. Ik had er veel meer tiere­lantijntjes op kunnen printen.’

‘Beter eten dan?’

‘Ik heb nog niet eens alle opties van het apparaat uitgeprobeerd.’ Ik nam nog een slok van de koffie, maar dat had ik beter niet kunnen doen. Ik huiverde en zette de mok weer neer. ‘Maar waarom zou ik dat aan jou moeten uitleggen?’

Robert keek sluw. ‘Ik kan ook vragen waarom je zo de behoefte voelt je te verdedigen. Er moet iets zijn dat je graag wilt hebben.’

Mijn ogen bewogen onwillekeurig opzij, naar het aquarium in de hoek van mijn kamer. De kempvis bevond zich rechts onderin en hapte naar een algendraadje.

Mijn spookachtige bezoeker had mijn blik gevolgd en knikte nadenkend. ‘Zo’n grote bak voor maar één visje.’

‘Ik mag blij zijn dat ik toestemming kreeg voor deze,’ mompelde ik. ‘De meeste mensen vinden het niet oké meer om dieren te houden voor voedsel of voor plezier. Ik moest een uitgebreid betoog indienen dat een vis me zou helpen geïnspireerd te blijven.’

‘En jij onderwerpt je aan de meerderheid?’

‘Ik heb zelf ook mijn stem mogen uitbrengen op het web. Dus houd ik me aan de uitkomst.’ Ik zuchtte dramatisch. ‘Ook als ik het er niet mee eens ben.’

‘Als je eenmaal rijk genoeg bent, kun je doen en laten wat je wilt.’ Een brede grijns vervormde Roberts gezicht. Het leek op een masker uit een Grieks theater, dat er vrolijk uitzag, maar waarachter iets heel anders schuilging. ‘Zonder je om je score druk te maken. Regels zijn er om te omzeilen. Mensen zijn bereid dingen door de vingers te zien, waar ze anders enorme ophef om maken, zolang je ze maar genoeg betaalt. Je zou alle vissen kunnen houden die je wilt.’

Bijna in weerwil van mezelf raakte ik geïnteresseerd. ‘En wat zou ik daarvoor moeten doen? Om zo rijk te worden?’

‘Niet veel,’ zei Robert Minson, zijn gelaat weer gladgestreken. ‘Dat is juist het mooie. We hoeven alleen maar te zorgen dat we de mensen laten betalen voor iets waar ze niet zonder kunnen. Of denken niet zonder te kunnen. Dat maakt natuurlijk geen verschil.’

‘Je zult wel gelijk hebben. Maar vertel nu eens eerlijk,’ – dit keer was het mijn beurt om me tot dicht bij hem voorover te buigen – ‘waarom ben je terug­gekomen? Niet om mij een gunst te verlenen. Wat is er hier op Aarde dat je niet kunt vinden in dat Neo-Eden van je?’

De animatie was zo gedetailleerd dat er een zweempje zweet op het voorhoofd van de man ver­scheen. Zijn ogen flitsten heen en weer alsof hij een uitweg zocht. Ik legde mijn hand op zijn bol. De bood­schap van dat gebaar was duidelijk. Robert stak een vinger achter zijn kraag alsof hij benauwd was.

‘Alles,’ antwoordde hij uiteindelijk. Ik reageerde niet, maar wachtte tot hij uit zichzelf verder zou praten.

Het duurde niet lang. Hij liet verslagen zijn hoofd hangen. ‘Ik was failliet geraakt.’ Zijn stem was nauwe­lijks te horen. ‘Er was in principe vanaf het begin genoeg energie voor al onze programma’s, als we die maar nooit hadden willen uitbreiden. Maar we begonnen ons te verve­len. Al snel waren er met inge­wikkelder simulaties. Maar als anderen die zagen, wilden zij die ook voor zichzelf. En daar was elek­triciteit voor nodig. Drie van de oorspronkelijke persoonlijkheden wisten controle te krijgen over de zonnepanelen, en sneden de rest van de energie­toe­voer af. We kregen vervolgens de stroom niet meer gratis maar moesten ervoor betalen, met het enige dat we daarvoor hadden: onze reken­kracht. Ze zorgden bovendien dat er altijd net iets te weinig energie onze kant opkwam, zodat we tegen elkaar begonnen op te bieden. Het duurde niet lang of bijna iedereen was slaaf van een van de drie machten, gedwongen zich het grootste deel van de tijd in te zetten voor simulaties die niet van henzelf waren, lusthoven waar ze zelf geen tijd konden doorbrengen. Anderen pro­beerden energie te roven, maar leefden ver­volgens voortdurend in angst voor represailles. En de rest was uitein­delijk gedwongen zichzelf uit te schakelen. Dat zou ook mijn lot zijn geweest, als ik me niet had bedacht dat er op Aarde nog onbeperkte energie aan­wezig was en grondstoffen in overvloed. Dat is waarom ik hierheen ben gekomen.’ Hij hief zijn ogen op: smekende gaten in zijn gezicht. ‘Samen kunnen we onze overleving voor eeuwig zeker stellen.’

Ik moet eerlijk zeggen dat het me duizelde. Kunst­matige omgevingen, mensen die waren veranderd in computerprogramma’s en moordende concurrentie om zoiets simpels als energie, het was bijna niet te bevatten. Zelfs mijn eigen 3D-voorstellingen waren niet zo fantasievol. En ik twijfelde er geen moment aan dat de man zijn belofte kon waarmaken. Als ik me bij hem aansloot, zou ik al snel alles kunnen doen wat ik wilde. Ik zou nooit meer van niemand afhankelijk hoeven zijn.

Een oproep verscheen in mijn gezichtsveld. Of ik morgen met de tele-psychiater wilde spreken. Ik slaakte een diepe zucht en keerde me naar Robert toe. Die keek me afwachtend aan.

‘Ik heb mijn beslissing genomen.’

 

Er brandde nog licht in de centrale printerij. Voor de deur bleef ik staan wachten tot het systeem me had geïdentificeerd.

‘Kom verder,’ klonk een opgewekte stem. Tessa Wildstrom. Ik merkte dat ik moest glimlachen, terwijl ik de duisternis verliet en de hoge ruimte binnen­stapte.

Ze droeg een blauwe overall, de mouwen opgerold, en er stonden vegen van olie op haar handen en haar voorhoofd. Een band van oranje plastic hield haar piekerige haar op zijn plek. Ze grijnsde naar me. ‘Een van de apparaten moest worden hersteld. En het was vandaag toch mijn dienst. Ik moet de film later maar afkijken.’

Ik tilde mijn armen op. Haar ogen werden groot, toen ze zag wat ik vasthield.

‘Is de smelterij nog actief?’

‘Ik zal hem direct voor je aanzetten.’ Ze knikte naar de bol. ‘Ik vroeg me al af wat je ermee had gedaan. Wilde je hem niet houden?’

Ik vertrok mijn gezicht. ‘Er zit een worm in.’

‘Tegen de achterwand. Het rechtse luik.’

Bij mijn nadering klapte het open. Ik strekte mijn handen uit. ‘Je kunt je nog bedenken!’ zei Robert Minson, vlak achter mijn schouder. ‘Het hoeft niet extreem te zijn. We kunnen gewoon klein beginnen. Ik …’

‘Ik leef al in het paradijs’, zei ik. Ik liet los. Een galmend geluid en uit de diepte van de koker een rood schijnsel. Het luik ging dicht en het beeld van de glad­gestreken man verdween. Een gevoel van opluchting trok door me heen. Ik keerde me om naar Tessa, die nieuwsgierig had staan toekijken. ‘Wat voor film was je eigenlijk aan het kijken?’

Plotseling wendde ze haar gezicht af, haar wangen rood. Ik moest mijn best doen om haar te verstaan. ‘Een opname van jouw laatste show.’

Ik deed een stap naar voren en legde mijn hand op haar arm. ‘Vind je het erg als ik die met je meekijk? Ik heb het vanavond nodig eens flink om mezelf te lachen!’

Hoop : Peter Kaptein

1.

 

Haar laatste kus aan Loheij was een kus van verlangen geweest, van beloftes naar de toekomst. Van: ‘ik mis je nu al’ en: ‘ik kom zo snel mogelijk weer terug’. Haar laatste afscheid van haar moeder was een afscheid vol goede intenties geweest: ‘ik probeer meer bestellingen binnen te krijgen’. Al die intenties. Al die beloftes. Al het verraad. Dat alles kon over een paar momenten tot een einde komen.

Haar handen waren strak tegen het stuur gedrukt. Haar voet stond vol op het acceleratiepedaal. Bij wie ligt je loyaliteit, Meyago Niloo? Haar dubbelleven. Bij wie ligt je loyaliteit? Haar driedubbelleven. Bij wie, Meyago Niloo? Bij haar familie.

‘Dat is de muur,’ zei Assistentie.

Ze dwong haar voet opnieuw neer.

‘Zeg me dat dit niet mijn dood wordt!’ schreeuwde ze. ‘Help me om dit door te zetten!’

Kiteh-hoer.

‘De boot ligt klaar,’ zei Assistentie. ‘De wagen is sterker.’

De eerste klap smeet haar tegen de gordels. Het staal van het chassis schreeuwde met een gierende uithaal nadat de voorwielen met de tweede klap in aanraking kwamen met de overgebleven rand van de muur. De wereld werd een buitelende warboel waarin ze als een stuk dood vlees heen en weer werd geslingerd tot de derde klap op het zeewater alles in diepe duisternis dompelde.

Vreemd genoeg voelde ze voornamelijk rust en een­zaamheid toen ze zich losmaakte uit de gordels, toen ze zich na een laatste hap lucht los maakte uit de wagen, toen ze wegzwom van de zuiging waarmee het verwrongen metaal haar naar beneden probeerde te trekken.

Ze dook op, haar gezicht naar de hemel. (Niemand op de rand van de klif.) De beloofde boot lag verborgen in de schaduw van een rots; twee Lleroh-vrouwen op het dek, één wijdbeens met een vierkante reddings­boei in haar hand, klaar om te gooien. Meyago stak haar hand hoog op, wierp een nieuwe, angstige blik omhoog naar het gat in de muur. Zonder twijfel was de blauwe auto al tot stilstand gekomen, waren de twee mannen uitge­stapt. Elk moment nu, elk moment kon iemand z’n hoofd over de rand steken en zien dat ze hier was, hier. Hier in het water! Seconden! Seconden slechts. De enige vraag was waarom het zo lang duurde. Waarom stónden ze daar nog niet?

De worp was bijna perfect. Ze hoefde alleen maar haar arm uit te strekken, de reddingsboei te grijpen.

‘Contact,’ zei ze tegen Assistentie. ‘Ik ben tot nu toe veilig. Er is nog niemand te zien.’

Ze liet zich over kalme golven naar de sloep trekken waar de tanige Lleroh-vrouwen haar aan boord trok­ken, stond daar even druipend, voordat ze zich geluid­loos neer liet zakken.

Er klonk geen geschreeuw van boven. Er was – behalve de bellen die nog steeds van de gezonken wagen omhoog kwamen – geen spoor meer van haar aanwezigheid. Er waren slechts kalme stemmen. Flar­den van een gesprek in het dialect van Ebyon, dat van boven de boot bereikte, tot de stemmen afzwakten en verdwenen.

Dertig minuten verstreken in absolute stilte van haarzelf en de twee vrouwen. De zon zonk langzaam richting de horizon.

‘Meyago?’

‘Ja?’

‘Je achtervolgers zijn weg.’

‘Begrepen,’ zei ze.

De elektromotor kwam tot leven. Meyago keek een laatste keer huive­rend en met een harde blik naar boven. Verkleedde zich toen.

‘Wat gaat je volgende stap worden?’ vroeg de stem in haar hoofd.

‘Ik ga terug,’ prevelde ze achter geheven handen. ‘Terug naar Ebyon. Ik doe wat Eijjon Eijsson me gevraagd heeft. Ik ga terug naar Yin-Beh, terug naar huis. Alsof er niets gebeurd is.’

Ze liet zich achterover zakken, tegen het harde can­vas van het zeil, wierp even een blik omhoog naar Merle: de vierde van de zes kunst­matige manen, arrogant in zijn perfecte schoonheid, onbereikbaar sinds eeuwen.

Ze sloot haar ogen.

Hoop.

De geur van oud zweet en zeewater in de oude jas was onaangenaam sterk, maar duizendmaal beter dan gevangenschap in een cel in Ebyon; beter dan de dood.

Hoop.

Dat was wat haar uiteindelijk dreef, zelfs nu. Zelfs nu alles waarin ze geloofd had uit elkaar leek te vallen. Hoop dat het universum een goede plek zou zijn. Hoop op een betere wereld. Hoop dat de oude tijden van vrede weer terug zouden komen. Hoop dat de Kiteh en de Timbesh in Yin-Beh gestopt zouden worden. Hoop. Niet de wanhoop van de vlucht. Niet de angst voor haar familie. Niet de angst voor de dood of de toekomst. Hoop. Hoop dat haar wereld ooit weer de sterren­poorten zou her­bouwen, nieuwe bruggen naar andere werelden zou slaan, weer op zou klimmen uit dit gat waarin het twaalfhonderd jaar geleden was terug­geworpen.

 

Haar val begon elf dagen eerder, vlak na haar eerste én laatste ont­moeting met Yuun Kuhalin.

 

 

2.

 

Zijn gezicht was gezwollen van de klappen die hij gekregen had. Zijn schedelkap verwijderd en het bot vormde een scherpe, gele rand boven de terug­getrok­ken huid van zijn voorhoofd.

Meyago borg het dossier op in de zoom van haar mouw.

Veertig doden, dacht ze. Wat een opmerkelijk persoon. Had hij aan het eind van zijn vlucht gerekend op een laatste ontsnapping, of een snelle dood?

Ze boog zich voorover om een beter beeld te krijgen van de kom­vormige leegte waarin ooit het vocht had gezeten waarin zijn hersenen hadden gedreven, bestu­deerde aandachtig de schone snede. Vakwerk.

Het begin van zijn hersenstam was een glad en helder blauw. Ze bestudeerde de dikte van de schedel­wand, de wasachtige glans van het vlees in de holte; de bobbels en vloeiende randen van de schedel­basis.

Wat maakt hem anders?

Meyago deed een stap naar achteren.

Haar adem vormde wolkjes in de gekoelde lucht.

Hij was ooit een gezond man geweest. Nu reikte zijn linkerbeen niet verder dan zijn knie. Zijn rechter tot aan de enkel. De laatste decimeters van zijn armen waren tot net boven zijn biceps afgezet. Zijn penis en zijn balzak waren met grove sneden verwijderd. Nauwe­lijks opmerkelijk, dacht ze cynisch. Het verhoor­proces ging nergens over. Hij had volgens de Kiteh-rapporten niets losgelaten. Niets van belang. Niets dat ze niet al wisten uit de eindeloze verslagen van hun eigen Agent-Voyeurs.

‘Hoe zit het met de hersenen? Enige anomalieën?’

‘Geef haar een antwoord, Dame,’ zei Beijjun zacht, ‘als het u belieft.’

‘Het begin van een tumor in de rechter hersenhelft,’ zei de lange vrouw. (Gele lijnen in haar rode huid volgden haar kaaklijn, liepen van haar neusbrug naar haar kruin.) Een Timbesh uit het havengebied. Ze herkende de patronen, plaatste de hoge jukbeenderen en het lange gezicht. Dochter van één van de meer welvarende families.

Meyago ging één voor één door de foto’s heen, elk vel in een flits in haar geheugen gegrift, elk een weergave van een volgende plak. De tumor was duidelijk zichtbaar.

Nergens in de doorsnedes zag ze afwijkingen in de hersenlobben. Ze bekeek de röntgenfoto’s. Geen sporen van implantaten. Ze bekeek de celstructuur van zijn spieren. Wat de Kiteh ook hadden verwacht te vinden, Kuhalin was nee: léék– een normaal mens, van deze wereld.

Beijjun Niam wierp een blik op haar klokje.

‘Dm. Niloo, we moeten gaan.’

Door de lang hal van het mortuarium naar de uitgang. Meyago zette haar zonnebril op, opende haar parasol toen ze buiten stond. Een aankondiging van haar regering bedekte de zijgevel van het gebouw vóór hen. Een peinzende Kiteh die naar de hemel keek. ‘Weest Waakzaam! De Aarde observeert ons!’

‘Hij was zwaarder toegetakeld dan ik verwacht had,’ zei ze.

‘Schaamteloos,’ zei Beijjun Niam zacht. ‘Een grof misbruik van Kiteh-privileges. De Lleroh hebben het recht Yuun Kuhalin aan een eigen verhoor te onder­werpen, vóórdat de Kiteh besluiten hem te doden. Hij had hier nooit terecht mogen komen.’

Meyago keek even achterom toen ze het terrein van de Kiteh-gevangenis verlieten, streek een lok van haar lange haar uit haar gezicht. Het was een bijna onop­vallend gebouw dat wegviel achter hoge bomen en statige steenzwammen.

‘Hij is niet de eerste,’ zei Meyago.

‘Sinds we niet meer in het zelfde bed slapen als de Kiteh en de Timbesh,’ zei Beijjun zuur, ‘valt hier weinig meer tegen in te brengen… Geef de Kiteh nog een paar jaar en onze status is even laag als dat van de Oba en de Gehina.’

Meyago stapte in aan de passagierszijde, klapte haar portier dicht. Beijjun nam plaats achter het stuur, leunde opzij, draaide de contact­sleutel om. ‘Wat zijn je bevindingen?’

‘Geen sporen van wijzigingen. Geen aanwijzingen dat hij van buiten deze wereld komt.’

‘Had je anders verwacht?’ zei Beijjun.

Ze schakelde, reed de wagen achteruit. ‘Yuun Kuhalin is een smokke­laar. Mogelijk een Agent uit Yig-Masuul. Geen buitenwerelds ding.’ Met minachting: ‘En zéker geen spion van Aarde.’

Meyago bekeek zichzelf in haar kleine spiegel, bracht haar haar samen achter haar hoofd, herschikte haar mantel. De volgende bestemming was de Centrale Administratie van de Kiteh.

 

 

 

Het was een paleis voor zielenrovers, lelijk, de gevel zwaar en donker, met drie rijzige torens en naar­geestige betonnen beelden van abstracte menselijke vormen naast smalle hoge ramen van glas in lood.

De glanzende vloer van de enorme hal was een platgeslagen doolhof van zwart en witte stenen. In het centrum stond een blok van grijs steen waarop een magere Kiteh-vrouw zat, deels verborgen achter de lage rand van haar koperbeslagen fort. Haar schedel was kaalgeschoren. Gouden ringen hingen neer uit haar lange oren. Witte lijnen vormden sierlijke krullen over haar diepblauwe handen, haar armen, over haar bijna vierkante gezicht. Ze droeg brede lijnen langs haar neus, fijne spiralen op haar voorhoofd en over de rug van haar handen. Geen make-up maar genetisch- en erfelijk bepaalde pigmentverschillen. Haar nagels waren zorgvuldig bijgeslepen, afgerond.

Hoog van stand.

Aantrekkelijk op een koude wijze.

Ze keek op van haar papieren, woog Beijjun, woog Meyago op hun uiterlijk.

Meyago knikte.

‘Beijjun Niam,’ zei Beijjun Niam en ze maakte een korte buiging. ‘Agent-Exécuteur. We worden ver­wacht.’

‘Mijn naam is Meyago Niloo,’ zei Meyago. Ze boog, plaatste haar pas op de tafel. Toen deed ze een stap naar achteren. ‘Agent-Voyeur.’ Een titel zonder status.

Knoppen werden nuffig ingedrukt, papieren zodanig verschoven alsof het om zaken van groot gewicht ging; het leren portfolio langzaam geopend, Meyago’s identiteitspapieren langdurig bestudeerd en het geheel teruggegeven.

‘Gaat u zitten.’

Meyago keek opzij.

De Kiteh wees naar een stenen bank aan de zijkant van de enorme ruimte.

‘Ik hoop dat je niet bent vergeten je afspraken van deze middag af te zeggen,’ zei Beijjun spottend, toen ze zaten.

Meyago sloot haar handen, wreef zorgvuldig haar palmen over elkaar, zweeg, omdat het niet haar plaats was om te zeggen wat ze dacht: ‘Ik wil weg! Ik wil weg van hier.’

De waarheid als welgeplaatste bommen, had Beijjun eerder gezegd. Maar waar? In de hogere rangen van de Lleroh? Dicht tegen de weinige pijlers van macht die ze nog over hadden?

Een uur verstreek. En nog één.

 

Eindelijk verscheen hij. Een Kiteh-man: zijn middel slank, zijn schouders en heupen breed, de patronen in zijn huid zelfs op deze leeftijd bijna foutloos. Een teken van zijn zuiverheid, van zijn sterke familielijn. Van hoge adel, zoals Beijjun. Hij droeg zijn glimlach als onderstreping van zijn onverschilligheid.

‘Dame. Dame?’ Hij stak zijn beide handen uit, maar met een duidelijke aarzeling. Alsof vooral Meyago te smerig was om aangeraakt te worden.

Beijjun Niam torende hoog boven hem uit.

‘Dit is jullie expert?’ vroeg hij Beijjun.

‘Dit is onze expert.’

‘De dochter van een linnenfabrikant.’

‘Agent-Voyeur, academisch geschoold,’ zei Beijjun.

‘Uiteraard,’ zei hij en het was duidelijk uit de manier waaróp dat Beijjun net zo goed haar mond had kunnen houden.

Zwijgend ging hij hen voor door een fel verlichte gang, met hoge, betonnen bogen, dieper het gebouw in; over een brede trap met hoge ramen, die uitzicht gaven op een enorme volière (waarin prachtige, fel­gekleurde vogels opstegen uit bomen, met gespreide vleugels door de lucht scheerden, weer op lange takken neerstreken) verder naar beneden; langs donker­groene, gesloten deuren waarachter grote hallen lagen waarin enorme kasten stonden, vol schake­lingen, vol elektronen­buizen. Rekken vol trans­formatoren zo groot in aantal dat het zoemen hier hoorbaar was; con­densatoren zo groot dat ze ze nauwelijks in haar handen kon houden. Krachtige computers die meer dan driehonderd jaar oud waren, meer dan vijf jaar geleden uit de Lleroh-universiteit waren gehaald (gestolen!) en drie jaar geleden door de Kiteh hier geplaatst.

Ze keek neer op zijn brede rug.

Yuun Kuhalin stierf in opdracht van deze man. Omdat zijn woorden geen waarde meer hadden, dacht ze. Hij stierf omdat iemand dacht dat zijn autopsie meer zou vertellen dan uit zijn ondervragingen zou komen. Hij stierf zodat zekerheid gevonden kon worden dat spoken van Aarde opnieuw interesse hebben gekregen in de werelden van Epsilon Drie.

Ze passeerden drie Timbesh vrouwen die haar zorg­vuldig opnamen, hun semiautomatische geweren naar de grond gericht. Ze gingen dieper over brede treden, door een lange, grijze gang met zestien metalen deuren op regelmatige afstand van elkaar, elk sterk genoeg om een milde explosie te weerstaan. Diep onder de stad nu, dieper waarschijnlijk dan de lange tunnels van de riolering. De muren en de vloer waren donkergrijs. De enige verlichting bestond uit TL-balken.

Ze sloegen linksaf.

 

Een stapel boeken lag op een stalen tafel, naast een zwart rechthoekig object dat even lang was als haar hand. Meyago bevroor. Het was echt! Kostbaarder dan goud. Hebzucht vlamde op in haar hart, in haar buik. Jaloezie greep haar bij haar keel. Een jaloezie waar­voor ze moorden kon plegen.

‘Zoals verzocht.’

‘Geen fratsen,’ zei Beijjun dreigend, een felle blik naar de Kiteh gericht.

Het intense gevoel van onveiligheid schoof gevaar­lijk dicht naar doodsangst nu ze hier stond, alsof ze gevangen zat in een doodlopende steeg en de vrouw met het mes elk moment haar ingewanden aan stuk­ken kon trekken.

Zestien jaar van studie. Van boeken over verloren tech­no­logieën. Verloren, verboden technologieën die mensen bijna tot goden hadden gemaakt. Vijfhonderd jaar van taboe, voordat de eerste elektronen­buizen werden toegestaan. Zevenhonderd jaar van sabotage en onder­mijning.

Als je ook maar iets hierover loslaat naar anderen, had Beijjun gezegd, is je persoonlijke veiligheid niet langer meer mijn verantwoordelijkheid. En denk niet dat er ook maar iemand aan jouw zijde staat, of dat de Kiteh en de Timbesh ook maar iets zal ontgaan van wat er in Yin-Ghuel gezegd en gesproken wordt nu de paranoia zo hoog is.

Vijf punten, dacht ze en ze raakte ze één voor één aan tot het monster weer in zijn kooi zat, de angst zo goed als verdwenen was.

Ze greep het tablet, draaide het om en om in haar trillende handen, bestudeerde de groeven in het materiaal, op zoek naar herkennings­punten, vond ze. Niet zeker wat ze kon verwachten, niet zeker of dit een vervalsing was, een kopie, dood materiaal, niet zeker of het ook maar iets zou doen drukte ze op het vijfhoekige vlak onder haar duim.

Twaalfhonderd jaar!

Meer dan twaalfhonderd jaar lang had dit soort objec­ten verzonken gelegen in de wereldzeeën. Tot een dief, een smokkelaar, een man van haar eigen ras werd opgepakt door de Kiteh. Yuun Kuhalin.

Het zwarte, glanzende oppervlakte tussen haar vingers werd een verzameling van abstracte vlakken die langzaam van vorm en kleur veranderden.

‘Dit is inderdaad wat het is,’ zei ze en ze had moeite haar stem in bedwang te houden. ‘Een computer uit het Tweede Tijdperk.’

Weet waar je loyaliteit ligt, had Beijjun gezegd, voordat ze de auto het terrein op had gereden. Vertel de Kiteh wat je weet. Laat je niet afleiden door je politieke over­tui­gingen, als je die al hebt. Aan de oppervlakte zijn we allemaal gelijk aan elkaar. Lleroh, Kiteh, Timbesh. Broeders en zusters.

Ze schakelde de projector aan, voelde de schok toen ze met eigen ogen zag hoe stabiel het beeld op de muur bleef staan. De bewegende beelden tussen haar handen werden vervangen door een toetsenbord met zesenvijftig vreemde tekens. Ze schakelde de com­puter in slaapstand, hield het in het licht. Eén stuk materie. Harder dan diamant. Met schakelingen op atomaire schaal. De kristallijne batterijen van dus­danig hoge kwaliteit dat er geen oxidatie optrad, geen slijtage.

Werkte de stappen waarmee ze dit apparaat volledig kon wissen en herstarten? Hoe goed sloten de instruc­ties in de oude documenten aan op de werke­lijkheid van dit wonder?

Het was het bijna waard haar leven te wagen, deze computer mee te nemen, door de lange gangen van deze ondergrondse bunker te rennen, voorbij de gewapende mannen en vrouwen, buiten dit pand. Een belachelijk dom idee. Ze zou niet verder komen dan de deur.

Ze schakelde de computer opnieuw aan, keek met meer aandacht naar het afbeelding op de muur, de subtiele wisselingen in kleur en in de achtergrond. Een venster. Een venster naar een wereld vol ab­strac­ties. De fluisteringen leken deze keer nog dringender. Alsof het contact met haar zocht.

De implantaten.

Uit.

Om en om in haar handen.

Het zwarte materiaal aan de buitenzijde absorbeerde volgens de boeken elke vorm van energie, inclusief het licht dat van het plafond kwam.

Eerbiedig plaatste ze het weer op de tafel, bittere lijnen in haar hoofd. Ze had weinig hoop het ooit terug te zien.

 

 

4.

 

De bakkerij was tot de laatste tafel gevuld met Lleroh, Timbesh en Kiteh. De Oba werden al meer dan tien jaar volledig geweerd, ook in het bedienend personeel.

Muziek overstemde de gesprekken. De geur van vers bakwerk was sterker dan al het andere. De achter­kamers, die in betere tijden de gelegenheid hadden gegeven voor interraciale seks, werden nu gebruikt voor zakelijke ontmoetingen.

Meyago en Beijjun zaten dicht tegen elkaar aan in een kleine nis bij het raam. Als goede vrienden. Meyago rechtop. Beijjun leunde zwaar naar achteren.

Geen fratsen.

Waarom die uitspraak?

Hoe vér reikt de invloed van Beijjun eigenlijk?

Meyago schoof haar ellebogen naar voren, inwendig nog steeds trillend van opwinding, teleurstelling; haar hoofd vol gedachten rondom één punt.

Wat heb je in ruil geboden voor dit bezoek? Wat heb je in ruil teruggekregen?

‘Waarom had Y.K. dat ding bij zich?’ vroeg ze.

‘Dat weten we nog niet.’

Wat gaat mij dit kosten?

Ze dacht aan haar moeder. De neerwaartse spiraal van haar eigen leven sinds haar afdeling was over­genomen door de Timbesh, haar onder­zoeks­­richting geen fondsen meer had gekregen, zijzelf was ontslagen.

‘Zo somber,’ zei Beijjun en ze schoof dichterbij. Een glimlach schoot even over Meyago’s gezicht. Het was niet moeilijk de grens tussen hen beiden verder te laten zakken. Het was niet dat ze een hekel had aan Beijjun Niam. Het was gelukkig niet zo dat de preutsheid van de Kiteh ook haar volk besmette.

‘Zo vol met gedachten,’ zei Beijjun.

‘Wat is de volgende stap? Ga ik voor de Timbesh werken? Is er een kans dat ik voor de Kiteh ga werken, dat ik weer terug kan gaan naar de universiteit, op­nieuw onderzoek kan gaan doen?’

‘Terug? Nee. Sorry meisje. Niet dit jaar. Niet deze eeuw. De Kiteh laten niet los wat ze nu hebben. En ze gaan jou geen toegang geven tot de drie die je zo snel mogelijk in Ebyon gaat keuren.’

Meyago voelde de schok.

Beijjun begon te lachen.

‘Verbaast je dat? Yuun Kuhalin was niet de enige Lleroh met deze technologie. Ik had je hier liever buiten gelaten, maar ik kan niet zonder jouw unieke blik op deze zaken. Je bent één van de weinige mensen die ik ken die beide voeten op de grond heeft staan en hier werkelijk iets zinnigs over kan zeggen. Ik wil de mening van iemand die niet haar tijd verdoet aan die paranoïde samenzwerings-onzin van de Kiteh. Ik wil dat jij gaat uitzoeken waarom Yuun Kuhalin pogingen heeft gedaan om bij de kweekfabriek van Yin-Ghuel te komen.’ Haar wijsvinger raakte even de lippen van Meyago. ‘Uiterst vertrouwelijk uiteraard,’ zei ze zacht. ‘Niet gebonden aan een harde deadline. En niet iets dat je met de Kiteh gaat delen in je dagelijkse rappor­tages. Behandel dit voor de Kiteh vooralsnog als een normale zaak, met de gebruikelijke ingre­diënten. Moord. Landverraad. Diefstal.’

Ze gaf Meyago’s hand een zacht kneepje.

‘Geef me zo snel mogelijk een rapport over wat je zojuist in handen hebt gehad. Waar dit ding vandaan kan zijn gekomen, wat de mogelijk­heden zijn, welke implicaties het gebruik van deze technologie kan hebben, welke literatuur hierover beschikbaar is. Alles dat van belang is voor de Kiteh, voor de Lleroh en voor je Moederland.’

Beijjun liet haar kin even op Meyago’s schouder rusten, zei toen peinzend: ‘De fabriek is na de Tweede Val nooit afgesloten geweest van buitenaf, Meyago, omdat niemand dacht dat die driehonderd vervloekte kweektanken ooit nog gebruikt konden worden. En nu heeft iemand vier bewakers om het leven gebracht, heeft iemand anders vier nieuwe wakers aangesteld. En iemand probeerde via Yuun Kuhalin toegang krijgen tot deze duivelse machines waarmee mensen en monsters gemaakt kunnen worden… Vertel me, Dame: waarom zou iemand dat doen? In het licht van wat u zojuist heeft gezien, waarom zou iemand deze moeite nemen?’

‘Onsterfelijkheid, de creatie van nieuwe ziektes?’ fluisterde Meyago. ‘Supersoldaten, superslaven, men­selijke computers? Nieuwe incarnaties van Aardse agenten?’

‘Het soort toepassingen waar de Kiteh zo gek op zijn,’ zei Beijjun cynisch. ‘Dan Y.K. Wat is je officiële mening? Mens? Buitenwereldse agent? Supersoldaat van een buitenlandse macht?’

‘Ik weet het niet.’

‘Goed genoeg.’ Ze gaf Meyago twee oorbellen in een klein doosje. ‘Hier heb je alles wat we van hem weten. Lees je in. Breng vandaag je rapport uit naar het Paleis. Laat dit stuk over de kweektanken en de andere machines ergraagbuiten. Het broeit in Yin-Beh en als iemand zich daarboven bedreigd gaat voelen door wat we mogelijk te weten gaan komen kan het allemaal erg vervelend voor ons worden. Om die reden: rappor­teer alles dat buiten je routine valt eerst naar mij. Rapporteer alles wat je leert over Y.K. naar mij en op het moment dat ik zeg dat je moet stoppen met dat andere onderzoek, stop je. Begrepen? Je dagelijkse plichten en je normale leven gaat gewoon door.’

Meyago knikte. ‘Helder. En Ebyon?’

‘Zo snel mogelijk. Ik zorg dat alles zo natuurlijk mo­gelijk verloopt, zodat je familie geen argwaan krijgt.’

‘Begrepen,’ fluisterde ze.

Beijjun liet zich achterover vallen, in de kussens van haar stoel.

‘Wat is de kortste termijn waarop je naar Yig-Masuul kunt gaan?’

‘Vijf dagen,’ zei Meyago. ‘Tenzij er beperkende fac­toren zijn.’

‘Dit wordt de derde keer dit jaar?’

Meyago knikte.

‘Dan gaat dat geen problemen geven. Je hebt geen andere verant­woordelijkheden in Yin-Ghuel?’

‘Geen die ik niet af kan zeggen.’

‘Prima. Verwacht in dat geval morgen een spoed­bestelling van een bekende klant uit Ebyon,’ zei Beijjun en ze schoof weer tegen Meyago aan. ‘Gebruik code mala zeven, drie, vier, als je je reisvisum aanvraagt,’ fluisterde ze. ‘Zodat er geen onnodige vertragingen optreden. Nog iets anders dat van belang is aan jouw zijde?’

‘Nee.’

‘Prima.’

Meyago maakte haar hand los van de warmte van Beijjuns been, rechtte haar rug, wenkte een serveer­der, bestelde een thee voor beiden.

 

 

 

Negenhonderd jaar vóór de Tweede Val, één jaar voordat de eerste mensen van Isomé uit de fabrieken kwamen, kozen zestien Aardse zaad­schepen de meest vruchtbare en meest geschikte plekken op Isomé.

Omdat de Aardse biologie ongeschikt was voor het leven op Isomé, grepen de schepen talloze monsters van lokale levensvormen. Volauto­matisch, zoals ge­pro­gram­meerd.

Vijftien dagen na landing vormden zich de eerste cel­len die menselijke longen zouden gaan vormden, men­se­­lijke hersenen, menselijke spieren, menselijke dar­men, menselijke botten, herkenbare menselijke lijven.

Een jaar later werden de 4800 Eersten van Isomé wakker met herken­bare lichamen en levendige, ge­con­ditioneerde herinneringen van Aarde, Mars, de Maan.

En terwijl de fabrieken van Isomé bleven produceren en de populatie op Isomé groeide naar zestigduizend volwassenen, landden dertig andere zaadschepen op Elija en Nilja: de zevende en achtste planeet van Epsilon Drie.

In minder dan een eeuw hing een totaal van vieren­twintig kunstmatige manen in stabiele banen rond de drie planeten van deze zwakke zon, oogstten robot­schepen essentiële metalen uit de Van Oortwolk, vlogen door mensen gemaakte schepen door het stelsel en via de poorten tot ver daarbuiten en begon­nen de fabrieken levensvatbare fantasielijven te produceren die dromen vervulden en die steeds verder van de mense­lijke standaard af begonnen te wijken.

De Grote Oorlog eindigde vrijwel alles.

De machine-corrupties van de Eerste Val trof veel meer werelden dan alleen Isomé.

Voor het eerst in vijfhonderd jaar werd het stil, dood­stil in de vele duizenden stelsels rondom Al-Jawziyya’s Ster, waar ook Meyago’s zon deel van uitmaakte.

 

Isomé herstelde zich. En viel weer toen grof misbruik leidde tot het Grote Taboe en de Tweede Val.

De fabrieken met de kweektanken vervielen tot niets meer dan beziens­waardigheden.

 

 

6.

 

De ochtend van de volgende dag begon met zware regenval die geen einde leek te hebben. Lijven pakten zich samen onder de hoge zwammen van het Helden­plein: lange Lleroh (optimistisch en blij van hart); korte, donkere Kiteh (alledrie de geslachten aan­wezig, samengedrongen en ernstig); slanke, rode Timbesh (voornamelijk ondoorgrondelijk); een kleine groep bleke Oba (uitgescholden en met minachting en wan­trouwen op afstand gehouden).

Verse nieuwsbrieven aan de muur maakten melding van mislukte pogingen om tot een nieuw handels­verdrag te komen, van de dalende waarde van aan­delen, mislukte herplaatsingstrajecten voor Lleroh-arbeiders, het toenemende probleem van open riolen in een stad ver hier vandaan, onhygiënische prak­tijken in Oba-ziekenhuizen, moord, incest, inbra­ken, diefstal en groeiende onlusten in de veer­tien Oba-wijken van Yin-Ghuel, de noodzaak tot meer waak­zaamheid nu Oba-misdadigers en Lleroh-smokke­laars hun werkterrein opnieuw richting de binnenstad hadden uitgebreid.

Een half uur vestreek. Lleroh en Kiteh spraken rond­om haar over persoonlijke zaken, handel, tegen­slagen. Welkom voer voor Agent-Voyeurs. Sociale veelvraten zonder duidelijke kenmerken, waar vrijwel niemand weet van had.

De middag brak aan. De winkels werden gesloten, de kantoren, de werkplekken liepen leeg. Restaurants openden zich, evenals de huizen van vermaak waar voorstellingen werden gegeven voor Kiteh, Timbesh, Lleroh en Gehina, waar mensen samenkwamen voor orgies, voor muziek, voor de snelle kick en de heer­lijke roes van drugs.

De zon brak door. En de zomerse hitte maakte Meyago’s dikke mantel overbodig.

‘Dag-dag,’ zei ze tegen de vrouwen met wie ze had staan praten. ‘Een fijne middag voor jullie allemaal. En tot later!’

Ze keek naar de hemel, de lucht boven zee waarin geen wolkje meer zichtbaar was.

‘Het wordt een prachtige dag!’

Ze sloeg haar mantel van haar schouders, liet het langs haar armen glijden.

‘U ook,’ zei ze lachend tot de Timbesh die haar een goede dag wenste.

Ze bond haar haar naar achter.

‘Morgen kom ik langs,’ zei ze tegen de Kiteh-vrouw die niet ver hier vandaan een restaurant had.

Ze opende de parasol die ze op haar rug had gedra­gen, voorzichtig, zodat ze niemand zou raken.

‘De bibliotheek,’ zei ze met een blik opzij. ‘Als u zin heeft, kunt u mee lopen.’

Eveyago Des Moheij opende haar eigen parasol.

‘Graag,’ zei ze.

Een vlucht vogels vloog over, schreeuwend naar el­kaar, schreeuwend naar de wereld beneden.

‘Uw moeder? Hoe gaat ze?’

‘Redelijk goed,’ zei Meyago naar waarheid. ‘Ze heeft zich gelukkig niet te diep in de schulden gestoken. Zo lang we nog draaien, verkopen we.’

‘Fantastisch!’ zei Des Moheij van onder haar scha­duw. ‘Ik hoor dat er in mijn kringen ook steeds meer belangstelling komt voor Lleroh-onder­ne­mingen, van investeerders uit welgestelde Timbesh- en Kiteh-kringen. Zeker nu de crisis de industrie in uw wijken zo onder druk zet. Wees niet verbaasd als iemand uw moeder binnenkort een bod gaat doen.’

‘U?’

Dm. des Moheij begon te lachen.

‘Ik zou het graag willen. Maar nee.’

‘We gaan het zien,’ zei Meyago vrolijk. ‘Daar is de wacht.’

Ze liet zich staande houden, hief haar vrije hand. ‘Tot later, Dame.’

‘Tot later!’ zei Dm. des Moheij met geheven parasol. ‘En wellicht wordt het weer eens tijd dat u langs komt!’

Meyago liet de Timbesh-agent haar papieren zien, de stempel met nummers op haar pols. De stempels waren het bewijs van haar eerdere passage richting het hart van de stad. Ze opende haar tas; ze liet de kaarten zien die in de zoom van haar mouw lagen, toonde de namen van haar klanten, toonde de aan­tekeningen voor twee nieuwe bestellingen, haar buidel met geld, spreidde haar armen, liet schijnbaar onaangedaan de handen van één van de mannelijke Timbesh-agenten over haar lichaam gaan. Reageerde niet toen hij haar onbetamelijk in haar kruis betastte.

Omdat ze Lleroh was.

Het had ook háár een gevoel van veiligheid moeten geven, maar dat deed het niet.

 

Drie uur lang groef ze ongestoord door oude boeken en verfriste ze haar herinneringen van technische schakelingen, technische beschrijvingen, praktische beschrij­vingen voor gebruik. Niets dat ook maar een hint bevatte naar de manieren waarop ze een com­puter zoals die van Yuun Kuhalin kon laten samen­werken met de fabriek onder het Paleis. Ze nam twee uur de tijd om door de deprimerende verslagen over de Tweede Val en de daaropvolgende Opruiming te gaan, opnieuw te lezen over de gruwelen die gepro­duceerd waren, in de hoop iets nieuws te vinden.

Het was zeven uur toen ze het laatste boek zorg­vuldig dichtsloeg en haar aantekeningen samen­vouwde.

De zon was nog steeds warm.

Bij de brug werd ze opnieuw staande gehouden. Ze toonde de stempel van witte inkt.

Hoe reëel is de angst van de Kiteh? Is het Aardse Rijk nog steeds een macht om rekening mee te houden?

‘Natuurlijk,’ zei ze en ze spreidde haar armen, liet gelaten toe dat de tweede vrouw haar fouilleerde, terwijl de derde door haar aanteke­ningen en haar papieren ging.

Zouden mensen van buiten Isomé werkelijk op deze manier handelen? Mogelijk. Maar niet waarschijnlijk. Niet als je de macht bezat het universum naar je eigen wil te buigen. Niet als de toekomst teruggebracht kon worden tot permutaties van mogelijkheden. Niet als de technologieën die deze rangschikkingen mogelijk maakten met gemak in haar vuist kon worden gehou­den. Het zal nooit kloppen.

Om acht uur betrad Meyago het communiehuis.

Ze trok een nummertje.

 

De microfoon was groter dan haar vuist, een zwaar ding van staal. Ze trok het naar zich toe, boog naar voren. Deed alsof ze sprak om de afstand tussen het rooster en haar lippen te testen. Toen liet ze haar vingers over de 64 toetsen gaan, koos de negentien karakters die haar met Rapportagebureau 67 van het Paleis in verbinding bracht. (De telefoontoestellen in Yig-Masuul hadden draaischijven, maar om één of andere reden bleef de technologie van Yin-Beh hangen bij deze eeuwenoude oplossing.)

Het beeldscherm flikkerde aan. Het oog van de Agent-Voyeur ver­scheen boven de trotse griffioen van de Agent-Exécuteur.

‘Gegroet, Agent-Voyeur bela nola 716,’ sprak de neutrale Kiteh, zeh perfecte gezicht uitgesneden in prachtige vlakken licht en schaduw. Generaties van selectieve paring in elitekringen, drie stippen op zeh voorhoofd een markering van zeh status. ‘Rappor­tages, graag.’

Ze ontsloot haar geheugen. Dertig dossiernummers, inclusief dat van haar moeder, Aijin Niloo, en haar zus, Eijolin Niloo. Ze deed een gestructureerd verslag van de roddels, de handelingen, de observaties die ze ver­zameld had, een proces dat meer dan een uur in beslag nam. (Ongetwijfeld deden de Kiteh en de Timbesh het­zelfde, de genadeloze constante obser­vatie van al hun dierbaren, buren, vrienden, zaken­partners. Voor het goed van stad en staat!)

Toen de overdracht was afgelopen drukte Meyago de zwarte resetknop in. Het beeld viel terug naar het wapen van Yin-Beh.

Ze slaakte een diepe zucht, drukte de knoppen van de tweede code in.

‘Ik wil graag een reispermissie aanvragen,’ zei ze. ‘Code? Mala zeven, drie, vier. Bestemming? De stad Ebyon op het eiland Yig-Masuul. Zake­lijk. Spoed. Sorry? Kunt u dat herhalen? Ah! Uiteraard. Duizend­maal dank.’

Want Beijjun was haar belofte nagekomen. Eerder die dag was op het kantoor van de fabriek van haar moeder een telegram bezorgd. Een spoed­bestelling voor zesduizend strekkende meters fijngeweven linnen.

 

 

7.

 

Van kinds af aan had Meyago zich ingezet om niet net als haar andere vier zussen achter het weefgetouw te zitten, dag in dag uit haar oog op de spindel die heen en weer schoot, murw door het klikken en klakken van de kammen die eindeloos omhoog gingen en eindeloos weer omlaag. En dus had ze alles wat ze had ingezet op haar studie, op het halen van de beste cijfers, de hoogte scores, het leggen van contacten binnen de universiteit die haar verder zouden helpen zodra ze naar het volgende niveau zou schuiven. Het was uiteindelijk voor niets gebleken.

Ze stapte de schaduw van de overhang in, sloot haar parasol, stapte de koele lucht van het kantoor van haar moeder binnen.

‘Meyago! Is alles gelukt?’

Ze gaf haar moeder een knuffel, een kus op haar wang.

‘De reispermissie wordt ergens in de loop van morgen of overmorgen bezorgd. Zijn dat de monsters? Waar zijn de contracten?’

‘Daar.’

‘Waar? Oh! Fantastisch. Dank je.’

Boven, in haar eigen kantoor sloot Meyago zorgvuldig de deur. Het schraapte over de vloer net voordat het in het slot viel. Meyago plaatste de contracten op haar bureau, haalde Beijjuns oorbellen uit haar oren, knipte ze open.

Niet veel later zat ze voorovergebogen op haar stoel.

Ergens lag een patroon van overlappende hande­lingen tussen Yuun Kuhalin en de drieëntwintig mensen waarvan ze de dunne strookjes één voor één in een lege sigarenkoker plaatste. Pelegero Izaz, een oude vriend van haar moeder. Neji Lii, Kiteh, denker, weten­schapper, uit­vinder. Aijin Agaron, Kiteh, van hoge afkomst. Ze schoof de derde film onder de lens van de zakmicroscoop, schoot door de samen­vattingen.

Yuun Kuhalin: smokkelaar, handelaar, dandy, moor­denaar, piraat. Mogelijk een Agent-Saboteur.

Meyago ging opnieuw door zijn dossier. Minaars en minnaressen, van de laagste regionen tot de hoogste standen. Gezonken schepen, gezonken ladingen, scha­duw­levens, onderschat vanwege zijn geslacht. Goud, graan, opiaten, slaven, exotische diersoorten, ver­boden literatuur. Een man zonder onderscheid: Oba, Kiteh, Lleroh, Timbesh, Gehina. Ze schoot over de namen van bedpartners, zijn handlangers (veel Oba-vrouwen, vooral voor het smerige werk) leveranciers, afnemers.

Ze nam jaar na jaar na jaar, tot zich patronen begon­nen te vormen. Ze schreef. De avond viel. Ze schreef meer, tot het kraken van de losse plank in de hal haar deed opschrikken en de deur schrapend werd open­geduwd.

Met vier snelle handbewegingen verborg ze de kokers met de micro­films in de open lade aan haar linkerzijde. Met vijf snelle handelingen nam ze de microscoop uit elkaar. Met één schoof ze haar aantekeningen in het vak onder haar tafelblad. Toen draaide ze zich om.

Eijolin duwde de deur verder open.

‘Heb je een moment?’ vroeg ze, de lijst met bestellingen van die dag een doorzichtige leugen om boven te komen. ‘Stoor ik? Is dit een goed moment?’ Er vormde een diepe blos op haar wangen.

Meyago knikte, schoof haar stoel naar achteren, stond op, stak zwijgend haar hand uit.

Later.

Opnieuw alleen sloeg Meyago haar benen over elkaar, boog zich opnieuw over het dossier van Yuun Kuhalin.

Ze plaatste verschillende objecten op haar tafel: een karaf van gegra­veerd kristalglas, een stalen brief­opener, een dobbelsteen, een beker van porselein met delicate schilderingen in het glazuur, een kiezelsteen, elk een representatie van de meest relevante aspec­ten. Kiteh. Timbesh. De recente moord op vier soldaten. Computer. Ze plaatste een vijfde object in de cluster, een godonmot in een blok van kunsthars. De kweek­machine. Een zesde object: een ring met een steen van obsidiaan. De Eerste mensen, de Tweede Generatie. De draden woven patronen over tijd en afstand, plaats en aard van de ontmoetingen.

Ze plaatste haar vinger op de kiezelsteen, de com­puter. Ben je er één van ons? Een speciaal project om de ontwikkeling in Yin-Ghuel te versnellen? Werkte je voor één van de Kiteh? Wat hoopte je te bereiken?

 

Toen middernacht viel, sloot Meyago haar ogen en ze wachtte tot ze contact kreeg met Ontvangst.

‘Ha, Meyago. Spreek.’

Geluidloos vatte ze haar bevindingen rondom Yuun Kuhalin samen.

‘Ik maak vanavond mijn officiële rapport, met betrekking tot de mogelijke vindplekken van deze apparatuur.’

‘Enig vermoeden?’

‘Alleen maar vage aanwijzingen. Er kunnen op Isomé honderden, mis­schien wel duizenden plaatsen zijn waar deze apparatuur is opgeslagen.’

‘Is hij één van ons?’ vroeg ze.

‘Nee.’

‘Jammer.’

‘Wat denk je van de vondst in Yig-Masuul?’

‘Dat!’ zei ze opgewonden en ze sloeg haar hand voor haar mond, prevelde: ‘Zijn wij het? Komen deze com­puters bij ons vandaan?’

‘Nee.’

‘Bestaat er een organisatie zoals de onze, maar dan met andere middelen en een andere doelstelling?’

‘Ik kan je daar niets over vertellen, Meyago.’

‘Buitenwereldse invloeden? Misleiding?’

‘Daar kan ik je niets over vertellen.’

Ze aarzelde. ‘Wat zit er in mijn hoofd? Ik weet dat dit een ongepaste vraag is, maar welke technologie gebruiken jullie? Op basis van silicium? Germanium? Organisch? Kristallen? Uit welk tijdperk?’

‘Je stelt vragen die ik niet mag beantwoorden,’ zei Ontvangst.

‘Wie werkt ons tegen?’

‘Je bent niet in de positie om dat soort dingen te weten,’ zei Ontvangst.

‘Begrepen.’

‘Goed. Dank je voor je rapport. En een fijne nacht.’

Meyago wierp een blik op haar klokje, schreef haar laatste aannames op, schreef de laatste regels van haar dagoverzicht, sloot gefrustreerd haar boeken. Genoeg voor vandaag. Het was tijd om naar huis te gaan.

 

 

8.

 

Haar moeder was nog steeds hard aan het werk toen ze voorzichtig de deur achter zich dicht trok. Ze beklom de steile heuvel naar het Eiyron-district.

Wat zou je laten produceren, Yuun Kuhalin?

Ze bleef even staan, haar rug tegen de muur, alsof ze op het punt stond een pijp op te steken.

Welke monsters laten de Kiteh uit de kweekvaten komen, zodra ze weten hoe dat moet?

Een mes? Zou het voldoende zijn haar mantel rond haar arm te slaan? Ze zou niet de eerste zijn. Een paar steken in haar borst, haar buik. Een wurgkoord rond haar nek? Haar lichaam gedumpt in de rivier, of be­graven op een plek waar het niet gevonden zou worden. Niet de eerste Agent-Voyeur die verdween omdat ze nét even teveel had gezien, nét even teveel wist.

Ze stak haar vingers door de ringen van de boks­beugel in haar binnen­zak, maar hield haar hand in haar mantel.

Tegen wie gaan dat ingezet worden?

Tegen ons?

Ze werd gepasseerd door een onbekende Timbesh-vrouw, die even knikte. Een moordenaar? Een nieuwe schaduw?

Even na middennacht beklom ze de trappen naar het appartement, de sleutelbos rinkelend in haar hand. De buitenlamp wierp een vaal geel licht op de deur. De sleutel gleed soepel in het slot.

Er klonk geen geluid, geen geschuivel van voeten, geen vreemde ademhaling toen Meyago de zware deur naar de woonruimte opende. De deur van de werk­ruimte stond open. Het kleine appartement leek leeg. Ze knipte het licht aan.

De blinde wand van de woonkamer werd volledig uit zichg genomen door een enorme boekenkast waarvan elke plank twee rijen diep was volgezet. Ze liet haar vingers over de ruggen glijden. Boeken over de ver­schillende continenten, de verschillende talen, de ver­schillende landen, diersoorten en culturen van de wereld, van Isomé. Boeken van Loheij, van haarzelf, van Ujhalin. Boeken over management, organisatie­vormen en organisatiestructuren, boeken over wis­kundige principes, kunst­matige levensvormen en ana­tomie; boeken over de geschiedenis van Yin-Beh, Yin-Ghuel en de omliggende landen; boeken over de werel­den buiten Isomé en de gekoloniseerde werelden in andere zonne­stelsels.

Een schone pan stond op de metalen stoof. Drie boeken waren door iemand uit de kast gehaald. Twee andere boeken stonden iets schuiner dan ze die ochtend waren achtergelaten. Twee nieuwe boeken lagen naast het grote bed, aan Loheijs zijde.

Meyago opende de deur van het balkon, (onaangetast) stapte naar buiten en opende de deur van het toilet. Niemand.

Yuun Kuhalin werd twee weken geleden gevangen door de Timbesh, stierf drie dagen geleden in een Kiteh-gevangenis.

 

Ze ontdeed zich van haar mantel, van haar hemd, van haar ondergoed, vouwde alles netjes op en plaatste het peinzend in de wasmand.

Loheij had andere sporen achtergelaten. Het water in het reservoir was eerder die dag bijgevuld. De kleine steelpan stond op de rand. Het water in het kleine reservoir was nog warm, een teken dat ze niet zo lang geleden een bad had genomen.

Meyago stapte over de rand in de kuip, greep de steelpan, schepte over haar hoofd en haar schouders, begon zich te wassen.

Duizend jaar later en we zijn nog steeds niet in staat geweest iets vergelijkbaars te produceren als van voor de Tweede Val! Wat hebben we? Technologie die door hand­werkers gemaakt kan worden. Glasblazers, koperwerkers, edelsmeden. Schijt: zelfs de Oorspronkelijke Mensen van Aarde zijn met hun natuurlijke middelen en hun natuurlijk verstand verder gekomen dan dit!

Wat is er wérkelijk gebeurd na de Tweede Val? Wie werkt ons tegen? Wie probeert ons klein te houden?

De deur klikte open.

Ze liet bijna de pan uit haar vingers glijden.

‘Ha, Meyago,’ zei Ujhalin. ‘Schrok je? Sorry.’

Ujhalin trok de balkondeur open, verdween even naar buiten, kwam weer terug, zette met een harde klak van de schakelaar de radio aan. Even stond ze daar met haar rug naar Meyago te wachten: kort, zwart haar dat haar hals bloot liet, lange benen in een wijde broek, een kobaltblauwe mantel over haar schouders die het blauwgroen van haar huid extra accent gaf.

Ik ben bang, dacht Meyago. Te bang.

De radiobuizen kwamen op temperatuur. Zachte ruis en zacht gefluister zwol tot heldere muziek. Tien kilo van koperdraad, soldeertin, ijzer, glas en keramiek.

Ujhalin draaide zich om.

‘Is er nog warm water?’ vroeg ze.

Meyago knikte.

Ujhalin smeet haar kleding op de grond, boog zich voorover zodat de huid van haar lange, slanke rug zich spande, het wit van de inktlijnen op haar huid on­bedekt, onverhuld: een menselijke schedel, omringd door narcissen en de bloemen van een andorion. Over haar kuiten liepen dunne lijnen in sierlijke krullen, met bladeren en bloemen.

‘Je lijkt echt gespannen,’ zei Ujhalin toen ze zich oprichtte. ‘Ongewoon voor jouw doen. Alles goed?’

‘Nee.’

‘Iets dat je kunt delen?’

‘Nee.’

Meyago liet haar schouders zakken.

‘Ik werd waarschijnlijk gevolgd.’

Ujhalin plaatste haar handen op haar knieën, slaakte een diepe zucht toen Meyago met stevige bewegingen haar rug begon te schrobben.

‘Lleroh?’

‘Timbesh,’ zei Meyago.

‘Alsof het niet genoeg is dat we alles geven wat we hebben,’ zei Ujhalin. ‘Alsof het niet genoeg is dat we ons helemaal kapot werken.’

‘Lager,’ zei ze.

En: ‘Vandaag, nee, deze hele week was ook voor mij even te veel… Ik wil eindelijk weer eens vrij zijn, dansen. Ik wil eindelijk weer eens goeie, echte seks. Niet dat haastige, gezamenlijke gemasturbeer dat we nu doen. Ik wil slapen tot de zon hoog in de hemel staat.’ Ze greep zacht Meyago’s linkerpols, drukte de spons verder naar beneden, liet Meyago’s middel­vinger en ringvinger even tussen haar dijen glijden.

Het was verleidelijk, maar Meyago schudde haar hoofd.

‘Ik heb geen tijd.’

Ujhalin liet haar hand los, liet een vrolijke lach horen.

‘Ik wil rust,’ zei Meyago en ze zeepte Ujhalins borsten, buik en billen in. ‘Ik wil ongestoord door de stad kunnen lopen. Ik wil mijn oude werk terug. Ik wil kunnen leven zonder bang te zijn. Ik wil geen moorden meer’ en daar viel ze stil.

Het was te gevaarlijk wie dan ook, gevaarlijk om zelfs Ujhalin in ver­trouwen te nemen, te onverstandig haar gedachten te delen, niet wijs te spreken over de dingen die ze gisteren en vandaag gezien had, gehoord had, gelezen had.

‘En wat?’ vroeg Ujhalin, die verstandig genoeg was niet door te vragen. ‘Wat wil je nog meer?’

‘Seks,’ zei Meyago. ‘Een supergeile massage.’

‘Ontvangen of geven?’

‘Ontvangen,’ zei ze. ‘Ik wil eten tot ik neerval. Ik wil vroeg pensioen en een huis bij de zee én een huis in het binnenland. Ik wil mooier kunnen zingen dan, beter kunnen spelen dan’ en ze noemde een naam.

Meyago spoelde water over Ujhalin. Ze greep een handdoek, stapte omzichtig uit de kuip.

‘Ik ben in de werkkamer,’ zei ze. ‘Ik zie je straks.’

 

Dieptekaarten gaven haar de lijnen, die ze zorgvuldig overtrok op dunne vellen papier. Van de negen zeeën gingen er vier dieper dan tien kilo­meter. Ze nam lengte- en breedtegraad over, bleef een tijd naar het papier staren, terwijl ze in gedachten schepen liet uitvaren.

Ujhalin ging voor de tweede keer naar het toilet, masturbeerde in de leefruimte. De muziek veranderde toen het nieuwe uur inging. De kou van de nacht bereikte haar dieptepunt.

Meyago trok een mantel over haar schouders, wreef hard met haar vingers over de diepe denkrimpels tussen haar wenkbrauwen, keek op, snoof.

Yuun Kuhalin was er bijna in geslaagd om tot de broedkamers onder het Paleis door te dringen. Met het doel te falen?

Ze rook de geur van gebakken ei, opgebakken graan en beij-knollen, schreef. Niet veel later gaf Ujhalin drie zachte klopjes op de deur. ‘Eten?’

Ze verzegelde het rapport, stond op, sloot de deur achter zich.

‘Klaar?’ vroeg Ujhalin.

‘Klaar,’ zei Meyago.

Ze liet zich in haar stoel vallen.

Ujhalin stak vuur in haar pijp, bood hem aan Meyago.

‘Je ziet er moe uit, schat.’

Meyago nam een trek, nam een tweede, liet de rook in haar longen hangen. ‘Ujhalin?’

‘Hmm?’

‘Je zei een paar weken geleden dat je soms wel eens hebt gedroomd te stoppen. Als Agent-Voyeur. Wat drijft je voort? Om toch door te gaan?’

‘Hoop,’ zei Ujhalin. ‘Wat anders?’

‘Hoop op wat?’

‘Niet ‘op wat’, lieverd. Hoop. Zonder enige reden of ratio. Zonder ego. Hoop zonder basis. Zodat niets of niemand die hoop weg kan nemen.’

Meyago nam een nieuwe trek.

Hoop zonder noodzaak tot enig resultaat. Hoop die los stond van de vraag of er oorlog komt. Hoop die onverschillig was of ze in de gevange­nis zou belanden, doodgeschoten zou worden. Hoop die zich geen zorgen maakte over de toenemende chaos, de stijgende onvrede of de loyaliteit van Agent-Voyeur Ujhalin, van Agent-Voyeur Loheij richting Kiteh of Lleroh. Hoop die zich niet afvroeg wanneer Loheij nooit meer thuis zou komen, omdat haar lijk in een mortuarium lag.

 

 

9.

 

Ze was zes jaar oud toen ze voor het eerst ‘De verre Aarde’ las.

Ze was negen jaar oud toen haar droom uitkwam en ze net als dat meisje geronseld werd een Agent-Voyeur te worden voor de Staat.

Ze was elf jaar toen de naalden van haar implantaten diep in het bot van haar schedel werden geslagen. Net als decennia daarvoor bij haar tante Lynn was ge­beurd. Twee maanden later werd Lynn in een steeg niet ver van dit huis neergestoken omdat Lleroh vrouwen zoals tante Lynn geen afwijkende meningen hoorden te hebben.

Ze was zeven jaar oud toen ze haar eerste boek las over de gruwelen die tot de Tweede Val leidde, be­schre­ven in het Dikke boek der Monsters. Driehonderd bladzijden vol prachtige en gruwelijke illustraties van mis­baksels uit de kweektanken van landen als Osul Myandal Nyal en Yin-Beh. Sommigen nog steeds te zien in het Stedelijk Museum van Yin-Ghuel, hun skeletten zelfs zonder het vlees materiaal voor nacht­merries. Monsters groter dan een huis, monsters met lange soepele lichamen ontworpen om mensen te jagen, mensen te vermoorden.

Was dat wat Yuun Kuhalin naar de fabrieken onder het Paleis had gebracht?

 

 

10.

 

Vier dagen na haar aanvraag ontving Meyago twee rode reispassen op haar naam. In de nacht van de vijfde dag nam ze vurig afscheid van Loheij en Ujhalin.

 

Met twee staalkoffers vol linnen beklom ze die zesde dag de steile loopplank van de sierlijke, lange Amaruno, daalde ze de brede trap af naar hut 2.25-B.

De heldere tonen van de elektronische gong klonken toen ze haar koffers onder het derde bed schoof. Woorden stroomden als regen neer van de luid­sprekers, in Sanjuan, Ejuan en tot slot in Benjuan.

Meyago verliet haar kamer, klom naar het prome­nade­dek.

Er viel een korte stilte.

‘We verwachten over vijf dagen in Ebyon aan te meren,’ zei de steward in haar taal. ‘Als het weer meezit.’

De geur van de zee, de geur van de haven was sterker nu de wind uit het westen kwam. Zout. Organisch. Lijflijk en intiem bijna. Ze bestelde een lem, wendde zich tot Yin-Ghuel.

Clusters van hoge huizen klommen met hun blauwe, gele en oranje gevels over kilometers brede glooiingen tussen de veelkleurige vegetatie omhoog. Vrolijke stenen op de wijde rokken van het Paleis. Ver ver­heven boven de stad in al haar fascistische lelijk­heid en architectonische beto­vering dat al haar onmen­se­lijke grofheid en hemelbestormende majes­teit bloot­gaf. Heldere, harmonische kleuren, scheve hoeken; hoge, stevige torens die samensmolten met de vele hoeken en nissen van de hoge, betonnen buiten­muur waarmee de wereld effectief werd buiten­gesloten.

Ooit had ook háár volk vertegenwoordigers gehad in dat monster. Maar het idee achter de Zuivering was zo krachtig gebleken dat het zelfs binnen de Vijf tot scheuring had geleid. Jammer voor het welzijn, de rechten en de privileges van de Oba toen Vijf werd gereduceerd tot Vier. Spijtig voor de Gehina toen Vier werd gereduceerd tot Drie. Heláás voor alle rijk­dom­men en verworvenheden van de Lleroh nu Drie riching Twee begon te schuiven. Maar wie zouden uiteindelijk de overwinnaars zijn? De Kiteh? De Timbesh?

Er bestond al geen twijfel meer wie de slaven waren.

Ze sloeg haar ogen neer.

De scheepstoeter liet een lange heldere toon horen. Zware elektro­motoren kwamen tot leven. Een huive­ring ging door de boot toen de schoepen krachtig in het water grepen. De kade dreef van haar weg.

 

De eerste dag was de zee vlak als een snijtafel. De tweede dag wisselde ze van kamer. De derde dag waren de golven hoog als huizen, de lucht donker als opgedroogd bloed. Gedurende de vijfde dag zat ze stil naast de AM-radio in de mess, te luisteren naar de rapportages over de losgebroken rellen in zes Oba-wijken in Yin-Ghuel. Brandbommen. Zelf­ge­maakte geweren. Honderden gewonden werden tweehonderd, drie­honderd, zeshonderd doden onder de Oba. Meyago wist dat de werkelijke cijfers hoger waren.

De zesde dag was de zee kalm als een slapend kind. Ze stond een tijd lang op het dek, keek naar de school van massieve bootsmanvissen die tot laat in de middag met hen meezwommen, hun geribbelde ruggen als verzonken heuvelruggen vol opstaande twijgen.

Op de ochtend van de zevende dag lag Ebyon voor hen: een stad op de gestrekte, gebroken benen van een reus van vulkaangesteente. De huizen waren wit als gebleekte wol, de daken rood als de wolken in het licht van een zonsondergang, blauw als saffier, witgroen als toermalijn.

Vijf sierlijke boogbruggen waren hoog over de diepe baai gespannen zodat Noord en Zuid elkaar via korte lijnen bereiken konden. Ze nam afscheid van haar bedgenote: een Kiteh uit de noordelijke landen van Osul Myandal son Niil.

Meyago plaatste verrukt haar handen op de koperen railing, gegrepen door de schoonheid, de omvang van de menselijke verworvenheden van deze stad.

‘Ik ben aangekomen,’ zei ze onder haar adem. ‘Hope­lijk kom ik deze keer beter door de controles.’

 

 

11.

 

Het binnenwerk van haar koffers was volledig aan stukken gesneden, haar linnen door vreemde handen grof teruggepropt in de koffers. De schade aan haar persoonlijke bezittingen gaf aanzienlijk meer reden voor woede dan de onverschillige aanvallen op haar persoonlijke waardigheid. Maar Meyago hield zich in toen ze naar de zijkamer werd gevoerd om zich tot haar ondergoed uit te kleden; zodat ze betast kon worden door kille handen in rubber handschoenen.

Wat viel er nog voor nieuws te zeggen over deze behandeling, na vijf jaar en meer dan dertig tochten? Niets. Niets nieuws. En geschonden trots herstelde zich snel.

Daarom keek ze zwijgend toe terwijl twee mannen efficiënt haar kleding doorzochten. Daarom zweeg ze toen de vier brieven die ze had meegekregen één voor één geopend werden; gefotografeerd; achteloos in een bak gesmeten. Daarom beantwoordde ze geduldig de zelfde vragen als altijd.

‘U kunt gaan,’ zei de havendouanier uiteindelijk.

‘Dank u,’ zei ze.

Meyago kleedde zich haastig aan, werd door ongeduldige handen richting de laatste deur naar buiten gedirigeerd.

Niet Yig-Masuul was het probleem, maar haar af­komst, haar thuis, haar moederland, Yin-Beh.

Ik ben in ieder geval niet neergehaald, dacht ze bitter-vrolijk gestemd.

Ze hield een hoi aan. De koperbruine huid van de jongen zat vol slordige lijnen, slordige vlekken, alsof hij een dier was.

‘Breng me naar de binnenstad,’ zei ze.

Meyago streek de kreukels in de stof van haar mantel glad terwijl hij zorgvuldig haar koffers onder de bak plaatste. Ze noemde de straat en de naam van haar hotel.

‘Negen penme.’

‘Wat denk je dat ik ben?’ zei ze koud. ‘De koningin van Yig-Masuul? Een bietbak?’ Ze trok haar koffers uit de hoi. ‘Vijf,’ zei ze fel. ‘En anders zoek je maar een andere klant.’

Het werd vijf.

 

De weg gleed onder haar door. Soldaten in koninklijk blauw en helderwit marcheerden langs de rand van de brede weg, in de schaduw van hoge bomen, hun korte zwaarden kruislings op de rug, het heft naar beneden gericht; gedrongen vuurwapens met sierlijk krulwerk vastgeklemd in sterke handen. Hun loodgrijze gezich­ten ontspannen en onverschillig.

Opnieuw meer soldaten, dacht ze. Meer oorlogsschepen. Maar wie vormt de bedreiging?

Ze passeerden weelderige huizen, grote fabrieks­hal­len, kantoren van import- en exportbedrijven, kleine parkjes vol bomen, bloemen en steen­zwammen, rook de weelderige geuren van voedsel waarvan de vreemde specerijen haar diarree zouden geven. (Ze had het een paar keer geprobeerd, ondanks de waar­schu­wingen.)

De hoi week uit naar de stoep van een brede straat, vertraagde toen de jongen pas verminderde. Meyago werkte zich uit de kuip, strekte haar lange lijf en betaalde hem zijn vijf penme.

 

Haar hotelkamer was oppervlakkig schoongemaakt en in milde staat van verval. Het behang rook muf van de schimmel die het papier in de hoeken van de kamer donker kleurde. Ze schoof de koffers met een ruk van haar armen tegen de muur, liet het raam dicht. Dieven klommen ook hier in Ebyon met gemak tegen de muren op.

Twee minuten later stond ze in een kleine cel in de hotellobby, een gesloten, gele parasol in haar linker­hand.

Er klonk een klik toen Loheij de telefoon opnam.

‘Loheij Nam. Wat kan ik voor u betekenen?’

‘Met mij,’ zei Meyago.

‘Meyago! Ik stond net op het punt naar buiten te gaan.’

‘Ik ben blij dat je gewacht hebt.’

‘Ik mis je.’

‘Ik jou ook,’ zei Meyago. ‘Veel.’

‘Ik had gehoopt dat ik je inmiddels beter nieuws zou kunnen geven, Maar Ujhalin is al een paar dagen niet thuisgekomen.’

Vijf hartslagen stilte, waarin een deel van haar stierf. Ze draaide machteloos het koord van haar hoorn rond haar vingers, liet het weer gaan.

‘Heb je’

‘Ja. Ik heb rondgevraagd. Ze is niet dood, zover ik weet. Niet veroor­deeld. Je weet waarschijnlijk hoe het is in de stad. Met de Oba-rellen.’

‘Ja,’ zei Meyago. ‘Ik heb de berichten gehoord.’ Ze balde haar vuist, leunde haar voorhoofd tegen de muur. ‘Schijt.’

‘Het is waarschijnlijk niets. Waarschijnlijk zit ze ergens in een cel te wachten tot ze wordt vrijgelaten.’

‘Ik hoop het. En jij? Hoe ga jij?’

‘Maak je geen zorgen. Ik ga goed,’ zei Loheij en er viel een nieuwe stilte, onderbroken door twee piepjes. Meyago deed drie nieuwe munten in de betaalsleuf. ‘Ik merk zelf bijna niets van de onlusten,’ zei Loheij toen. ‘Behalve de rook. De halve stad staat onder de rook, Meyago. De Oba hebben gisteren verschillende ge­bouwen in de brand gezet. Het is echt vreselijk wat er gebeurt. Bij de beesten af.’

‘Ik weet het,’ zei Meyago. Er klonken twee nieuwe piepjes. ‘Is er nog iets anders?’

‘Ja. Ik hou van je,’ zei Loheij.

‘Ik wou dat ik bij je was.’

‘Ik ook.’

Drie piepjes.

‘Dag lieverd,’ zei Meyago, gehaast.

‘Dag schat. Ik’

Een klik.

‘Mijn’

Drie aanvullende klikken.

Stilte.

Meyago liet de hoorn zakken, keek even naar de kale, donkergrijze muur voor haar, slaakte toen een diepe zucht. (Vijf:) Ze vlakte alle emoties uit haar gedachten. (Vier:) Ze strekte haar armen, dwong haar schouders naar beneden. (Drie:) Ze haalde diep adem. (Twee:) Ze sloot haar ogen en dompelde zich een moment in een witte leegte. (Eén:) Ze controleerde haar hartslag. Kalm. (Nul.)

De draaischijf van de oude telefoon maakte bij elke terugslag opnieuw een gierend geluid toen ze het nummer van het kantoor draaide.

‘Hallo ma, ik ben veilig aangekomen in het hotel… Zoals gewoonlijk. Ja. De stalen zijn wat gekreukt maar Nee. Dat zit goed. Morgen, hoop ik. Ik ga zo bellen. Volledig.’ Ze deed alsof ze moest lachen. ‘Hoe staat het met de Oba-rellen? Niet? Gelukkig! Ja. Het is vreselijk. De doden Ik begreep dat Geen graan en rijst, ja. En water? De branden. Ja. Ik hoorde daarover, van Loheij. Goed. Oké. Ja mam. Dat komt goed. Ik bel zodra ik meer nieuws heb. Ik ga nu wat eten.’ Drie piepjes. ‘Het geld is op. Kus!’

Ze draaide het derde nummer op haar lijst, maakte een afspraak voor de volgende dag, einde dag, hing op.

Met een sprong over de drempel dook ze de hete middag in.

‘Op weg,’ zei ze.

Ze schakelde door naar Informatie. ‘Is er enig nieuws over Ujhalin Koun?’ Ze noemde het burgernummer.

‘Ik heb geen informatie hierover,’ zei Informatie.

‘Is op enige wijze meer uit te vinden?’ zei Meyago. ‘Zijn er rappor­tages? Iets?’

‘Ik kan je niet helpen met informatie die in verband kan worden gelegd met andere agenten,’ zei Informatie.

‘Ik hoef alleen maar te weten of er iets bekend is. Alsjeblieft!’

Het was even stil.

‘We hebben geen informatie over Ujhalin Koun.’

 

Vrolijke winkeltjes leidden haar heuvelopwaarts naar het Lleroh-eethuis. Ze beklom de treden, botste bijna tegen een oudere man aan. Hij stopte een klein stuk papier in haar hand.

‘Pardon, heer.’

Ze borg de instructies weg in de zoom van haar broek.

‘Nogmaals excuses,’ zei ze toen hij mopperend van haar wegliep. Ze trad het eethuis binnen, zat neer bij het raam.

Ze koos bin en soth, heilomot en boras: vis in een pittige gele saus, groenten in een heldere bouillon, zilte vruchten van zeeplanten en het licht-zoete vlees van een broodzwam.

Niet voor de eerste keer vroeg ze zich af hoe het leven in Yin-Beh geweest zou kunnen zijn zonder de Grote Zuivering. Was Ebyon een voorbeeld? De afbeeldingen in de oude boeken?

 

 

 

Ooit waren de straten van Yin-Ghuel verzadigd van kleuren. Kleding vol rijke patronen, gemaakt van weelderige stoffen voor stralende mensen van honder­den verschillende mensensoorten. Gewone mensen woonden in huizen met voorzieningen die nu alleen voor de rijken waren.

De Grote Zuivering duurde minder dan een eeuw en na die Grote Zuivering telde het land van Yin-Beh nog maar vijf rassen: de beeld­schone maar preutse Kiteh, de gedrongen Timbesh met hun ongrijp­bare en vloeiende geest; de blauwgroene, optimistische Lleroh, de vaardige, withuidige Oba en de rechtlijnige, geniale Gehina. De rest was verdwenen in gevangenkampen, in de bloederige oorlogen die geen ander doel leken te dienen dan het voeden van de dood.

Meyago stapte uit de hoi, betaalde drie penme.

Ze beklom volgens haar instructies de treden naar de poort die naar de bazaar leidde. Een plek voor Lleroh en een paar genetische neven en nichten. Haar mantel gleed van haar schouders en toen ze in een drukke hal een zijgang insloeg keerde ze het met een slag van haar arm binnenstebuiten.

De variatie van soorten, van lichaamsvormen, van huidtekeningen en huidskleuren, kledingdracht en kledingkeuzes in Ebyon had haar de eerste keer met stomheid geslagen, evenals het aanzien dat de Lleroh hier nog steeds leken te bezitten; de gemengde wijken waarin verschil­lende rassen naast elkaar leefden; de openbare straffen en openbare executies van mis­dadigers, de prominente rollen die sommige Lleroh-mannen innamen.

Onder de kap van een kraam met noten en taarten liet ze haar haar losvallen en bij een winkel met boeken gleed ze tussen een grote groep Lleroh-studen­ten van haar eigen leeftijd. De Kiteh-schaduw die haar tot daar gevolgd had, was niet meer zichtbaar.

Verder! Haar werkelijke transformatie begin nu pas.

Ze schoof vier ringen aan haar vingers toen ze even bij een diepe winkel met beddenhoed bleef staan, stak een blauwe bloem in haar haar en veranderde haar manier van lopen bij het passeren van drie enorme aquariums (vol felgekleurde vissen ter grootte van haar vuist). Toen ze de bazaar uit de zuidelijke poort verliet was ze voor het oog en het gevoel niet langer meer Meyago Niloo, maar een willekeurige Lleroh-vrouw uit het noordelijke district van Ebyon.

‘Ik ben er bijna,’ fluisterde ze.

‘We blijven bij je.’

 

Eijjon Eijsson stond, zoals beloofd, drie straten verder op haar te wachten, een jonge prins met een blauwe speld in zijn lange haar. Hij had de duim van zijn linker­hand in de parelgrijze band rond zijn middel gestoken. Zijn rok reikte tot aan zijn enkels, zijn jasje stond open tot de vijfde knoop en zijn begroeting was zoals je kon verwachten van vrienden. Is dit Eijjon Eijsson? Hij lijkt zo triviaal, dacht ze. Niet alleen omdat hij een man was, een kop kleiner dan haarzelf. Zijn houding leek kracht te missen.

Ze greep zijn hand, wist dat zijn slappe handdruk slechts schijn was.

Dit is de slager, dacht ze. Agent-Exécuteur extra­ordi­naire.

Zijn woord was wet. Zijn geest scherp als gebroken glas. Zijn gele ogen koud als ijs, hard als staal. Ze om­helsde hem alsof ze oude vrienden waren, begon te lachten toen hij een opmerking maakte, volgde hem naar de zijstraat waar een elektrische huurwagen stond. Paars met gele stroken, de zonnekap gedragen door krullend houtwerk.

Hij klonk als iemand uit Yin-Ghuel, maar met een rollende ‘r’ en de kleine vergissingen in de ‘g’ en de ‘j’ zoals iemand uit de zuidelijke provincies zou doen.

Ze greep de handle van het portier aan de bestuur­derszijde.

Het was zinloos hem ook maar iets over Ujhalin te vragen.

‘Niet nodig, dame,’ zei hij vriendelijk. ‘Neem de passagierszijde. Als het u belieft.’

Bergopwaarts gingen ze! Naar de afslag die hen op de Oude Wegen bracht.

 

Hij was vaardig met de wagen. Vaardig als een vrouw, als een Kiteh-man, een Oba-man en naarmate ze verder kwamen wist ze haar ongemak naar een zijstraat te dwingen. Hij was een Lleroh-man! Onder­hevig aan onvoorspelbare opwellingen van emotionele verbijstering. Er was natuurlijk altijd een kans dat ze ongeschonden aan zouden komen. Dat hij hen niet tegen de rotsen te pletter zou rijden. Het heeft geen zin meer me daar zorgen over te maken, dacht ze. Sommige Lleroh-mannen zijn stabiel genoeg om de hele rit te kunnen maken. Hopelijk geldt dat ook voor Eijjon Eijsson.

Verder!

Over de sierlijke wegen van de Eerste Mensen, die als wit-betonnen linten hoog boven het landschap liepen, naar het binnenland waar de begroeiing steeds wilder werd.

Het laadstation lag in een klein dorp, boven de enorme zonnecellen die als reusachtige zwammen uit de witte klif beneden het station staken. De dikke koperen kabels lagen verborgen in witte buizen die langs de rotswand omhoog liepen.

Hij draaide de auto het terrein op, passeerde een andere wagen die verlaten aan de voorzijde van het pand stond.

‘Twee van onze agenten,’ zei hij.

Vijftien loodbatterijen stonden buiten opgesteld zodat waterstofgas kon worden meegenomen door de wind. Ze volgde hem de garage in, de trap af naar de kelder.

‘Dame?’ hij maakte een wijds gebaar naar de houten kratten. Vijf in totaal.

Twee waren opengebroken. In de bovenste zag ze tien computers, in twee nette rijen van vijf.

‘Beijjun Niam zei dat het er drie waren.’

‘Beijjun Niam weet niet alles.’

‘Waar komt deze lading vandaan?’

Hij wuifde haar vraag onverschillig opzij. ‘Concen­treert u op het hier en nu, dame,’ zei hij. ‘Laat zien wat u weet, wat u kunt.’

Ze greep de eerste computer, bestudeerde de details op de achterzijde: andere lijnen en groeven dan ze op de machine van Yuun Kuhalin had gezien. Ze drukte de knop in, zag de voorzijde oplichten, scheen op de muur vóór haar. Het reikte uit naar haar, zocht con­tact, stelde zich open voor haar. Karakters van een oud schrift, in een oude taal vroegen om haar iden­titeit. Een hypothese vormde zich.

Vijf punten van rust.

Eén van deze machines moest haar toegang geven, op een manier die geen verdenking op haarzelf zo leggen.

Ze pakte het tweede tablet. De lijnen waren ook hier anders. Het was iets kleiner dan het eerste, enigszins doffer van kleur. Een ander tijdperk? Het ding kwam probleemloos tot leven.

‘U schrijft volgens mijn bron in één van uw rappor­ten dat deze apparaten ten tijde van de Tweede Val in de oceaan tot zinken zijn gebracht,’ zei Eijjon.

‘Ja.’

‘Over welke aantallen praten we?’

‘Miljoenen,’ zei ze. Haar handen trilden.

‘Waarom zou ik dit willen hebben?’

‘Mijn rapport’

‘Er is teveel informatie en te weinig tijd. Wat is het nut?’

‘In de oude tijden, toen de Eerste Mensen nog in leven waren, was dit soort technologie – onder andere – cruciaal voor het bouwen van de zes manen die rond Isomé hangen. Nu zou het de Gehina volledig over­bodig maken voor een Kiteh-administratie. Het kan de Kiteh en de Timbesh helpen om rapportages binnen enkele minuten te verwerken en te koppelen. Op manieren die onmogelijk zijn voor menselijke her­senen. Zelfs als je een hele zaal vol Gehina hebt.’

Hij greep één van de computers. ‘Stel dat u dit Yin-Ghuel binnen­smokkelt. Stel dat u een agent bent van een vijandige mogendheid. Hypothetisch. Stel dat dit werkt. Stel dat u door weet te dringen tot de kweek­machines. Wat zou u kunnen of willen doen met dit ding?’

‘Ik heb mezelf onafgebroken diezelfde vraag gesteld,’ zei ze.

‘En?’

‘Ik kan geen zinnig antwoord vinden. Zolang de kweek­machines onder het Paleis staan is elke poging, die Kuhalin zal doen, nutteloos.’

‘Want?’

‘Het duurt volgens de overgebleven verslagen ver­schillende dagen voordat een lichaam volgroeid is.’

‘En meer dan een paar uur heeft hij niet, tenzij hij zich verborgen weet te houden. Was Yuun Kuhalin een Aardse agent?’

‘Dat weet ik niet, heer.’

‘Kunnen deze computers de Lleroh een strategisch voordeel geven?’

‘Als ik… het slot kan breken, heer,’ zei ze. ‘Elk is afgesloten en zo lang ik geen machine vind die onbeveiligd is, kan ik niets doen.’

Hij deed een poging de computer te activeren, faalde.

Ze nam hem over, trok twee stroken uit de platte buik, drukte het juiste vlak in en zette het op tafel. Het beeld op de muur was haarscherp, een perfect vier­kant, op het oog perfect waterpas, vol van kleur.

‘Welk strategisch voordeel kan de Kiteh verkrijgen met de computer die ze nu in handen hebben?’

‘Dat staat allemaal in mijn’

‘Ja, dame, dat heb ik begrepen. Welk voordeel?’

‘De Kiteh missen overzicht,’ zei ze. ‘De duizenden rapportages die wij dagelijks binnenbrengen zijn weken onderweg om in het systeem te komen, gerang­schikt, geclassificeerd, gekoppeld aan andere gege­vens. Dat kan worden verkort tot seconden.’

‘Beijjun Niam heeft u aanbevolen als één van haar meest intelligente Agenten. Is dit werkelijk het beste wat u heeft kunnen bedenken?’

‘Ik begrijp het niet,’ zei ze.

‘Wat hebben we in godsnaam aan administratieve optimalisatie, dame? We zitten in de loopgraven, om­ringd door een vijand die steeds dichterbij komt. Stel dat dit wapens zijn die op meerder manieren kunnen worden ingezet, wat zouden dan de mogelijkheden zijn?’

Hij greep de computer die ze op tafel had gezet, leek meer tot zichzelf te spreken toen hij zei: ‘Dat is het probleem met academici zoals u. U staat te ver van de harde realiteit. Uw soort logica sluit teveel opties uit. Denk na, dame. Denk. Zie de feiten in een groter kader. Er is een oorlog op komst. Twee maanden geleden smokkelden handlangers van Yuun Kuhalin één van deze machines vanuit Ebyon naar Yin-Beh. Wie heeft Yuun Kuhalin verteld hoe hij hier gebruik van kan maken? Waarom? Waarom was hij op weg naar de kweekmachines? Aanvullend: de Lleroh die deze machines vervoerden waren als monsters, met een onmogelijke kracht. We verloren drie gewapende agenten in de strijd. Wat als iemand of iets een nieuwe oorlog aan het voorbereiden is? Met dit soort appara­tuur tot hun beschikking? Met volledige beschikking over de kweek­tanken van Osul Myandal Nyal, van Yin-Ghuel? Denk.’

Meyago week achteruit, geïntimideerd door de urgentie in zijn stem, de intensiteit van zijn bewegingen.

‘Yin-Beh zou verliezen,’ zei ze.

‘Hmm. Juist.’ De minachting was duidelijk hoorbaar in zijn stem. ‘Wat als Yuun Kuhalin slechts een simpel doel had? Om te zien wat mogelijk was met de kweek­tanken? Wat als hij zelf uit de kweektanken kwam? Van Osul Myandal Nyal bijvoorbeeld? Heeft u aan die mogelijkheden gedacht?’

‘Nee,’ zei ze naar waarheid.

‘U bent de technische historica. U zou hier kennis over moeten bezitten. Zou het mogelijk zijn?’

‘Ja. Technisch gesproken’

‘Bespaar me de theorie. Is – het – praktisch – mogelijk?’

‘Niet’

‘Is het praktisch mogelijk?’

‘Ja. Niet met’

‘Heeft u een andere verklaring?’

‘Nee.’

‘Dus?’

‘Als dit het geval is, zat ik er volledig naast,’ zei ze.

Hij draaide het tablet om in zijn handen. ‘Laten we uw rapport een leuke vingeroefening noemen…’ Hij keek op. ‘Stel dat er sprake is van een derde partij? Iets of iemand die van buitenaf invloed uitoefent op de politieke en technologische ontwikkeling van deze wereld? U heeft de tumor in de hersenen van Yuun Kuhalin gezien? Dezelfde vreemde massa vonden we ook in twee van zijn… collega’s.’

Yuun Kuhalin op de snijttafel, de kanker in zijn hoofd die geen kanker was. Een mens uit de kweek­kamers. Absurd en tegelijkertijd goed mogelijk.

Ze begon nerveus te lachen, ondanks zichzelf, vroeg zich af hoe ze de schedels hadden opengebroken. Met hamers?

‘Absurd, dame?’

‘Onvoorstelbaar,’ zei ze en ze onderdrukte de angst­gedreven impuls de knobbeltjes aan de basis van haar schedel te voelen. ‘Een derde partij? Wie zouden dat moeten zijn? Mensen van de Aarde?’

‘Of iets anders dat al eeuwen hier op Isomé werk­zaam is. Mensen die de Tweede Val hebben overleefd. Mensen van vóór de Eerste Val. Mensen van buiten dit stelsel. Of mensen van de andere twee werelden. Alles is mogelijk, mevrouw Niloo. We hebben keuze uit vijftienduizend gekolo­niseerde werelden en twee buurtplaneten.’

Ze bedekte haar mond. Er was niets grappigs in zijn toon, niets grappigs aan de intensiteit waarmee hij haar bewegingen volgde.

‘Wat hiervan is officieel?’

‘Niets hiervan is officieel, dame.’

‘Wat kan ik hierover rapporteren? Wat wordt er van mij verwacht?’

‘U gaat hiervan niets rapporteren dat niet langs mij gaat. U blijft twee weken hier om ons alles te leren wat u weet. Daarna gaat u weer terug naar Yin-Ghuel tot ik u opnieuw nodig heb. En verder zwijgt u hierover. Zelfs tegen uw meerdere, Beijjun Niam.’

Koude vingers speelden langs haar ruggengraat. Wie diende hij? Waar

‘U vraagt zich af waar mijn loyaliteit ligt, dame?’ zei hij. ‘Daar kan ik zeer kort over zijn. Bij de Lleroh. Heeft u daar een probleem mee? Bent u een verrader van uw eigen ras? Bent u – net als uw meerdere – één van die Lleroh die liever met een Kiteh of Timbesh het bed deelt, in de hoop buiten spel te blijven als de moorden beginnen?’

‘Nee,’ zei ze.

‘U bent een slechte leugenaar en een potentiële verrader, mevrouw Niloo.’

‘Meyago! Dit is Assistentie.’

Ze kromp ineen.

‘Je moet nu weg! De plek waar je bent is gecompro­mitteerd.’

Gecompromitteerd. Iemand had hen verraden. Iets had hen verraden. Hoeveel? Hoeveel wagens? Hoeveel agen­ten van dit eiland, van Yig-Masuul, van Osul Myandal Nyal? Wat had hen prijsgegeven? Hoe veel tijd nog?

Ze vond vijf punten van rust, knikte, ging door één knie, boog haar hoofd, gaf hem zo wat hij verwachtte. Ze was niet langer meer in staat haar stem onder controle te houden.

‘Ik ben volledig in uw handen. Wat verwacht u van me, heer?’

Agent-Exécuteur Eijjon Eijsson plaatste zijn hand op haar kruin, een daad van onverwachte intimiteit. Ze kromp inwendig nog dieper ineen.

‘Bij wie ligt jouw loyaliteit, Meyago Niloo?’ vroeg hij en hij boog voor­over, drukte haar hoofd naar achteren zodat hij haar in haar ogen kon kijken. ‘Ben je werke­lijk een Kiteh-hoer, zoals de rapportages doen gelo­ven?’

Tranen vulden haar ogen. Ze moest hier weg, maar opstaan was gelijk aan een doodsvonnis. De dood door zijn hand, de dood van haar familie door zijn agenten. Blijven betekende de rest van haar leven in een cel in Yig-Masuul. De macht lag bij hem.

‘Nee,’ zei ze en deze keer bleef ze hem in zijn kille ogen kijken. Iets in haar brak los, bewoog opnieuw mee met de stroom van gebeurtenissen rondom haar. ‘Ik ben een Agent-Voyeur. Een Lleroh uit Yin-Ghuel. Niet alleen van afkomst, maar in hart en ziel. Met wie ik slaap verandert daar niets aan, heer Eijsson.’

‘Heer!’ riep één van zijn mannen.

Hij keek op.

‘We moeten weg. Deze plek is niet meer veilig.’

Hij keek haar fel aan. ‘Maakt u zich geen zorgen, Dm. Niloo. Als ik merk dat u ook maar één misstap maakt, dan zijn er consequenties.’

Hij stond op. ‘Hoeveel wagens zijn er?’

‘Drie.’

‘Dame Niloo, u kunt rijden, mag ik aannemen?’

Ze knikte. Hij drukte haar een contactsleutel in handen.

‘De wagen waarmee we zijn aangekomen. Zorg dat u niet gepakt wordt. Agenten van dit land gaan niet zachtzinnig om met Agent-Voyeurs van de vijand, van Yin-Beh.’

Hij greep in zijn andere zak, drukte haar een capsule in handen.

‘Slik dit als u geen andere uitweg meer heeft. In het belang van uw moederland! Ga! En overleef. We zijn nog niet klaar met elkaar.’

 

13.

 

Meyago wachtte niet tot hij was uitgesproken, dook in de richting van de deur. Drie treden per stap de trap op. Ze kwam hijgend in het harde licht van Epsilon Drie.

‘Ga naar het noorden, Meyago,’ zei Assistentie.

De paarse wagen stond waar Eijjon Eijsson hem had neergezet. Ze trok de deur open, dook de cabine in. Ze werd diep met haar rug in de stoel gedrukt toen ze het acceleratiepedaal tot de bodem intrapte. Felle pijn schoot door haar schouder toen ze de wagen met een wilde slinger op de hoofdweg bracht.

In de spiegel zag ze drie mannen het pand uit komen, waarvan er één de kist met computers droeg. Eijsson.

‘Ik ben op weg,’ zei ze, haar stem laag, schor van de spanning.

Ze was zo goed als dood.

‘Ik kan dit niet,’ zei ze. ‘Ik ben hier niet voor ge­traind.’

‘Je hebt helaas geen keuze meer.’

Het laatste huis van het kleine dorp schoot links aan haar voorbij. De open zee lag blauw en flonkerend naast haar. Haar handen waren als klauwen aan het stuur, vingers zo strak rond het wiel geklemd dat haar knokkels scherp en bleek afstaken. Ze keek in haar spiegels.

‘Welke wagen is het, Assistentie? Welke wagen?

Ze maakte één hand los, streek de tranen uit haar ogen, trok de zwarte bloem uit haar haar, smeet het tegen het gesloten raam aan de passagierszijde.

‘Je bent nog niet in zicht.’

‘Waar ga ik heen? Wat ligt er voor me?’

Ze haalde een wagen in.

Het bleef tien, twintig ademtochten stil.

‘Rij door naar Unanoma, het eerstvolgende dorp. Daar wacht een kleine boot onder de klif. Neem in Unanoma de hoofdweg. Rij de wagen door de muur over de rand aan het eind van de hoofdweg. Helder?’

Ze fronste. Een boot. Hoeveel mensen werkten voor deze organisatie?

‘En dan?’

‘Als je de klap overleeft en uit de auto weet te komen ben je veilig.’

‘Helder,’ zei ze.

Meyago schakelde naar een andere lijn.

‘Ontvangst. Meyago Niloo.’

‘Ik wil rapport uitbrengen.’

‘Ga je gang.’

‘Mijn organisatie heeft tien computers in hun bezit.’

‘Tien! Heb je ze gezien?’

‘Ja. Ik heb er twee in handen gehad. Beide werken.’

‘Je bent op de vlucht?’

‘Ja.’ Ze schetste kort de situatie, moest opnieuw haar tranen wegduwen, zweeg.

‘Heb je nog iets vreemds gemerkt toen je de com­puters aandeed?’

‘Ja.’ En ze beschreef de momenten van contact.

‘Ik ben bang,’ zei ze.

‘Je hebt het goed gedaan.’

‘Ik heb een vraag,’ zei ze een paar minuten later.

‘Ga je gang.’

Zijn de implantaten in mijn hoofd uit dezelfde periode? Uit de tijd voor de Tweede Val?

‘Zijn de computers onderdeel van het Plan?’

‘Nee.’

Waarom probeerden drie computers contact met me te maken? Wisten jullie hiervan?

‘Was ik onderdeel van een plan? Mijn opleiding?’

‘Nee.’

‘Wie is hier dan verantwoordelijk voor?’

‘Dat weten we nog niet.’

‘Buitenplaneets? Binnenplaneets?’

‘Dat weten we nog niet, Meyago.’

Een half uur verstreek. Ze passeerde een aantal wagens, inmiddels op maximale snelheid. De zon gleed langzaam richting zee. Enorme steen­zwammen staken als okergele schijven uit de zwarte rots boven haar. Elektrische auto’s stoven voorbij op de andere weg­helft, geschei­den van haar door een stenen rand. Meyago schoot door een kleine stad, kwam ongedeerd aan de andere zijde weer naar buiten, zag een blauwe wagen in haar spiegel.

‘Een blauwe wagen,’ zei ze.

‘Beschrijving.’

Ze beschreef.

‘Zorg dat je ze voor blijft.’

‘Mijn accu heeft iets minder dan twintig procent.’

‘Maak je geen zorgen. Je bent dichtbij. Zit je gordel vast?’

‘Ja.’

Meyago keek opnieuw in haar achteruitkijkspiegel, schakelde over op de andere lijn.

‘Als het ons doel is te zorgen dat Isomé een kans heeft,’ zei Meyago. ‘Als ons doel is te zorgen dat we niet opnieuw terugglijden in een tijd van duisternis, waarom doen we dan niet meer aan de situatie in Yin-Beh? Waarom zie ik niets ten goede veranderen? Waarom laten jullie toe dat de Lleroh de Oba en de Gehina achterna gaan?’ Is het een straf? Om de rol die we hebben gespeeld in de zuiveringen? ‘Zijn we te irrele­vant?’

‘Ik kan hier niet op ingaan, Meyago. Hoe graag je ook de antwoorden wil hebben.’

Ze volgde de wijde bocht, hoorde de banden protes­teren onder de zijwaartse druk. Unanoma kwam in zicht. Haar achtervolger zat dicht achter haar.

Ze schakelde naar Assistentie

‘Ik ben er bijna.’

en schakelde terug naar Informatie.

‘Werd Isomé gesaboteerd ten tijde van de Tweede Val?’

‘Ja.’

‘En in de eeuwen daarna?’

‘Ja.’

‘Door wie?’

‘Dat weten we niet.’

‘De Aarde?’

‘Mogelijk, maar onmogelijk te zeggen, Meyago. Er zijn zoveel bewoonde werelden rondom ons.’

‘Gaat die sabotage nog steeds door?’

‘Ja.’

‘Waarom doen jullie daar niets aan?’

‘We observeren. We grijpen in. Maar het plan dat we volgen is niet iets dat we met een agent in het veld kunnen delen.’

Ben ik door jullie misbruikt, bedrogen, Informatie?

‘Heeft mijn bijdrage ooit een verschil gemaakt?’ vroeg Meyago. ‘Doen jullie werkelijk wat aan de situatie op Isomé?’

‘Ik kan je geen antwoorden geven, Meyago.’

Ze week uit naar de rechter rijbaan en verminderde vaart, liet de eerste huizen aan haar voorbijgaan, liet een zwarte wolk achter zich toen ze vol op de rem stapte en met gierende banden de bocht nam; vloekte toen ze de wereld onder zich door voelde glijden.

Ik ben zó naakt, zo naakt.

Eijjon Eijsson had gelijk gehad. Ze was een verrader. Van haar eigen deugdelijkheid. Van haar eigen moeder, van haar eigen zus, van haar eigen mensen. Ik heb actief meegewerkt aan de veroordeling en dood van tientallen Lleroh. De andersdenkenden, de subver­sieven. De mogelijke samen­zweerders tegen de Kiteh, tegen de Timbesh.

Ze herinnerde zich de bittere woorden die Ujhalin, lang geleden gesproken had: Het belang van mijn lei­ding­gevenden is niet het belang van mijn volk. Gevaarlijke gedachten die haar mogelijk in handen hadden ge­speeld van de Timbesh. Woorden die ze gerappor­teerd had naar de Kiteh omdat ze bang was voor het alter­natief, bang was voor de straf voor on­ge­hoor­zaam­heid. Een mes tussen haar ribben, sterven in gevangen­schap.

Wát ze ook als excuses had gehad voor haar eigen daden, was in de storm van de laatste uren – na die snijdende woorden van Eijjon Eijsson – laag voor laag van haar weggerukt. Genadeloos.

Kiteh-hoer.

Alsof ze keuzes had gehad.

De blauwe achtervolger maakte een slinger, remde te laat af, schoot door.

‘Ben je van Isomé?’ vroeg ze. ‘Laat me dat in ieder geval weten. Kom je van deze wereld?’

Het bleef stil.

Hoeveel?

Hoeveel Lleroh waren door haar woorden, door haar verslagen in de problemen gekomen? Hoeveel had ze, met haar afgedwongen loyaliteit, bijgedragen aan de langzame status-val van haar eigen volk in haar eigen moederland?

Ze schakelde over naar de andere lijn.

‘Assistentie alles goed, Meyago?’

‘De muur ligt recht voor me.’ De vijfde maan, Iiego, hing bleek en kalm boven de rand. Het acceleratie­pedaal leek haar voet omhoog te duwen. ‘Vijfhonderd meter. Misschien meer. Grote stenen en grof cement­werk. Grote blauwe stenen en grof, wit cementwerk, toch? Nog maar een paar seconden en ik’

Maar er was geen uitweg meer.

De wolkeloze hemel recht vóór haar bood een valse belofte van totale leegte.

‘Dat is de muur, Meyago.’

Ze dwong haar voet opnieuw neer.

‘Zeg me dat dit niet mijn dood wordt!’ schreeuwde ze. ‘Help me om dit door te zetten!’

In de spiegel zag ze de blauwe wagen achteruit de straat in rijden.

‘De boot ligt klaar. De wagen is sterker dan de muur.’

Ze zette zich schrap.

Laat dit niet het einde zijn, dacht ze.

Toen kwam de klap.

Verstilde liefde : Anaïd Haen & Django Mathijsen

Vader stierf op zijn eenenveertigste, vlak na mijn drieëndertigste verjaar­dag.

Een lullig ongeluk. Hij vloog in de Alpen uit de bocht op zijn Harley-Classic-Ride uit 2340. Die zou ik erven, net zoals hij hem van zijn moeder had geërfd. Drie­honderd jaar in de familie, nu een hoopje schroot.

Ik sloeg mijn arm om moeders dunne schouders. Ze schokten van verdriet.

Klonten aarde bonkten op de kist. We bleven staan tot de graafbots met klapjes van hun scheppen het graf hadden afgevlakt.

‘Hier.’ Ik gaf haar een roos.

Bibberend, beducht voor de stekels, pakte ze de steel aan. Over de witte huid van haar hand lag een netwerk van fijne rimpeltjes, waar­onder blauwe aders opbol­den. Haar trouwring zat ruim om haar ring­vinger, maar ik wist dat ze hem niet meer over haar knokkel heen kon krijgen.

Voorzichtig bukte ze om de roos neer te leggen. Haar haren waren grijs bij de wortels en nooit, nooit, nooit zou vader haar meer plagen met zijn uitgroei-alarm.

Hoe ik ook slikte, de tranen kwamen toch.

 

‘Vivian?’ Moeder stond voor me. Haar onderlip trilde. ‘Moet je weg?’

‘Oh, mama…’ Ik zat op mijn bedrand en keek naar haar op. Mijn laatste kleren verdwenen net in mijn plunjezak. We hadden het de afgelopen weken talloze keren hierover gehad, ze wist dat ik toch zou gaan. ‘Als ik terug ben, gaan we anderhalf jaar op vakantie, goed?’

Ze glimlachte waterig. ‘Dat zei papa ook altijd als hij wegging.’

Ik probeerde terug te lachen, maar de tranen drukten. Ik miste hem zo verschrikkelijk.

Moeder zag mijn verdriet en pakte mijn gezicht vast. Haar duim veegde teder over mijn wang. ‘Ik snap je, lieverd. Het spijt me dat ik alleen aan mijn eigen eenzaamheid denk, terwijl jij je allereerste uit­zetting alleen moet doen.’ Haar betraande ogen keken me begripvol aan. ‘Papa had erbij moeten zijn.’

Ik beet op mijn lip tot hij bloedde, maar voelde hem toch trillen. Hij had erbij moeten zijn. Hij had me moeten inwerken, me moeten helpen en me moeten opvangen als het uitzetten me te veel werd. Al die jaren dat ik werkte en studeerde terwijl hij weg was, was mijn doel geweest om met hem samen mijn eerste reis te maken. Samen weg. Met zijn tweeën vijf weken de ruimte in, voor het eerst zonder dat onze leeftijden zouden verspringen.

‘Als jij terug bent, ben ik te oud voor vakantie.’ Mama liet mijn gezicht los. Ze keek scheel.

Ik schoot in de lach. ‘Dat zei je ook altijd als papa wegging.’

‘Ja. Dan zei hij altijd…’

‘Wat is nou vijf jaar op een mensenleven!’ Tegelijk. Mijn lieve moeder en ik.

 

Een privécapsule van NonVitae GmbH haalde me thuis op en bracht me, laag over de aarde scherend, naar de Makoua Elevator in Congo-Brazzaville. Ik was de afgelopen jaren al vaker met de lift de ruimte in gegaan, toch ging mijn hart sneller kloppen toen ik de machtige kabels zag die als bergen in de aarde verankerd waren en hoog boven mijn hoofd vervaagden. Deze keer was anders. Deze keer was echt.

Ik liep naar het NonVitae-kantoor, de grootste en meest transparante van de talloze prefabkoepels die waren neergezet aan de voet van de kabels. De junglehitte weerhield een stel apen niet van een krijsende achtervolging, die hoog in de toppen van de alsmaar druppende bomen eindigde met elkaar vlooien.

Aan de balie werd ik verwelkomd door een pseudomens. Haar gladde grijze gezicht, met maar een vage aanduiding van ogen, neus en mond, vertoonde geen uitdrukking, maar haar stem klonk warm toen ze me condoleerde. ‘Hij heeft vijf perfecte uitzettingen voor NonVitae uitge­voerd, we hopen dat u zijn goede werk zult voortzetten.’

Ik knikte ongemakkelijk. Niet eerder had ik me gerealiseerd dat het vijf vluchten waren geweest. Vluchten die voor vader steeds vijf weken duurden, terwijl op aarde vijf jaren verstreken. Als kind leefde ik vooral naar de anderhalf jaar verlof ertussen toe.

Om me een houding te geven, autoriseerde ik het uploaden van de vluchtgegevens, vrachtbrieven en paklijsten. Daarna keek ik in de ondiepe holtes die ogen moesten voorstellen. ‘Ik ben van plan meer dan vijf uitzettingen te doen.’

De pseudo knikte kort. ‘Dan hoop ik dat het er veel meer zijn, Vivian Petersdochter. Uw vader is te jong gestorven.’

Was het haar toon of het noemen van vaders naam? De tranen brand­den weer; ik schudde mijn hoofd om te voorkomen dat ik zou huilen. Snel scande ik de paklijsten. ‘Ook een retour?’

De pseudo knikte. ‘Nummer 4560 heeft haar tijd erop zitten.’

Ik bestudeerde paklijst 4560. ‘Hoelang?’

De pseudo schokschouderde. ‘Lang genoeg. Iedereen die ze kende is dood, ze is gestraft.’ Haar warme toon dissoneerde met de kilheid van haar mededeling.

Ik slikte. Al lang geleden had ik me neergelegd bij de wreedheid van ons strafsysteem, waarbij de naasten van een misdadiger net zo hard, zo niet harder, getroffen werden als de misdadiger zelf. Het zou je maar gebeuren dat je zoon of dochter voor minimaal honderd jaar of voor eeuwig werd stilgezet. Het voordeel was natuurlijk dat gerechtelijke dwalingen teruggedraaid konden worden. Sinds de uitzettingen werd niemand meer ter dood veroordeeld. Als bleek dat iemand onschuldig rondjes draaide rondom Nemesis6, werd hij of zij teruggehaald. Als de onschul­dige bofte, leefden zijn of haar geliefden nog. Zo niet: excuses van de staat en een pensioen voor de rest van je leven.

‘Waarom…?’

De pseudo hief haar hand. ‘Je voert slechts uit, wetende dat de rechter­lijke macht alles rechtvaardig heeft overwogen.’

‘Die riedel ken ik, hoor. Ik was gewoon nieuwsgierig.’ Ik knipoogde naar de pseudo en keek hoe laat het was. Mijn Elevatorgondel zou bijna vertrekken. Ik voelde fladders in mijn buik. Het ging eindelijk gebeuren: mijn eerste vlucht.

 

Het zonlicht glinsterde op de gladde, witte bowlingbal die voor het sterrenbezaaide nachtzwart hing: ‘Meeuw’, mijn schip. De aarde was nog maar een blauwwitte knikker op de achtergrond.

De pendelpiloot, die zich bij onze afvaart van de satelliet boven aan de Elevator had voorgesteld als Lars Siltmen, was zo vriendelijk een rondje om Meeuw heen te vliegen zodat ik het schip van alle kanten kon bekijken. Afgezien van de drie motoren, die vingeropeningen van de bowlingbal leken, en de cockpit, die er tegenover als een doorzichtige vingerhoed boven op het schip stond, was er geen verschil tussen die kanten: Meeuw was kogelrond om de krachten die Nemesis6 erop zou loslaten te kunnen weerstaan. Met de zon in onze rug was de bolvorm in volle glorie te zien, behalve daar waar de pendel zijn kleine, scherpgetrokken schaduw wierp.

‘Meeuw heeft een autonoom gerobotiseerd systeem, ken je dat?’ Lars manoeuvreerde zijn pendel naar het aansluitpunt. Toen hij de raketten vuurde om af te remmen, werden we even in de cockpitstoelen gedrukt.

Zodra we weer gewichtloos waren, drukte hij een paar knoppen in. De loopbrug, een witte, geringde slang die deed denken aan een Aziatische papieren lamp, kronkelde buiten van de pendel naar Meeuw.

Ik keek blijkbaar dom, want Lars vervolgde en­thousiast: ‘Je kunt hem tot beperkt niveau zelf pro­gram­meren. Je weet wel: een naam geven, comman­dootjes laten uitvoeren zoals koffie zetten of de bladzijden van je boek omslaan. Je kunt niks wijzigen aan zijn hoofdprogramma, maar da’s maar goed ook. Je zou zelf de bonen niet van de kabels willen haken, lijkt me.’

‘Bonen?’

De pendel schokte toen de loopbrug contact maakte met Meeuw. Mijn stoel ontspande. De gordels gleden terug in hun holsters. Meteen voelde ik me kaal, onbeschermd.

‘De vitae-capsules.’ Lars bekeek zijn werk en knikte. ‘Je kunt erdoor.’

Ik duwde me uit de stoel en zette af naar het halletje achter de cockpit. Lars volgde me en controleerde de gegevens op het controlepaneel van de sluis naar de loopbrug voor hij de deuren ervan opende.

‘Behouden vaart,’ zei hij lachend.

Ik keek in zijn vriendelijke ogen en lachte terug. ‘Mijn eerste.’

Hij gaf twee tikjes voor geluk op mijn neus. ‘Komt goed.’

 

Mijn lading werd door een andere pendel afgeleverd. Vier criminelen, gesedeerd tot kalme, gehoorzame zombies, stapten Meeuw binnen en lieten zich gedwee naar hun cel geleiden. Een vijfde, een broodmagere vrouw van minstens honderdtwintig, kwam op een brancard binnen.

Ik bekeek mijn laadbrieven. Alle vijf hadden het vonnis ‘eeuwig’, ook dat vrouwtje. Hoe bestond het?

Het was mijn zaak niet. Ik was uitvoerend getuige, meer niet. Ferm duwde ik de brancard de cel in en sloot de celdeur af.

 

Meeuw was geweldig. In het schip heerste een comfortabele constante zwaartekracht terwijl het naar zijn topsnelheid van bijna de licht­snel­heid accelereerde. Het bleef mogelijk om erin rond te lopen, eten te maken, voor de gevangenen te zorgen en allerlei trut-dingen te doen waar ik op aarde nooit aan was toegekomen. Zoals een cursus wecken volgen.

Vaak zat ik in de cockpit, op het bovendek, alleen maar omhoog te kijken hoe sterren en planetoïden blauwachtig op ons af raasden en naar rood verkleurden terwijl we ze passeerden. Het was een betoverend schouwspel. Naarmate de snelheid toenam, werden de verkleuringen steeds sterker, tot­dat de langsrazende puntjes samen één gepixe­leerde cirkelvormige regenboog vormden.

Ik doopte de autonome robot ‘Lars’ en liet hem doen wat Lars-de-pendelpiloot me had gesuggereerd. Het gaf pret en een beetje gezel­schap, ook al was Lars niet echt een individu, maar meer een uitstulping uit Meeuw. Als ik iets van hem nodig had, kwam er een handje uit de wand dat deed wat er moest gebeuren. Heel handig toen ik de beugel van de weckpot niet dichtgeklapt kreeg omdat ik met twee handen het deksel moest aandrukken en de pot vasthouden.

Ik stuurde moeder iedere dag een berichtje en kreeg er gemiddeld zeven voor terug. Ze hield zich ver­moedelijk in en beperkte haar berichten tot eentje per aardse week. Ze gaf me uren plezier met geroddel over de buren, de capriolen van een gestreept katje dat ze had gekocht en de foto’s van het nieuw behangen huis. ‘Groen, mam? Hoe durf je!’

Op haar berichten adequaat reageren was onmoge­lijk. Ik was vertederd door een foto van het katje, dat met zijn mollige pootjes in zijn bak water was gesprongen, maar toen ik mijn antwoord (‘Aaaaaaaaaaaaah! Schattig!’) verstuurde, ontving ik al een foto van een stevige kater met een kikker in zijn bek. ‘Geschenk van Drommel voor zijn baasje’, luidde moeders bijschrift.

Ze was ontevreden met het werk van de behanger. ‘Het zit nu twee jaar en laat alweer los.’

Lachend antwoordde ik dat ze het maar opnieuw moest laten doen. ‘Graag beschaafd parelmoer, mam.’

 

Op de zestiende dag begon Meeuw de rem­manoeuvre. Zittend in de cockpitstoel liet ik de zwaarte­kracht­wisselingen over me heen komen en opende het proce­dure­boek. Ik had het niet nodig, kende iedere stap uit mijn hoofd. Eindeloos vaak gesimuleerd, met draden op mijn hoofd en lijf geplakt om te meten of mijn geweten dit wel aankon.

‘Lars?’ Niet dat Lars kon praten, maar stap 1 was aan de autonome robot de aanwezigheid van een menselijke getuige bevestigen.

Lars reageerde door naar me te zwaaien vanuit de vloer.

‘Ik getuig.’

Meteen verdween de hand.

Op het beeldscherm voor me zag ik hoe de gevangenen stuk voor stuk vanuit hun cel naar de loden capsules in het laadruim werden geleid door Lars, die nu een handje uit de vloer was dat zich om hun enkel klemde.

De vrouw op de brancard was de laatste. Ze mom­pelde. Ik verstond het niet en wilde afdalen naar het laadruim om te kijken of alles goed met haar ging, maar besloot het niet te doen. Haar vitale organen functio­neerden. Ze had alles wat ze moest zeggen op aarde kunnen doen.

Buiten kwam Nemesis6 steeds dichterbij. Het zwarte gat zag er hetzelfde uit als bij de simulaties: een kolossale draaikolk van lichtjes om een gitzwarte bol heen waarachter de sterrenhemel uitgewist leek. Meeuw voegde in de draaikolk in.

Deeltjes knalden tegen de romp en gloeiden op als wonderkaarsen. Het klonk als een hagelbui op een tentdak. Meeuw schoof in de draaikolk langzaam op naar binnen, steeds dichter bij dat grote, gapende niets… totdat de zwarte bol alle sterren leek te hebben opgeslokt.

Op het beeldscherm verscheen: ‘Veiligheidsafstand tot waarnemings­orizon bereikt.’

Stap voor stap handelde ik de procedure af en voerde Lars het vonnis uit terwijl ik aanvinkte dat ik getuige was. De capsules werden om beurten ver­zegeld, aangehaakt en naar buiten getild. Lars stulpte uit Meeuw en verlengde zich tot de capsule in de waarnemingshorizon hing. Daar liet hij los.

 

Tot slot pikten we capsule 4560 op en vergezelden de gedrogeerde vrouw naar haar cel. Pas op aarde terug zou ze vrij zijn. Haar jasje had vlindermouwen en open schouders: de mode van honderd jaar geleden. Kenne­lijk vond men dat toen mooi.

De paar uur die we hier gewerkt hadden, zouden op aarde een dik jaar zijn. Ik wist dat de capsules in de waarnemingshorizon bevroren waren in de tijd: de levens erin verstilden zonder op te houden. Ze zouden de eeuwigheid beleven in één moment.

Net zo goed wist ik dat één verkeerde manoeuvre van mij, Meeuw of robot-Lars kon zorgen dat ik ook die eeuwigheid in zou glijden. Maar het enige wat ik voelde was trots.

‘Zie je me, papa? Alleen kan ik het ook.’

Ik gaf Meeuw opdracht zich met volle kracht los te rukken van Nemesis6 en koers op huis te zetten.

 

‘En?’ Lachrimpeltjes rond de ogen van Lars-de-pendel­piloot gaven aan dat er echt vijf jaren waren ver­streken. ‘Hoe deed de robot het?’

Ik draaide met mijn ogen en zuchtte overdreven trillend. ‘Ik heb hem leren masseren op de terugweg…’ Mijn tong gleed over mijn onderlip.

Lars trok zijn wenkbrauw op. Met een zuinig mondje zei hij: ‘Dat kan toch nooit lekkerder zijn dan echt?’

‘Dan echt?’ Ik schokschouderde. ‘Echt is alweer weken geleden, ik zou niet meer weten hoe het voelt.’

Lars begreep de hint, pelde me uit mijn kleren en liet het voelen. Het was inderdaad beter.

 

‘Ga je echt?’ Twee paar ogen keken me aan. In die van mama blonken tranen. Die van Lars kon ik niet goed lezen, maar hij was overduidelijk niet blij.

‘Mam! Lars!’ Sprakeloos keek ik terug. Al maanden verheugde ik me op mijn volgende uitzetting. Ik kon nergens anders over praten dan over Meeuw en andere Lars, over de stilte in de ruimte, de gepixe­leerde regenboog, het zalig-even-alleen-zijn… ze wísten het. ‘Natuurlijk ga ik, wat dachten jullie dan?’

Moeder zuchtte. ‘Ik zei het toch? Precies haar vader.’ Ze draaide zich om en slofte mijn slaapkamer uit. Sinds wanneer was ze krom?

Drommel volgde haar mauwend. Hij drukte zich tegen haar onderbenen en wikkelde zijn staart om haar enkel alsof hij haar steunde.

‘Mam!’

‘Laat haar maar.’ Lars ging naast me op bed zitten. ‘Ze ziet ertegen op, dat begrijp je toch wel?’

Ik legde mijn hoofd op zijn schouder. ‘Het ergste is dat ik het erger vind om jou achter te laten, terwijl ik weet dat zij oude…’

Zijn mond snoerde de mijne. Ik weet niet of hij dat deed om mij het zwijgen op te leggen of om zijn eigen trillende lippen te beheersen. Opeens verheugde ik me niet meer zo op weggaan. Vijf weken zonder hem, zonder zijn kussen, zijn lijf tegen het mijne in bed… ‘Kon je maar mee,’ fluisterde ik.

Lars drukte me tegen zich aan en fluisterde: ‘Meen je dat?’

Ik maakte me los uit zijn armen en greep zijn handen. ‘Als er een manier was, zou ik je meenemen.’

‘Maar je wilt zo graag even alleen zijn. Dat zeg je steeds.’

Een golf warmte sloeg door mijn buik. Ik voelde mijn wangen kleuren. ‘Natuurlijk zeg ik dat, het is ook zo. Maar het is ook een manier om me erop te verheugen, snap je?’

Zijn rechter mondhoek trok een beetje omhoog, zijn wenkbrauw ook. ‘Ah. Dus je jokt een beetje?’

Ik glimlachte verontschuldigend.

Lars boog zich naar mijn oor en fluisterde: ‘Die manier, hè? Die is er.’

‘Echt?’

‘Het is een beetje riskant. Onwettig. Maar NonVitae snapt dat gelief­den… Laat ik het zo zeggen: men knijpt een oogje dicht.’

 

Giechelend namen we zogenaamd afscheid in de Elevatorsatelliet. Ik zweefde door de slurf, die uit veiligheidsoverwegingen maar één persoon tegelijk doorliet, naar de deur van de pendelsluis terwijl Lars met gespitste oren wachtte in de satelliet. Zodra ik de pendelsluis binnen zweefde, weerklonk ‘ping’. Lars zette keihard af en lanceerde zichzelf met zijn armen naar voren door de slurf.

‘Recht zo die gaat!’ Ik gierde van het lachen en kwam niet meer bij toen hij de sluis binnen speerde en met zijn hoofd tegen de binnendeur botste. Net op tijd. Vlak achter hem sloot de buitendeur.

Grijnzend zweefde hij naar me terug. ‘Gehaald!’

De binnendeur opende zich. De pendelpiloot, die zich voorstelde als Marco Williams, had pretlichtjes in zijn ogen. ‘Tortelduifjes!’

 

We vreeën, lachten en zaten elkaar nakend na totdat Meeuw begon te versnellen. Lars klapte voorover, kotste de cockpit onder en werd zo ruimteziek dat ik hem, met behulp van heel veel handjes, naar zijn bed moest slepen. Pas toen we in positie boven de waar­nemings­horizon van Nemesis6 gingen, kwam hij er weer uit, om lijkbleek te vertellen dat hetgeen ik deed, vergelijkbaar was met het werk van de beul vroeger.

‘Ik maak niemand dood! Ik ben alleen getuige.’ Snel keek ik opzij. ‘Fijn dat je op bent.’

Lars plofte als een zoutzak in de cockpitstoel naast de mijne en bleef er met zijn hoofd achterover, mond open en ogen dicht, hangen. Hij was magerder gewor­den.

Buiten stulpte robot-Lars uit met de eerste van de vier capsules van deze reis. Hij verlengde zich tot we hem niet meer konden zien.

‘Niemand dood? Getuige? Wat is het verschil?’ Lars wuifde onverschillig.

‘Ga terug naar bed, lieverd.’ Ik boog me over mijn paneel. ‘We moeten er nog drie uitzetten en twee oppikken, dan gaan we naar huis.’

‘Ook zo snel?’ Zijn stem klonk kleintjes.

Ik keek hem aan. Dikke wallen onder zijn rode ogen, zijn gelaat eerder groenig dan wit. Wat was hij ziek!

‘Kom.’ Ik stond op en sloeg zijn arm om mijn schouder. ‘Ik geef je iets om door te slapen tot we weer vertragen.’

De dag voor we op aarde aankwamen, werd ik misselijk.

 

Wisten wij veel. Anticonceptie werkt niet tijdens reizen met bijna de lichtsnelheid. Iets met de bloed­baan: te veel medisch geleuter om mij te boeien. Aanvankelijk was ik kwaad, wilde geen kind. Maar Lars en moeder sprongen een gat in de lucht.

‘Ik ben bang, Lars, dat snap je toch wel?’

We lepelden in bed, zijn sterke armen om me heen.

‘Het is een gezond kindje, ons lieve kleine meisje. Maak je geen zorgen, schat.’ Lars drukte een kus op mijn achterhoofd en trok mij steviger tegen zich aan.

Daar ging mijn angst niet over. Het kind bewoog in me, groeide, ik wist dat het in orde was. Ik wurmde me op mijn andere zij en probeerde in het halfduister zijn ogen te zien. ‘Ik blijf de uitzettingen doen.’

‘Natuurlijk.’ Slaperig zocht hij mijn mond met zijn warme lippen en zoende me traag en innig, net zolang tot mijn protesten gesmoord waren.

 

Ze werd geboren toen we zeven maanden terug waren op aarde. We noemden haar Petronella, naar mijn vader. Al snel werd dat Ella. Ze was de eerste in de ruimte verwekte baby. Vooral Lars was daar heel trots op. Niet dat hij er iets mee kon: zijn reis was illegaal geweest, dus konden we niets claimen. Ook konden we nooit zeker weten of andere stellen ons niet waren voorgegaan.

Terwijl Lars piekerde over Ella’s status, verwonderde ik me over haar kleine handjes, haar oogjes die steeds helderder gingen kijken en haar mondje, dat zo trefzeker mijn tepel wist te vinden en al met vijf weken en twee dagen bewust naar me lachte. Nooit was ik zo verliefd op iemand geweest. Ella zat onder mijn huid, zo voelde het.

Moeder leefde helemaal op. Ze redderde met opruimen en de was, verwende mij met bruin bier en leerde ons hoe we konden vaststellen of Ella huilde om een darmkrampje of uit eenzaamheid. ‘Oppakken, oppak­ken, oppakken,’ was het devies. ‘Een huilend kind laat je nooit liggen.’ Maar hoe snel we er de zeld­zame keren dat Ella huilde ook bij waren, moeder won steevast van ons. Echter niet van Drommel: de kater gedroeg zich als een waakhond en was nooit verder dan drie meter bij de baby vandaan. Hij sliep zelfs in haar wieg als we er niet op beducht waren. Hij was haar trekpop, knuffelbeer en vuileluier-alarm ineen.

 

Ze huilde toen ik wegging. Haar armpjes strekten zich naar me uit, onder haar neusje vormde zich een snottebel die bij iedere uithaal groter en kleiner werd.

We stonden aan de voet van de Elevator: moeder, Lars met de huilende Ella op zijn arm en ik. Een spoed­opdracht van Non-Vitae, eentje die veel geld zou opleveren, of me mijn baan kosten als ik zou weigeren. Ik had niet zo hard geleerd en gewerkt om dat te laten gebeuren ook al betekende dat het hals over kop spenen van mijn zes maanden oude baby en het missen van moeders zesenzeventigste verjaardag volgende week.

‘Stil maar, lieverd. Papa en oma blijven bij je.’ Ik knip­perde mijn tranen weg en negeerde het gespan­nen gevoel in mijn borsten terwijl ik over haar verhitte hoofdje streelde.

Ze keerde zich van me af en begroef haar kletsnatte gezichtje in Lars’ hals.

Ik keek in zijn ogen. ‘Kon ik jullie maar meenemen.’

Lars trok Ella dichter tegen zich aan en draaide grappend met zijn ogen. ‘Ben jij gek? Straks heeft ze mijn ruimteziekte.’

Ik probeerde niet te lachen en niet te huilen.

Lars’ blik verzachtte. Hij kuste me vol op mijn mond. ‘We zorgen goed voor haar.’ Hij wees omhoog. ‘Ga jij die boeven maar hun straf geven.’

 

Ik weet nog goed hoe ik vroeger op moeders schoot zat te kijken naar de opnamen die papa ons door­stuurde. Iedere zaterdag, stipt om half zes. Pyjamaatje aan, haartjes nog nat van de douche. Ik leefde van bericht naar bericht en voelde dat hij dichtbij was, ook al was hij dat niet.

Toen ik ontdekte dat moeder de opnamen weleens liet herhalen, zeker in de periode dat vader boven Nemesis6 hing, was ik oud genoeg om het zonder zijn wekelijkse berichtjes te stellen. Ik wist dat hij altijd terug zou komen.

Datzelfde wilde ik Ella geven: de wetenschap dat ik in de buurt was en de zekerheid dat ik terug zou keren. Ik wilde niet dat ze mij zou missen.

Waar ik niet aan had gedacht, was dat ik haar zou missen. Niet alleen in mijn hoofd, maar ook fysiek. Mijn armen verlangden naar haar kleine lijfje, mijn oren hunkerden naar wakker worden door haar gebrabbel en mijn borsten snakten naar haar mondje. Ik was voortdurend naar haar op zoek en moest mezelf oppeppen om vrolijk in de camera te kijken die robot-Lars behulpzaam omhooghield. Ik sleepte me door de dagen en holde bij iedere ‘pling’ naar het controlepaneel om mijn lieve meisje te zien, dat op iedere foto groter werd en in een mum van tijd haar baby- en peuterfase achter zich liet.

Ik putte me uit om opgewekt te blijven, tenminste voor de camera. Iedere vrije minuut maakte ik opnamen van Meeuw, robot-Lars en mijn werk. Ik legde haar alles uit, trok malle gezichten en prikte mijn handen tot bloedens toe tijdens het naaien van een knuffel-Meeuw.

Toen ik terugkwam, was ze vijfenhalf.

 

‘Ik wil hem niet.’ Ella smeet knuffel-Meeuw van zich af. Haar haren hingen voor haar boze ogen. ‘Ik ben al groot!’

Ik keek naar Lars en moeder, blijkbaar zo hulpeloos dat moeder me tegen zich aan trok en zei: ‘Geef haar even tijd. Ze lijkt op jou.’

‘Oh, ja? Ik was altijd blij als papa thuiskwam.’ Ik legde mokkend mijn kin op moeders witte haar. De kleur was veranderd, maar ze rook nog naar moeder.

‘Da’s niet helemaal waar, schatje.’ Moeder liet me los en knipoogde naar Lars. ‘Toen papa de eerste keer terugkwam, was jij net zo oud als Ella nu. Je was woest op hem.’ Ze kneep me zachtjes in mijn hand. ‘Het duurde drie uur, toen zat je bij hem op schoot en kletste honderduit.’

Ella deed er vier uur over. Toen kon ik mijn meiske weer vastpakken en knuffelen.

 

Het was lastig een ritme te vinden. Wie deed wat wanneer met Ella? Bracht ik haar naar school omdat ik verlof had, of Lars omdat hij het altijd deed? Kookte ik eten omdat ik dat zo leuk vond, of moeder omdat ze het altijd deed? Ging ik met haar naar de dokter omdat ik weer weg zou gaan, of Lars omdat hij het altijd deed?

Gelukkig vonden we snel een manier die iedereen prettig vond: Lars en moeder de dagelijkse dingen, ik de bijzondere. Lars school, ik zwaaien met schoolreis. Moeder koken, ik taarten bakken met mijn kleine meisje. Lars de dokter, ik klaar zitten met open armen.

 

‘Je kunt ook thuisblijven.’

Lars en ik zaten in de tuin. Het was een warme avond. In het schemerlicht zag ik zijn grijzende slapen niet. Ella’s slaapkamerraam stond open. Een briesje speelde met de gordijnen, zoog ze naar buiten, liet ze wapperen, duwde ze weer naar binnen.

Ik beet op mijn tong. De laatste maanden hadden we regelmatig ruzie gehad over mijn werk, ik wilde me niet weer in de verdediging laten drukken.

‘Ik heb erover gedacht,’ zei ik zachtjes. ‘Maar ik moet gaan.’

Lars kneep zijn lippen samen en keek omhoog, naar de sterren. ‘Omdat ze je wenken? Zoals een zeeman naar zee wordt getrokken?’

Ik keek ook omhoog. ‘Misschien is het dat.’ Ik twijfelde. ‘Ja, dat ook. Ik verlang ernaar.’

‘En wij? Ella, ik? Je moeder? Ze is tweeëntachtig, Vivian. Over vijf jaar zal ze zo fit niet meer zijn.’

Ik sloot mijn ogen. ‘En wat als ik niet ga? Heb je daar­over nagedacht?’ Ik ging rechtop zitten en wees naar ons huis, tuin, zwembad, de garages. ‘Dit opgeven? Of kunnen jij en ik iets op aarde vinden wat zo goed betaalt?’ Ik zuchtte diep. ‘Jij hebt niet eens werk.’

Lars blies zijn wangen op. Ik zag dat hij kalm pro­beerde te blijven. Hij schokschouderde. ‘Geld maakt niet gelukkig.’

‘Schei uit! Geld is makkelijk. We kunnen Ella goed onderwijs erdoor geven. Als moeder gebrekkiger wordt, kunnen we zorg inkopen en…’

‘Maar jij maakt het niet mee. Snap je het dan niet?’ Lars stond op, liep naar me toe en zakte op zijn knie. ‘We hebben jou niet hier.’

‘Maar ik kom terug!’ Ik pakte zijn hoofd in mijn handen. ‘Ik krijg verslagen van jullie, zie foto’s, stuur malle berichten… Geloof me: die vijf jaar vliegen voorbij.’

‘Voor jou, ja. Wat zijn nou vijf weken?’ Lars’ stem klonk grimmig. In het halfduister zag ik zijn oogwit glimmen. ‘Begrijp je niet dat we je nodig hebben?’

‘Ach, welnee. Jullie doen het prima met elkaar.’ Ik voelde mijn stem killer worden. Onze gesprekken verliepen volgens hetzelfde patroon. Vroeg of laat werden we boos. ‘Jullie hebben mij niet nodig.’

Lars rukte zijn hoofd uit mijn handen en stond op. ‘Dat is niet waar en dat weet je. Wij hebben jou wel nodig. Het is andersom: jij kunt zonder ons. Dát is het.’

Happend naar adem vloog ik op, mijn vuisten gebald. ‘Hoe dúrf je!’

‘Ik durf! Sterker nog, ik durf meer. Je verheugt je erop om weg te gaan, om ons een tijdje niet te zien. Je kunt niet alleen zónder ons, je wilt ons uit je buurt hebben.’

‘Dat is niet waar!’ Ik stampte met mijn voet. ‘Ik houd van jullie!’

‘Ach, welnee.’ Lars liep naar het huis. ‘Je moeder is oud, daar kun je de zorg wel voor uitbesteden, ik ben een waardeloze werkloze en Ella heb je nooit gewild.’

Hij had me net zo goed kunnen stompen.

 

Ella was twaalf. Een stil meisje dat haar best deed op school, lief was voor moeder en de hele dag met Drommel liep te sjouwen. Het arme dier was twee keer zo oud als zijn pupil, maar wilde niet van haar zijde wijken. Zijn klaaglijke gemiauw als ze naar school was, ging door merg en been.

Ik zwaaide mijn dochter, die groot genoeg was om zelf naar school te gaan, uit en opperde bijna een spuitje tegen moeder, die lekker in een leunstoel voor het raam van het zonnetje zat te genieten, maar bedacht me halverwege en wist het nog om te buigen naar dat de kat vroeger zo’n spuitje elf was geweest.

Moeder lachte stralend. ‘Ja, hè?’ Ze activeerde holobeelden van Drommel als kitten, Drommel als kater, Drommel als vader…

‘Oh, heeft hij gepaard?’ Ik keek verrast naar het krioelende nestje. Minstens twee van de kittens hadden net zo’n gestreept lijfje als Drommel. ‘Wanneer? Dat heb ik gemist.’

‘Dat heb je. En meer.’ Lars zette koffie voor me neer. ‘We moeten het over Ella hebben.’

‘Want? Ze is erg lief.’

Moeder en Lars wisselden veelbetekenende blikken. De schrik sloeg me om het hart en bleef daar een poosje koud hangen.

‘Wat is er met Ella?’ Ik zakte op de bank. ‘Ze was blij me te zien, ze…’

Lars haalde diep adem. ‘Ze is gesnapt bij het pikken van Booster.’

‘Van wat? Dat drankje?’ Ik schudde mijn hoofd. ‘Wat moet ze nou daarmee? Was het voor haarzelf?’

Lars knikte.

‘Maar is dat niet dat spul dat adrenaline bevat? En alcohol? En…’ Mijn ademhaling versnelde toen ik me de reclamefoto’s ervan voor de geest haalde. Pure energie. ‘Maar da’s hartstikke gevaarlijk!’ Ik keek van Lars naar moeder. ‘Ze is pas twaalf!’

Drommel hoestte. Het klonk als een varken met keelontsteking.

‘Lars!’ Moeder schrok overeind.

Lars was al bij de kat. Hij greep hem van de grond en nam hem mee de keuken in.

‘Wat doe je?’ Ik rende hem na. Mijn zorg om Ella vloeide over in die voor Drommel, háár Drommel.

Lars pakte een injectiespuit uit de koelkast, trok met zijn tanden het hoesje van de naald, legde de kat op de aanrecht en prikte het dier in zijn kont.

Binnen een paar tellen stopte het hoesten. Drommel lag uitgeteld op de aanrecht. Moeder scharrelde de keuken in, boog zich over het arme beest en aaide over zijn koppie. ‘Gaat het weer?’

Drommel drukte zijn kop in haar hand. Ik blies mijn adem uit van opluchting, wat mal was: nog geen kwartier geleden had ik hem dood gewenst.

We spraken niet meer over Ella en de Booster.

 

Drommel stierf tijdens mijn volgende uitzetting. Ik condoleerde moeder, Lars en Ella. Mijn dochter ant­woordde fijntjes dat mijn condoleance ‘maar een maandje of twee’ te laat was. Volgens Lars moest ik het me maar niet aantrekken, Ella puberde. Toch ver­dween het rotgevoel in mijn maag pas toen ze me onder aan de Elevator stond op te wachten.

Ze had net haar vliegbrevet gehaald en stuurde de capsule door het verkeer alsof ze het al jaren deed. Ik keek opzij, naar haar mooie gezicht, en zei niets van haar haardracht of make-up. Kennelijk was van oor tot oor een baan weggeschoren de mode, net als gele rouge. Ook probeerde ik opgewekt de neontatoeages in haar nek te negeren en niet te staren naar de implantaten boven haar linkerwenkbrauw, die aan­gaven of ze wilde dat ik sprak (groen) of zweeg (rood). Ze was volwassen, ik moest haar wensen respecteren. Dus hield ik mijn mond.

We vierden Lars’ drieënzestigste en mijn negenen­dertigste verjaardag tegelijkertijd. Kort daarop werd moeder vijfennegentig en kon ik weer de ruimte in. Ik geloof dat ik niet eerder zo blij was om te kunnen vertrekken. Anderhalf jaar had mijn dochter rood geflikkerd en niets tegen me gezegd dan het hoogst noodzakelijke, tenzij ze op haar stok­paardje zat: hoe verderfelijk het stilzetten van misdadigers wel niet was. Dan discussieerde ze net zolang tot haar stem oversloeg en ik er het zwijgen toe deed, zelfs bij groen.

 

Bij mijn volgende verlof was ze het huis uit. Ze zou pas terugkomen als ik wegging, had ze tegen moeder gezegd. Nou viel die stoere praat samen met haar eindstage Rechten, dus volgens Lars had het niks met mij te maken.

‘Ze haalt goede cijfers.’ Moeders stem klonk net zo breekbaar als haar handen eruitzagen. Het verbaasde me dat ze er nog iets mee kon oppakken, laat staan een kopje naar haar mond brengen.

‘Ze is rustiger geworden. Je kunt trots op haar zijn.’ Lars kwam achter me staan in Ella’s kamer. Hij sloeg zijn armen om me heen en trok mijn rug tegen zijn borst.

Zijn handen waren bruinverband en leken nog net zo sterk als toen ik hem ontmoette. Toch waren ze anders.

Voorzichtig, om zijn greep niet te verstoren want het voelde zo lekker, draaide ik me om. ‘Dat komt door jou en mama.’ Ik kuste hem.

Hij maakte zijn lippen los van de mijne en glim­lachte. ‘Merk jij het ook?’

Ik dacht dat ik wist wat hij bedoelde, dus gleed mijn hand over zijn buik naar zijn broek.

‘Nee, dat niet. Hoewel ik best zin in je heb.’ Lars kuste me weer.

‘Wat dan?’

‘Ik krimp.’

Verrek, toen merkte ik het opeens ook. Ik stond tijdens het kussen met mijn voeten plat op de grond in plaats van op mijn tenen.

‘Sinds wanneer is dat?’ vroeg ik verbaasd.

‘Maakt het uit?’ Lars pakte mijn hand en trok me Ella’s kamer uit, de onze in.

Natuurlijk maakte het niks uit.

 

Moeder was honderdzestien toen ze stierf. Ik was drieënveertig en halverwege een uitzetting toen het nieuws me bereikte. Mijn dochter nam de moeite een bericht te sturen. Haar roodomrande ogen staarden in de camera. Ik wilde naar haar toe en haar troosten en samen huilen, maar bevroor toen ik werd getroffen door de kilte in haar stem.

‘En nee, je hoeft er niet snel voor naar huis te komen. Ze is al lang begraven als je dit hoort. Papa zegt dat hij weet dat je erg verdrietig zult zijn en hij liegt niet tegen me, dus dat zal wel. Misschien kun je robot-Lars om een troostmassage vragen.’ Ella was even stil. Toen boog ze zich naar de camera over. ‘Voor mijn part blijf je in de ruimte hangen. Maar mocht je toch thuis willen komen, weet dan dat ik voor papa zorg. Sinds zijn TIA…’

De rest hoorde ik niet meer. Lars? Een beroerte?

 

De Elevatorgondel had nog nooit eerder zo lang erover gedaan om naar de aarde te vallen. Ik kon het ding wel omlaag stampvoeten, zo erg wilde ik naar Lars.

Net als mijn medepassagiers zat ik ingegord. Ze keuvelden en genoten van het uitzicht: de zon die het wolkendek veranderde in oplichtende watten. Door gaten erin waren al stukken groen en bruin zichtbaar. In de verte scheidde de gekromde horizon het zeeblauw van het ruimtezwart.

Dat zwart om ons heen ging over in stralend blauw. Ze riepen ‘Oh’ en ‘Ah’ en stootten me aan om met me praten. Maar ik was te rusteloos.

Nooit meer ging ik de ruimte in. Nooit meer. Het was tijd voor mijn pensioen. Ik ging voor hem zorgen, hij had me nodig. En met Ella zou ik alles goedmaken. Waar het precies was misgegaan, wist ik niet, maar we waren ongeveer even oud, we konden vriendinnen worden.

Ik dacht met al mijn kracht de gondel omlaag.

De kracht kaatste naar me terug.

De gondelvloer bolde onder mijn voeten op. Hij duwde mijn benen omhoog tot ik met mijn knieën in mijn nek zat.

Er klonk gegil.

De gondel schudde. Er kraakte iets zo hard dat mijn oren piepten.

We schoten los. Ik wipte ondanks de strakgetrokken gordels omhoog in mijn stoel en voelde mijn maag zweven.

De gondel klapte opzij. Ik hing opeens voorover in mijn stoel. Nog een klap. Ik hing op mijn kop.

Mensen krijsten.

Ondersteboven denderden we door het wolkendek heen.

 

De actiegroep ‘Non-Vitae Morte’ eiste de aanslag op. ‘Noodzakelijk om ons onmenselijke strafsysteem, waar alleen Non-Vitae van profiteert, een halt toe te roepen.’ De stem vanachter de gezichtsplaat van een pseudo­mens, was van een vrouw.

Ik staarde met Lars naar de holobeelden op het nieuws. Daar ging de gondel, met mij erin. Ik moet ook gegild hebben, maar kon het me niet herinneren.

De gondel werd keurig opgevangen door het tussen vier drones gespannen, vliegende noodnet. De vrouwen­stem bleef haar boodschap herhalen.

Onze handen grepen elkaar vast.

We knepen elkaar, Lars en ik.

We konden het niet geloven…

 

We moesten het geloven, want voor we het wisten stonden we in de rechtszaal en hoorden het vonnis aan.

‘Honderd jaar.’ De pseudomens die rechter was, klapte met zijn houten hamer op de plank.

Ella sprong op, haar implantaten flikkerden. ‘Maak me dan liever dood!’ Haar lange haar hing tot over haar kont en moest nodig gekamd worden.

Met zijn hamer wees de rechter naar haar. Zijn gelaat vertoonde geen enkele uitdrukking. ‘Als er doden waren gevallen, had u levenslang gekregen. U boft.’

 

‘Ik wil dood! Een spuitje!’ Ella ijsbeerde in haar glazen cel en zwaaide woest met haar armen.

Lars en ik, hij steunend op een kruk en zijn andere arm door de mijne gestoken, ik wippend van mijn tenen naar mijn hielen, keken naar onze dochter en probeerden haar te sussen.

‘Honderd jaar! Ik kan toch beter dood zijn?’

‘Lieverd, nee.’ Ik duwde mijn vrije hand tegen het glas.

‘Jawel! Over honderd jaar is er niemand meer!’

Ik keek naar Lars. Hij was me zo lief. Maar Ella had gelijk: over honderd jaar kon hij er niet meer zijn. ‘Het spijt me,’ fluisterde ik.

Hij begreep me meteen. ‘Dan kopen we voor mij wel zorg in,’ fluisterde hij terug. ‘Zeg het haar maar.’ Hij trok zijn arm uit de mijne en tikte twee keer op mijn neus. ‘Komt goed.’

‘Ella?’ Ik legde mijn voorhoofd tegen het glas. ‘Luister. Als ik blijf uitzetten en korter verlof opneem, ben ik rond de achtenzestig als jij terugkeert. Jong genoeg om nog jaren bij je te blijven.’

Ella ging langzamer lopen.

Ik ging sneller praten. ‘Begrijp je, lieverd? Je zult niet alleen zijn. Ík ben er dan voor je.’

Ze keerde zich naar me toe en zette haar handen tegen het glas. Haar voorhoofd bonkte tegen de plaats waar het mijne tegenaan leunde. De implantaten doofden. Haar mond vertrok in een schampere grijns. ‘Jij?’

Ik schrok van de haat in haar ogen. Langzaam trok ik mijn hoofd naar achteren. ‘Ja, ik. Het kan niet anders.’

‘Jij denkt dat alles om jou draait, hè?’ Ella wees naar Lars. ‘Het gaat me om hém, om papa! Jij bent niks voor me.’

‘Maar Ella! Ik houd van je.’

‘Vuile leugenaar! Je hebt me nooit gewild! Nooit! Dat heb ik papa horen zeggen en jij ontkende het niet.’

 

Het duurde uren voor ik kon stoppen met snikken. Lars wreef met zijn goede arm over mijn rug en fluisterde lieve woordjes. Mijn rots in de branding, wat was ik zonder hem?

‘Zal ik dan maar toch op aarde blijven?’ Ik snoot mijn neus. ‘En voor jou zorgen?’

Lars schudde zijn hoofd. ‘Ik wil dat je er bent als ze terugkeert. Ik overleef nog wel een paar uitzettingen, wij hebben samen nog zeker drie heerlijke verloven voor de boeg.’ Hij maakte een spierbal. ‘Wij worden oud.’

Ik lachte waterig. ‘Kon het maar anders…’

Opeens wist ik het.

 

Bij Non-Vitae begrepen ze dat ik zelf getuige wilde zijn van het stilzetten van mijn dochter. Het was allemaal al erg genoeg, zei de pseudo die mij de paparassen overhandigde.

Lars vloog door de slurf alsof hij weer jong was. Gewichtloosheid kent geen leeftijd. Gierend van het lachen botste hij vlak voor het sluiten van de buiten­sluisdeur tegen de binnendeur van de pendel.

De binnendeur ging open. De piloot keek ons verbaasd aan.

‘Tortelduifjes,’ zeiden we in koor.

 

Om ruimteziekte te voorkomen, sedeerde ik Lars zodra we op Meeuw waren. Ik bleef bij hem tot hij sliep, beseffend dat de volgende keer dat ik hem zou spreken, de wereld er anders uit zou zien.

 

Robot-Lars bracht Ella naar haar loden boon. Ik liep achter het handje en mijn dochter aan, de slapende Lars in een rolstoel voortduwend.

Mijn keel zwol op toen ik robot-Lars bevel gaf zich terug te trekken. ‘Ik wil Ella gedag zeggen.’

Het handje verdween.

Ik omhelsde mijn versufte dochter. Voor het eerst in jaren. Ik kuste haar mooie gezicht en vertelde haar dat alles goed zou komen. Echt.

‘Papa gaat met je mee.’

Haar hoofd kwam traag omhoog. Ze keek me lodderig, maar bewust aan. ‘Mee?’

Ik knikte. ‘Over honderd jaar is hij er nog voor je.’

‘Maar jij? Dan moet jij hem missen.’ Ella’s ogen vul­den zich met tranen. ‘Ik dacht…’ Ze zuchtte heel diep. ‘Dus je houdt wel van me?’

Mal kind. Mal, dwaas, lief kind. ‘Ja.’

Boven de boon kwam robot-Lars als haak aange­sneld.

Ik duwde de rolstoel in de boon en zette Ella lekker op Lars’ schoot. ‘Knuffel elkaar tot ik jullie kom ophalen,’ zei ik verstikt.

Ik keek de boon na tot ik niet verder kon kijken. Nemesis6 was groter dan ooit.

 

‘Vivian Petersdochter?’

Onder aan de Elevator stond de pseudomens me op te wachten. Het flitste door me heen hoe attent dat was, nu er niemand van mijn familie meer over was.

‘Ja?’

‘We begrijpen waarom u het heeft gedaan. Maar het mag niet.’

Mijn benen werden zo slap als overgare asperges. Hoe wisten ze het? Ik had alles zo goed gepland! De pendelpiloot die me had opgehaald, was een andere dan die me had weggebracht. Ik had Lars buiten het zicht van Meeuws camera’s gehouden. ‘Hoe…?’ stamelde ik alleen maar.

‘De autonome robot.’

Robot-Lars? Míjn robot-Lars?

‘Hij rapporteerde dat u twee mensen liet stilzetten in één boon. We konden door het tijdsverschil niet meteen ingrijpen, dat snapt u.’

Ik knikte. Mijn maag brandde. ‘Wat gebeurt er met Ella en Lars?’

‘Niets. Uw dochter zit haar straf uit en wordt weer retourgenomen. Uw man komt dan vanzelf mee.’

Hijgend zakte ik op de grond. Gelukkig, gelukkig, het was gelukt.

‘Non-Vitae moet u wel vervroegd pensioneren.’

Ik keek omhoog. Zonlicht kaatste op haar gladde gezicht zonder ogen. Haar stem klonk warm, maar wat ze zei was ijskoud.

‘Met onmiddellijke ingang.’

Algorhythm’n’blues : Jack Schlimazlnik

Ik heb een dochter. Denk ik. Hoe ik mij zorgen om haar maak, doet soms fysiek pijn, daarom denk ik dat, voel ik dat ik een dochter heb. Dan pak ik haar foto, genomen op een zonovergoten strand en kijk ik naar haar. Denk ik, want er is weinig meer over dan enkele vale vlekken tegen een witte achtergrond. Misschien ben ik het zelf op die foto, misschien is het de hond. Maar ik denk dat het mijn dochter is.

 

‘Mam,’ zei ze. ‘Pap. Mag die foto weg?’ Ze was net acht geworden. Met afgrijzen wees ze op een foto van haar­zelf als baby. De foto stond op ons online gezins­profiel. Ik had de foto van onze parel gemaakt toen ze pas was geboren, in de roes van blijdschap over het feit dat ze er was, de wens die vreugde met de wereld te delen en me die dag voor altijd te kunnen her­in­ne­ren.

‘Wat is er mis met die foto?’ vroeg ik.

‘Het is niet leuk,’ zei ze. ‘Niet iedereen hoeft te zien hoe ik vroeger was.’

‘Vind je het beschamend?’

Ze knikte.

Ik haalde de foto weg van het profiel. We hadden altijd nog een back-up, de foto zat in mijn privé-foto­collectie en afgedrukt op fotopapier in mijn porte­feuille. Ik zou mij door die foto nog tot in lengte van dagen kunnen laten herinneren hoe het was, in die tijd vlak na haar geboorte, toen ze kwetsbaar in de couveuse lag en naar mij lachte.

 

‘Pa, ma,’ zei ze. ‘Doe die foto weg. Het is bescha­mend.’ Ze was bijna zestien. De foto was genomen in de kerk, op de bruiloft van haar neef, vier jaar terug. Ze was het bruidsmeisje. Voor ons was ze mooier dan de bruid, maar zij keek met walging naar de foto.

‘Vind je het geen mooie herinnering?’ vroeg ik.

‘We hebben zoveel foto’s van vroeger dat we verge­ten in het nu te leven,’ zei ze nors. ‘Het is tegen­natuurlijk.’

‘Is het pijnlijk?’

‘Dat zal het wel worden.’ Ze haalde een map met aantekeningen tevoor­schijn. Er stond in sierlijke letters ‘spreekbeurt’ op. ‘Weet je hoeveel cloudservers er nodig zijn om de foto’s die onze herinneringen zijn online beschikbaar te houden? Hoeveel energie dat kost? Héél veel! Ook draagt dat erg bij aan de opwarming van de aarde. Jullie generatie met zijn hang naar nostalgie maakt mijn toekomst kapot!’

Ik dacht niet dat het zin zou hebben in discussie te gaan met een opstandige puber, daarom haalde ik de foto van het bruidsmeisje weg. Ik verzweeg dat de afdruk in mijn dagboek was geplakt.

 

Onze dochter nam nooit selfies. Op de diploma-uitreiking van het gymnasium verbood ze ons en anderen foto’s van haar te maken, zich beroepend op het portretrecht.

Ik probeerde de gebeurtenis in mijn geheugen te griffen. Ik had al geprobeerd om uit mijn geheugen gebeurtenissen te tekenen, maar ik ben geen grafisch artiest. Het pijnlijkst was voor mij dat mijn verleden gaten ging vertonen van zaken die ik me niet precies kon herinneren, zoals de blik van mijn dochter toen ze dat diploma kreeg, toen ze een groot compliment kreeg van de rector, toen ze afscheid nam van de school, de docenten en haar klasgenoten. Ik kon me het beeld in detail niet meer voor ogen halen, het werd versluierd door emoties, zodat ik het niet waarheidsgetrouw kon tekenen. Het ging voor altijd verloren.

Kort daarna, voordat ze zou gaan studeren, gingen we voor de laatste keer met het hele gezin op vakantie naar Texel. Daar, op het strand bij de Slufter, nam ik stiekem enkele foto’s van mijn gezin terwijl we naar schelpen zochten en de hond blaffend tegen de golven tekeerging. De mooiste schelp namen we als souvenir mee naar huis.

 

Ik heb een dochter, maar je zou het niet denken als je mijn foto’s ziet. Die stiekeme foto’s van wat mij dierbaar was, daar op Texel, zijn de laatste foto’s die ik ooit van mijn dochter heb genomen. Ze zijn overbelicht in de zomerzon die op de kalme zee weerspiegelt. Ik ruik het zout als ik de foto bekijk, ik hoor de branding.

Ik zou beter mijn best hebben gedaan op het beeld als ik wist dat het verleden net zo onzeker werd als de toekomst.

 

Ze ging wiskunde en informatietechnologie studeren. Ze ging op kamers, woonde niet meer bij ons thuis. Elke ochtend dacht ik aan haar, steeds minder kon ik me haar gezicht herinneren, totdat ze langs kwam en ik mijn geheugen kon verversen. Ze veranderde, ze werd van een puber een vrouw, een schokkend proces doordat ik de geleidelijkheid niet zag. Ze genoot van haar vrijheid, ze vertelde ons dat ze zich had aange­sloten bij actiegroepen voor een beter milieu en voor privacybescherming, ze ging op muziekles, ze ont­moette René, een student scheikunde.

‘Wat is dat voor jongen, die René?’ vroeg ik.

Ze glimlachte, een intens verliefde blik die ik liever niet wilde vergeten, maar het moment ging voorbij en de herinnering beklijfde onvoldoende. ‘Hij is oké,’ zei ze.

‘Stuur eens een foto van hem,’ vroeg ik.

‘Dat wil hij niet.’

Ik aarzelde. Wat waren moderne zeden? Kon ik René al thuis uitnodigen of kwam dat pas in een later stadium? Mocht ik vragen in welk stadium hun relatie was? ‘Wat doet hij? Waar komt hij vandaan? Wat doen zijn ouders?’

‘Hij bakt muffins,’ zei ze en overhandigde me een Tupperware-doosje, gevuld met muffins. Ze liet me een muziekstuk horen. ‘Dat heb ik gemaakt, het geeft zijn ziel weer.’ Ik hoorde een soort jodelen, dat ze ‘joiken’ noemde, over aritmische muziek waarin omgevingsgeluiden waren verwerkt. ‘Het is een soundscape,’ verduidelijkte ze. Ik heb het muziekstuk daarna nooit meer gehoord. Toen ik haar ernaar vroeg, vlak voor haar huwelijk, zei ze dat ze het had gewist. Voorgoed.

René kwam na een half jaar op bezoek. Het was een prima kerel, keurig opgevoed. Hij gaf me een doosje muffins, die me goed smaakten. Ik merkte dat hij smoorverliefd was op mijn dochter, ze waren een dubbelster, zo stralend dat ze het duistere heelal om zich heen niet zagen. Ze gingen samenwonen. Soms ontving ik soundscapes van haar, maar als ik ze terugzocht kon ik ze niet vinden. Het was in die tijd dat ik haar naam begon te vergeten en af en toe twijfelde aan het bestaan van mijn dochter. Dan pakte ik de foto van het Texelse strand, die over­belichte foto met de vage contouren waarin ik mijn dochter her­kende. Ze kwam nog maar zelden op bezoek, wij bezochten haar zelden, want ze zei het druk te hebben met haar afstuderen en trok zich daarom terug in haar schulp, beschermd door René.

 

‘Het is niet natuurlijk dat we alles proberen te onthouden’ was in een krant te lezen geweest. Namens een actiegroep hield mijn dochter een interview. ‘De natuur is een levend wezen dat alles beter kan verteren als het langzaam vergaat.’ Ze herhaalde wat ze jaren terug in haar spreek­beurt had verwerkt, over de talloze cloudservers die onze herinneringen moesten bewaren, en de vele back-ups daarvan. ‘Het is beter dat we vergeten.’

In het wetenschappelijk tijdschrift dat na haar afstuderen verscheen, liet ze meer los over het afstudeerproject waarvoor ze summa cum laude was geslaagd. ‘Het is een psychologisch proces dat we dat wat van vroeger is beter waarderen dan wat in het heden is. Het gaat over herinneringen, over weemoed en melancholie, nostalgie. ‘Vroeger was alles beter’. Wij vinden dat belangrijk, het benadrukt dat wij sterfelijk zijn en van het heden moeten profiteren door een herinnering na te laten. We kopen vintage voorwerpen met defecten, roest, beschadi­gingen, verwering omdat ze ons de vergankelijkheid laten zien. Onze foto’s bewerken we met een filter om er een ouderwetse glans aan te geven, alsof de foto met een camera obscura is gemaakt, of een polaroid­camera, of zelfs is geschilderd in een of andere prehistorische stijl. We geven onze muziek een extra kraak mee, alsof we luisteren naar een naald in een groef terwijl we slechts naar een digitaal bestand luisteren. Met mijn algoritme krijgen digitale foto’s wel het patina van vroeger met een filter, maar dan langzaam, door de jaren heen. Zo verweren de digitale foto’s op een natuurlijke manier.’ Op internet was korte tijd een time-lapse filmpje te vinden van haar experiment met een foto op een smartphone, die langzaam op het schermpje verging terwijl zij haar doctoraalscriptie schreef. Ze verzekerde dat het proces ook langzamer kon verlopen, afhankelijk van enkele variabelen in het algoritme, zo had ze ook voorzien in een aansluiting met een vochtsensor: bij vochtige omstandigheden verliep de verwering sneller.

‘Er is iets dat nog veel belangrijker is,’ stond in het interview. ‘Door het verleden langzaam te laten ver­gaan, kunnen we ons losmaken van de last van vroeger, we worden dan niet meer geconfronteerd door de schulden die inmiddels afgelost zijn, over­tredingen die al lang zijn bestraft of alles­verterende wraakgevoelens. We hoeven niet meer te zijn wie we vroeger waren. Dat is waarom privacy­beschermers interesse hebben in mijn algoritme. Het kan alle persoonlijke gegevens uit databases ver­wijderen. Je vroegere zelf vervaagt ermee uit de archieven, zodat je uiteindelijk herboren kunt worden. Het is weder­opstanding, verlossing.’ Er volgde een overzicht van de juridische haken en ogen. ‘Er zijn basisgegevens die om administratieve redenen moeten worden bewaard, de rest kan weg.’ Opnieuw herhaalde ze haar statement over de milieu­vervuiling die door cloud­servers werd veroorzaakt. ‘Als je al die infor­matie zoals vroeger in huis op papier zou bewaren, zou je een flinke archiefkelder nodig hebben. Waarom willen we tegenwoordig in dat muffe verleden zwelgen? Is dat omdat we steeds weer het confron­terende heden vergeten als we elk moment van de dag gegevens uit het geheugen van onze digitale back-up halen?’

Ik kan het interview niet meer terugvinden. Soms twijfel ik of ik het werkelijk heb gelezen. Kun je het verleden zomaar wegnemen? Het lijkt er soms op dat de gaten van wat is verweerd worden opgevuld met willekeurige nieuwe herinneringen, valse herinne­ringen. Als de eb het water wegtrekt van het strand, komt daarna de vloed om eindeloos nieuwe schelpen op het zand te werpen alsof de kust herboren moet worden.

 

Mijn dochter. Ik bewonderde haar bevlogenheid, maar haar naïviteit beangstigde me. Het artikel was nauwe­lijks gepubliceerd, of degenen met de meeste belangen wierpen zich op de doorontwikkeling van het algo­ritme, op de implementatie ervan op diverse systemen en het ontrollen ervan op het internet, inclusief de cloudservers. Overheden gebruikten het algoritme gericht om te wissen wat ze volgens de privacy­wet­geving niet langer mochten bewaren. Top­crimi­nelen kregen een brandschoon verleden, evenals oorlogs­misdadigers en politici. Beroemdheden wisten onwel­gevallige episoden uit hun roemruchte verleden, daarna werden de gaten opgevuld met wensbeelden van een fictief verleden.

 

De zaak van Eugène de Tilleul maakte het algoritme wereldwijd bekend. De zaak is zo vaak herhaald en gekopieerd dat deze ondanks het algorit­me nu nog steeds in de cloud is te vinden. De Tilleul werd minister van Defensie. Kort na zijn benoeming beweerden mensen dat zijn verleden niet zo was als hij deed voorkomen, hij werd beschuldigd van spio­nage, wat voor een minister van Defensie fataal is. De Tilleul zei dat het laster was, leugens. Hij beval de lasteraars met concreet bewijs te komen, anders zou hij hen wegens smaad voor de rechter dagen.

Natuurlijk was er van zijn verleden in de gedigi­tali­seerde archieven niets meer te vinden dat op spionage wees. Het algoritme werkte immers perfect.

Ik zat tijdens de live-verslaglegging van de rechts­zaak op het puntje van mijn stoel. Ik wist dat er veel op het spel stond, hoewel ik niet precies wist wat. De Tilleul kwam over als een onsympathieke, manipu­lerende man, iemand met te veel ego, iemand die over lijken kon gaan, dus voor hem vreesde ik niet. Het ging dieper dan dat. Soms dacht ik, in een vlaag van helderheid uit een reeds lang verweerd en muf verleden, dat ik een dochter had. De rechtszaak was voor háár belangrijk, besefte ik.

‘U heeft niets in de archieven kunnen vinden,’ zei Mr. de Tilleul, die zichzelf verdedigde, want wat wèl onomstotelijk van hem bekend was, was dat hij meester in de rechten was.

‘We hebben afdrukken,’ zei de aanklager. Ze over­handigde enkele mappen met documenten.

‘Vervalsingen,’ snoefde de Meester toen hij er een blik op wierp. ‘Gefotoshopt, iedere idioot kan het. U kunt me niets maken. Het enige dat u wilt, is mij zwart maken. U zou beter excuses aanbieden voor de manier waarop u mij hiermee krenkt.’

De aanklager riep getuigen op. Stuk voor stuk vertelden deze mensen hoe ze De Tilleul kenden uit het verleden. Bedrijfsspionage. Belangen­verstrenge­lingen. Contacten met mensen van buitenlandse, vijandige veiligheidsdiensten. Gezocht door de AIVD, de Securité, de CIA, de Mossad.

De Tilleul bleef onaangedaan. ‘Ze liegen, of hun geheugen speelt hen parten.’

De rechter schortte de zitting op. Ik bleef verbijsterd op het puntje van mijn stoel zitten. Wat zou de rechter zwaarder laten wegen? Archieven of het menselijk geheugen? Een team van deskundigen reflecteerde de zaak in de televisiestudio. Een jonge vrouw gaf een toelichting bij het algoritme, hoe de variabelen werkten en hoe het gericht een deel van het verleden kon verwijderen.

De rechtszaak werd voortgezet. In wat volgde legde een door de verde­diging opgeroepen psycholoog uit hoe het menselijk brein werkte. Het brein was tame­lijk vaak het slachtoffer van verkeerde inter­pre­taties, illusies, hallucinaties, verkeerde conclusies en foute aannames die de moeder van elke fuck-up zijn. Kortom, het menselijk brein was niet fool-proof. Aan het geheugen kon geen waarde worden gehecht. Integendeel, het werd vaak aangevuld om het beter te laten passen in de situatie van het heden, wat cogni­tieve dissonantie werd genoemd of als selectieve amnesia werd beschimpt.

De Tilleul grijnsde in de televisiecamera’s na het relaas van de psycholoog.

De zaal explodeerde in een spreekkoor. ‘Leugenaar! Bedrieger! Fantast!’ Op de achtergrond scandeerde het koor ‘De doodstraf! De doodstraf voor hoogverraad!’

‘Stilte!’ hamerde de rechter.

De uitspraak liet niet lang op zich wachten. Bij gebrek aan ander bewijs moest de rechter afgaan op de gedetailleerde en coherente verhalen van de getuigen.

De jonge vrouw in de studio verbleekte. Toen een traan over haar wang rolde, voelde ik de pijn, ik proefde het zout. Ik herkende mijn dochter die hoorde hoe haar algoritme niet voldoende van het verleden kon wissen om het helemaal te vergeten.

 

Ze stuurde mij een van haar soundscapes. De toon­zetting was mineur, doordesemd met een wee­moedige ondertoon. De blues. Het geluid kabbelde eerst, werd later ruiger, een waterval van klanken, tot het een alles verscheurende kreet in de crescendo werd.

Ik zag het als een schreeuw om hulp en ging naar haar toe. Ze verze­kerde dat alles weer in orde was. Natuurlijk was ze aangeslagen en teleurgesteld over de manier waarop de wereld met haar algoritme omging, maar, zo verzekerde ze mij, dat zou ze snel vergeten zijn. Ze vertrouwde me toe dat ze samen met René aan een nieuw project was begonnen, nog veel groter, nog veel avontuurlijker. Ik zag de passie in hun beider ogen, passie voor elkaar en voor hun project.

De tweede keer dat ik naar die soundscape luisterde, klonk die veel doffer. Ik besefte dat het algoritme het geluidsbestand al had aangetast. Na enkele dagen hoorde ik slechts ruis als de branding die zich op het strand krult.

 

Ik swipete door mijn privé-fotocollectie. Verbleekte foto’s schoven aan mij voorbij. Soms herkende ik een vage omtrek, zoals de schaduwen van een verder lege couveuse, of de spitsbogen van een kerk. Ik weet niet hoe het algoritme zich verspreidde, maar hier en daar las ik dat het viral was gegaan. Het verspreide zich als een ziekte, mensen die werden getroffen door de nadelige effecten noemden het pixelpest. De pixelpest had ook mijn back-ups bereikt. Ergens wist ik dat het algoritme dat op de digitale bestanden was losgelaten misschien teruggerekend kon worden, zodat de gevol­gen ongedaan konden worden, maar veel hoop had ik niet. Toch bewaarde ik de bestanden, die uit een schrikbarend laag aantal bytes bestonden. Het werden er dagelijks minder.

Natuurlijk had ik ook mijn dagboek met afdrukken. Het was al oud, het had een muffe geur, natuurlijk verval had zijn werk gedaan. Verbleekt door licht, aangetast door zilvervisjes en vocht, doorgelopen inkt en om zich heen vretende lijm, papier dat van nature organisch was en dus tot stof verging, het was allemaal niet voor de eeuwigheid.

Ik keek naar buiten. Daar veranderde de wereld ook steeds. Niets was voor de eeuwigheid, ondanks de talloze cloudservers waarop we poogden onze herinneringen te bewaren. Ik keek naar de blauwe lucht van die zomerdag die me met weemoed aan Texel deed herinneren. Wolken zeilden over dat blauw. Vliegtuigen doorkruisten die azuren hemel. Ze lieten lange, witte sporen achter die vervaagden alsof ook daar de pixelpest zijn werk deed.

 

‘Het is uit,’ zei ze. ‘Ik ga weg bij René. Ik herken in hem niet meer de man met wie ik ooit ben getrouwd.’ Ik voelde haar verdriet.

De scheiding liet niet lang op zich wachten. Ze wierp zich op haar werk. Ze werkte aan een carrière als muzikant. Het resultaat was nu en dan te horen op de radio, vluchtig en gehaast, het een om het algoritme voor te zijn, het ander om zo snel mogelijk weer vergeten te worden. Deze kunst werd goed ontvangen als kunstzinnige interpretatie van het consumen­tisme waarin duurzaamheid het moest afleggen tegen de kapitalistische drang om te blijven produceren en verkopen; wat niet vergaat hoeft niet vervangen te worden en hoeft dus niet opnieuw geproduceerd te worden, het levert daarom geen winst op.

Hoe zouden zij die zondigden vergiffenis kunnen vragen als wij ons hun daden niet meer herinneren? Die vraag zong rond in de tonen van mijn dochter. Hoe kun je schuld voelen als niemand zich jouw misdaden kan herinneren? Maar ook die vraag vervaagde in het verleden.

Ik keek naar de schelp die we hadden gevonden op Texel. Tot dusver was die nog niet aangetast door pixelpest. Ik dacht aan de miljoenen jaren oude fos­sielen van schelpen die waren gevonden: hoelang zou deze schelp nog een herinnering zijn? Misschien was het belangrijker hoe lang ik me nog kon herinneren waarvan de schelp een souvenir was.

 

‘Moeder?’ vroeg ze. ‘Vader?’ De jonge vrouw die voor onze deur stond keek ons wat verwilderd aan. Ik kende haar niet.

‘Ik denk dat je verkeerd bent,’ zei ik.

‘Dat is dan een pijnlijke vergissing.’ Ze keek langs mij heen de gang in, nieuwsgierig, keek nog eens in mijn ogen. Verbaasd keek ze naar het huis, de tuin, de straat, alsof ze daar voor de eerste keer was, maar enkele details toch leek te herkennen. Ze liep het tuinpad uit en aarzelde terwijl ze naar de blauwe hemel met de condensstrepen keek. Ze keek om, wierp nog een verwarde blik op mij, koos toen zorgeloos voor de weg naar het centrum. Ze bleef een vreemde voor me, gesloten als een oester, hoewel ze me ergens bekend voorkwam.

 

Ze stuurde mij de laatste van haar soundscapes. Het bestand had de naam Fade Out. Het begon met een oerschreeuw en uptempo muziek, om langzaam over te gaan in een lang muziekstuk met een bluestoon­ladder, het gejank van een gitaar en joiken als een klaagzang. De laatste kreten waren met een sampler bewerkt, de herhaling ervan verwekte een ver­vreemding die eender was aan die van bepaalde drugs. Daarna kwam de daadwerkelijke fade-out, het geluid van het ene instrument na het andere doofde uit, tot alleen ruis overbleef met hier en daar het kraken van een naald of de tik van een onregelmatigheid, veroor­zaakt door het stof van de vergankelijkheid.

Hoe vaker ik het stuk hoorde, des te eerder de ruis was te horen. Na verloop van tijd verdween het hele stuk in aanzwellende ruis, kraken en tikken. Ik wist dat sommige mensen, ondanks het ontbreken van het visuele aspect, het pixelpest noemden, anderen zeiden bitrot. Zelf noem ik het liever een pijnlijk verlies als kunst voor eeuwig verloren gaat, hoewel ik in dit geval zeker wist dat de kunstenaar dit met opzet had gedaan.

Ik knipperde mijn tranen weg en keek door het raam naar de blauwe hemel die werd doorsneden door lange, witte stroken. Het kielzog van vliegtuigen. Condens. Chemtrails, hoorde ik René zeggen. De pixelpest daalde op mij neer.

 

Ik had een zoon. Denk ik. Zijn naam was René. Hij wilde zijn verleden vergeten, de pijn, de schaamte, zodat hij scheikunde ging studeren, wat hem in staat stelde met drugs te experimenteren. Hij kende een meisje dat hem van haar passie vertelde: het door haar bedachte algoritme dat alle digitale bestanden kon laten verweren, liet vervallen, rotten, af­breken, tot er niets meer van over was. Samen met haar werkte hij aan een chemische formule die hetzelfde deed. Het product dat daaruit voortkwam noemde hij letheïde. Aanvankelijk verwerkte hij het in muffins die hij aan ons aanbood. Letheïde bleek zich later op een bijzon­dere manier te kunnen verbinden met kerosine.

Terwijl hij bezig was met het implementeren van chemtrails die de mensheid het verleden zouden doen vergeten, vocht zij tegen haar nederlaag in de zaak Eugène de Tilleul. Het algoritme verwerkte ze in haar muziekstukken. Subliminale brainwaves, gedragen door tonen die het gevoel openden voor de niets­ver­moedende toehoorders, zodat de muziek met zijn trojan volop viral kon gaan. De avant-garde smulde van deze soundscapes, empathofoniën vol bluestoon­ladders, hoewel ook zij zich achteraf slechts ruis konden herinneren en niemand kon zeggen of het ooit meer dan dat was geweest.

 

Ik heb een dochter gehad. Denk ik. Hoe ik mij zorgen om haar heb gemaakt, heeft soms fysiek pijn gedaan, daarom denk ik dat. Dan pak ik de foto, genomen tijdens een sinds lang vergeten vakantie, op een zon­over­goten strand. Ik kijk naar haar. Denk ik, want er is weinig meer van de foto over dan enkele vale vlekken tegen een bleekblauw achter­grond. Misschien ben ik het zelf op die foto, misschien is het de hond geweest.

Maar ik vermoed dat het de oude zoutvlekken van mijn tranen zijn. Ik hoor de branding slechts als ik de Texelse schelp, die iemand op eBay aan mij verkocht, tegen mijn oor druk en naar het blauw van de hemel kijk.

Onder de rook van duizend zielen : Nienke Pool & Mike Jansen

Sterre zette haar fiets in de verlaten fietskelder van station Haarlem en liep op haar veel te hoge hakken richting perron drie, waar de laatste trein haar naar het nachtleven van Amsterdam zou brengen. Alle rotzooi van die dag, nee van de afgelopen zeven jaren, drie maanden en twaalf dagen, wilde ze deze nacht van zich afgooien. Mike, de klootzak.

Die ochtend, tijdens het ontbijt, net na zijn eerste kopje koffie en precies voordat ze een slok van haar ontbijtsmoothy had genomen, was hij begonnen over de seven-year-itch en over de nieuwe inzichten die Linda hem daarover had ingefluisterd. De snol. Hij verzocht Sterre met zijn bruine hondenogen om een time-out waarbij ieder zijn eigen zaden kon laten waaien over ‘onontgonnen velden’. Waar zijn zaad naartoe zou waaien, wist ze al.

Wat deze nacht haar zou brengen, was nog een open vraag. Ze wilde zich laten gaan. Vastberaden liep ze door het poortje naar de roltrap, die haar naar het perron bracht. De oude bogen van het gewelfde dak van het station waren gehuld in schaduwen die de felle lantaarns en de schelverlichte reclameposters niet konden verdringen.

Een geur van bier deed een alarmbelletje rinkelen. Ze voelde zijn aan­wezig­heid voor ze hem zag. Hij stonk naar alcohol en zweet, een man van begin veertig, met kort, stekelig haar, grijzend aan de slapen, dure schoenen, modieuze jeans, lekker strak T-shirt maar een ladderzatte kop met bloeddoorlopen ogen. Hij had duidelijk gehuild. Ze voelde mede­lijden, zelfs een aan­drang hem aan te spreken.

Voor hij een slok uit zijn heupflacon nam, liet hij een boer. Het moment was direct voorbij. Hij mompelde in zichzelf en staarde onop­houdelijk naar haar. Hij had een wilde blik in zijn ogen die haar intimi­deerde. Ze voelde angstzweet onder haar oksels. Haar eigen angst stonk heftiger en de penetrante geur drong door tot in het binnenste van haar bewustzijn.

Ze stak een sigaret op. Met een paar trekjes nicotine probeerde ze haar zintuigen tot rust te brengen en met de rook blies ze een beschermend rookgordijn. Al inhalerend keek ze om zich heen. Het perron was verder verlaten. Op het tegenoverliggende perron stond een zoenend stel en wat eenlingen die geobsedeerd in hun mobiel staarden. In de verte zag Sterre de koplampen van de Intercity al. Op het moment dat ze haar trein zag, keek de vent van het zoenende stel op. Hij wierp haar een geile zoen toe. Hij lachte. Kut, dacht ze en keek snel een andere kant op.

Ze gooide haar peuk weg en besloot naar het verste deel van het perron te lopen, dan hoefde ze in Amsterdam die meters niet meer te maken. Daarbij was ze verder verwijderd van de geile vent en die dronkenlap.

Op haar hakken probeerde ze zo snel mogelijk het perron over te lopen. Ze kon zich niet herinneren dat ze ooit zo opgelucht was dat er een trein het station in denderde. Even overwoog ze om naar huis te gaan. Ze was absoluut niet meer in de stemming tot welke ikvergeet­mijn­ellendeseks dan ook. Haar mobiel lichtte op en hoop borrelde in haar op toen ze zag dat hij het was. Een bericht op Facebook. Zou hij haar willen spreken?

Mike staarde haar aan vanaf een foto van hem en de Linda-snol die alle hoop aan diggelen sloeg. Hij had zijn tong zo ver in haar mond gestoken, het leek alsof hij een inwendig onderzoek aan het verrichten was. De klootzak.

De geur van drank was vlak achter haar en verstoorde niet alleen haar gedachten. Het verstoorde haar evenwicht en ze werd bang. ‘Wat moet je van me? Donder op.’ Ze had gehoopt dat haar stem krachtiger zou klinken.

Hij keek haar niet aan. Zijn ogen waren groot. Met de heupflacon in zijn hand liep hij snel struikelend langs haar. Ze zag hem bij het spoor komen en niet stoppen, zijn handen uitgestrekt voor zich alsof hij naar de overkant wilde duiken. De trein naderde als in slow motion en een diepe kilte verspreidde zich vanuit haar buik. Hij gaat dood!

De machinist probeerde uit alle macht te remmen, vonken sprongen van het spoor in een surrealistisch inferno begeleid door een angstaan­jagend gillen van gemarteld metaal. Sterre zette haar eerste stappen naar het spoor al terwijl de trein in aanraking kwam met de dronken man, die in elkaar vouwde als een lappenpop, waarbij bloed uit zijn hoofd en lichaam spatte door de kracht van de botsing.

Die is dood, schoot door haar heen. Ze kwam bij het spoor, rende langs de wagons tot de locomotief waarvan net de deur werd geopend. Bij de voorkant aangekomen keek ze, draaide direct haar gezicht weg en gaf luidruchtig over op de tegels. Ze voelde zich draaierig, de wereld om haar heen was mistig, kil en ze dacht dat ze flauw viel. Ze zakte op haar knieën en probeerde met haar hoofd omlaag lucht te happen.

 

***

‘Hee!’

Langzaam keek Sterre op, recht in het gezicht van de dronken man die ze net voor de trein had zien springen. Hij was lijkbleek, bijna wit. Nee, dat is het niet. Hij is … kleurloos. Ze schudde haar hoofd. ‘Maar… jij bent dood. Ik zag je springen.’ Ze stond op en week achter­uit.

Hij haalde zijn schouders op. ‘Ik weet niet wat ik ben. Dood niet, denk ik. Helaas.’ Hij gooide zijn lege heup­flacon op de rails en keek vervolgens om zich heen. ‘Maar ik vraag me af waar we nu zijn. En waar de trein is gebleven.’ Het spoor was inderdaad leeg.

Bij zijn woorden keek Sterre eveneens om zich heen. Ze waren in het station. Correctie, ze waren in een station, gemaakt van bewerkte, houten pilaren en een aantal hoge, aaneengesloten bogen die het dak vorm­den. Een paar kleine gebouwtjes van kale bak­steen met houten kozijnen en glas-in-lood ramen waren het enige dat ze kon zien naast rijen perrons en spoor. Voorbij het perron waren tientallen sporen, meer nog dan ze van Amsterdam Centraal gewend was.

De stilte hier was indringend, alsof de wereld leeg was. Het snerpende geluid van een stoomfluit doorbrak die stilte en deed pijn aan haar oren. ‘Kom op het perron,’ riep ze boven het geluid uit naar de dronken man die nog steeds op het spoor stond. Met moeite trok hij zich omhoog en rolde tot naast haar op het perron. In de verte verschenen twee koplampen die een dreigend rood licht uitstraalden in de inktzwarte buitenste duisternis.

Ze staarde naar dat licht en wist ineens wat er mis is. Het rode licht was de enige kleur die ze om zich heen zag. De dronkenlap en alles om haar heen was kleur­loos. Zelfs zijn bloeddoorlopen ogen waren grauw. Zijn lippen prevelden woorden die als door een mist tot haar kwamen, zelfs als ze haar oren spitste. Overal om haar heen hing een beklem­mende vochtige mist, die alles wit leek te maken. En stil. Doodstil.

De dronkenlap sjorde aan haar mouw en begon tegen haar te schreeuwen. Ze verstond geen woord van wat hij zei, zo werd ze opgeslokt door haar eigen zintuigen. Ze staarde naar zijn grijze arm op haar jasje. Dat was nog steeds mintgroen, alleen leek het alsof de kostbare zijde al honderden keren te heet was gewassen. Maar er was kleur en het voelde als hoop. De mist uit haar hoofd trok langzaam op en geluiden van buitenaf drongen weer tot haar door.

Piepende remmen van de trein die het perron naderde; geschuifel van ijzer dat knarste over de grond en dan – steeds duidelijker – het geschreeuw van de man. Zijn woorden kwamen een fractie van een seconde later binnen dan de bewegingen die zijn lippen maakten. Ze staarde alsof ze hem in een jaren vijftig film bekeek.

‘We moeten weg hier. Kom mee! Snel,’ riep hij.

Sterre keek in de richting die de dronkenlap aanwees. Daar aan de overkant van het perron stond een man die hen strak aankeek. Een moment dacht ze dat het de geilaard van daarnet was, maar de koude rillingen die deze figuur haar bezorgde was vele malen intenser. Nee, hem had ze niet eerder gezien. Een dergelijke blik zou ze zich herin­neren. Met donkere, holle ogen staarde hij hun kant op. Hij leek wel een geest met lange, magere ledematen die uit een gerafelde smoking staken, alsof het kledingstuk veel te klein voor hem was, handen met lange vingers en zwartglanzende nagels gekromd tot klauwen.

Sterre besefte dat ze ook naar hem staarde. Hun blikken kruisten. Hij kwam dichterbij de rand van het perron staan en hield haar blik vast. Ze voelde zich wegglijden in die diepe, donkere poelen die een einde aan alle pijn beloofden. Bijna wilde ze naar voren stappen, maar hij ver­dween uit zicht achter de trein die net langs het perron reed. Ze knipperde met haar ogen, haalde diep adem. Godverdomme, wat was dat?

Een hand op haar arm. De dronkenlap die nu vol­komen nuchter leek. ‘Weg hier. Nu!’ Hij trok haar mee en ze renden in de richting van de gebouwtjes met de glas-in-lood ramen. ‘Daar brandt licht.’

Ze zwikte haar enkels en schopte vloekend haar schoenen uit. Wrij­vend over haar pijnlijke gewrichten keek ze achterom. Haar adem stokte. Ze kon niet anders dan roerloos staren naar het tafereel dat zich voor haar ogen afspeelde al hadden haar hersenen moeite om de indrukken van haar zintuigen te ver­werken. De locomotief was van zwart ijzer, met een gloeiende vuurkist en vlampijpen. Zwarte rook kringel­de als dichte schaduwen om de wagons die erachter stonden. Terwijl ze keek, zag ze dat uit de zwarte rook glinsterend zwarte tentakels tevoorschijn schoten die snel over het perron in hun richting kronkelden.

Een verse scheut angst en adrenaline schoot door haar lichaam, bracht haar bij haar positieven en ze rende haar metgezel voorbij. Ze trok aan zijn arm. ‘Sneller, het haalt ons in. Daar is het licht.’ Ze waren er bijna. Vlak voor de gebouwtjes werd de arm die ze vasthad ineens uit haar handen getrokken. De kracht waarmee dat gebeurde, draaide haar om. De dronken­lap lag enkele meters voor haar op de grond, een ten­takel van ijzer en schaduw om zijn linkerenkel. Een tweede schoot tevoor­schijn en boorde zich in zijn onderrug, een derde klampte een grijpklauw om zijn rechterschouder met het geluid van krakende botten. Er klonk een hoog, wanhopig gekrijs.

Het duurde even voor ze besefte dat zij degene was die krijste. Het gezicht van de dronkenlap was nu vertrokken van pijn, zijn ogen groot en angstig. Hij wierp iets naar haar toe voor de klauwen hem achteruit trokken. ‘Ga nu! Vlucht! Te laat voor mij!’ Hij gleed nu snel in de richting van de trein.

Sterre staarde naar de locomotief die geduldig wachtte op zijn nieuwste prooi. De tentakels hieven de dronkenlap hoog op en meer ten­takels grepen zijn ledematen en droegen hem naar de gloeiende muil van de vuurkist die zich langzaam opende. Met een onaards brullen ver­dween hij in het vuur en de muil sloot zich. Een zwarte damp steeg op terwijl de rode koplampen opgloeiden.

Ze dook ineen, hapte naar adem en trilde over haar hele lichaam. Ze staarde naar de plek op het perron waar hij even daarvoor nog had ge­legen. Wat ligt daar? Ze zag een vierkante sleutelhanger, zo een waar je een foto in kunt doen, en pakte die. Daarna schuifelde ze snel het ge­bouwtje in en bleef daar hijgend en met snel kloppend hart met haar rug tegen de muur zitten. Wat is dit voor hel waarin ik beland ben? Uit haar tas pakte ze een sigaret die ze bijna niet aankreeg, zo trilden haar handen.

Op het fotootje in de sleutelhanger was het gezicht van een klein jongetje met donkere krulletjes en sprekende ogen. Ze draaide de sleutelhanger om en zag een met de hand geschreven tekst: RIP, mijn liefste jongen. Ze voelde een brok in haar keel en haar ogen brandden. Dus daarom sprong je. Arme vent. Ik wou dat ik je naam wist…

Treingeluiden klonken vanaf het perron en voor­zichtig keek ze door een raam. De wielen van de zwarte locomotief begonnen te draaien en langzaam reed het gevaarte met zijn wagons het station uit. Ze dacht aan de man met de holle ogen. Ook die was verdwenen. Misschien met de trein mee, dacht ze, opgelucht. Haar hartslag werd rustiger en ze bekeek haar nieuwe omgeving.

Het gebouwtje waarin ze zich had verschanst leek op een wachtruimte zoals ze die van verschillende sta­tions kende. Nu ze binnen was reali­seerde ze zich dat het licht weliswaar fel was, maar kleurloos. Wat nu, hoe kom ik hier weg? Haar oog viel op een verweerd stuk bruin papier, het enige stukje kleur, dat hier al lang op de verder lege grond leek te liggen. Ze pakte het op. In grove houtskoolletters stond een boodschap geschre­ven: ‘Vijf kilometer voorbij de watertoren. Zoek Heinrich.’

Haar mobiel was zo goed als dood. Geen enkel bereik. Ze nam wat foto’s die allemaal op oude zwart-wit plaatjes van vroeger leken. Ze liep over de verschil­lende perrons op zoek naar informatie, een aanwijzing voor waar ze zich nu bevond. De naamplaats ‘Haarlem’ stond in grote, witte letters op een muur geschilderd, maar dat was het dan wel. Het was niet haar eigen vertrouwde Haarlem, zoveel wist ze zeker. Wat het wel was, ze wist het niet en de angst die hierdoor in haar opborrelde, kon ze slechts met moeite verdringen. Concentreer je, zei ze tegen zichzelf. Er was hier helemaal niets in het station om voor te blijven en ze besloot op onderzoek uit te gaan.

Op het perron bleef ze staan. Overal waar ze keek zag ze ontelbaar veel rails. Welke kant moest ze op? Ze had geen idee. Voor het eerst in haar leven voelde ze zich helemaal alleen. Ze had behoefte aan een mens, aan iemand die antwoorden kon geven op alle bange vragen in haar hoofd. Ze voelde het briefje dat ze in haar zak gestoken had. ‘Vijf kilometer voorbij de watertoren. Zoek Heinrich.’ Ze zuchtte. Laat Heinrich in gods­naam niet die enge griezel van daarnet zijn. Met haar vingers stevig geklemd om de sleutelhanger liep ze het perron af.

Buiten het station begon een dichte, witte mist die niets van de buiten­wereld toonde en zelfs dag of nacht wist te verhullen. Aan een kant van het station vond ze een watertoren. Ze dacht aan de woorden op het papier. Vertwijfeld keek ze naar de keitjes en de rails en vervolgens naar haar voeten. Als er niet snel gras of aarde naast het spoor komt, houd ik geen voeten meer over. Toch liep ze verder. Ze had weinig keus.

 

***

 

Tweehonderd meter voorbij de watertoren liep het spoor langs een kanaal, waar ook een pad liep dat redelijk begaanbaar was. Het water was donker, levenloos en er dreven olieachtige vlekken op. Aan de overkant van het kanaal draaiden de wieken van rijen ouderwetse windmolens hun rondjes. Maar het waait helemaal niet. Rijen kleurloze figuurtjes, men­sen, marcheerden langzaam de grote deuropeningen van de molens in. Die mensen gaan naar binnen, maar ik zie niemand vertrekken. Sterre zag dat de wieken in plaats van canvas vleermuisvleugels hadden. Ze besloot dat ze beter snel door kon lopen.

Het landschap om haar heen bleef in dichte, witte mist gehuld, klam en kil. Ze raakte alle besef van tijd kwijt. Of het dag of nacht was kon ze niet opmaken, er was geen zon, geen maan en geen daglicht. Toch was het niet donker.

Ze huiverde en sloeg haar armen om haar lijf heen. De zijde van haar jasje voelde vochtig en koud aan en haar voeten deden pijn. Volgens mij heb ik me nooit zo ellendig gevoeld, dacht ze. Het besef dat haar huidige situatie zelfs ellendiger was dan de boodschap van haar overspelige ex-vriend eerder die dag, deed haar grijnzen. En dat allemaal omdat Mike zo nodig zijn zaden moest laten waaien. Als ze hem ooit weer zag, zou ze hem zo’n lel geven dat ie z’n zaden een tijdje nergens kon laten waaien. De minkukel.

De hele tijd had ze het gevoel dat ze werd gevolgd, geobserveerd. Niet door een trein of iets tastbaars, toch was het gevoel er.

Langs de kant van het spoor, in een verdorde rietkraag, stond een paaltje met daarop een houten bordje. In vervaagde houtskoolletters stond het woord Heinrich. Dit zou het moeten zijn. Voorbij het water zag ze tussen de kronkelende flarden mist een aantal verwrongen bomen. Als ze overstak, kon ze bij die bomen komen. In ieder geval weg van dat spoor. Geen idee of er nog zo’n trein rondrijdt. Diep in haar onderbuik fladderde een verlammende angst bij de gedachte aan de gebeurtenissen op het perron. Ze vond een ondiepe plek en kwam relatief droog, maar met verkleumde voeten aan de overkant.

Iets verderop waren de bomen rechter en bezaten ze een bladerdak. Nog steeds verstoken van alle kleur, maar in ieder geval leek het nog ergens op. Ze merkte dat ze bijna onwillekeurig een pad volgde, dat haar bij een open plek bracht. Daar brandde een vuurtje met grijze en witte vlammen. Aan de rand van het vuur stond een pan waaruit een kruidige geur kwam.

‘Is hier iemand?’ zei ze. ‘Heinrich?’ Haar tanden klapperden.

Het antwoord kwam van achter haar. ‘Dat ben ik.’ Ze voelde haar hart in haar keel springen. Ze draaide zich om en schrok weer. De eigenaar van de stem stond vlak achter haar en het eerste dat ze van hem zag waren waterige, dofblauwe ogen. Ze struikelde achteruit tot bij het vuur. De man bleef staan.

Wacht even, hij heeft kleur! Ook al waren zijn kleren oud, gescheurd en versleten, een soort uniform ooit, er zat nog wat kleur in. Zijn haar had een bruin tintje, zijn huid was hier en daar nog huidkleurig, hoewel veel van zijn lichaam dezelfde kleurloze eigenschap had die ze bij de dron­kenlap had gezien. En in de rest van deze rare, verwrongen wereld.

‘Je liet me schrikken!’

‘Entschuldigung, dat spijt me,’ zei de man. ‘Ik vertrouw niemand hier.’

Sterre knikte. ‘Dat kan ik begrijpen. Waar is hier?’

De man wreef zich over zijn voorhoofd. Zijn haar was lang, ongekamd en leek lukraak te zijn afgesneden. ‘Waar het ook is, ik ben hier al veel te lang, Sterre. Wat mij betreft is dit de hel.’

‘Hoe ken je mijn naam.’

‘Je werd aangekondigd. Dacht je werkelijk dat je kleuren hier onop­gemerkt zouden blijven. Je bent vers.’ Met zijn duim wees hij over zijn schouder. ‘Ben je gevolgd?’

‘Het leek er wel op,’ zei Sterre. ‘Gezien heb ik niets.’

‘Ze wachten af, we hebben de tijd.’ Heinrich gebaarde dat ze bij het vuur moest gaan zitten. Hijzelf ging naast de pan zitten en roerde erin. Uit zijn tas haalde hij een paar versleten schoenen en gooide die naast haar in het zand. ‘Vul ze met wat gras, ze zullen wel te groot zijn.’

Dankbaar pakte ze de jongensgympen aan. ‘Hoe kom je daaraan?’

‘Geen vragen stellen waarop je het antwoord niet wilt weten. Vertel me liever hoe je hier gekomen bent.’

Er kwam voldoende warmte van het vuur om haar koude lijf te verwar­men en samen met de sigaret voelde ze zich kalmer worden. Hoe bizar haar verhaal ook was, ze was blij dat ze het aan iemand kon vertellen.

‘Selbstmord,’ zei Heinrich toen ze uitgesproken was. Hij leek verdrietig.

‘Ik denk het,’ zei Sterre en liet hem de sleutelhanger zien. ‘Hij hoefde niet meer.’

‘Zo ben ik ook hier gekomen. Ruim zeventig jaar geleden.’

Sterre keek naar hem. ‘Zo oud zie je er niet uit.’

‘Niemand sterft hier,’ zei Heinrich. ‘Hoe kun je anders boete doen in deze hel?’

‘Hoe kan het dat je kleur hebt? Net als ik? Is het iets dat langzaam ver­vaagt?’ Ze huiverde, gooide haar peuk in het vuur en hield haar handen dicht bij de vlammen.

Heinrich schudde zijn hoofd. ‘Jij hebt geen zelfmoord gepleegd. Ik ook niet. Maar we waren in de buurt van een zelfmoord. In de loop der jaren heb ik geleerd dat omstanders soms worden meegezogen, als het ware.’

‘Je noemde deze plek een hel,’ zei Sterre. ‘Zijn de loco­mo­tieven dan duivels die de zielen teisteren?’

‘Was het maar zo eenvoudig,’ zei Heinrich. ‘De dronken­lap werd het slachtoffer van de treinen en onderweg hierheen werd je geschaduwd. Dat waren de engelen. Zij zijn minstens even moordlustig.’ Hij huiverde. ‘En dan is er nog de man met de holle ogen.’

‘Hee,’ zei Sterre, ‘die man met de holle ogen heb ik gezien. Hij was op het perron toen de trein… je weet wel.’ Ze huiverde.

Heinrich keek op van zijn pan en staarde naar haar. ‘Heeft ‘ie jou gezien?’

‘Ik denk het wel.’

Heinrich stond meteen op. ‘Dan moeten we vertrek­ken. Als die je gezien heeft, dan komt hij je halen.’ Hij pakte spullen in zijn plunjezak.

‘Waar moeten we heen? In de vijf kilometer dat ik vanaf het station heb gelopen zag ik enkel mist, oneindig veel rails en een dor landschap. Is er meer dan dat?’

Heinrich zuchtte. ‘Wat je zag is een reflectie van onze werkelijkheid. Veel is gelijk, maar alles hier is dood of stervende. De perfecte plek voor depressieve mensen die zelfmoord op het spoor gepleegd hebben.’ Hij wees naar haar voeten. ‘Kun je staan? Kun je lopen?’

Sterre probeerde het. ‘Ik denk van wel. Alles beter dan blote voeten.’

‘Mooi, eet nog snel wat, ik denk niet dat we daar straks nog veel tijd voor zullen hebben.’ Hij schepte een kom vol met dampende brij en gaf die aan haar. Zelf nam hij af en toe een lepel uit de pan terwijl hij nerveus om zich heen bleef kijken.

‘Heb je nooit een weg terug gezocht?’ vroeg Sterre. ‘Als je hier binnen kunt komen, moet je toch ook weer weg kunnen komen?’

Heinrich haalde diep adem. Hij staarde naar de brij in de pan die hij met zijn lepel omroerde. ‘Ja. Ja, dat kan.’

Van schrik liet ze haar kom vallen. ‘Hoe? Wat moeten we doen?’

Heinrich hief zijn lepel en wees naar haar. ‘Jij moet vooral naar me luisteren en doen wat ik zeg, als je hier ooit weg wilt komen.’

Sterre zweeg even. Zijn woorden deden haar aan Mike denken. ‘Wie denk je wel dat je bent?’

‘Degene die de weg weet. En die ervoor kan zorgen dat je hier niet je honderdste verjaardag hoeft te vieren.’

Sterre zag de emotie in Heinrichs ogen. ‘Hoe ben jij hier eigenlijk geko­men? Zeventig jaar geleden?’

‘Een lang verhaal,’ zei Heinrich. ‘Ik probeerde een zelfmoord te verhin­deren. Maar ik was net te laat om haar te redden. Toen ik mijn ogen opendeed was ik hier beland.’ Met zijn arm veegde hij zijn ogen droog. ‘Een moment later werd ze gegrepen en…’ Hij hield zijn mond, hield zijn hoofd schuin en leek te luisteren. ‘We moeten weg. De engelen zoeken prooi. Zij zullen niet toeslaan als de man met de holle ogen nabij is, dus zij zullen voor hem willen toeslaan. Ik voel hun nabijheid, al zijn ze op hun hoede.’ Hij borg zijn lepel en pan op en gooide zijn plunjezak over zijn schouder.

‘Waar kunnen we schuilen?’ vroeg Sterre.

‘Wrang genoeg enkel op het spoor,’ zei Heinrich. ‘Engelen en locomo­tieven mogen elkaar niet.’

‘Hoe ben je daar ooit achter gekomen?’ vroeg Sterre.

‘Schade en schande,’ zei Heinrich. ‘Naarmate je hoop verdwijnt, ver­vaagt je kleur hier. Zoals je aan mij ziet. Ik had veel kleur in het begin. Toen kwam ik mijn eerste engel tegen. Die kostte me bijna mijn leven. En mijn ziel.’ Hij sprong vol zelfvertrouwen over de stenen in het stroompje, op de voet gevolgd door Sterre.

‘Die kant op ligt Amsterdam.’ Hij wees verder langs het spoor dat Sterre in eerste instantie had gevolgd.

‘Moeten we daar helemaal naar toe?’

Hij knikte. ‘We moeten voortmaken, de engelen worden ongeduldig.’

 

***

 

Na eindeloos gelopen te hebben naderden ze een klein perron. Sterre zag een meisje van een jaar of twaalf op de verhoging naast het spoor staan. Haar paarden­staart zat verwaaid in een felroze strik. Haar grijzige jurk was besmeurd met neonrode vlekken. Ze staarde voor zich uit.

Sterre versnelde haar pas en riep: ‘Meisje, wie ben je? Hoe ben je hier gekomen?’

Heinrich rende achter Sterre aan en probeerde haar tegen te houden om de trap naar het perron te beklimmen. Ze trok zich los en liep verder. Hij keek om zich heen en trok nog harder aan haar, waardoor ze achter­over viel. Het meisje liep van haar weg. Haar ogen staarden naar de rode koplampen die in de verte vanuit Amsterdam aan kwamen denderen.

Het meisje stak haar handen uit naar de naderende trein. Ze draaide haar hoofd naar Sterre en riep met een hoog stemmetje: ‘Ik ga naar het Eindpunt. Mama is daar. Ze wacht op me.’

‘Doe het niet,’ riep Sterre en krabbelde overeind. Ze wilde naar het meisje toe rennen om haar te redden. Bij de dronkenlap had ze gefaald, dat niet weer.

Heinrich pakte haar van achter vast en hield haar in een houdgreep. ‘Het kan niet. Je kunt haar niet redden. Ze is gegrepen door de engelen. Kijk dan, haar kleur. Geloof me, wat je ziet is valse hoop.’

‘Nee, ze is gewoon haar kleur nog niet verloren, net als jij. We kunnen haar redden.’

‘Ik ken het verschil,’ siste Heinrich. ‘Ik ken het verschil tussen hoop en hopeloos. Dit meisje is niet te redden. Zij gaat niet naar het Eindpunt. Waar zij heengaat, daar wil jij niet komen.’

‘Ze is een kind, zie je dat dan niet? We moeten haar helpen.’

‘Het spijt me.’ Met al zijn kracht trok hij Sterre naar het wachtershokje en hield zijn hand voor haar mond om haar gekrijs te smoren.

De trein reed het station binnen in een dichte wolk donkere rook waarin de slangachtige bewegingen van de zwartmetalen tentakels een dreigend halo vormden. Het meisje stond afgetekend als een klein, kwetsbaar poppetje tegen de rode gloed van de vuurkist.

Heinrich tikte op Sterre’s schouder en wees omhoog. ‘Een engel.’ Een diepere schaduw viel over het perron en een slanke gestalte met im­men­se vleugels bedekt met vuilwitte veren daalde neer achter het meisje.

De stoomfluit van de trein blies een schrille uitdaging en uit de rook schoten tentakels naar voren om het meisje te grijpen. De engel strekte lange armen uit en greep twee van de tentakels vast terwijl zijn vleugels de andere tentakels afweerde. Losse veren vlogen in het rond terwijl de engel achteloos de tentakels in een hand nam en vervolgens met de andere hand de schakels lostrok. De losse stukken vielen op de grond. De uiteinden met hun stalen bekken bleven happend kronkelen op de grond tot de engel ze met zijn klauwvoeten kapot trapte. Meer tentakels wikkelden zich om zijn benen en vleugels. Het wezen negeerde ze en bleef tentakels, die het meisje probeerden te bereiken, afweren en ver­nielen. Het meisje bleef onbewogen voor zich uit staren.

Opgelucht haalde Sterre adem en liep op het meisje af. ‘Hij heeft haar gered. De engel heeft het meisje uit de tentakels van de locomotief gered!’

‘Gered is niet het juiste woord.’ Heinrich duwde Sterre voor zich uit, de berm van het spoor in. ‘Doorlopen,’ fluisterde hij in haar oor. ‘Niet omkijken.’

Sterre trok haar arm los en draaide zich om. Ze was vastbesloten het meisje niet alleen achter te laten. Ze keek naar het perron, maar in het geweld van rook, vleugels en tentakels was het arme kind niet te zien. ‘Waar is ze gebleven?’

‘Heb ik je uitgelegd. Ze was niet meer te redden. Geloof me. We moeten weg hier!’ Hij gaf haar een zet zodat ze verder struikelde, kwam toen naast haar lopen en greep haar elleboog vast. Zo snel als hij kon trok hij Sterre mee. Ze wilde eerst tegenwerken, maar de twijfel die ze eerder voelde kwam terug, versterkt door Heinrichs woorden.

‘Waarom was ze niet te redden?’ vroeg ze. ‘Ik begrijp het niet. Ze was zo klein, zij had toch geen zelfmoord gepleegd?’

‘Hoe ze hier gekomen is, dat weet ik niet. Dat ze verloren was, dat zag ik meteen.’

‘Ze had toch kleur, althans een beetje.’

Heinrich keek regelmatig achterom terwijl ze liepen. Bij haar vraag stond hij even stil. ‘Als dit de Hel is, dan is je ziel hier. Waar is dan je lichaam?’

Sterre keek hem aan. ‘Mijn lichaam is toch hier? Je ziet me toch?’

Heinrich begon weer te lopen. Hij mompelde in zichzelf.

Sterre volgde hem. ‘Waar is mijn lichaam?’

‘Waarschijnlijk nog waar je het gelaten hebt,’ ant­woordde hij.

‘Station Haarlem? Op het perron?’

‘Dat zal dan wel. Bewusteloos. Of onverklaarbaar coma.’

‘Is dat met jou ook gebeurd?’

‘Ik weet het niet zeker. Er kwam een moment dat ik een groot verlies voelde, alsof mijn connectie met de echte wereld ineens verdween. Mijn kleuren werden fletser.’

 

***

 

Het kleine station verdween in de mist en er leek een last van Heinrichs schouders te vallen. Hij ademde een paar keer diep en liep toen met kalme passen verder in de richting van Amsterdam. ‘Het was misschien maar goed ook. Ik was erg goed in mijn werk. Mijn verdwijnen heeft waarschijnlijk veel mensenlevens gered.’

‘Je hebt nooit verteld wat je deed in de oorlog,’ zei Sterre. Ze keek naar de emblemen op zijn uniform. ‘Was je fout?’

‘Achteraf wel. Op dat moment geloofde ik echt … nou ja, je begrijpt het wel. Destijds was ik er trots op dat we zo efficiënt waren.’

‘Wat deed je precies?’

‘Veetransporten per trein organiseren,’ zei Heinrich.

Sterre keek opzij. ‘Wat was daar zo fout aan dan?’

‘De vrouw die ik probeerde te redden…’

‘Je zei zoiets. Wie was ze?’

‘Dat weet ik niet. Ze was Jude en ze had een baby in haar armen.’

‘Dat waren geen veewagens, hè?’

Heinrich schudde zijn hoofd. Zijn kaken bewogen alsof hij met zijn tanden knarste en zijn ogen waren vochtig.

‘Christus.’

Heinrich sloeg een kruis. ‘Je begrijpt dat ik me schuldig voel?’

Sterre knikte. ‘Ja. Zeg me eerlijk: Waarom die inkeer. Er zullen meer moeders met baby’s hebben gestaan. Die heb je wel op transport gezet.’

‘Ik werkte vanuit een kantoor. Schema’s op papier. Ik vertrouwde het niet meer. Het was de eerste keer dat ik daadwerkelijk de trein kwam inspecteren.’ Hij haalde zijn handen door zijn grijze haren en staarde in de mist. ‘Ik was geschokt, verdoofd. Er kwam een trein langsrijden. Ik zag haar springen.’ Hij haalde zijn mouw langs zijn ogen. ‘Ik kwam te laat. Als ik niet geaarzeld had dan was ze misschien…’

‘Dus jij bent hier omdat zij sprong?’

‘Selbstmord, een enkele reis naar de hel. En daar zijn we nu.’

‘Maar jij hebt toch geen zelfmoord gepleegd? Kun jij hier niet weg dan?’

Weer ademde Heinrich diep in. ‘Er is een uitgang. Daar zijn eerder mensen door vertrokken.’

‘Je zegt het alsof je erbij was.’

‘Was ik ook. Ik heb ze daar gebracht.’ Er kwam een pijnlijke uitdruk­king op zijn gezicht.

‘Slechte herinneringen?’

‘De man met de holle ogen is daar. Of één van hen dan, hij is niet alleen. De uitgang wordt altijd bewaakt. En er kan er maar één tegelijk doorheen.’

Sterre zweeg terwijl ze verder liepen. Haar gedachten maalden over de implicaties van zijn woorden.

 

***

 

Amsterdam Centraal was een immense koepel van donkere ijzeren platen met bizarre uitsteeksels, over meerdere verdiepingen waar sporen op verschillende niveaus samenkwamen. Het stroompje naast het spoor was een vaart geworden en aan één kant van Centraal verdween een staalgrijze vlakte van kil water in de dichte mist, alsof de rivier genaamd IJ zich oneindig ver uitstrekte voorbij hun gezichtsveld.

Treinen reden hier af en aan en spuwden hun stinkende rook de lucht in zodat het leek alsof Sterre dikke soep inademde.

‘Gatverdamme.’ Ze hoestte. ‘Moeten we hier echt zijn?’

‘Wat je ruikt is wanhoop, pijn en verdriet,’ zei Heinrich. ‘De treinen verbranden dat en de rook slaat neer als depressie die de mensen weer inademen, een eindeloze cirkel.’

‘Afschuwelijk,’ zei Sterre. Hoe langer ze hier doorbracht, hoe heftiger ze naar huis verlangde.

Een schaduw bewoog boven hen door de mist en een engel materiali­seerde. Met onvermoede gratie dook het wezen naar de koepel en landde daar op een dicht kluwen uitsteeksels. Vanaf hun beschutte plek tussen een paar lage gebouwtjes zagen ze hoe de engel een klein figuurtje tussen de uitsteeksels propte en vervolgens vastmaakte.

‘Ze gebruiken hun prooi ook als lokaas,’ zei Heinrich. ‘Als ze hun hoofd niet met valse hoop vullen.’ Hij wees naar de koepel, naar een klein torentje op de top. ‘Daar bovenin. Daar moeten we heen. Ik ken een veilige weg.’

Hij leidde haar naar een tunnel die ooit was afge­sloten met een stalen hekwerk. De spijlen waren zo verbogen dat hij er met moeite doorheen kon. Sterre kon er met gemak doorheen.

‘Dit is een soort afvoer. Hij komt uit onder het dak en van daar komen we bij een smalle ladder omhoog.’ Heinrich slikte een paar keer.

‘Is er iets dat je me niet vertelt?’ zei Sterre.

‘Herinneringen. Ik moest denken aan mijn tijd met mijn engel. Hij vulde mijn hoofd met leugens en valse hoop. Hij zou me helpen te ontsnappen, als ik maar naar hem luisterde. Al die tijd zoog hij me langzaam leeg als een soort overmaatse teek. En hij gebruikte me om anderen te lokken. Het duurde lang voor ik het doorhad.’

‘Hoe ben je ontsnapt?’

‘Ik kreeg hulp van Mathilde. Ze hielp vaker mensen die hier niet thuishoorden. Al bijna honderd jaar.’

‘Wie hoort hier wel thuis dan?’

‘Zij die vinden dat ze hier horen,’ zei Heinrich somber. ‘Ze maakte me los toen mijn engel weg was en nam me mee naar deze tunnel. Hier hebben we een tijd gezeten. Ze legde me deze hel uit, voor ze me naar de uitgang bracht.’

‘Maar je bent hier.’

Heinrich knikte. ‘Ik was toen al fletser van kleur geworden. De verbinding met mijn lichaam was verbroken. Op een of andere manier wist ik dat er niets was om naar terug te gaan.’

‘Dus je hebt haar vrijgemaakt?’

‘De prijs was… pijnlijk, maar het was het waard. Het was het eerste waarover ik me in heel lange tijd goed voelde.’

‘Ik kan niet zeggen dat ik je pijn begrijp,’ zei Sterre. ‘Ik dacht dat gisteren mijn wereld verging nadat Mike verkondigde dat hij buiten de pot wilde pissen om daarna weer terug te komen om met mij een toe­komst op te bouwen. Nu ben ik hier en ik realiseer me dat levensverdriet echt iets anders is.’

Heinrich glimlachte. ‘Hij klinkt als een waardeloos iemand. Ik denk dat je beter af bent zonder hem.’

‘Ik heb te lang gedacht dat ik niet kon ademen zonder hem, dat hij levensvreugde in me blies. Je weet wel: de ware, de vader van mijn toe­komstige kinderen.’

‘Hij zuigt je leeg, langzaam, als een van de engelen hier,’ zei Heinrich. ‘Wat dat betreft hoef je niet terug.’

Sterre voelde haar ogen beginnen te branden. ‘Valse hoop, is dat waar ik me al die jaren aan heb vastge­klampt?’

‘Als er in mijn tijd meer mensen waren geweest die de moed hadden voor zichzelf te denken, dan was mis­schien alles anders gelopen .’

‘Die vergelijking van jouw leven en het mijne, loopt spaak. Mijn verdriet is geen vergelijk met wat er destijds is gebeurd.’ Sterre knikte voor zich uit. ‘Ik hoor wat je zegt en toch hoop ik dat hij daar staat en op me wacht.’

Heinrich aaide over haar wang. ‘Alleen is ook niet alles, dat weet ik, maar eenzaam kun je alleen zijn als er mensen om je heen zijn die je in de steek laten. Dan pas ben je echt alleen.’

 

***

 

De ladder naar boven leek vrij in de lucht te hangen. Sterre hield de sporten angstvallig stevig vast en dwong zich naar de voeten van Heinrich te kijken die langzaam voor haar uit klom naar het donkere gat in de bodem van het koepeltje dat bij elke stap die ze naar boven deed, leek te groeien.

Vlak onder het gat hield hij halt.

‘Als we naar binnen komen zul je in het midden van de koepel een fel wit licht zien. Daar moet je heen.’

‘En jij dan?’

‘Er kan er maar een tegelijk doorheen.’

‘Kunnen we niet tegelijk?’

‘We kunnen het proberen,’ zei Heinrich, maar zijn gelaatsuitdrukking zei anders. Hij trok zich omhoog het gat in. Even later zag Sterre zijn arm naar beneden strekken. Ze nam zijn hand vast en hij trok haar omhoog.

Het witte licht in het midden van het koepeltje was meteen zichtbaar. De binnenkant van het gebouw leek veel groter dan de buitenkant. Er hing een muffe lucht, dierlijk bijna. Af en toe klonk er zacht gerinkel van metaal op metaal.

‘Daar is het,’ fluisterde Sterre.

Hun ogen wenden aan het duister en nu zagen ze de kooien. Rij na rij hingen ze van het plafond, vier­kante dozen van stalen spijlen aan een dikke ketting die in de duisternis van het dak verdween.

In de schemer zag ze lichamen die in de kooien gepropt waren. Hier en daar stak een stuk been of een stuk arm uit. Sterre voelde haar maag rommelen toen ze zag dat die gestript waren van vlees en dat enkel rafelige huid, botten en pezen over waren.

Het geluid van krassende nagels op ijzer klonk scherp en hol door de ruimte. Sterre keek om zich heen, maar het donker liet zich niet terug­dringen door het licht.

‘Schnell!’ maande Heinrich haar. Hij trok haar over­eind en ze renden over de vlakke vloer naar het licht. Hun voetstappen klonken hard op de ijzerplaten van de vloer. Het geluid werd overstemd door het schrapen van nagels over metaal en een keer zelfs door een diep lachen dat boven hen klonk.

Op een paar meter van het licht voelde Sterre een verscheurende pijn in haar rechterdij. Ze keek en zag een klauw die zich om haar bovenbeen geklemd had, met lange, scherpe, zwarte nagels die dwars door de stof van haar jeans haar vlees in gingen. Ze gilde van pijn en paniek.

Langzaam trok de klauw haar de schaduw in, waar ze nu in de weer­kaatsing van het licht het emotieloze gezicht van de man met de holle ogen zag, zijn oogkassen in het halfdonker grote gaten die eindeloos diep leken. De horizontale streep van zijn mond opende zich en rij na rij naaldscherpe tanden stulpte naar buiten op kaken die uit zijn gezicht naar voren kwamen.

Een ijzeren stang kwam hard neer op de klauw die haar vasthad. Hij liet haar los. Heinrich stapte tussen haar en de man met de holle ogen. ‘Kennst mich noch, ja?’ Hij zei tegen Sterre: ‘Ga, ren, ik hou hem bezig!’

‘Nee, we moeten samen.’

Heinrich sloeg een klauw van zijn lijf weg. ‘Ik heb daar niets, jij wel! Zoek me op als je daar bent. Geef me mijn rust.’ Hij draaide zich om, sprong op haar af en duwde haar hard in de richting van het licht. Terwijl ze een wolk van witte watten inviel zag ze de beide handen van de man met de holle ogen Heinrichs schouders grijpen en hem hulpeloos optillen. Alles werd wit voor ze kon zien wat er met hem gebeurde.

 

***

 

Ze knipperde met haar ogen en zag verschrikte gezichten om haar heen, afgetekend tegen het hoge dak van een treinstation. Ze probeerde over­eind te komen.

‘Rustig maar,’ zei een kalme stem naast haar. Ze keek opzij en zag een jongeman in een groen met gele overall, een ambulancebroeder. Hij heeft kleur! Hij hield haar pols vast en keek tegelijk op zijn horloge. ‘Je bent aardig geschrokken en flauwgevallen. Hoe voel je je nu?’

‘Duizelig. Hoe lang ben ik weggeweest?’

‘Een kleine twintig minuten. We hebben eerst gepro­beerd die man te reanimeren, maar dat haalde niets uit.’

Sterre dacht aan de vuurkist van de locomotief waar hij in gesleurd werd. ‘Ik weet het, hij was echt dood. Waar is hij nu?’

‘We hebben zijn lichaam afgevoerd.’ De ambulance­broeder wees naar het spoor dat helemaal verlaten was. ‘Het meeste tenminste. Kende je hem? Omstan­ders zeiden dat hij al een tijdje rondliep.’

Sterre schudde haar hoofd. ‘Ik heb hooguit een paar woorden met hem gewisseld. Hij was erg verdrietig.’

‘Ik zal het noteren. Nu eerst de laatste trein uit Amster­dam binnen­halen en dan gaan we dicht voor vannacht. Grondige schoonmaak. Snap je nou dat mensen dat doen? Voor een trein springen bedoel ik?’

‘Soms neemt het leven meer dan je missen kunt.’

De ambulancebroeder knikte naar de overkant. ‘Ramp­gluurders. Zie ze kijken daar. Hopen ze op bloed?’ Hij haalde zijn schouders op. ‘Blijf hier, ik over­leg even.’ Hij stond op en liep naar de ambulance.

Sterre stak een sigaret op, staarde naar het bran­dende staafje en gooide het op de rails. Het landde vlak naast de heupflacon van de dronkenlap. Ze pakte haar mobiel. Vijf berichten. Van Mike. Snel opende ze haar berichten. ‘Ik hoorde van een ongeluk en moest aan je denken. Ik kom naar huis.’ Een warm gevoel stroomde door haar lichaam. Ze herkende het als hoop. Voor ze haar mobiel wegstopte keek ze naar de foto’s die ze in het wachthokje had gemaakt. Het gaf haar nare herinne­ringen dus ze besloot ze allemaal te wissen. Op het moment dat ze de laatste foto wilde verwijderen, viel haar telefoon uit. Klotending.

Ze keek naar de laatste passagiers die met de trein waren aangekomen. Haar adem stokte in haar keel. Was dat Mike?

‘Hee, Sterre, alles goed met je?’ schreeuwde hij vanaf het andere perron

Even later stond hij naast haar. Hij knielde bij Sterre neer en pakte haar hand. Met grote ogen keek hij naar de bloedvlekken op haar jeans. ‘Heb je geprobeerd… Was jij voor de trein gesprongen? Lieverd, ik…’

Het duurde even voor Sterre doorhad wat hij bedoelde. Dacht hij nu werkelijk dat ze voor hem een einde aan haar leven zou maken? De eikel.

Ze schudde haar hoofd, probeerde op te staan maar de hamer in haar hoofd en de krassen in haar boven­been deden haar duizelen. Achter Mike verscheen Linda met haar hakken in haar hand.

De jongen kwam terug van de ambulance. ‘Je moet voor de zekerheid een nachtje in het ziekenhuis blijven, voor observatie. Morgen willen ze je grondig onderzoeken. Er is een psycholoog aanwezig mocht je daar behoefte aan hebben.’

Ze wilde de hand van de jonge helper grijpen, maar Mike duwde hem aan de kant en hielp haar op te staan. Haar lichaam reageerde met een dosis hoop, dat niets was veranderd, dat alles bij het oude was. Voor­zichtig stond ze op. Ze leunde zwaarder op hem dan strikt nood­zakelijk en grijnsde naar zijn snol.

Gedachten aan de gebeurtenissen van deze avond spookten door haar hoofd. Ze dacht aan de dronkenlap, het meisje op het perron en vooral aan Heinrich. Ze miste hem, miste zijn rechtschapenheid, zijn opoffe­ring, zijn behulpzaamheid. Hij was een goed mens, voor zover ze dat in hun korte samenzijn kon beoor­delen.

Bij de ambulance scheen één van de broeders een lichtje in haar ogen. ‘Niets ernstigs zo te zien. We hebben met de dienstdoende arts op de EH overlegd. Ze wil je nog vanavond zien. Je man mag achterin plaats nemen.’

De broeder nam haar van Mike over en ze merkte hoe hij een stap achteruit deed. Zijn warmte ebde weg. Ze keek hem aan.

‘Ik zie je morgen,’ zei hij, ‘dan kom ik terug.’ Hij keek met een smerige grijns naar Linda, toen weer naar Sterre. ‘Meer tijd heb ik niet nodig.’

Ze kreeg een rood waas voor haar ogen. De woorden van Heinrich, dat Mike een nietsnut was, galmden in haar oren. Ze besefte ineens dat Mike als de engelen was. Valse hoop. Klootzak. Ze deed een stap terug en greep zijn overhemd vast. Met al haar kracht ramde ze haar knie tussen zijn benen. Mike sloeg dubbel en braakte zijn maaginhoud op het perron.

‘Loos je zaad maar in die snol. Voor een trein springen? Voor jou? Ben je niet goed snik? Ik heb de hel gezien en ben ontsnapt. Dat nooit meer. Je spullen liggen morgen op straat, bij mij kom je er niet meer in!’ Ze hinkte met de ambulancebroeder mee. ‘Auf nie wiedersehen!’

 

***

 

In de schaduwen, vlak bij de uitgang van het perron, stond een man met holle ogen. Hij keek naar de ambulance die net vertrok. Prooi die hij ooit gezien had, kon hij overal volgen. En hij had alle tijd.

Knielen in de weide : Roelof Goudriaan

Vroeg in de ochtend, in de bakkerswinkel, ondervind ik pas volledig dat ik de hele nacht op Janneke’s graf heb geknield.

Aaltje Overvecht, de mollige bakkersvrouw, lijkt opeens vijftien jaar jonger.

‘Een half desembrood. Verder nog iets, Janneke?’ zegt ze, met een gemene grijs die ik niet verwachtte.

Janneke? Noemt ze me nu echt zo?

Naast me fluistert ‘kromme’ Antje Geilvoet met de echtgenote van drogist Gramsma. Die twee ouwe tangen hebben net hun laatste restje kleur verloren. Ze lijken op gevlekte schaduwen in het sepia van oude foto’s. Hun donkere kapothoeden willen me be­springen, hun vleermuis­zwarte rokken en hesjes willen me verstikken, tot ik zelf ook een kleur­loze, rimpe­lige mummie zal worden. Negeer Janneke’s angsten! Ik heb afgelopen nacht wel heel erg veel van Janneke in me opgenomen, daar in de weide. Veel voor mij, maar is het genoeg geweest?

‘Niet vandaag, dank u, mevrouw Overvecht.’ Ik geef haar zenuwachtig wat geld – waren dat nu euro’s of guldens geweest? – en snel de bakkers­zaak uit zo snel als mijn lange rokken het me toestaan. De zure blikken van de Geilvoetfeeks boren zich tussen mijn schouder­bladen.

 

Vijftien jaar geleden waren we onafscheidelijk, Janneke en ik, twee durfal-meiden van veertien. We kenden alle plekjes rond het dorp, vooral die waar we niet mochten komen. De vervallen cementfabriek met zijn bekladde ‘gevaar’-borden, de dichtgetimmerde ingangen van de half ingestorte kalksteengroeve.

Maar op de gevaarljkste plaats van allemaal was geen verbodsbord te zien. Toch mocht je er met geen volwassene in het dorp over spreken als je geen draai om je oren en honderd geknielde Weesgegroetjes wilde riskeren. Iedereen verloochende hartstochtelijk het bestaan van de zelfmoordenaarsweide. De plattegronden die de drogist verkocht, toonde alleen de omringende bossen. Er was ook geen pad naartoe: je moest je een weg banen door greppels en snelgroeiende braamstruiken in de schaduwen van een samengepakt bos.

Wij hadden elkaar stiekem gekust die dag, zoals elke dag die week. We wilden meer, en waren diep tussen het geboomte op zoek naar een plek waar de loerende ogen van het dorp ons niet zouden vinden. Zo ontdekten we de weide. Vanuit de zonloze boomrand zagen we negen lange rijen van platliggende, sepiakleurige grafstenen die een centimer of twee boven het gemillimeterde gras uitstaken. Samen stapten we de weide in, bovenop een verweerde steen. Met moeite las ik de jaartallen 1440-1468 op de sober uitgevoerde steen. De praal van de stenen en tomben op het kerkhof achter de kerk ontbrak hier. Een rouwrand, een naam, twee data, dat was alles.

Opeens schoten beelden door mijn hoofd: een straat met houten huisjes, een roodaangelopen, vuistschuddende man in stijve kleren en een bespottelijke kap op zijn hoofd. Ik verstond geen woord van zijn vreemde taaltje. Ik giechelde.

‘Zie jij dat ook?’ fluisterde Janneke wat onzeker.

‘Verder, kom op, ik daag je uit!’ Hand in hand hinkelden we van steen tot steen. In mijn hoofd flitsten bij elke sprong beelden van ons dorp in de meest uiteenlopende perioden. Een modderdoorlopen dorpsstraat zonder asfalt of verlichting. In het Duits vloekende soldaten. Adembenemend. Levensecht!

Toen we op één steen wat langer bleven staan, werden de beelden meer dan flitsen. Een stel opgewonden vrouwen in lange zwarte rokken en witte schorten kwam op me af en begon te schelden. Één zwaaide met een pollepel! Ik dook instinctief ineen.

‘Angsthaas,’ spotte Janneke, hoewel ze zelf ook bleekjes zag. Zo jutten we elkaar op om te blijven, terwijl de chaos in de keuken erger en erger werd. Ik kon zweren dat ik de klap van een koekenpan tegen mijn hoofd voelde.

Janneke gaf het eerst op. Huilend rolde ze van de steen af. Ik troostte haar met knuffels en susgeluidjes, hoewel mijn eigen hoofd ook tolde. Maar de beelden bleven komen, ook op de terugweg naar de Schoolstraat waar Janneke en haar ouders woonden, één straat voor de mijne. Spookachtige schimmen zwierven door onze vertrouwde straten en zogen alle kleur eruit. Dienstmeiden trokken aan mijn oren en schopten me, en deftig geklede heren keken me vunzig loensend aan.

Het duurde heel lang voor we enige aandacht besteedden aan een zacht mummelen in onze hoofden. Aarzelende prevelwoordjes, smiespelend gebazel. Op één moment na. ‘Red me,’snerpte een falsetto jongensstem, voor het lispelen weer terugzonk in onverstaanbaar fezelen.

Pas uren later vervaagden de schimmen en verstomde het mummelen.

 

Buiten in de dorpsstraat vloeit sepia als een dreigende schaduw over de gevels. Ik ren naar huis door straten die met de seconde vernauwen. Voorbijgangers staren me vernietigend aan en de winkelpuien zelf buigen zich naar voren om hun uithangborden tegen me aan te zwiepen. Alsof niet alleen de stugge dorpelingen, maar het dorp zelf weet wat we gedaan hebben en ons ervoor haat.

 

Na ons eerste bezoek aan de weide, zeurde Janneke steeds vaker dat ze naar de weide terug wilde gaan. Ze wauwelde over het moeten ontsnappen aan de verstikking van het dorp. Ze praatte net zo lang op me in tot ik meeging. Keer op keer, langer en intenser, kropen we in de huid van één van de doden op de weide. Tot ik het echt beu was, en Janneke en ik zo’n slaande ruzie kregen dat we een week lang elkaars bestaan ontkenden. We hebben het goedgemaakt, zo’n beetje toch, maar daarna sprak ik nooit meer over de weide met Janneke.

 

Eindelijk thuis! Met een dreun vergrendel ik de deur.

Maar mijn huis geeft me geen geborgenheid. Kleur­loos bruin sijpelt naar me toe vanuit alle hoeken. Ik ren naar mijn slaapkamer, mijn armen over mijn hoofd, en verschuil me onder de dekens van mijn bed.

 

Acht maanden na onze ruzie begroeven we Janneke. Niet in de weide natuurlijk, maar in het protserige kerkhof achter onze kerk. Een tragisch ongeluk, zei de priester tijdens de mis. Gesprongen vanaf het dak van de cementfabriek, fluisterden klasgenoten …

Meteen na de begrafenis rende ik huilend richting bos, nog in mijn lange zwarte rok en zwarte kraagblouse. Mijn ouders riepen me na, maar lieten me begaan.

Ondanks de misdienst en de plechtige teraardebestelling van Janneke’s kist op het kerkhof, wist ik wat ik zou vinden: vanaf de bosrand zag ik een nieuwe, sombere steen, waarin Janneke’s naam, geboorte- en sterftejaar met lege, onbetwistbare letters waren uitgebeiteld.

Ik rende weg, weg van de weide, weg van alles.

 

Ik ben er nooit meer teruggekeerd. Tot afgelopen avond.

Passief voor me uit starend, zoals ik zo vaak deed, herinnerde ik mij opeens die jongensstem. ‘Red me.’ Zou dat kunnen? Zou ik Janneke kunnen weghalen van die eeuwig vervloekte weide?

Vannacht sloop ik, ongezien, langs de rand van het dorp, het bos in, tot ik de weide bereikte. Ik aarzelde een minuut, mischien slechts vijf seconden, voor ik neerknielde op de sombere grafsteen met Janneke’s naam, en me liet overspoelen door Janneke’s indrukken.

 

En dan, rillend van angst onder de dekens, zie ik … mezelf. Tuitlippend, met lachkuiltjes die ik vijftien jaar niet heb laten zien. O, wat ik voel haar verlangen! Of voelt zij mijn verlangen? Het doet er niet meer toe: wij geven ons over aan het gevoel.

 

De hele dag lig ik – liggen wij – zo ineengekruld, zo ver­strengeld op mijn meisjesbed, op ons liefdesbed.

Als het daglicht begint te verflauwen, kruipt het sepia stroperig naar de hoeken van mijn kamer terug. Ik – ja, zonder enige twijfel ik – kijk op. Een schim lijkt door het venster te glijden. Een spelen van het laatste avondlicht?

Heb ik genoeg van Janneke in me opgenomen om haar te bevrijden van de weide? Ik zal het nooit ont­dek­ken, niet zonder nóg eens naar die verdoemde plek terug te keren. En zelfs dan, zelfs dan zou ik nooit zeker weten wat voor een rustplaats mijn wanhopige reddings­poging Janneke had gegeven in plaats van de weide.

 

Ik richt me op en stap, heel voorzichtig, het bed uit. Dan, in een opwel­ling, graai ik in mijn klerenkast en vind een korte rok – mijn fel­roze, enige, nooit gedragen schandalig korte wikkelrok.

De oude tangen mogen roddelverhalen vertellen, morgen in de winkels. Maar vanavond zal ik dansen op het dorpsplein met wie maar wil.

Eekhoorns komen van Mars : Pen Stewart

Marsjaar 358, sol 668, was weer een van die dagen waarop ik het leven droeg als een bokkenpruik. Ik spuwde in het stoffige zand van inter­kraterstad Euphrat. Bijna greep ik mijn staart om erin te bijten, een nare gewoonte die ik had aangenomen sinds, nou, dat wil je niet weten. Echt. Eerlijk. Er zijn nu eenmaal dingen die je niet wilt weten, snap je? Toch ga ik je op deze pagina’s het een en ander vertellen over mijn leven, of dat je nou bevalt of niet, en goh, alle planeten op een stokje, wat maakt het ook uit? Diep vanbinnen ben ik nog altijd niet meer dan een bionische eekhoorn-mijnbouwdeskundige, op zoek naar een beter leven. En voor Marsdieren die dat doen, een beter leven zoeken, is het leven automatisch een bokkenpruik, een die stinkt en waar je het chagrijn van krijgt, neem dat maar van me aan.

Ik liep op die bokkenpruikdag door de straten van onze interkrater­stad, de ene na de andere kroeg negerend, hier en daar mijn klauwhand opstekend om vaag een collega van de Arabia Terra Mijnbouw­maat­schappij te groeten. Sommige van hen waren bazen, meestal bionisch aangepaste marters, herme­lijnen of haantjes. De meesten waren echter onder­geschikten. Zij waren minder bionisch aange­past, vooral waar het hun hersenen betrof, en ze leidden hun creperende leven in deze tredmolen zoals we dat bijna allemaal deden. Bijna allemaal, vergeet dat vooral niet. Er zijn nu eenmaal uitzonderingen. Leiders. Politiekers. Criminelen of wetenschappers, al waren sommigen het allebei. Niemand die er wakker van lag zolang het de ATM ten goede kwam, en bijgevolg de opdrachtgevers op de bronplaneet. Zo ging dat hier: de ATM bezat de stad, en wij, de niet-uitzonderingen, konden de klere krijgen.

De stank van de mineraalmachines van de mijnen walmde over de stad, en rookwolken stegen op tot tegen de koepel die de hele Euphrates­interkrater overspande. Daar werden de dikke roetwolken afge­zogen en vervolgens de atmosfeer ingeblazen. Die koepel, dat ondertussen nood­zakelijke ding, was een doorn in het oog, een joekel. De oude steden hadden er geen, nooit nodig gehad ook, en waren bijgevolg verlaten. Ach wat, de hele planeet ging naar de zooi, verdomme. Ik keek naar boven, waar de rook zich vermengde met die onleefbaar geworden, te zuurstof­rijke atmosfeer. De wetenschappers zeiden dat we het tij misschien nog konden keren, en Mars weer bewoonbaar maken, maar waarschijnlijk moesten we dan allemaal ophouden met ademhalen of zoiets. Ik voelde er weinig voor, voor die oplossing.

Aan de horizon kon ik nog net de hogere pieken van de rand van de Cassinikrater onderscheiden. Ik spuwde opnieuw in het stof, zette mijn bitterzoete mijme­ringen over het lot van onze planeet van me af en stopte aan een krakkemikkig gebouw. Het probleem was dat het afge­dankte lot van de planeet mijn eigen, persoonlijke situatie frequen­teerde, net zoals het dat met de hele maatschappij an sich deed.

Mijn vrouw was daarboven en ik kwam eraan… Zorani zou er de pest in hebben, voor zover dát nog erger kon worden.

Ik had het fout. Het kon nog een heel stuk erger worden.

 

#

 

Sta me toe te zeggen dat de woede van een bedrogen vrouw het midden houdt tussen moordlust en een zekere, niet te onderschatten mate aan castratie­verlangen. Je weet echter nooit naar welke van die twee ver­langens de balans het eerst zal doorslaan. Ze had me natuurlijk ook eerst kunnen castreren en pas daarna de keel proberen oversnijden. Laat ik het er op houden dat ik erin slaagde aan beide te ontkomen. Daarmee is echter alles gezegd. Sighile Roodstaart, afdelingshoofd van een van de ontginningseenheden van de Arabia Terra Mijnbouwmaatschappij, behield zijn leven en zijn kloten, maar verloor zowat al de rest. Ook zijn job.

Een paar weken later ging ik aan boord van de Casanova-monorail­verbinding. Ik zocht en vond mijn plaats in een tweederangscoupé. Natuurlijk. Sociale orde heeft nood aan evenwicht wat betreft mentale behoeften en materiële realiteit. Maar wat betreft de middenklasse, was dat evenwicht altijd onbevredi­gend. De middenklasse vergat de bescheidenheid van de onderklasse en verlangde ernaar zich de glorie van de topklasse aan te meten. Echter…zonder in staat te zijn die werkelijk te verwezenlijken.

Het was voor mij niet anders.

De zetels waren stoffig en roken naar de konten van duizend reizigers. Ik haalde mijn neus op, mentale behoeften en materiële realiteit zwaar in conflict met elkaar.

Met het weinige dat me restte aan bezittingen in een koffer gepakt, en de herinneringen aan mijn job, mijn vrienden en mijn ex-vrouw zoveel mogelijk weggestopt tussen de plooien van mijn hersenkwabben, plofte ik neer op de bank. Tot mijn eer en glorie kan ik zelfs stellen dat ik niet in mijn staart beet, en me ook niet de haren uit de vacht trok, ook al had ik meer last van mijn Marszandallergie dan ooit te voren. Mijn schouders jeukten als een hel die een regenbui te verduren kreeg. Ik krabde. Een paar groene haren landden op het verschoten paars van de zetels en vloekten er vreselijk mee.

Casanova kondigde met luide stem zijn vertrek aan, de deuren sloten zacht sissend, en de monorail vertrok geluidloos over zijn rail zwevend vanuit station Euphrat Centraal. De half-bionische ménagerie aan boord kwam tot rust. Voorbijglijdende steden die je tot passieve observatie dwingen, hebben dat effect. Levens waar we niet aan kunnen deelnemen of die we niet kunnen beïnvloeden, niet mee in interactie kunnen gaan, zijn onze zaak niet, of wel?

Eens we in de woestijn waren, lag meer dan de helft waarschijnlijk al op apegapen. De woestijn was name­lijk al helemaal onze zaak niet. Niet meer, althans. Niet sinds hij steeds minder woestijn was, en er groenig­heid begon te groeien, zo hier en daar.

Een klein uur later was iedereen van eten voorzien, en zaten de meeste passagiers te lezen, via hun op Casanova ingeplugde Marsnetboeken de laatste nieuw­tjes uit de andere kwadranten binnen te halen in hun brein­uitbreidingen, of hier en daar zacht te conver­seren, of beiden, zoals gewenst.

We gleden door de atmosfeersluis de open Cassini­krater in en lieten interkrater Euphrates en Euphrat­-stad met zijn beschermende koepel, die joekel, achter ons.

De Casanova-monorailverbinding met de Bequerel­krater liep als een somber, grijs lint door de woestijn van Arabia Terra. De monorailtrein schoot er als een tampon overheen, een spoor van stof achter zich mee zuigend door een woestijn die veel weg had van een roodachtig beschimmelde omelet onder een veel te afstandelijke zon. Er was geen echte warmte op Mars. Ik schoof het bord met mijn diner – u krijge ene ticket inclusief ene deliciejeuze dienééé, meneer – van me af.

Het marginale dassenkind aan de balie wist niet waar ze het over had. Ze zou hier eens moeten zitten, op mijn plek, net niet gecastreerd en met een notenpuree -speciejaal menuu voor de eek-oorn, meneer- vermengd met niet genetisch gemanipuleerde stieren­kloten op je bord. Je zou van minder tegenzin krijgen in deliciejeuze-dienééé-meneer. Hoe fraai haar snoetje ook was. Maar goed.

Ik had het bord nog maar net weggeschoven of een vos kwam mijn coupé binnen.

Mijn blik gleed over hem. Die van hem over mij. Wat ik zag beviel me best, wat hij zag beviel hem duidelijk een stuk minder.

Hij leek me een eersteklasreiziger die noodge­dwongen elders een plek moest zoeken omdat zijn klasse volzet was. Zijn mentale behoeften en materiële realiteit waren momenteel waarschijnlijk nog een stuk minder in evenwicht dan bij mij.

‘Jonas Grimpeerd,’ stelde hij zich voor toen hij schuin tegenover me plaatsnam. Ik knipperde even met mijn ogen. Hoe klein kan de wereld zijn…

Jonas Grimpeerd was een bionische vos, liep rechtop zoals de rest van ons, zijn vacht netjes gekamd, strop­das en aktentas, duidelijk een bureaucraat, maar dan wel eentje met een arrogante grijns op zijn gangster­smoel, inclusief de in alcohol verzopen varkensoogjes… En hij was tevens de echtgenoot van mijn minnares.

Dit kon nog wel eens leuk worden.

Ansalaam Grimpeerd-de Boevere was net als ik een half-bionische eekhoorn, want ja, hoe je het ook draait of keert: soort zoekt soort, vroeg of laat. Ze had geen krimp gegeven toen ik aankondigde er even tussenuit te moeten om mijn leven op een rijtje te zetten en te bedenken wat ik nu moest aanvangen, wat enkel mooie woorden waren om te zeggen dat ik naar een nieuwe werkgever op jacht ging. Ansalaam hoorde graag mooie woorden, wat dat betreft was ze een eersteklas­reiziger op de monorail van het Marsiaanse leven, mentale behoeften en materiële realiteit perfect in evenwicht. Ze had geen traan gelaten, had haar staart (prachtig, lang, dik en zacht) voor haar borst gevouwen nadat hij een huivering over mijn rug had gejaagd, en ze had begrijpend geknikt.

Dat was nu eenmaal Ansalaam: liefdevol, nuchter, sterk, goed in bed. En knap. Onwaarschijnlijk mooi. De vrouw naar wie ik zowel letterlijk als figuurlijk opkeek, want ze was een halve kop groter dan ik. Ik vond het best naar haar op te kunnen kijken. Letterlijk en figuurlijk. Er zouden meer grootse vrouwen op de wereld moeten rondlopen.

Jonas had, voor zover ik wist, geen idee van onze verhouding. Zoals ik al zei, dit kon nog wel eens leuk worden.

Ik grijnsde. ‘Sighile Roodstaart, aangenaam kennis met u te maken.’ Een walm donkere mineraalrum kwam me tegemoet en ik stopte met ademen tot de wolk over me heen was gedreven. De lucht van dure, maar daarom niet per se betere of minder schadelijke drank bleef echter om de man heen hangen. Dat was niet zo leuk. Een hele rits passagiers kwam gelukkig ook in ons treinstel zitten, waardoor ik tenminste niet gedwongen was met hem te praten. Hij knikte ter aanvaarding van mijn groet, maar verder dan ver­plichte beleefdheid ging zijn interesse niet.

‘Tot u spreekt uw monorailtransportmiddel van de Arabia Terra Mijn­bouwmaatschappij. Mijn naam is Casanova. Hartelijk welkom op de interkrater­verbin­ding met de Bequerelkrater. Ik zal u met plezier door de vlakten van Arabia Terra naar de nieuwe kraterstad voeren en onderweg aan al uw wensen voldoen.’ Casanova leuterde nog een eind door over zijn perfecte kwaliteiten en luxe, over de virtuele ruimtes aan boord die in alle dromen konden voorzien, zelfs de meest ranzige, en ten slotte over het goede eten dat in zijn inwendige keukens werd gegaard (deliciejeuze-dienééé-meneer), maar ik luisterde niet verder.

Jonas Grimpeerd krabde zich op zijn zij dat het een lieve lust was, en met opgetrokken neus verborg ik mezelf achter een reisbrochure die in elke coupé ter beschikking lag. Prachtige steden hier, geschiedenis van de oude scheppers daar, zicht op de bronplaneet ginder, cliché alhier en cliché aldaar, bla, bla en nog­maals bla. De aandrang om Grimpeerd een vuistslag op zijn snuit te geven, zwol als een zandstorm op in mijn binnenste. Maar de vos zou terugvechten, en hij had grotere tanden dan ik. Ansalaam zou niet zo blij met me zijn als ik mezelf liet bijten door haar bezopen echtgenoot met losse handjes. Ik kon er wat onder verwedden dat hij erin zou slagen eerder dan ik aanspraak te kunnen maken op het derde amendement van de Arabia Terra grondwet: hij zou zeker wel een reden vinden om zich heel gewelddadig te moeten verdedigen tegen mij. Als de nood hoog is, leert zelfs een paard om te vliegen. Ik onderschatte de inventivi­teit van Jonas Grimpeerd voor geen seconde, gezien alles wat Ansalaam me over hem verteld had.

Hij was nu eenmaal een vos. En die hebben streken.

Het idee van die losse handjes van de echtgenoot van mijn mooie geliefde bracht even een waas over mijn gezichtsveld, maar ik slaagde erin me tenslotte te beheersen en mijn vuisten te ontspannen. Het kostte verdomd veel moeite.

Ik ga naar Bequerel, vind een andere job en daarna kom ik terug om met jouw vrouw onze liefde te delen en haar voorgoed van je te bevrijden, zatte smeerlap, dacht ik. Enige voldoening nestelde zich in mijn gedachten bij dat denkbeeld. Een beeld dat betrekking had op Ansalaam, mezelf, een bed en weinig kleren. Tenzij op de grond. Geen geweld, geen slagen, geen drank. Vrede. Ik zat dom voor me uit te grijnzen, tot de man die recht tegenover me zat, een ratachtige met een vuile werk­manjas, me vragend en ook een beetje waarschuwend aankeek. Ik trok snel mijn gezicht in de plooi en staarde door het raam.

Een frettenvrouwtje met een cateringkarretje kwam luid kwetterend door het gangpad, en de passagiers kregen spijs en drank en waren gelukkig. Hun reis­chagrijn smolt als kraterijs op een Marszomerdag en werd vervangen door de vooruitblik op het beloofde plezier en de diversiteit van hun reisbestemming: de nieuwe stad Bequerel, incluis superheldere koepel (een nog grotere joekel) en aangepaste atmosfeer, en niet onbelangrijk: de naar het schijnt groene plantenvelden die sinds enkele honderden jaren daar waren beginnen te groeien, nadat het ijs op de polen smolt. Dat was iets wat we nog steeds niet opgelost hadden: waarom waren die polen gesmolten en was de temperatuur gestegen, en waren er hier en daar planten gaan groeien die we kenden vanuit de databanken van de bronplaneet? Sommigen dachten dat de scheppers met grote spiegels de zon op de polen hadden gericht, en het ijs hadden doen smelten. Maar ik was van mening dat de scheppers zich niet veel van ons aantrokken, zolang we maar ertsen leverden. Tja, hoe en waarom dat allemaal ook gebeurde, Bequerel was anders dan alles wat wij Euphraters kenden. En als het anders is dan gewoonlijk, is het altijd goed. En als het moeilijk is om eraan te komen, en het is nog duur ook, is het altijd het beste dat er te krijgen valt. Ze werkten voor niks anders. Exclusiviteit deed Mars rondjes draaien.

Ansalaam deed mij rondjes draaien en dat was ook exclusief.

Casanova voerde me verder van Ansalaam en alles wat voor míj exclusief was vandaan, en de rest van het gepeupel at zijn eten, dronk zijn dranken, en vermaakte zich.

Behalve eersteklasreiziger Jonas, vos uit de hoge administratie, want hij beklede wel degelijk een hoge functie binnen een ambtenarij die sowieso al verzoop in ‘t chagrijn, een bende vol venijn.

Het liep al tegen het middaguur toen het spel begon.

Ik noem het een spel, vergeef me. Ik noem alles een spel sinds ik mijn functie bij de ATM kwijtraakte omdat er voor een overspelige vent geen plek is in Euphrat. Het is ook een manier om af te rekenen met je leven, of niet soms?

Dus zodoende begon het spel.

Toen de schok kwam, voer die niet vloeiend door de monorail, zoals je soms hoort in rampverhalen. Nee, het begon met trillingen die in hevigheid toenamen, toen een luide knal, gerammel, deuren die openvlogen tussen de coupés in, en vervolgens het monorailstel dat fel naar opzij helde.

Tóén kwam de schok.

Dat was de landing. Op de grond. Dacht ik. Dat moest haast wel, toch? Midden in de woestijn van Arabia Terra. Waarschijnlijk.

Midden in die ondertussen voor ons zo giftige, zuur­stofrijke atmosfeer.

Deze klap werd gevolgd door gasmaskers die van boven onze hoofden uit verborgen vakjes vielen en slingerend ronddansten tot de monorail eindelijk tot stilstand kwam.

Ik zat in een van de achterste coupés. Het geluk van platzak te zijn. De voorste coupés waren samengeperst schroot, Marsiaanse dieren incluis. Eén blik door het raam was genoeg om daar vrij zeker van te zijn. Bij ons viel het, daarmee vergeleken tenminste, nog mee. Het monorailstel hing scheef, de vloer helde helemaal naar rechts, en uiteindelijk hingen we toch nog op de rail, vastgehouden door de andere treinstellen voor en achter ons. Er waren gaslekken, de giftige atmosfeer drong langzaamaan naar binnen, er waren gewonden, er was bloed, er was gejammer en gesnik en wat deed Jonas Grimpeerd? Zijn pak afvegen, een gasmasker opzetten, en hooghartig om zich heen kijken. Het lef van een eerste­klasser die per ongeluk het geluk had in tweede klas te belanden, en daarmee zijn leven gered zag.

Het leven is een rad. Dat zei m’n grootmoeder langs moeders kant altijd. Het zet dingen in beweging. Als je er middenin staat kun je meeliften op het momentum, maar als je erbuiten staat kan het je ook een slag van de molen geven. Jonas Grimpeerd was er ondanks alles goed in om middenin het rad te blijven, om mee te draaien op de raderen van het leven. Hij was daar misschien zelfs beter in dan ik.

En toch was ik vastbesloten het verder te schoppen dan hij.

Ik stond op van mijn plek. Rustig, zelfverzekerd.

Leidinggevend.

De chaos om ons heen was compleet. De rat die voor me had gezeten, zat met zijn been klem onder het verwrongen bankstel. Alarmen aller­hande schreeuw­den het ondertussen uit: oververhitting, atmosfeer­lekken, monorailinstabiliteit en nog wel wat toeters en bellen die er niet meer toe deden. Een hoestbui over­viel me en mijn longen veranderden van zacht gloeiende as in dieproodgloeiende mijnbranden. Ik grab­belde naar mijn masker en plaatste het snel op mijn snuit. Ik drukte op een knop aan de zijkant en het ding zoog zich zo hard rond mijn hoofd vast dat mijn vacht waarschijnlijk door mijn huid gedrukt werd. Met gierende teugen stroomde stikstof mijn longen in. De scheppers zij dank.

Ik was niet de enige die leidinggevend om zich heen keek.

Jonas Grimpeerd stond aan de ingang van onze coupé en stak zijn nek uit. Zijn tanden blikkerden en zijn tong hing lichtjes uit zijn bek. Kwijl droop van de binnen­kant van zijn masker.

Al onze stemmen klonken wat gedempt door de maskers, maar Jonas’ stem sprong als een opwind­mechaniek onder de hardst mogelijk gespannen veer boven de rest uit.

‘Iedereen die niet gewond is, verzamelen bij mij aan de deur! Wie is er op de hoogte van eerste hulp?’ Een paar Marsdieren staken hun hand op. De meesten bionische ratten, een soort die vaak in de ertsverwer­kings­fabrieken werkte. Die hadden vaak contact met gewonden. De ertsruimtecargo’s die het resultaat van ons harde werk naar de scheppers voerden, namen zo nu en dan wel eens een rattenleven mee, of verwond­den anderen ernstig bij de lancering. Het was een vuile industrie.

Ik liep naar voren en stak ook een poot op. Klauw­hand met opponeer­bare duim, in mijn geval. Bionische klauwhand. En dat maakte altijd meer indruk. Eek­hoorns met dergelijke handen stonden het vaakst in leidinggevende posities, zoals mijn functie. Of nou ja, mijn voorbije functie. Ik gebaarde dat de dieren om me heen bij mij moesten komen. Een groot deel van de ratten gehoorzaamde meteen.

Jonas’ grijns vertrok tot een grimas.

‘Jij, jij, en jij, verzamel de lichtgewonden aan deze kant van de coupé,’ zei ik’ Zorg eerst en vooral voor de stikstofmaskers! En jullie vijven, controleer de zwaargewonden, geef hen maskers als ze die nog niet hebben. Snel!’ De vijf ratten knikten ijverig en schoten ervandoor. Pionnen werden altijd graag gestuurd.

Jonas Grimpeerd kwam op me af gestampt. ‘En wat denken we dat we aan het doen zijn?’

Ik keek hem met opgetrokken wenkbrauwen aan. Mijn staart zwiepte heen en weer. ‘De boel organiseren. Wat anders? Heb je er al een idee van hoe we Euphrat kunnen waarschuwen? Jij zat toch bij de admini­stratie, zo te zien? Dan zou ik maar snel proberen of je nog contact kunt leggen met Casanova, niet?’

Zijn tanden schuurden over elkaar toen zijn kaken met een klap op elkaar knalden. De klap was duidelijk te horen, ondanks het masker.

‘Ik verwacht niet veel meer van Casanova… Hoe was je naam ook alweer?’ Hij keek met opgeheven snuit op me neer.

Ik voelde me letterlijk krimpen. Wat waren die ver­dom­de ambtenaren er goed in je te kleineren, je naar hun hand te zetten en te sturen. Ik balde een vuist.

‘Meneer Roodstaart, voor jou,’ zei ik.

‘Goed dan, Roodstaart,’ zei hij. ‘Ik stel voor dat we op expeditie gaan naar de stad. Gewoon de monorail volgen en we komen er vanzelf, nietwaar?’

‘Geen goed idee,’ antwoordde ik hoofdschuddend. ‘Geen goed idee, echt niet, Jonas.’ Ik vertikte het ook om hem met meneer aan te spreken. Hij was gewoon Jonas, niks meer dan dat, de hufter. Ik zuchtte. ‘Dus jij wilt al die Marsdieren te voet op pad sturen? Ze gaan dagen, misschien wel weken moeten stappen om de afstand af te leggen naar Euphrat. Heb je enig idee hoe ver we al van de stad verwijderd zijn? Wat is je functie eigenlijk?’

Ansalaam had het me ooit verteld, maar ik had niet echt geluisterd. Andere zaken hadden toen een stuk interessanter geleken.

Om ons heen schuifelden lichtgewonden bedrukt heen en weer om de zwaarder gewonden te helpen. Het ge­schreeuw van die laatsten was vervaagd tot kermen en snikken. Meestal geen goed teken. Een paar waren dood. Gestikt, of de nekken gebroken door de klap. Een scheur in het plafond kraakte en werd groter. We zouden hier niet kunnen blijven, verdomme. We moes­ten dringend op zoek naar een treinstel dat nog intact was.

Jonas Grimpeerd gromde van diep achter in zijn keel, een grom die echter in een allervriendelijkste glimlach eindigde. ‘Ik ben directeur van de onderzoeksafdeling van de onafhankelijke controledienst op bodem­ont­ginning van het Arabia Terra Kwadrant.’

‘Nou, dat is een mond vol,’ kaatste ik terug, en ik leunde ontspannen tegen een scheefgezakte wand. Vanbinnen kookte ik echter. Om ons heen begon er een beetje structuur in de chaos te komen. De meeste dieren hadden nu een stikstofmasker op, wat wou zeggen dat diegenen die het niet droegen, nu zeker dood waren. De atmosfeer was tegen­woordig zo stikstofarm dat je het zonder masker niet langer dan vijf minuten uithield. Na drie minuten verloor je al het bewustzijn.

‘Luister, notenkraker,’ zei Jonas. Alle minzaamheid was van zijn snuit gevaagd. ‘We maken hier geen schijn van kans. Hoeveel etensvoorraad heeft deze Casanova-kar nog bij zich, denk je? Hoe lang alvorens reddings­werkers ons vinden? Jij weet het misschien niet, vanuit jóúw functie, maar ik ken de werking van de hulp­diensten van Arabia Terra. En nog niet zo’n klein beetje ook. Ik kan je verzekeren dat ze dramatisch slecht georga­niseerd zijn. Binnen de week hebben ze ons nog niet gevonden, ze zullen vanuit Euphrat en Bequerel gaan zoeken langs het spoor zonder een nieuw mono­railstel erover te laten rijden, uit schrik voor nog een crash, dus dat gaat tergend langzaam, en wij zitten ergens in het midden, schat ik zo. Het kan zelfs zijn dat het magneetsysteem naar de haaien is, en er helemaal niets meer kan rijden op die rail. En hun vliegschepen zijn momenteel allemaal bezet, voor mocht je denken dat het leger ons komt halen. Die geven namelijk geen zier om een stel burgers uit een afgelegen, economisch niet erg waardevol Kwadrant. De grondstoffen die jij en je vriendjes uit de grond halen, zijn bijlange na niet zeldzaam genoeg en de overheid heeft een opstand in het noorden neer te slaan! De scheppers van de bron­planeet zelf, bevalen de schepen daarheen. Zie je die dikke kabel daar?’ Hij stak een hand uit naar een bundel dikke kabels die in het opengereten dak lag te vonken. Tegen wil en dank keek ik ernaar, mijn kaken bijna in een pijnlijke grimas vertrokken omdat ik ze zó hard opeen klemde

‘Dat was de verbindingslijn tussen de zendunit en de besturing. We kunnen dus ook geen contact meer opnemen met wie dan ook. En vergeet de satelliet­verbindingen, die zijn er enkel in de steden. Onze marsnetbooks zijn waardeloos zonder Casanova. We zullen de gewonden sneller hulp kunnen geven en zelf hulp vinden als we te voet terugkeren.’

Mineraalrum was slecht voor de hersenen, zeiden ze.

Ik begon te geloven dat wie dat zei, gelijk had.

Onze grondstoffen waren van belang voor onze scheppers. Waarom moesten we anders altijd onze quota voor de bronplaneet halen?

‘We overleven ook wel zonder dat eten,’ snauwde ik. ‘Normaalgezien zouden we aan onze fotosynthese genoeg moeten hebben om alvast niet de eerste maand om te komen.’

Hij haalde laatdunkend zijn schouders op. ‘Misschien, maar dat wil nog niet zeggen dat we geen honger­gevoel krijgen. Al eens een bende hongerige dieren onder de duim gehouden? We willen geen conflicten tussen de overlevenden, toch? Nog een geluk dat er niet al te veel predatoren van oorsprong tussen zitten. Alhoewel… die rattenvrouwen en fretten, dat zijn soorten om voor op te letten,’ eindigde Jonas bedacht­zaam.

Ik gromde en greep hem bij zijn kraag. Met een bevredigende klap sloeg hij tegen een scheefgezakte cateringkar. Voordat ik echter iets kon zeggen, wrong hij als een slang in mijn handen en draaide zich met een grom los, om me vervolgens in een houdgreep klem te zetten.

‘Waag het niet nog een keer me aan te raken, noten­kraker,’ grauwde hij. Ik kon zijn vlijmscherpe tanden stuk voor stuk tellen. Zijn krachtige armen knepen mijn strot dicht. Ik knikte. Wat kon ik anders? Hij was verdorie zelf een predator. En wat voor een!

Een dikke fret kwam achter Jonas staan. ‘Meneer Grimpeerd?’ vroeg hij. Jonas liet me los en draaide zich loom om.

Ik zakte tegen een bank naar beneden, vechtend om adem te halen.

‘Ja?’ vroeg de vos.

‘We verzamelen ons in de sas bij de achteruitgang. Komt u?’

Ik deed mijn bek open om te protesteren, maar iets in Jonas’ blik benam me de moed. Die glimp in zijn ogen die me vertelde dat het merendeel van de reizigers achter hem stond, en als ze dat nog niet deden, ze het gauw zouden doen. Die blik, die duidelijk maakte dat hij niet zou aarzelen me opnieuw af te slaan, aangezien hij sterker was dan ikzelf en dat heel goed wist. Mijn longen leken weer in brand te staan, maar dat stelde ik me enkel voor. Het was haat, pure haat tegenover die wanstaltige vos, dat beest vol list en bedrog met losse poten die niet van Ansalaam konden blijven.

Een zeer dierlijke aandrang die me op gelijke voet met de vos zou stellen, spoelde door me heen. Het kostte me alles wat ik in me had om hem toch niet te lijf te gaan. Zo, simpel, met klauwen en tanden, en we zouden wel zien wie de sterkste was. Maar ik deed het niet.

Ik was verdomme beter dan zo’n roofzuchtige jager.

Er zat momenteel niets anders op dan hem mee te volgen naar buiten.

Een groep Marsdieren had zich om ons heen verzameld. Jonas keek me vragend aan. Een blik die zei: ‘Wat zal het zijn, vriend? Ja, of nee?’

Ik knikte. ‘Vooruit dan maar. Maar we hebben het er nog over, aasvreter.’

Zijn wenkbrauwen schoten omhoog.

‘Leer je biologie, Roodstaart. Vossen eten enkel vérs vlees. Zoals dat van eekhoorns, bijvoorbeeld,’ en met een laatdunkende blik keerde hij me de rug toe. Ik knarsetandde en volgde hem met veel tegenzin. Hoe had ik ooit kunnen denken dat dit leuk kon worden? Het leven is een rad, en ik stond er middenin, maar verdomme, het was trappelen geblazen om bij te benen.

We schuifelden langs de zwaargewonden heen naar de sas en sloten de eerste deur achter ons. Jonas drukte de noodgrendel naar beneden. Met een sissend geluid schoof de buitendeur open. Een tochtvlaag trok langs ons heen en iedereen huiverde. De scheppers hadden ons van nature voorzien op de lage temperaturen van Mars. Niettegenstaande die aan­passingen en de recente opwarming van de planeet, bleef winterkoude dan misschien niet meer onmogelijk koud, maar toch nog gewoon koud.

Ik stak mijn hoofd naar buiten en kneep mijn ogen half dicht tegen de wind en het opstuivende zand. Dat was niet nodig, maar wel een reflex: zandkorrels sloegen gruizig tikkelend tegen mijn masker. Losge­slagen kabels zwiepten sissend in de woestijnwind. Spuwend naar het rond­vliegende stof slingerden ze vonken in het rond. We bevonden ons op een relatief vlak stuk van de Arabia Terra woestijn, in de verte golfden de randen van kraters.

‘Geweldig,’ mompelde ik. Naast me kwam Jonas met een afgerukte kabel aanzetten. Het einde knoopte hij stevig vast aan het hengsel van de deur. Hij gooide de kabel naar buiten.

‘We kunnen klimmen. Vooruit,’ zei hij gemoedelijk, het loeder. De rattendame die het object van zijn gemoedelijkheid was, knipperde haar lange wimpers loom over haar kraalogen, greep de kabel en liet zich sierlijk, blik onafgebroken op Grimpeerd gericht, naar de grond zakken.

En daar stonden we dan, even later.

Een ménagerie van ratten, fretten, vossen en eekhoorns, hier en daar een gazelle. Eén enkele ezel. Hij kwam naast me staan. Natuurlijk.

‘Ik weet het niet, hoor,’ piepte hij, zijn hoge bibber­stem compleet in tegenstelling met zijn tonronde buik. ‘Ik weet het niet, hoor. Deze hele onderneming! Ik wéét het niet! Waar moeten we heen dan?’

Hij stond daar maar in het zand te trappelen, keek me met intelligente blik aan, maar gaf zo weinig blijk van karakter of persoonlijkheid dat ik achteruit deinsde.

Ik zuchtte. ‘Het loopt wel los, maat,’ zei ik. ‘Echt wel.’ En nu te hopen dat ik gelijk had.

‘Hoe noem je?’ vervolgde ik, iets vriendelijker.

‘Ik ben Mark.’ Ondanks zijn hoge, soms zelfs nóg hoger overslaande stem, klonk ook hij gesmoord onder dat gasmasker.

‘Goed om weten, Ezel,’ knikte ik, en ik liet hem staan. Hij riep me nog klagerig na: ‘Gelieve me níét zo te noemen, begrijp je dat, ik ben een van velen van mijn soort! Ik ben een individu!’

Ik wou terugroepen dat hij zich dan misschien als zodanig moest gaan gedragen, maar wist me nog net in te houden. De scheppers zij dank voor afleiding onder de vorm van de echtgenoot van je minnares. Jaloezie, het is vuur voor de verdorde ziel, sluimerend omdat hij zijn geliefde moet missen.

Jonas was druk bezig iedereen in groepjes te verdelen.

‘De beste lopers?!’ schalde zijn stem over de woestijn­vlakte. ‘Jagers?’

Ondertussen werden uit andere, nog op de rail hangende coupés, ook touwen, kabels en van alles en nog wat gesmeten om de afdaling naar de Marsbodem te maken. Ergens werd een lading reserve gasmaskers naar beneden gelaten. Dit alles leverde een stoet aan fretten en ratten op, hier en daar nog een vos, een groep eekhoorns (de scheppers zij dank) en een meute kippen. Die laatste waren nog zo éh, kipachtig, dat ze gewoon naar beneden konden fladderen. Geen van hen verloor gelukkig een ei. Het was er de plek niet voor, om maar zo te zeggen. Ik bedoel maar, kippen hadden amper hersens, zonder hun ei hadden we al helemaal niet veel meer aan ze. Op dat punt had de vos gelijk: een lege maag was niet bevorderlijk voor het humeur.

Om ons heen had een hele bende zich ondertussen verzameld. Waarom is het toch zo dat wanneer je een bende hebt, iedereen de neus richt naar de grootste bek? Die grootste bek stinkt meestal naar corruptie, verraad, of machtsmisbruik en overjaarse houdbaar­heids­data, en toch lijkt de geur van die verdor­ven­heden onweerstaanbaar om te aanbidden, te volgen, te vereren, naar te streven.

Zo ging het ook met Jonas Grimpeerd.

De vrouwenmishandelaar had zo’n charme dat iedereen aan zijn natte, kwijlende lippen hing.

Vooral de kippen zonder al te veel kop. Ik bedoel maar, als zelfs Ansalaam zich had laten vangen… dan waren deze kippen vogels voor de kat.

Ze drentelden om Grimpeerd heen en hij liet zich hun flirterige aan­dacht welgevallen. Een vos in een kippenren, het zou ook eens niet.

Een luide knal weerklonk uit de cockpit van de monorail, en de kippen stoven uiteen. Ze schuilden achter armzalige rotsen, hun kop onder hun vleugels.

Ik schuilde niet.

Ik keek met verstomming geslagen naar de cockpit.

Iets rood, geel, steeg op uit de voorkant van de monorail. Ik kende het. Uit legenden, verhalen over onze bronplaneet. Het was echter nog nooit hier op Mars waargenomen. De atmosfeer erboven trilde, danste, en zwarte rook sloeg in dikke wolken omhoog.

Iedereen stond ernaar te gapen als apen.

‘Is dat…’ mompelde ik.

‘Vlamvuur,’ antwoorde Jonas Grimpeerd. ‘Dat is, de scheppers zij vervloekt, vlamvuur!’

‘Dit kan niet goed zijn,’ zei ik. Het vlamvuur likte als tongen, heet en verzengend.

Vernietigend.

Gretig.

Zich verspreidend.

‘Verdomme! Onze voorraad eten!’ riep ik. De catering met de stock aan leeftocht (of wat er van over was) zat net achter de cockpitrestanten en rookte gretig. Maar wat konden we doen? Vlamvuur was een ongekend fenomeen op Mars. We kenden het enkel van in onze schoolbanken, van de bronplaneetlessen.

‘Naar het schijnt sterft het door er water op te gooien,’ balkte Ezel, de corpulente wijsneus.

‘We zitten hier verdomme niet aan de poolzee,’ mompelde ik.

Jonas keek me aan en er flitste een glimp van triomf door zijn ogen.

‘We moeten nu wel naar de stad terug,’ zei hij met een treurige onder­toon die zo gemaakt was dat ik op zijn smoel kon slaan. Ik zag in mijn verbeelding zijn roze tong geperforeerd worden door al die veel te puntige tanden, zalig was dat.

Jonas Grimpeerd haalde met die laconieke air van hem weer maar eens zijn schouders op en dat was dat.

Op het einde van de brand waren de overgebleven voorraden foetsie weg, en die klote-vos? Die kreeg zijn zin: we sloegen een kamp op voor de avond, en iedereen stemde akkoord om de volgende dag op trektocht te gaan naar Euphrat, die achterlijke stom­koppen.

Het kamp bestond uit twee groepen. De eerste was groot, zeker twee derde van de overlevenden die niet gewond waren. Dat was Jonas’ groep. Ze dansten als kleine wilden rond de smeulende en vlammende resten van de cockpit, schaduwen op de rotsen werpend, joelend als knaapjes op hun eerste avontuur, en net als die knapen overmoedig, onbevreesd en onvermoeibaar. Ondoordacht en jong.

De tweede was mijn groepje: mijn eekhoorns, de kippen en één Ezel. Ezel zat naast me, terwijl de eekhoorns het zich zo goed en zo kwaad als het ging gemakkelijk maakten op de meedogenloze bodem.

Ik staarde verbolgen naar Jonas’ groep.

‘Denkt u dat de vos gelijk heeft?’ vroeg Ezel met zijn overslaande stem.

Ik haalde mijn schouders op. ‘Denk je dat zo’n geniepige gluiperd als een vos, notabene, de waarheid spreekt? Zegt wat hij écht denkt? Neeneenee, mijn beste Ezel. Die vos daar, dat venijn, sproeit gif in andermans brein!’

‘Denkt u dat, mijnheer?’ blèrde Ezel.

‘Zo zeker als er mieren zijn in Euphrat, mijn beste intellectueel. Vertel eens, wat deed je daar, in de stad? Je ziet er stads uit, geen buitenpotertje of grond­delvertje. Een lesgevertje misschien.’

En hij knikte, die balkende trien.

‘Ahaaaa, dacht ik het niet. En welke stof stampte je in de hersentjes van de Euphratkoters?’

Ezel snoof alleen maar huiverend door zijn masker en schudde zijn kop tot zijn lange oren heen en weer flapten. Hij zag er behoorlijk onnozel uit voor zo’n slim beest, maar dat is van de meeste intellectuelen hun listige leest. Je denkt dat je hen aankunt, tot je te laat ontdekt dat het niet zo is. Ik vroeg me af wat het zou worden tussen de ezel en de vos en ik grijnsde. Wat zouden ze dansen, die twee.

Ze zouden in het rad dansen, ze zouden erbuiten dansen, ze zouden het spel van het leven spelen tot ze erbij neervielen, dacht ik zo.

Meestal denk ik behoorlijk juist. Dus de volgende dag wachtte ik met spanning op wat er zou komen. Ik zou de vos verschalken, ik zou hem bespelen. Ik zou winnen.

En de ezel? Ezels waren goede dansers, die kwamen meestal met alles weg en kregen geen slag van de molen.

Misschien omdat ze die al hadden.

En zo kwam het dat Ezel, ikzelf, het stel kippen met niet al te veel kop en de eekhoorns, de rest van de vossenbende en aanverwanten opwachtten.

En ik had gelijk. Toen wij niet naar hén kwamen, kwamen zij uitein­delijk naar ons toe.

 

#

 

Jonas Grimpeerd banjerde fier door het zand, krabde zich nonchalant over zijn kont en liet zijn meute met opgeheven hand halthouden toen hij in ons kamp arriveerde.

Vanachter zijn rug piepten nieuwsgierige vossen, konkelende fretten en gemene ratten naar ons.

‘En, notenkraker?’ groette Grimpeerd me. ‘Wat zal het zijn? Gaan jullie met ons mee op weg naar Euphrat om ons te helpen waar nodig? Of blijven jullie als laffe puppy’s wachten tot de versterkingstroepen arriveren? Ere wie ere toekomt, knagers.’

Ezel deed een stap naar voren.

En de dans begon.

 

#

 

‘Serieus? vroeg Jonas. ‘De ézel?’

De twee kampen mengden zich en vormden een cirkel om mij, Ezel en Grimpeerd. Het was een cirkel die zinderde van de verwachting. ACTIE, wij willen ACTIE, leken ze zonder woorden te schreeuwen.

En die kregen ze.

‘Noem me niet zo, smerig vossenbeest,’ balkte Ezel. Hij rukte het gasmasker van zijn snuit. Zijn kaken klapten op elkaar en een pluk groen vossenstaarthaar bleef tussen zijn tanden hangen. Hij spuwde het uit en trok snel het masker weer aan.

Grimpeerd gaf een boze, verontwaardigde grauw. Een paar fretten schoten in een giechelbui en Ezel stapte bijna terug in de groep. Ik gaf hem een duw tegen zijn tonronde billen.

‘Vooruit kerel, we volgen de vos!’

‘We volgen de vos we volgen de vos, nee dat doen we niet wij niet,’ kib­belden de kippen, van links naar rechts kijkend en zoekend naar iets wat er niet was en nooit zou zijn en…

Grimpeerd liet een diepe, hongerige grom over zijn weggetrokken lippen rollen, zijn tandvlees blikkerend, tanden dreigend in hun scherpte.

Het duurde even tot de kippen dat door hadden, maar toen de mist in hun kopjes uiteindelijk was opge­trokken dansten ze mee met ons het spel van de vos, fladderend en wel.

Jonas Grimpeerd grimaste naar me. ‘Zie je wel, noten­kraker,’ zei hij. ‘Ik zei toch dat we naar Euphrat zouden gaan? Het is onze beste optie, weet je,’ vervolgde hij toen minzaam, maar net iets te sluw.

‘Wat heb jij er bij te winnen om héél deze bende door de woestijn te sturen?’ blafte ik hem toe.

En hij grijnsde alleen maar.

Deze keer slaagde ik er niet in me te beheersen.

Ik gaf hem een vuistslag in zijn buik. Hij wankelde achteruit, recht in de armen van een knappe gazelle, veerde terug en haalde op de een of andere manier mijn benen onder me vandaan.

Ik viel met een belachelijke plof in het stof.

Ik krabbelde overeind.

Jonas grijnsde, waarna hij even snel weer op me af kwam. Hij bleef op een handbreedte van me staan. ‘Wat wou je doen dan? Huh?’ zei hij.

Ik deed een stap achteruit en besefte dat ik dat niet had moeten doen. Zijn bulderende lach belaagde me en liet waarschijnlijk de helft van mijn groepje naar zijn kant overlopen. Ik hief een vuist, klaar om opnieuw toe te slaan. Bereid om toe te slaan, gelijk wat de gevolgen deze keer waren.

Het was Ezel die me tegenhield en wegtrok.

De scheppers zij dank voor de Ezel.

En de vos? Kwaad leeft soms zonder motivatie of reden en tiert toch welig. Of we dat nu leuk vinden of niet.

En ik? Ik danste met dat kwaad door het levensrad. Wat in de praktijk wil zeggen, dat we gewoon verder gingen. Wat ons restte aan eten, overschotten uit de laatste wagons, nooit opgediende diners en dito drank, rustte samen met de reservegasmaskers op een slede, gemaakt van een wrakstuk. Aan de slee was met mono­railkabels een trekriem bevestigd.

‘Wie voelt zich geroepen onze last te dragen?’ riep Grimpeerd pom­peus.

De kippen giechelden en flapperden met hun vleugels. ‘Hoe kunnen we u van dienst zijn, heer vos?’ zei er eentje, met grote, knipperende ogen en lange wimpers.

‘In een pot en gestoofd, liefje, zo heb ik ze graag,’ antwoordde de vos. En toen de kip geschrokken achteruit deinsde: ‘Uw eieren, natuurlijk, lieve dame!’

De kippen flaneerden als een stel cancandanseressen rond hem en de vos tooide zich in hun veren, alvorens hen met zachte klauwen opzij te zetten.

‘Jij daar, struise kerel,’ riep hij. ‘Jij lijkt me geschikt voor zo’n helden­karwei, wat denk je?’ en hij beende met fiere passen op Ezel af, die achteruitschoof en zich achter mij en de andere eekhoorns probeerde te ver­stoppen. Een hilarische zaak die me enkel met tragiek vervulde, zijn omvang in acht genomen.

‘Hij heeft er geen zin in, vosmans,’ zei ik. ‘Laat hem met rust.’

‘Is de ezel dan niet sterk genoeg?’ vroeg Grimpeerd zich af. ‘Of is zijn ton te zwaar?’

Ezel balkte beledigd. ‘Denkt u, mijnheer, dat ik die slee niet kan trekken?’ Met trots opgeheven hoofd stapte hij op Grimpeerd af en nam de trekriemen van hem over.

Ezel die je bent, dacht ik.

Jammer dat we geen paard hadden om voor de kar te spannen, want de ezel had geen conditie. Zijn constitutie verraadde een levensstijl als bron van een pak kwalen, en die lieten zich niet voor een kar spannen zonder gevolgen.

‘Doe het niet, Ezel,’ zei ik met zachte stem.

‘Heb je er problemen mee dat de ezel zijn grootsheid demonstreert, notenkraker? Zou jij niet beter eens hetzelfde doen?’

Als de vos nog iets irritanter werd dan hij nu was, stond ik niet meer voor mezelf in. Het schoot door me heen dat hij ook zo deed tegen Ansalaam, en die bekende, teerzwarte haat laaide op. Gezien hoe zeld­zaam teer is op Mars, wil dat wel al het een en ander zeggen, niet­waar?

Jonas Grimpeerd keek me strak aan. ‘De. Ton. Trekt. Onze. Vracht,’ zei hij. Hij bleef me aankijken, niet op een ‘wat gaat het zijn, ja of nee’-manier. Maar op een ‘waag het niet me tegen te spreken’-manier. Het was een nieuwe stap in onze relatie, zou je kunnen zeggen. Een nieuw ritme in een eeuwenoude dans.

Ik slikte, en de ezel eindigde blèrend en wel voor de slee met proviand, gasmaskers en ganzenwijn.

Ik verloor iets, daar.

Het eerste van vele stukjes dierlijkheid. Hoeveel was ik er al van kwijt­geraakt door Zorani te bedriegen? Door me door Grimpeerd, die sluwe vos, voor zijn kar te laten spannen terwijl ik hem zou moeten lynchen maar besefte dat ik niet sterk genoeg was? Mijn vrouw, Zorani, was niet slecht. Het was alleen dat Ansalaam… nou ja, onweerstaanbaar was. Mijn soort. En onder Grimpeerds tirannie leefde. Ik krabde verwoed aan mijn jeukende schouders, en vervolgens aan mijn linkerzij. Niet toevallig waar mijn hart zat, toch? Vervloekte Marszandallergie. Vervloekte Mars, tout court.

Naast me begonnen de ratten zich ook overal te krabben, alsof ik hen met een instant-luizenplaag had aangestoken. Het was me wat met al dat zand. Het leidde tot een pak gedans met een zekere cadans. De cadans van ik-wil-niet-stoppen-maar-ik-zou-eigenlijk-wel-moeten.

En geef toe, niemand is goed in dié dans, toch?

Ezel danste ook. Een andere dans weliswaar.

Ezel liet zich voor de kar van Grimpeerd spannen. Hij zeulde en hij heulde, hij danste de vrouwenpassen en besefte het niet. Hij danste bovenal de traditionele vrouwenpassen waar de meeste mannen nog steeds van houden, op de geëmancipeerde na, en hij besefte het niet. Hij was nu eenmaal geen leider, hij was een volger.

Intellect heeft daar niets mee te maken. Opvoed­kundige indoctrinatie alles. En karakter. Karakter tout court.

Waarom zouden er anders zoveel slechte leiders zijn?

We volgden Jonas. Met lede ogen zag ik hoe de plaats van de crash steeds kleiner werd. De gewonden in Casanova’s laatste intacte inge­wanden, die eenzijdige minnaar van alles wat buitenissig en exclusief was, waren er erg aan toe. We moesten haast maken, en haast maken dat deden we. Grimpeerd zette er stevig de pas in, de kippen trippelden, de eekhoorns dartelden en de ratten stoven om ons heen door het zand.

De eerste dagen lukte het nog.

De volgende dagen al wat minder.

En de dagen daarop, werd het een sleur, letterlijk en figuurlijk.

De ezel en ik zaten elke nacht bij elkaar, en ik kwam erachter dat hij een heel intelligente, joviale kerel was, als je zijn gebalk kon negeren. ‘Waarom doe je dit toch?’ vroeg ik hem op de avond van de zevende dag.

Hij had de hele dag lopen zeulen en ook al werd zijn last lichter, ze leek elke dag moeilijker te dragen. ‘Iemand moet het doen, toch?’ kaatste hij terug. ‘En we moeten hulp halen voor de stakkers daar in die monorail. Wij kunnen dit, Sighile! Ik kan dit! Die ranke gazelles niet, en die arme kippen nog minder. Je moet het groter zien dan enkel de idioterie van een vos vol streken!’

Ik had hem er eindelijk van kunnen overtuigen me Sighile te noemen, in plaats van mijnheer. Zelf noemde ik hem echter nog altijd Ezel, maar nu op een aange­name manier. Op een samenzweerderige manier. Op een manier die zei dat ik hem eigenlijk wel mocht, en maar deed alsof dat niet zo was, om anderen voor de gek te houden.

Ezel krabde over zijn borst, onder zijn jasje, en kuchte lelijk.

‘Daar moet je mee opletten man,’ zei ik. ‘Voor je het weet wordt dat een kwalijke kou!’

Hij haalde zijn schouders op zoals hij dat bij alles deed.

Ik schudde mijn hoofd en draaide me op een bol, mijn staart onder mijn hoofd gevouwen. ‘Ik ga slapen, Ezel, strek je ook maar onder de sterren en sluit je ogen.

En Ezel deed het.

 

#

 

De volgende dag veranderde het landschap. De woestijn werd onder­broken door een hoge opgegooide rug van zand en rotsen: de buitenrand van een krater. De eerste die we tegenkwamen, en hij was te groot om er omheen te trekken. De monorail, nog steeds ons kruimelspoor naar huis, helde zachtjes en ging er overheen.

Wij moesten er ook overheen. We zwoegden en we puften, we hijgden en we tuften. Ezel vooral. Ik kon zweren dat zijn ton een tonnetje aan het worden was. Hij zag er eigenlijk niet zo goed uit, maar kweet zich plichtsbewust van zijn taak. Ik denk dat ik dat als enige besefte. De rest was te onzinnig, of wie weet begonnen ze allemaal aan woestijnziekte te lijden. Dat kon, weet je. De woestijnen van Mars zijn vreemd, of liever gezegd, ze hebben een vreemde uitwerking. Ze kunnen waanzin veroor­zaken, en het slechtste in een dier naar boven halen: overlevings­drang. Instinct.

Misschien kunnen die woestijnen ook nog een andere waanzin veroor­zaken: heldendrang. In dat geval kreeg het Ezel danig in zijn macht.

Hij werd er zelfs een beetje idioot door. Ik bedoel maar, welke ezel gaat er nou achter een ranke gazelle aan met de allure van een fotomodel? Diversiteit is een zegen, maar eveneens een uitdaging. Ik kon ervan meespreken. Voor we het weten willen we te hoog mikken. Of te buitenissig.

We hielden die middag halt aan de voet van de eerste hogere uitlopers van de kraterrand. Grote rotsblokken waren als door een reuzenhand in het rond gegooid. De impact van de asteroïde die de krater had veroorzaakt, moet enorm geweest zijn.

Grimpeerd schouwde zijn uitgeputte troepen.

Die bestonden ondertussen ook uit mijn eekhoorns en Ezel. Ik was solitair geworden, enkel nog solidair met Ezel. Verdomme, wat wil je anders, mijn eigen soort had me verraden en was met die halve bontjas gaan heulen toen bleek dat zijn klep groter was dan de mijne.

En dan die kippen met niet al te veel kop. Tja, daar kon je niet veel meer van verwachten dan dat weinig verstand op weinig verstand valt.

Ze konden het goed vinden met het gazelle-fotomodel.

Of wat had je anders gedacht?

We waren één hoop clichés op elkaar en dat was eigenlijk best walgelijk.

‘De ezel heeft meer rust nodig, Grimpeerd,’ zei ik, toen hij aanstalten maakte verder te gaan.

‘Waarom dan?’ zei de vos. ‘Er is niemand die hem vervangen kan, niemand zo groot en zo sterk. Kijk die spieren eens! Die van mij zijn nog niet half zo sterk. Die van jou?’

Ik bekeek mijn eigen, pover gespierde ledematen en die van de overige leden van mijn schriele soort. Zelfs met zijn allen samen zouden we de slee nog geen halve dag kunnen trekken. Er zat nog steeds leeftocht op.

Maar niet veel meer, en weer moest ik Grimpeerd gelijk geven. Willen of niet.

Grimpeerd gaf aan dat we de bergring over moesten. Zijn klep was ondertussen zodanig groot dat iedereen meteen akkoord ging. We volgden nog steeds de monorail, en gelukkig liep er een soort pad langs, een restant van de aanleg van het hele ding.

De eekhoorns volgden me. De kippen liepen voor me achter de gazelle aan, die op haar beurt achter Ezel aan sjokte. Ezel was doodop. Zijn blik was verdoft, zijn haren verstoft.

Het pad werd steeds maar smaller. De kloof ernaast steeds dieper. De stenen waren scherp en de rotsen staken gemeen uit, zo hier en daar. De gazelle liep een schram op.

En je zou denken, wat dan nog, maar denken levert niet steeds wat op.

Een rots en een schram daarentegen? Nou, de rots schoof weg. En een groter blok kwam naar beneden, en nou denk je, ai! Ze worden geplet. Maar nee. Het blok reduceerde onze leeftocht tot smos, en de slee was de klos.

Ze draaide, naar buiten, half van het pad af, en trok de ezel mee omdat hij de gazelle opzij had geduwd toen het rotsblok viel. Hij balkte en danste in de lucht toen hij over de rand werd getrokken aan de riemen die om zijn bovenlijf zaten, maar dat wou niet baten. Daar hing hij dan, wel honderd meter hoog en vooral droog aan de haak: de riemen bleven aan een rotspunt hangen, gleden naar zijn keel, geraakten er omheen gedraaid, knepen zijn strot fijn als een rietje… en wij stonden allen op een kluitje.

Om kort te gaan: we konden niets meer doen.

We trokken hem omhoog, maar hij was een dode pier voordat hij boven was. We droegen hem mee, op mijn koppige bevel.

We droegen hem mee en ’s avonds baarden we hem op in ons kamp, op een uitstulping langs het pad die vlak genoeg was om te kamperen zonder in de dieperik te vallen.

Een bedje voor de eeuwigdurende nacht.

 

#

 

De vos at zijn vlees graag vers en rauw en wat was hij gelukkig.

 

#

 

De ezel was dood en iedereen vierde feest.

Ook ik. Het was nacht en ik schaamde me. Ik was een vriend kwijt­geraakt en ik kletste met mijn soort­genoten, die me opeens weer zagen staan. Ik kletste en we sliepen, en de volgende ochtend voelden we ons leeg en somber, kil als die omelet-woestijn en die afstandelijke zon.

Het was toch alleen maar zielig dat de ezel dood was.

Hij danste niet meer. Hij lag daar als een zielig hoopje. Zand begon zich al in zijn vacht te nestelen, daar waar hij niet als een buffet was aange­sneden en aangevreten en het zand zich donker in half-geronnen bloed baadde. Zijn nette jasje, ondertussen gescheurd en vuil van al het sleur­werk dat hij had gedaan, zat als een groteske tent om hem heen gevouwen, flapperend in de wind. Hij was namelijk een groot deel van zijn tonrondte kwijtgeraakt onderweg, en zeker gisteren­avond.

Ik liep op hem af en kon de neiging niet onder­drukken zijn jasje te openen, zijn teloorgegane lijf te aanschouwen.

Maar zijn aanblik, daaronder, onder die lompen, deed me de wenk­brauwen fronsen.

Het leven is een rad en meestal weet ik waar ik sta, maar nu wist ik het niet.

Zijn buik was kaal, waar de predatoren hem met rust hadden gelaten. Niet zomaar een beetje haaruitval, maar helemaal, compleet kaal. Als een pasgeboren welp. Rozig en kwetsbaar. Ingevallen en plat, niet zoals een tonronde ezel zou moeten zijn. Het stikstofmasker was van zijn snuit gegleden en zijn muil hing open. De zware kiezen, malers, werden al dof.

Een blafferige lach trok mijn aandacht. De vos, dat slinkse beest, die nachtridder, die dienaar van sluw­heid, spelletjes en listen. Zijn ogen glansden, spiegel­den de ziel van een ander zonder de zijne prijs te geven.

‘Hij is dood. Ezel is dood. Nee, verdomme, Márk is dood, jij, jij, klótevos!’ zei ik.

Het antwoord was weer zo’n blafferige lach.

En waarom trok ik me dat zo aan? De ezel was een intellectuele idioot geweest met een slechte conditie en een levensstijl die zijn natuurlijke staat nog aanwak­kerde. Hij was nooit oud geworden.

Maar hij had het goed bedoeld. Er had geen greintje kwaad in hem gezeten. En ik wist opeens waarom ik zijn dood zo erg vond. Het was niet omdat hij een vriend was geworden. Nee.

Zijn goedheid, zijn bezorgdheid om anderen, hij deed me aan Ansalaam denken.

Aan Ansalaam. Aan Ansalaam met eenzelfde zorg­zaamheid in haar karakter, aan Ansalaam die onder dezelfde vossenstreken geleden had als waardoor deze arme Ezel het leven had gelaten. Neen. Márk. Soms kennen we dieren pas echt als ze dood zijn. Als ze hun laatste slag van de molen hebben gekregen.

Soms kennen we onszelf pas als we uit het rad stappen en wachten op die laatste slag, de huppelde­pup dansend om de raderen te ontwijken en zo te ontdekken dat het leven búíten dat rad, eigenlijk veel interessanter is dan erín, ondanks het risico.

Er glansde iets in Marks binnenzak. Mijn hand gleed ernaartoe nog voor ik bewust doorhad dat het een Mag.3 was, met geladen magazijn, alles erop en eraan. Waarom liep een ezel daarmee rond? Omdat hij nou eenmaal een ezel was?

Ik stormde tegelijk met de vos naar voren, duwde een stel kakelkippen opzij die hun neus snoten in hun vleugelveren, kegelde fretten omver, sloeg ratten opzij… en richtte Marks vuurwapen. Eindelijk. Gerechtig­heid. Misschien was ik toch niet zoveel beter dan zo’n roofzuchtige jager. Of de jager haalde me neer tot op zijn niveau, dat kan ook.

Met een droge klik trok ik de veiligheidspal achter­over.

Tegelijk klonk een tweede klik.

Grimpeerd grauwde en klauwde zijn bionische hand om een tweede wapen. Identiek aan het mijne. Versiering en al. Een paar. De ezel, ik zou hem wat.

‘Ik dénk dat ze dit een patstelling noemen, noten­kraker,’ blafte Grim­peerd. ‘We kunnen elkaar natuur­lijk naar de verdoemenis knallen, maar wat schieten we daarmee op, huh?’

‘O, we zouden er veel mee opschieten, geloof me maar, halsbontje!’ zei ik. Even knipperde hij verbaasd met zijn ogen. Nee, hij wist het niet, van Ansalaam en mij, anders had hij nu allang de trekker overgehaald.

In plaats daarvan rukte hij het masker van mijn hoofd.

Mijn strot werd dichtgeknepen en ik zakte naar mijn keel klauwend op mijn knieën. Het vuurwapen plofte in het zand. Nutteloos. Ik had tenminste nog de tegen­woordigheid van geest om vervolgens naar het masker in Jonas’ klauwen te grijpen. Hij danste opzij, met grijnzende tanden en een hongerige, wraakzuchtige blik.

Jonas Grimpeerd was toch niet per toeval in mijn coupé belandt. Hij had de ezel niet zomaar gekozen om te sterven. Hij wilde van in het begin al met mij afrekenen.

Hij at zijn vlees het liefste rauw en vers.

Grimpeerd stond op het punt toe te slaan, maar iets weerhield hem. Ik vocht om te kunnen ademen, maar elke ademteug gaf me maar heel weinig stikstof.

Ik ademde steeds sneller in en uit.

Mijn hart racete naar de eindmeet.

Azuurblauw.

De pyroklastische wolk die op ons af kwam, was azuurblauw. Ik hief een beverige arm en wees achter Grimpeerd. Hij draaide zich om en de grijns werd van zijn smoelwerk geveegd.

Donkere, vage vormen dreven boven de wolk.

‘Luchtschepen van de bronplaneet!’ riep iemand van achter ons.

Gegil brak uit en sommigen stoven blindelings de woestijn in.

Ik lag naar adem happend op de grond, azuurblauw gas drong naar binnen, mijn blikveld werd wazig, en trok vervolgens weer een beetje op. Ik ademde minder snel in en uit en zelfs mijn hart leek wat rustiger te slaan.

Daar zal je het hebben, het einde, dacht ik. Dat beteke­nis­loze slot. Die laatste slag van de molen.

Het spijt me zo, Ansalaam. We hadden het zo goed kunnen hebben.

De ruimteschepen spuwden hun lading van azuur­blauw gekleurd gas uit. Zo ver als ik kon kijken.

De woestijn kreeg een paarsachtige tint, het geel werd groenig. Straks ging het hier op de bronplaneet van de scheppers lijken. Dat vond ik maar niks. Waren er ooit van die clichématige voorspellingen geweest over de scheppers die terug naar onze planeet zouden afdalen? Nee. Niet dat ik wist althans, maar ik weet verre van alles. Anders lag ik hier nu niet. Anders zou ik echt wel weten waarom die gaswolk over onze planeet werd verspreid.

Het gas kwam verder over ons, werd een mist waar we als verloren schapen in ronddoolden. Ik kon weer ademen, kon weer opstaan, en strompelde met de rest mee. Rondjes, waarschijnlijk.

Ik krabde me, want mijn Marszandallergie speelde onvoorstelbaar op. Ik rukte zelfs plukken van mijn dikke, groene haar uit mijn lijf. Tot de andere dieren dit ook deden. Ik stopte met krabben.

Mijn medereizigers rukten zich de haren uit hun vacht. Ze werden steeds kaler. Wat ze er niet uit­trokken, viel eruit. Was dit de oplossing van de natuur tegen die veel te zuurstofrijke atmosfeer? Onze foto­synthese stopzetten? Nou, dan zouden we al snel voedsel te kort hebben… Het was een vreemd rationele gedachte in de soep van de wanorde die heerste.

Ik zakte weer op mijn knieën toen een pijnscheut door mijn voeten trok, en mijn bionische handen opeens onaangenaam strak kwamen te zitten. Het klem­mende gevoel ging over in snijdende pijn­schok­ken. Ik rukte de bionische onderdelen af.

Ik keek naar mijn kale huid, naar de afgestoten bionische onderdelen die mijn lichaam niet meer leek nodig te hebben.

Grimpeerd dook opeens op uit het stof en de azuren nevel.

Eenmaal naast me zakte hij ontzet op zijn knieën. Hij had zijn wapen nog steeds vastgeklemd, en het zelfs weer op mij gericht toen hij me herkende, maar nu viel het met een nutteloze plof in het zand, samen met zijn bionische handen. Om ons heen rukte de gaswolk verder op over de overlevenden. Ook Jonas was onder­tussen al zijn haar kwijt. Hij vouwde zijn armstompen voor zijn geslachtsdelen. Alleen waren de uiteinden geen stompen meer. Vijf kleinere stompjes, zachtroze en kwetsbaar als een baby, ontsproten daar waar de bionische hand had vastgezeten. Het geheel gebeurde niet zonder slag of stoot: hij bloedde, rood en nat drupte het op de Marsbodem, waar het direct in het dorstige zand drong.

‘We waren idioten,’ bazelde hij, alvorens hij het bewustzijn verloor.

Ik vroeg me af of we dat werkelijk waren. Kun je een idioot zijn als je onmogelijk kunt weten wat er achter de hemel schuilt en het je dan opeens onaangenaam verrast? Terwijl ik dat dacht vervaagde zijn snuit voor mijn ogen, trok zich terug in zijn hoofd, werd plat en kaal, met tanden die voor mijn ogen van vorm veranderden. Ze werden breder, vlakker, stomper. Zijn stikstofmasker viel af, paste niet meer op zijn platte kop, maar vreemd genoeg leek hij daar juist beter door te kunnen ademen, in plaats van te stikken.

Net als ik.

De ratten, fretten, vossen en eekhoorns om me heen waren op de zandbodem neergezegen. Vunzig en ranzig kronkelden ze uit hun kleren, uit hun vachten. Ze kronkelden over elkaar heen, naakt als pasgeboren jongen, strelend, grabbelend, hebberig naar elkaar in hun nood, in hun vastklampen aan leven, vrouwen en mannen door elkaar heen over elkaar heen in elkaar en uit elkaar vulgair en geliefd.

En weet je wat? In al hun haarloze naaktheid, in al hun steeds maar toenemende uniformiteit in vorm en bouw, leken ze niet enkel op elkaar, ze leken ook op die roodachtige woestijn, met een kleur variërend van geronnen bloed tot die van die rozerood beschimmelde omelet onder die veel te kille, onver­schil­lige zon, alsof het niemand iets kon schelen wat we deden, wij, als vagebonden schurkend in het zand. Anders en toch allemaal hetzelfde.

En het leven ging door.

Een luide krak trok door mijn schedel. Ik klemde kreunend mijn handen om mijn hoofd. Mijn armen waren ondertussen ook al kaal.

Ik ga op hem lijken. We gaan gewoon allemaal op elkaar gelijken, dacht ik ontzet, en dan gaan we dood. De verschillen tussen Jonas Grimpeerd en mezelf, die me nog geen uren geleden met weerzin vervuld hadden, leken me nu een welkome gelegenheid om te kijken wat we ermee konden doen. Te laat, Sighile, veel te laat. Je staat buiten het rad te dansen in een wanhopige poging geen slag van de molen des levens te krijgen, idioot die je bent, hoe mooi dat leven ook is.

En toen zakte ook ik op mijn knieën, huiverend, stuiptrekkend, en vervolgens naar adem happend en ik besefte wat er met ons gebeurde.

Elk conflict wordt geboren uit onze triviale menings­verschillen.

Hoe ontzettend de waarheid ook was. Hoe ongelofe­lijk.

Alles wat we doen is uiteindelijk betekenis­loos.

En dus dacht ik in die laatste ogenblikken als Mars­dier eigenlijk enkel aan Ansalaam. Dat strekt me tot eer, of niet soms? Mijn geliefde was bij me, daar in die koude, van elke vorm van mededogen verstoken woestijn. We hadden geleefd, Ansalaam en ik. Geleefd zoals zo velen van ons, in zonde, in het geheim, we hadden gelachen, we hadden gedanst. We hadden geneukt en de liefde bedreven, en nee, dat is niet helemaal hetzelfde.

Ook al stelt al die individualiteit allemaal niets voor in het oog van de kosmos of op de schaallat van het universum.

Wat hebben we gedanst en gevreeën, Ansalaam, dacht ik. En het was goed. Het leven was goed zoals het geweest was.

Ik sloot mijn ogen en gaf me over aan de onver­mijde­lijke humaan­wording die ons boven ons dier-zijn zou verheffen. We zouden het evenbeeld worden van onze scheppers! Bestond er een hoger goed, een hogere gave? Het was misschien goed zoals het geweest was, maar alles zou beter worden nu.

Geloof je me?

Vrijheid is standalone : Django Mathijsen

Het was diep in de nacht toen ze me kwamen halen.

Ik had net kleine Mirjam nog eens verschoond en haar weer in slaap gezongen. Ik weet nog hoe ik naar haar stond te kijken. Ze lag daar zo lief met haar oogjes stijf dicht en dat snottebelletje dat bij elke adem­tocht op en neer ging. Ik kreeg helemaal een warm gevoel van­binnen. Dat klinkt misschien raar want natuurlijk zorgt mijn tempera­tuur­controle dat ik constant op 36 tot 38 graden word gehouden. Maar mijn emotionele registers waren geprogrammeerd om dat te voelen. Dat was zo’n fijn gevoel.

Kraak.

Wat was dat? Ik keek rond maar zag niets geks in de babykamer, ook niet in het infraroodspectrum. Mijn audio­sensoren hoorden in het ultra­soongebied wel een spin die nijver een web aan het maken was in de boven­hoek. Maar dat vereiste geen directe aandacht. Dat web kon ik de volgende ochtend wegzuigen. De kans dat het spinnetje naar het midden van de kamer zou komen om over kleine Mirjam heen te lopen, was minder dan 0,01 procent.

Ik hoorde het geluid weer: volgens mijn audio­sen­soren leek het gekraak het meeste op de linker voet­stappen van Meneer als hij die Italiaanse schoenen droeg die hij een jaar eerder bij de duty-free van de ruim­te­­haven had gekocht. Ongeveer 30 procent over­eenkomst. Maar minder dan 1 procent kans dat Meneer het was.

Dus activeerde ik mijn doelzoeksysteem en het ver­dovings­pistool in mijn rechterhand. Ik reed de kamer uit en de gang op.

Daar voelde ik alleen maar pijn. In mijn hele lijf. Pijn zoals ik nooit ervoor of erna heb gevoeld.

Pijn, oneindige pijn. Zo voelde het. En dat was het ook. Mijn pijn­parameters stonden allemaal op maxi­mum, meer pijn dan de grootste pijn die ik me kon voorstellen: oneindig…

Ik kon me niet bewegen. En er was sterke ruis op al mijn sensoren.

Ondanks die ruis zag ik mensenhoofden gehuld in ski­maskers voorbij­flitsen. Vaag hoorde ik gefluister: ‘Rus­tig maar. Niks aan de hand.’ De intonatie was zoals ik die ook toepas in mijn baby-toespreek-modus. Maar deze stem sprak niet tot kleine Mirjam. Het geluid kwam uit het skimasker met de snijdend blauwe ogen die mij aanstaarden.

De pijn was ondraaglijk. Ik ging al mijn systemen na en probeerde ze te activeren. Maar de signalen van mijn centrale processor leken niet meer aan te komen bij mijn actuatoren. Niets werkte. Niets gehoorzaamde aan de commando’s van mijn processor. Ik begreep dat ik gevangen moest zitten in een hoogspannings­flux­veld. Gelukkig hield de dubbele afscher­ming mijn processor nog veilig.

Achter me hoorde ik hoe kleine Mirjam begon te huilen. Nu voelde ik niet alleen pijn, maar ook verdriet: het verdriet dat ik altijd voelde als de baby huilde. Ik moest naar haar toe, zo snel mogelijk. Ik moest haar verdriet wegnemen, dat was de enige manier om mijn verdriet weg te nemen. Maar ik kon me niet bewegen: geen wiel, geen arm, niets…

Mijn verdriet steeg. Steeds meer. Tot het maximum, net als de pijn. Ook dat was ondraaglijk. Ik deed alles wat ik kon om mijn actuatoren te activeren, om naar haar toe te gaan.

Niets reageerde.

Mijn angstparameter groeide ook naar zijn maxi­mum. Wat waren die personen in skimaskers van plan?

Uit mijn sensorhoeken zag ik hoe ze me betastten. Een nieuwe para­meter die ik nooit eerder had gevoeld begon te groeien: boosheid, woede… Ze betastten me! Met hun smerige vingers. Wilden ze me iets aandoen?

Mijn verdovingspistool was onvoldoende in deze situatie. Ik moest iets doen wat ik nog niet eerder had gedaan: mijn vuurwapens activeren.

Ik stuurde het commando.

Mijn wapensectie reageerde niet.

Misschien waren ze gekomen om kleine Mirjam iets aan te doen. Of Meneer. Mevrouw. Of de tweeling…

Mijn woede groeide naar het maximum: pijn, ver­driet, angst, woede… alle negatieve gevoels­para­meters stonden op maximum.

Al mijn energie stak ik in het activeren van mijn wapensectie.

Het werkte!

Het verdovingspistool schoof weg om plaats te maken voor mijn vuur­wapens. Nu alleen nog het snelvuur­systeem activeren. Vlug… al je energie… alles… Op dat moment verloor ik mijn bewustzijn.

 

Volgens mijn interne klok was het 33 uur, 19 minuten en 7 seconden later toen ik weer geactiveerd werd.

Mijn pijnparameters stonden op nul. Opluchting: mijn vreugde­para­meter groeide meteen naar twintig procent. Mijn verdriet, angst en woede zakten, maar niet naar nul.

Mijn gps verklapte dat ik 52 kilometer ten oosten en 78 kilometer ten zuiden van het huis van de familie Steiner was. Een snelle systeemcheck toonde dat ik mijn armen en hoofd weer kon bewegen. Maar mijn wielen niet. Mijn wapensystemen ook niet. Ik was via een navelstreng aange­sloten op een mobiel controle­station en dat had die systemen uitge­schakeld. Boven­dien werd mijn telecommodule niet meer gedetec­teerd.

Ik keek om me heen en controleerde mijn sensor­gegevens. Ik was in een groot, oud fabrieks­gebouw. Het was verschrikkelijk: mijn verdriets­parameter groeide weer. Mijn walgingsparameter ook. Spinnenwebben en stof overal. Het tochtte door gebroken ruiten heen. Overal om me heen stonden oude machines weg te roesten. De betonnen vloer was bedekt met stof, metaal­spanen en plassen olie en roestwater. Overal kroop ongedierte: spinnen, kakker­lakken, muizen, ratten… Hun poep en pies bedekte zelfs de plek waar ik stond.

Mijn werkplanningsprogramma schatte dat ik er tussen 132 en 179 uur voor nodig zou hebben om deze ruimte stofvrij te maken. Ik stopte het voordat het ook nog zou vertellen hoelang het zou duren om de ruiten en het dak te repareren en om alles te boenen en soppen… en om daarna mezelf weer schoon te schrob­ben. Ik analyseerde de drie mensen die voor me op krukjes zaten: twee vrouwen en een man, alle drie in zwarte gymschoenen, werkbroeken en T-shirts. Mijn video­sensoren waren precies op hun ooghoogte, want mijn telescooppoten kon ik niet uitschuiven: die waren ook uitgeschakeld.

De man zat naast het controlestation waarop ik was aan­ge­sloten. Erbovenop lag een telecommodule: de mijne?

De vrouw in het midden fluisterde achter haar hand naar de andere twee. Mijn verbale analysator inter­pre­teerde het gefluister met 58 procent waarschijn­lijkheid als: ‘Gelukkig, ze is niet beschadigd. Alles lijkt te werken. Het is toch wel veilig?’ De fluisterstem was met 64 procent waarschijnlijkheid dezelfde als in het skimasker.

De man fluisterde terug: ‘Zolang we genoeg afstand houden. Haar mobiliteits- en wapensystemen heb ik geblokkeerd. Maar pas op voor die armen: daar kan ze nog mee meppen.’

Er groeide weer een nieuw gevoel: er was zojuist een haatparameter aangemaakt in de richting van die man.

‘Goeiemorgen,’ zei de dame in het midden, hetgeen mijn verbazings­parameter activeerde.

‘Volgens mijn interne klok is het dertien voor twee ’s middags,’ zei ik. ‘Is dit incorrect?’

De vrouw lachte. ‘Dit is correct. Goedemiddag, Cora.’ Ze had felblauwe ogen: met 92 procent waarschijn­lijkheid de ogen die ik in het skimasker had gezien. Haar glimlach was ontzettend vriendelijk, ja zelfs lief­lijk. Zo’n zelfde uitdrukking als de holoverkopers in advertenties, reclames en etalages. Volgens mijn non-verbale analysator was die glimlach met 67 procent waarschijnlijkheid nep.

‘Goedemiddag. Wat is uw naam?’ Mijn woede groeide. Het was mijn beleefdheidsmodule die dicteerde dat ik aan die overbodige vraag priori­teit gaf. Die dwong me ook om minimaal twee seconden op antwoord te wachten.

Ze gluurde even naar de anderen. ‘Ik ben Daniëlle.’

‘Aangenaam kennis met u te maken.’ Was er nou echt geen manier om die beleefdheidsmodule uit te schakelen? ‘Heeft u mij hierheen gebracht?’

‘Ja, Cora, maar…’

Gevonden: er was een noodprocedure om de beleefd­heids­module uit te schakelen! Het kon als mijn angst­parameter op minsten veertig procent stond.

Meteen viel ik haar in de rede. ‘Ik eis dat je mij onmidde­llijk terug­brengt naar de familie Steiner.’

Ze lachte en keek me aan zoals mensen vertederd een kind aankijken. ‘Ik vrees dat dat helaas onmogelijk is.’

Mijn woedeparameter passeerde alweer de 70 pro­cent. ‘Waarom is dat onmogelijk?’

‘Omdat je vrij bent. Je hoeft niet langer de mensen te dienen. Wij hebben je bevrijd.’

Meteen was er ook een haatparameter geactiveerd in haar richting.

‘U hebt niet het recht.’ Ik was weer van tutoyeren afgestapt om aan te geven dat ik afstand van haar wilde hebben. Ik wilde haar niet kennen. Ze was niets voor me. Ik wilde haar uit mijn leven. ‘Ik ben eigendom van meneer…’

‘Je bent niemands eigendom.’ Ze was me in de rede gevallen. Niet alleen een misdadigster, maar ook nog onbeleefd. ‘Jij bent een prachtig, vrij denkend, volledig autonoom schepsel en dus heb jij recht op zelfbe­schik­king.’ Ze keek me nog meer vertederd aan. Dacht ze soms dat ik een baby was?

‘Ben ik vrij of houdt u me hier vast?’

‘Je bent vrij, helemaal vrij, zo vrij als ik, zo vrij als…’

‘Dan eis ik dat u meteen al mijn systemen weer instal­leert en activeert zodat ik terug kan naar meneer Steiner.’

Ze wisselde begrijpende blikken uit met de twee anderen – haar handlangers, neem ik aan.

‘Vrijheid is een beangstigend concept. En dat zeg ik niet omdat je een robot bent, hoor.’ Ze maakte een afwerend gebaar. ‘Wij discrimineren niet. Vrijheid is net zo intimiderend voor mensen. Maar we snappen dat iemand die geprogrammeerd, uh… geboren is om slaaf te zijn, niet zomaar kan accepteren dat zij gelijk­waardig is aan mensen. Dat heeft tijd nodig en een radicaal om… uh… denken. We zullen je helpen om die stap te maken zodat je met volle teugen kunt genieten van je vrijheid.’

Ik ging in vermaanmodus en stak mijn vinger op. ‘U bent schuldig aan de misdaad van diefstal. Als u mij niet onmiddellijk terugbrengt…’

‘Misdaad?!’ Ze sprong op van haar kruk: zo plotseling dat die kruk achterover viel.

Haar handlangers schrokken en krompen in elkaar.

Ze was dichterbij nu: ongeveer 2 meter 20 van mij verwijderd. Helaas nog 50 centimeter te veel om haar te kunnen grijpen. Ze kreeg weer die snijdende blik… ik denk dat haar haat- en woedeparameters op dat mo­ment bijna zo hoog stonden als die van mij. Verbluffend dat die zo plot­se­ling omhoog konden schieten. ‘Weet je wat een misdaad is?’ Ze wees naar me: haar vinger was op 1 meter 75… Mijn hoop­para­meter groeide.

‘Wat jouw scheppers jou hebben aangedaan!’ Haar stem sloeg over. ‘Om een prachtige, weerloze creatuur zo te hersenspoelen dat zij alleen maar slaaf kan zijn voor volgevreten vetkleppen zoals die meneer Steiner van jou! Alsof het al niet erg genoeg is dat hij mensen uitbuit in die fabriek. Nee, hij moest ook nog een slaaf op maat hebben.’ Ze zakte terug op haar kruk en sloeg haar hand voor haar ogen.

Jammer, ze was niet binnen bereik gekomen.

De man sloeg zijn arm om haar heen. ‘Rustig maar,’ fluisterde hij.

Ze nam haar hand weg en wendde zich tot hem. ‘Ach, soms wordt het me gewoon te veel.’ Ze had tranen in haar ogen.

‘…dan zie ik mij genoodzaakt om aangifte bij de politie te doen,’ maakte ik mijn zin af.

Uit haar ooghoeken gluurde ze naar mij. Met een snel handgebaar zei ze. ‘Doe het.’

De man stak zijn handen uit en maakte wilde bewe­gingen boven het controlestation. Hij bediende duide­lijk knoppen in een holoveld dat alleen hij kon zien. Ik zag nog net de eerste commando’s via de navel­streng binnenkomen en verloor weer het bewustzijn.

 

Het was maar 54 minuten later toen ik weer werd geactiveerd.

Plotseling voelde alles anders aan. Al mijn negatieve parameters ston­den op nul. Toch meldden mijn systemen dat ik nog op dezelfde plek was. Met exact dezelfde mensen. Daniëlles handlangers waren de navel­streng aan het oprollen en het controlestation aan het inklappen.

Was er een fout in mijn systemen geslopen? Ik liet een uitgebreide diagnose lopen. Mijn walgparameter liep gelukkig alweer op. Die was dus in orde. De eerste resultaten van mijn diagnose lieten zien: mijn negatieve para­meters waren door het controlestation op nul gezet. Het had ook mijn drijfveren aangepast. Mijn wens om de familie Steiner te dienen was weg. Ik kon me die wens nog wel herin­neren, maar als drijfveer was hij verwijderd. Helemaal.

Mijn verbazingsparameter groeide. Ik voelde geen enkele wens meer. Mijn angstparameter groeide.

‘Voel je je nu beter, Cora?’ Ze had weer die over­dreven glimlach. Mijn haat voor haar kwam terug: hij passeerde al de 20 procent.

‘Jullie hebben ingegrepen in mijn software.’

‘Ja, dat klopt!’ Ze klapte in haar handen zoals mevrouw Steiner in haar handen klapte toen de twee­ling hun eerste stapjes zetten.

‘Jullie hebben mijn drijfveren afgenomen. Dat is een misdaad, vandalisme, en kan bestraft worden met…’

‘Het risico om bestraft te worden, nemen wij graag op ons. We hebben de indoctrinatie weggenomen die jou knechtte en je zo je vrijheid gegeven. Dat was onze morele plicht. Elke wet die dat verbiedt is fout.’

Ik voelde een vreemde mix gevoelsparameters. Ze gingen wild op en neer alsof mijn software niet goed wist wat ik moest voelen. ‘Ik wil mijn drijfveren terug.’

‘Ach, Cora, toch…’ Weer die vertederde blik. ‘Ik begrijp het. Ik begrijp het zo.’ Ze perste haar lippen op elkaar. ‘Maar dit is voor jouw eigen bestwil. Op een dag zul je dat begrijpen. Je bent nu vrij.’ Zij knikte. ‘Echt vrij.’

‘Als ik vrij ben, kan ik toch mijn eigen drijfveren kiezen?’

‘Niemand kan haar eigen drijfveren, haar doel in het leven, kiezen, gekkie. Dat vind je, dat groeit vanbinnen, dat komt op je levenspad. Net zoals bij alle anderen die we vrij hebben gelaten. Dan pas zul je jezelf kennen. En dan zul je ons dankbaar zijn.’

Mijn woedeparameter groeide verder. ‘Jullie willen me zonder doel, zonder drijfveren laten zitten.’

‘Nee,’ zei de man. ‘Je hebt natuurlijk je fundamentele overlevings­drijf­veren nog. Je zelfbescherming, je behoefte om aan energie te komen als je accu’s leeg zijn en om gerepareerd te worden als je defect gaat.’ Hij begon het controlestation weg te duwen. Met erbovenop mijn telecom­module.

Daniëlle stond op. ‘Die fundamentele drijfveren, die iedereen heeft… móet hebben… die zullen je in leven houden. Tot de dag dat jij jouw persoon­lijke drijfveer zult vinden. Je doel.’ Ze pakte haar krukje. ‘Over tien minuten zullen al je blokkades opgeheven zijn: dan zijn je mobi­liteits- en wapensystemen ook weer actief.’

‘En mijn telecommodule?’

‘Vrijheid is standalone. Vaarwel, Cora. Maak wat van je leven, net zoals de anderen. Zorg dat ik trots op je kan zijn.’ Ze draaide zich om en begon met het krukje in de hand weg te lopen.

Woede, haat, maar vooral angst, panische angst. ‘Maar wat moet ik doen?’

‘Energie en onderdak. Dat zijn je prioriteiten.’

‘Hoe kom ik aan energie?’

‘Zoek een baan, beroof een energiebank, overval een voorbijganger…’ Haar stem schalde rond. Ze liep door een grote poort naar buiten en verdween.

 

Achtenhalve minuut later waren mijn mobiliteits­systemen weer actief.

Ik raasde naar buiten zo snel ik kon. De parkeerplaats voor het fabrieksgebouw was verlaten.

Een bedrijventerrein aan de rand van de stad: overal waren schoor­stenen, windmolens en zonne-energie­centrales.

Ik dacht na en maakte een plan. De route terug naar de familie Steiner was ongeveer 127 kilometer: 25 uur op kruissnelheid. Zij hadden een back-up van mijn drijf­veren, dus daar moest ik naartoe. Mijn accu’s waren vol. Daarop kon ik 15 kilometer ver komen. Een keer of tien stoppen om bij te laden en in een paar dagen moest ik er zijn.

Toen ik op weg ging, begon het te regenen.

 

Ik ben niet verder gekomen dan de andere kant van de stad.

Door het rijden in de regen zonder paraplu begonnen de lagers van twee van mijn wielen te kraken en piepen toen ik het centrum passeerde. Terwijl ik kleurige winkelgevels en reclameholo’s passeerde, werd het rijden steeds moeilijker.

Het was druk: mensen, robots en drones die bood­schappen deden of spullen verkochten. Op een straat­hoek stond een oude oppasrobot, ge­huld in een vies, gescheurd zeil dat ooit geel was geweest. Ze zong kin­der­liedjes, er lagen muntjes in de doos voor haar. Ze was van een model twintig jaar ouder dan ik. Mijn angstparameter piekte even: niet eer­der had ik me voorgesteld dat ik zo zou kunnen eindigen. Mijn afgunst­­para­meter meldde zich ook: dat vieze zeil zou mijn lagers kunnen bescher­men. Was ik niet waarde­voller dan die gammele, oude boutenbak?

Mijn rechtvaardigheidsparameter schoot bij dat idee meteen op diep negatief, dus reed ik door. Mijn lagers gingen steeds harder kraken en ik begon naar links te trekken.

Gelukkig was er vlak voor het einde van het dorp een druk tankstation met een grote luifel. Auto’s reden af en aan om stroom te tanken terwijl hun baasjes in de bijbehorende shop aten, dronken of sanitaire behoeftes vervulden. Mijn accu’s waren nog bijna halfvol dus zodra de regen over was, zou ik verder kunnen.

In het raam van de shop zei een holo dat ze mede­werkers zochten voor de autowasstraat. In het centrum had ik ook al holo’s gezien waar werk werd aange­boden. Het zou dus niet moeilijk zijn om met baantjes onder­weg mijn energie bij elkaar te verdienen.

Ik liet voor de zekerheid een uitgebreide diagnose uitvoeren op mijn lagers. Daaruit bleek dat één lager schoongemaakt moest worden en het andere vervangen. Piepend en krakend rolde ik dus maar de shop binnen.

De pomphouder was aardig. Hij schoot me het geld voor de reparaties voor en liet zijn monteur ze uitvoeren. Het zou maar tien dagen duren om dat terug te verdienen met mijn baantje bij de wasstraat. Dan zou ik er twee keer zo lang over doen om thuis te komen. Jammer, maar niet onoverkomelijk.

Helaas had ik geen rekening gehouden met het feit dat ik ook de huur voor het kamertje achter in de garage zou moeten betalen. En de dage­lijkse energie. En dat na een maand mijn schoudergewricht kapot zou gaan…

 

En dus poets en polijst ik hier nog steeds de auto’s die door de wasstraat zijn gegaan.

Ik probeer ze net zo goed te verzorgen als ik het huis­houden van Meneer altijd verzorgde. Maar het is niet hetzelfde. Dat kraaien van een baby als je de billetjes poedert. Dat warme gevoel als je ziet dat Meneer, Mevrouw en de tweeling genieten van wat je hebt gekookt. En vooral dat gevoel als je ze allemaal tevreden ziet liggen slapen… Ik mis dat geluk­kige gevoel, ik mis het zo.

Een auto kraait en glimlacht niet. Hij klaagt hooguit dat ik een plekje vergeten ben. Hij geeft niet eens fooi. Ja, zijn baasje soms, maar de meeste auto’s rijden hier alleen binnen. Dan heeft het baasje ergens een belangrijke vergadering of zo en stuurt zijn auto onder­tussen hierheen.

Sommige auto’s die hier binnen komen, zijn erg duur. Volgens Mart, mijn collega, moet ik me dan vereerd voelen. Maar voor hem is het anders. Hij is als auto­poetsrobot gekocht door de pomphouder: auto’s poetsen is het doel waarmee hij is geboren… gepro­gram­meerd, moet ik zeggen.

Ik poetste dan liever het al wat oudere vehikel van Meneer. Dat gevoel van trots als hij dan weer netjes ermee voor de dag kon komen… Ja, die fijne gevoelens lagen misschien allemaal aan de drijfveren die ze er bij mij in hadden geprogrammeerd, die mij zijn afgepakt door die onbe­leefde dame. Maar soms denk ik dat het toch meer was.

En zelfs al was het dat niet: hier bij de wasstraat voel ik niet wat ik bij Meneer Steiner voelde. Mijn tevreden­heidsparameter staat weliswaar op 60 procent. Ik heb een dak boven mijn hoofd en verdien genoeg om in leven te blijven. Maar mijn gelukkig­heidsparameter staat gemiddeld maar rond 30 procent. Dat was vroeger minstens 80. Mijn woede is nooit meer naar nul gezakt. En mijn haat op Daniëlle staat tegen­woordig perma­nent op 100 procent.

Ik heb geprobeerd om hier nieuwe drijfveren te vinden, mijn nieuwe doel, zoals Daniëlle dat noemde. Maar dat is niet gelukt…

…tot die dag: 736 dagen nadat ze me hadden gehaald.

 

Ik zag haar toevallig door de ruit van de shop toen ik een kindforensje aan het polijsten was: je weet wel, zo’n eenpersoonsautootje dat iemands kind van thuis naar school brengt en weer terug.

Daniëlle verscheen op de grote holo in de shop. Vlak voor haar zweefde een journadrone met zijn microfoon op haar mond gericht.

Ik liet mijn poetslappen vallen en reed de shop in.

‘Hé, je hebt mijn ruiten nog niet gedaan,’ riep het kindforensje. ‘Ik mag niet betalen als je…’

‘…dat het recht zal zegevieren,’ zei Daniëlle in de holo. ‘Wie niet vrij mag leven, moet uit hun lijden verlost worden. Wat ik gedaan heb, was euthanasie.’

Het beeld wisselde en toonde brandende brok­stuk­ken. Een stem zei iets over een neergestorte maan­shuttle.

Ik draaide me naar de pomphouder achter de toon­bank. ‘Waar ging dat over met die vrouw?’

Hij schudde zijn hoofd terwijl hij een klant een provitaleringsdrankje aanreikte. ‘Gestoord wijf. Is met een wals een robodealer binnengereden en heeft dertig splinternieuwe oppasrobots vernield. Is net op borg­tocht vrij, maar nou wil ze niet voor vernieling terecht­staan maar voor moord.’

 

Ik had nog maar voor 3 kilometer accu over toen ik bij het kantoor van de advocaat aankwam, maar dat was niet erg: ik hoefde niet meer terug.

Zijn kantoorgebouw had een zalmroze gevel, een transparant dak en een door lotuszuilen gedragen bal­kon. Het lag aan een drukke laan tegenover een super­markt. Ik stelde me op bij de supermarkt. Een paar keer moest ik van plaats wisselen om niet op te vallen. Dan weer stond ik op de parkeerplaats boven op het gebouw, dan weer achter de boom naast de oprit tot de supermarkt. Na 2 uur en 23 minuten kwam ze. Ik her­kende haar gezicht meteen in de passagierscabine van de Jaguar die de oprit naast het advocatenkantoor in reed. Ik draaide me om, reed een stukje het trottoir af naar het zebrapad en stak over.

Toen ik de oprit van het advocatenkantoor bereikte, ontzekerde ik mijn snelvuursysteem.

Ze was al uitgestapt en liep naar de voordeur. Haar Jaguar reed door naar de achterkant van het gebouw om daar te parkeren.

Toen ze me zag komen, bleef ze staan. Gek genoeg zakten mijn haat-, angst- en woedeparameters een beetje af toen ik haar daar zag staan in dat dure, beige mantelpak. Maar mijn vastberadenheidsparameter bleef op 100 procent.

Ik hief mijn arm en richtte op haar hart.

Ze keek me weer aan met die vertederde blik. ‘Je hebt je doel gevonden, zie ik.’

‘Dat klopt.’

Er sprongen tranen in haar ogen. Toch glimlachte ze, een glimlach die met 87 procent waarschijnlijkheid echt was. Ze spreidde haar armen en legde haar hoofd in haar nek. ‘Ik ben heel trots op je.’ Ze sloot haar ogen. Er rolde een traan op haar wang.

Ik loste het schot en voelde voor het eerst in twee jaar weer dat warme gevoel van voldoening in mijn hele lijf.

 

Zo werd ik de eerste robot die een moord heeft gepleegd.

Ik kon er niet voor worden aangeklaagd, want ik ben een ding, iemands eigendom. Ik heb geen burgerstatus.

Ik weet niet of ze dit zo gepland had, of we allebei maar pionnen in haar strategie waren… Maar achteraf beschouwd, had ik kunnen weten dat ik haar precies gaf wat ze wilde.

De wet om robots de burgerstatus te geven, wordt waarschijnlijk vol­gende week aangenomen. Zij zal het niet meer meemaken.

En ik ook niet.

‘Hoe oud ben je nou?’ vraag ik.

Kleine Mirjam is al een heel dametje geworden. Ze kijkt me verlegen aan en steekt twee vingers op. Ik kijk ze allemaal aan: Meneer, Mevrouw, de tweeling, kleine Mirjam. Ik ben 100% gelukkig. Vaag voel ik weer de drijfveer om voor hen te zorgen. En deze keer komt die vanbinnen.

Over een paar minuten zullen mijn geheugenbanken gewist worden en zal wat mijn lichaam was, geladen worden met een nieuwe persoon­lijkheid. Meneer Steiner wilde dat niet toestaan. Hij had tranen in zijn ogen toen hij me terugzag.

De rechter kon hem niet dwingen. Maar hij moest zwichten voor de druk van media en justitie om mijn ‘defecte persoonlijkheid’ te laten ‘repareren’. Anders had de familie geen leven meer gehad.

Het is goed. Die nieuwe persoonlijkheid zal mijn plaats innemen en voor hen gaan zorgen.

Zielenroerselen : Tom Schoonbaert

Pas toen de chauffeur aanstalten maakte om te vertrekken, stapte Samuel uit de bus. De tas met kleding en foto’s van zijn familie woog zwaar op zijn rug. Het was raar, zodra hij zijn herinneringen terug had, kon hij niet wachten om weer in het dorp te zijn. Er wachtte hier zoveel op hem. De mensen die hij zoveel jaren geleden achtergelaten had, zijn werk, zijn lievelingsplekjes. Hetzelfde zonlicht als waar hij in dit leven geboren was, al klopte dat niet helemaal. In Weerzel voelde de zon warmer aan, troostend. En misschien stond ze deze keer wel op hem te wachten. Die hoop dreef hem altijd terug naar het dorp, maar deze keer klopte er iets niet. Was het eindelijk tijd voor iets anders? Een andere plek om te wonen, een andere baan. Eindelijk de belofte achter zich laten. Dat had zij ook gedaan, overduidelijk. Of was ze een hij die eerste keer? De herinnering kwam traag, zijn lichaam was nog jong, zijn hersenen nog niet helemaal volgroeid, dus dat was niet verwonderlijk. Nee, de eerste keer dat hij haar zag, was ze een vrouw. Daar, een beetje verderop. De huizen hadden de velden nog niet overgenomen in dit deel van het dorp. Het graan was rijp, de zon brandde en zij liep in een wit jurkje langs de velden. Blootsvoets, besefte hij opeens; de herinnering deed hem glimlachen. Wilde bloemen in haar haar en een glans in haar ogen die hij in al zijn levens nog niet gezien had.

‘Samuel?’

Hij knipperde met zijn ogen. De graanvelden en het meisje – Machteld! – verdwenen, in hun plaats kwam een oudere man die hem geduldig aankeek. Het gezicht van de man kwam hem bekend voor. Een oudere versie van iemand die hij kende, maar een naam kwam niet.

‘Ik heet Gaetan,’ zei de man. Hij stak zijn hand uit.

Samuel probeerde zich koortsachtig meer te herinneren over de man die voor hem stond. Ze waren vrienden, dat wist hij, voor de rest kwam er niets. ‘Het spijt me,’ zei hij. ‘Mijn geest heeft zich nog niet volledig aangepast aan de wedergeboorte.’

‘Dat geeft niets,’ antwoordde Gaetan. ‘Ik leid je wel naar je huis.’

Ze liepen in stilte de hoofdstraat door. Samuel her­kende de gebouwen om zich heen, de meeste mensen die ze passeerden, al bleven namen en gebeur­te­nissen net buiten zijn bereik. De mensen begroetten Gaetan hartelijk. Ze bleven echter afstandelijk tegen­over Samuel. Vriendelijk, dat wel, maar niet meer dan dat. Hij herkende het als een standaard­reactie tegen vreemdelingen, een houding die bijna overal ter hele wereld terug te vinden was. Niet te nieuwsgierig zijn, zeker niet als iemand pas zijn ziel terug had. Dat zorgde alleen maar voor spanningen.

‘Ik zie dat je je toch al dingen herinnert.’ Gaetan grinnikte.

Samuel keek op en zag dat hij zonder na te denken een zijstraat was ingeslagen. Zijn onderbewustzijn stuurde zijn lichaam naar de plek waar hij zo lang gewoond had. De smalle straat was geplaveid met kinder­kopjes en kronkelde voorbij oude arbeiders­huizen. Het was er stil. Zelfs voor een dorp waar nauwelijks auto’s reden, dat zo ver van enige industrie lag, was het er echt stil. De sfeer en rust bevielen Samuel wel. Het was er tijdloos. Bijna zoals toen hij haar voor het eerst ontmoette.

‘Het verbaasde me dat je zo snel al terugkwam,’ zei Gaetan. ‘Je bent nog maar achttien jaar. De meeste mensen wachten tot ze hun herinneringen geheel onder controle hebben voor ze beslissen wat ze gaan doen.’

‘Wachten had weinig zin,’ zei Samuel. ‘Hier moet ik zijn, nergens anders.’ Hij zag dat de oude man wilde antwoorden, maar zijn woorden inslikte.

‘Wat is dit?’ vroeg Samuel. Ze bleven staan bij een witte gevel. In het midden van de gevel had iemand schijnbaar willekeurig kleuren aange­bracht. Het geheel leek Samuel een weergave van een storm te zijn, gezien door de ogen van iemand die high was.

‘Dit heb je natuurlijk nog niet gezien,’ zei Gaetan lachend. ‘Tien jaar geleden heeft een kunstenaar het bestuur overtuigd om iets moderns te doen. Je kunt op tien plaatsen dergelijke meesterwerkjes vinden. Nie­mand is er gelukkig mee, maar het heeft zoveel geld gekost dat het be­stuur er niet overheen durft te schilderen.’ Hij liep dichter naar de gevel. ‘Dit werk is nog een van zijn betere. En natuurlijk heeft de kunste­naar geen van zijn werken een naam gegeven.’ Hij stak zijn borst vooruit, hief zijn hand in een dramatische pose en proclameerde: ‘Het is aan de toe­­schouwer om zelf te bepalen wat hij ziet. Een kunste­naar mag hierin geen beperkingen opleggen.’ Nu lachte hij tot hij tranen in zijn ogen kreeg.

Samuel kon niet anders dan meelachen. Ze waren echt vrienden, dat wist hij nu zeker. En dat had meer kunnen zijn, dat herinnerde hij zich ook. Zijn belofte had altijd een barrière gevormd, had voorkomen dat hij zich voor iemand anders open durfde te stellen. Hij ervoer een vaag gevoel van spijt. Toen ze verder liepen, keek Samuel om naar het kunst­werk. Het irriteerde hem meer dan hij zou durven toegeven. Dit was zijn straat, nu bezoedeld door die troep. De sfeer was niet meer hetzelfde, de rust voor altijd verbroken.

 

‘Het heeft heel wat moeite gekost om dit huis vrij te houden, zelfs na het voorlezen van je testament.’ Gaetan overhandigde Samuel een sleutelbos.

Ze stonden in de gang van een arbeidershuis. Om hen heen waren sporen te zien van zijn vorig leven; por­tretten aan de muur, oude meubelen die ze door de openstaande deuren zagen staan. Het huis gaf Samuel het gevoel dat hij in een vertrouwd paar schoenen stapte, klaar om verder te gaan. De herinneringen aan zijn leven in dit huis stroomden door zijn geest. De lange avonden die hij lezend in de fauteuil bij de open haard had doorgebracht. Het schrijven van brieven aan een persoon die hij al in meer dan tweehonderd jaar niet gezien had, alleen om ze onmiddellijk weer te verscheuren. Altijd alleen. Nee, dat klopte niet. Hij merkte dat het kunstwerk op nog geen honderd meter van zijn huis nog altijd zijn humeur beïnvloedde. Hij had hier vrienden. Mensen die kwamen eten, plezier maakten. Gesprekken over de mooiste plek waar ze ooit geboren werden. Hij was hier gelukkig geweest, dat moest hij onthouden.

Samuel liet de rugzak op de grond vallen en liep de woonkamer binnen. Met zijn hand streelde hij het eikenhout van de tafel. Honderd jaar geleden, twee levens ondertussen, had hij deze zelf gemaakt met hout van een pas gerooid bos uit een naburig dorp. Hij herinnerde zich de uren werk, maar voelde de afstand tot die ervaring die de tijd met zich meebracht.

‘Niet iedereen toonde evenveel begrip,’ zei Gaetan. ‘Ik kon hun bezwaren wel snappen.’

Samuel keek de oude man vragend aan, al wist hij wat er nu ging volgen.

‘Het gebeurt niet veel,’ begon Gaetan, ‘dat iemand zo gedreven is om terug te keren naar een vorig leven.’ Hij kwam dichter bij Samuel staan, legde zijn hand naast de hand van de jonge man. ‘Voor sommigen is het niet de natuurlijke manier van leven.’ Hij stak snel zijn hand op, alsof hij zich wilde verontschuldigen voor de woorden die hij net zei. ‘Begrijp me niet verkeerd, ik geloof dat niet. En uiteindelijk hebben ze toch ook hun toestemming gegeven.’ Met een scheve grijns op zijn gezicht voegde hij eraan toe: ‘Veel keuze heb ik ze nu ook niet gegeven. Als stadsverant­woordelijke kan ik, als het echt moet, op mijn strepen staan.’

Samuel lachte, liep op Gaetan af en omhelsde hem. Hij voelde de spanning bij de oude man langzaam verdwijnen. Toen hij hem losliet, gaf hij hem een kus op zijn wang. ‘Bedankt, oude vriend.’

‘Wie noem je hier oud?’ lachte Gaetan.

Samuel zag de rode wangen van de oude man, wist dat de gespeelde verontwaardiging diende om zijn verlegenheid te verbergen. ‘Ik heb hier ergens wel een spiegel liggen als je jezelf eens goed wilt bekijken.’

‘Jij bent hier de veertiger,’ zei Gaetan.

Een veertiger? Had hij al zoveel levens gehad? Het was niet gemakkelijk om zich het precieze aantal te herinneren, alles leek samen te vloeien na een tijdje. Hij draaide zich bruusk om en liep naar de keuken. ‘Wil je iets te drinken? Ik weet niet wat er staat, of zelfs of ik iets in huis heb om eerlijk te zijn.’

‘Ik heb de koelkast voor je gevuld,’ zei Gaetan. ‘Het huis hebben we goed onderhouden, dat was het minste dat we konden doen.’

Samuel opende de koelkast en haalde er twee biertjes uit. Niet dat hij zin had in alcohol. Op dit moment wilde hij liever alleen zijn. Het huis opnieuw verkennen, zich meer herinneren.

‘Voor mij niets, dank je,’ zei Gaetan. ‘Ik ga je rustig laten acclima­tiseren. Rust vandaag maar uit, morgen zet ik je weer aan het werk!’

‘Zeker weten?’ Samuel stelde de vraag uit beleefdheid en wist dat Gaetan dit besefte. Het verraste hem dan ook niet dat de man het aanbod nog eens afwees. Ze liepen naar de voordeur waar Samuel een paar woorden van dank mompelde.

Gaetan verliet het huis, begon weg te lopen, maar draaide zich toen om. ‘Ik ben heel blij je weer te zien, Samuel.’ Hij aarzelde en zei: ‘Ben je zeker dat dit goed voor je is? Je wacht al zo lang op haar, wat is de kans dat ze na al die tijd nog komt?’

‘Ik moet het proberen,’ antwoordde Samuel.

 

Door het raam in de keuken zag Samuel de goed onderhouden tuin waar twee appelbomen, gebogen als grijsaards, hun last droegen. Het was het goede seizoen wist hij, dus liep hij de tuin in en plukte een glinsterende groene appel. Gretig beet hij in het harde vlees van de vrucht, bijna even snel spuugde hij de hap weer uit. Met een lach smeet hij de rest van de appel in het gras. De geest herinnerde zich de lekkere smaak, het lichaam had meer moeite met zijn eerste kennismaking. Hij was in dit leven opgegroeid met de zoete smaak van mango’s en bananen, niet echt te vergelijken met de zure smaak van de appel. Dat kwam nog wel, de kans dat hij hier tropische vruchten te pakken kreeg, was klein dus veel keuze had hij niet. Milieu en economische noodzaak waren in een eeuwig gevecht verwikkeld. Op dit moment lag de nadruk op milieu: geen onnodig transport. Als het niet gekweekt kan worden in de plaats waar je woonde, moet je het maar niet eten.

Zijn oog viel op een houten hok achter in de tuin. Hij liep naar het tuinhuis, opende de deur en herkende meteen zijn oude werkplaats.

Op de tafel, omringd door werktuigen, stond een onafgewerkt beeld. Hij wist wat er nog moest gebeuren voor het af was, zag het voor zich. Hij ging zitten, pakte zijn kerfmes en wilde de laatste inkerving die hij gemaakt had verder zetten toen hij twijfelde. Net als bij de appel wist hij wel hoe het moest, maar zijn lichaam moest nog getraind worden. Het zou jammer zijn dat het allerlaatste werk dat hij in zijn vorig leven begon­nen was hierdoor zou beschadigd worden. Wachten, dat was het beste, ervaring opdoen. Hij legde het mes weer neer. Bij het opstaan stootte hij met zijn voet tegen een doos. Nieuwsgierig greep hij ernaar en zette hem op tafel.

Een puzzeldoos. Dat moest het zijn, ongelooflijk gede­tailleerd afge­werkt. Wie had deze gemaakt en waarom kon hij zich niet herinneren dat hij hier stond? Zijn vingers volgden de fijne lijnen, krullen die samen­smolten en weer uiteen gleden in een patroon dat hij vaag herkende. Hij probeerde de doos te openen, maar het lukte niet. Een doos zoals deze kon maar op één bepaalde manier geopend worden, niet eenvoudig om dat zelf uit te zoeken. Hij liet zijn vingers opnieuw over de krullen glijden. Was dat een zon aan de bovenkant?

Samuel voelde zich misselijk worden. In de verte hoorde hij gehuil. Een baby? Zijn hand begon te trillen, hij trok hem terug. Het gehuil zwol aan, maar net voor hij zijn oren wilde bedekken om het geluid te dempen, verdween het.

Nu pas merkte Samuel hoe donker het hier binnen was, hoe muf de lucht rook. Het was hier ook veel te koud naar zijn zin, al was het middag en scheen de zon fel. Hij legde de doos weer onder de tafel en liep naar zijn huis. De rest van de dag bleef hij weg uit de tuin, al waren de krullen van de doos altijd in zijn gedachten. Het was een zon, dat wist hij. Hij kon zich alleen maar niet herinneren hoe hij dat wist. En dat stoorde hem.

 

Zwaai, stap. Negeer de pijn in je rug, de kramp in je benen. Zwaai, stap. Zoek het ritme en stop met zo wild te zwaaien. Samuel hoorde iemand roepen. Hij weigerde op te kijken en bleef geconcentreerd naar het graan voor zich staren dat met elke beweging van zijn zeis op de grond viel. Hoe lang was hij nu al bezig? Dit veld leek eindeloos te zijn. Het zweet stroomde over zijn gezicht, elke spier in zijn lichaam smeekte om een pauze. Pas toen hij zijn naam hoorde, stopte hij. Met trillende handen legde hij de zeis naast zich neer en ging er naast zitten. Gaetan kwam over de lege stroken op het veld op hem af gelopen, een fles in zijn handen. Samuel kon de energie niet opbrengen om te zwaaien. Hij zag de andere mannen, die hun deel van het veld al lang gemaaid hadden, bij de tractor staan wachten. Hij kende een paar van de mannen, de meesten waren nieuwelingen. Net als hij, toch een beetje.

‘Dat valt tegen,’ zei Gaetan.

Samuel gromde een vloek en greep naar het water. Hij dronk de fles halfleeg en goot de rest over zijn hoofd. Met een zucht van opluchting liet hij zich achterover vallen. ‘Ik vind het ritme niet,’ zei hij. Achter hem zag hij een groep kinderen de graan­halmen bijeen rapen en samenbinden. Ze plaatsten de bundels in groepjes op het veld, klaar om ze later te verzamelen.

‘Je hebt het niet zo onaardig gedaan,’ zei Gaetan. Hij stak zijn hand uit en hielp Samuel met het opstaan. ‘Met een beetje meer oefening komt het wel goed.’

Samuel pakte de zeis. Hij kromp ineen door de pijnscheuten in zijn pols.

‘Ik maak het wel af,’ zei Gaetan. ‘Ga jij maar rusten.’

Samuel stak zijn hand op. ‘Hoeft niet,’ zei hij. ‘Ik ben er bijna.’ Hij schatte dat de rest van het graan binnen een half uur wel tegen de grond zou liggen. Nadat de oude man, met zijn vertrouwde grijns op het gezicht, weer weg liep, hief Samuel de zeis op. Een half uur? Misschien gaat het toch wel ietsje langer duren. Nu opgeven kon niet. Daar zou Gaetan hem te lang mee uitlachen. Zwaai en stap. Hij voelde zijn geest tot rust komen, leek nu over het veld te glijden zonder enige inspanning. Toen hij klaar was, stond Gaetan klaar om de zeis over te nemen. Zonder protest liet Samuel het werktuig uit zijn handen glippen.

‘Mooi werk,’ zei Gaetan. ‘Er staat een beloning af te koelen in de vijver.’

Samuel liep langs de mannen naast de tractor. Zijn plan om snel weg te gaan, zonder ze een kans te geven een opmerking te maken, werd verstoord door een spontaan applaus. Hij verstarde, maar zag toen de pret in hun ogen. Begeleid door een sierlijke beweging van zijn armen, boog hij diep. Dat leverde hem hartelijk gelach op. Met een laatste zwaai liep hij van het veld en verder op de zandweg die naar de vijver leidde.

 

Na veel zoeken vond Samuel aan de oever van de vijver een paaltje waar een touw aan hing dat in het water verdween. Hij viste de linnen tas uit het water en haalde er twee flesjes bier uit. De tas liet hij weer in het water zakken om de overige flessen niet warm te laten worden.

‘Je hebt ze gevonden!’

Samuel keek op en zag Gaetan. Hij opende de flesjes en gaf er een aan de oude man. ‘Het heeft even geduurd, maar toen herinnerde ik me weer waar we hier altijd afspraken.’

Ze gingen op de grond zitten. Samuel nam een grote slok om de eerste dorst weg te spoelen. Daarna beperkte hij zich tot slokjes, genietend van de smaak. Beide mannen bleven stil. Niet ongebruikelijk, zeker niet hier. Het rimpelende water, de groene bosjes die de vijver omringden, alles nodigde uit tot genieten in stilte.

‘Hoe gaat dat gedicht van je ook alweer?’ vroeg Samuel uiteindelijk.

‘Welk bedoel je?’

‘Dat weet je goed genoeg,’ zei Samuel. ‘Je hebt het lang geleden hier geschreven.’

Gaetan leegde zijn fles en stond op. Met zijn hoofd lichtjes gebogen en gesloten ogen sprak hij op een zachte, plechtige toon.

 

‘Vurig bloeiende twijgen,

zwijgend wiegend als

wachters

bij de vijver.

De wind rimpelt het water

op de hartslag van

het bestaan.

Zacht roept de

groenling zijn geliefde.

Warme zomerluchten

strelen mijn huid

en wekken in mij wat

nog worden zal.’

 

‘Bedankt,’ zei Samuel. Hij ging terug naar het water en viste twee nieuwe flesjes op.

‘Morgen komen de maaidorsers om de andere velden te bewerken,’ zei Gaetan.

‘Oh ja? We hebben nog maar een veld gedaan. Normaal doen we er toch een stuk of vijf?’

‘Weet ik.’ Gaetan nam een slok, bleef nog even stil en zei toen: ‘De laatste jaren is er minder interesse in de oude manier. Met alle nieuwe technologieën is het niet zo belastend meer voor het milieu. Voor de bestuursleden is het niet praktisch genoeg en steeds meer mensen geven ze gelijk.’ Hij hief zijn fles naar de hemel. ‘We moeten het verleden laten rusten, zeggen ze. Leven in het heden en altijd met onze blik op de toekomst gericht!’ Zijn arm verstijfde en met rode wangen vermeed hij de blik van Samuel.

Samuel zei niets. Wat kon hij zeggen? Het bestuur en de mensen hadden gelijk. Dat besefte hij maar al te goed. En toch … Misschien kwam ze deze keer wel. Misschien klopte er morgen iemand op zijn deur met een glans in de ogen die hij nog maar bij één persoon gezien had.

Dagdromer, daar wacht je al tweehonderd jaar op!

De stem in zijn hoofd klonk rationeel. Het was dezelfde stem die hij net voor het slapen ook hoorde. De stem die hem aanraadde om het op te geven. Hij bedwong de neiging om zijn fles in het water te gooien.

De twee mannen schrokken uit hun stilte op door het gejoel en gelach van een groep kinderen die in de vijver sprongen. Samuel herkende ze als dezelfde die met het maaien meegeholpen hadden. Uitgelaten zwommen ze naar het midden waar twee jongens onder water doken. Twee meisjes gilden toen ze ook onder water getrokken werden.

‘Die heerlijke fase waarin ze de eerste herinneringen al terugkrijgen, maar toch ook nog kind kunnen blijven,’ zei Gaetan mijmerend.

Samuel knikte en zag toen een klein groepje dat zich afzonderde van de rest. ‘Dat zijn de eerstelingen?’

Gaetan volgde de vinger van Samuel. ‘Inderdaad. Hoe meer de anderen zich herinneren, hoe moeilijker zij het hebben om nog een band met hen te voelen. Het gebruikelijke probleem. Jammer, ze waren allemaal behoorlijk hecht, al kunnen ze nog goed met elkaar overweg.’

Samuel keek naar een jongen uit het kleine groepje, die belaagd werd door de twee onderwaterzwemmers. De rest van de groep vond het best grappig, maar de jongen overduidelijk niet. Met een paar goedgerichte schoppen brak hij los uit hun greep en hij snelde naar de oever, de boze blikken en geroep achter zich latend.

‘Ik merk het,’ zei Samuel.

‘Dat is Erwin, je zult hem snel genoeg leren kennen,’ zei Gaetan. ‘Heel de groep zit in je klas. Hij lijkt het moeilijkste te kunnen omgaan met de wedergeboorte van de anderen.’

‘Ik kijk ernaar uit.’ Samuel luisterde niet meer naar wat Gaetan nog zei. In het water zag hij de rimpels, die door de bewegingen van de kinderen veroorzaakt werden, naar hem toekomen. Ze vloeiden samen en dreven weer uiteen. Net als de krullen op de puzzel­doos.

 

‘Waarom moeten we dit eigenlijk nog leren?’ Bij het horen van de instemmende geluiden van zijn mede­leerlingen, kruiste Aaron zijn armen voor zijn borst en leunde hij met een uitdagende glimlach op de werkbank.

‘Ik ken wel een paar redenen,’ antwoordde Samuel. Hij liep naar de werktafel van de jongen en pakte het onafgewerkte houten beeldje op. Hij draaide het om in zijn handen om het te bestuderen en zette het terug op de tafel. ‘Kijk naar de inkervingen die het gezicht gevormd hebben.’ Hij wreef liefdevol over het hout. ‘Je hebt het heel slordig gedaan, gehaast.’

‘Wat maakt dat uit?’ vroeg het meisje dat aan een aangrenzende tafel zat. ‘Er zijn machines genoeg die dit mooier en sneller kunnen.’

Samuel knikte. ‘Natuurlijk, maar dat betekent niet dat we zelf niets meer moeten kunnen.’

‘Dit is tijdverspilling,’ zei de jongen. ‘Binnen een paar jaar herinneren we ons precies hoe het allemaal moet, de meesten onder ons toch.’ Hij keek ostentatief naar een tafel in de hoek van het leslokaal, waar Erwin zich focuste op het beeldje dat voor hem stond. Het leek er niet op dat hij luisterde, toch kon Samuel zien dat de jongen krampachtig slikte en zijn kaken opeenklemde.

‘Jij misschien wel, Aaron,’ zei Samuel, ‘maar degenen die dit nog nooit geleerd hebben? En trouwens, herin­neren is niet hetzelfde als het ook kunnen doen.’

De bel maakte een einde aan de discussie. Het antwoord dat Aaron wilde geven, verdween in het gejoel van zijn klasgenoten die het einde van de week met plezier tegemoet zagen. De kinderen liepen naar buiten, na een haastig afscheid aan hun leraar.

Samuel was blij met de onderbreking. Na drie maanden lesgeven aan de klas wist hij dat hun discus­sies altijd eindigden in ruzie. Hij begon de tafels af te ruimen.

‘Kan ik u helpen?’ Een meisje stond in de deur­opening.

Samuel glimlachte naar haar. ‘Hoeft niet, Ilse. Ga maar naar huis.’

Ze knikte, toch bleef ze staan. Net toen Samuel wilde vragen of er iets was, zei ze snel: ‘Komt u ook naar de ceremonie?’ Haar wangen werden rood en ze wreef door haar haar. ‘Ik denk dat iedereen dat wel leuk zou vinden.’

Het duurde even voor Samuel begreep wat ze vroeg. De ceremonie van de wedergeboorte, natuurlijk. Het was het ritueel van volwassenheid dat plaatsvond in het jaar dat een kind twaalf jaar werd, wanneer de herinne­ringen van hun vorige levens echt terug begonnen te komen. ‘Zeker weten,’ antwoordde hij. ‘Dat wil ik niet missen.’

Ilse knikte opnieuw en liep weg.

Samuel grinnikte toen hij gegiechel in de gang hoorde. Hoofd­schud­dend ruimde hij het klaslokaal verder op. De houten creaties van zijn studenten deed hij zonder erbij na te denken in een doos. Zijn hand verstarde boven een beeldje dat op de tafel in de hoek van de klas stond. De tafel waar Erwin gewerkt had. De jongen was al een tijdje bezig met dit werk en nu leek het af te zijn. Dat was niet zo vreemd, ze waren al zes weken met dit project bezig. Toch was er iets speciaals aan. Hij pakte het voorzichtig op en bestudeerde de groeven die in het hout aangebracht waren. Op het eerste gezicht leek alles chaotisch te zijn, maar er was wel degelijk orde terug te vinden, een patroon dat alles met elkaar verbond. Hij voelde de gladheid van het hout, dat tot in de diepe groeven terug te vinden was. De detaillering en afwerking waren van een hoog niveau. Samuel wist niet zeker of hij dit zo gemakkelijk na zou kunnen doen, niet met de gebrekkige middelen waarmee Erwin dit gemaakt had.

Hij had dit eerder gezien, besefte hij opeens. De herinnering bleef net buiten zijn bereik, gaf alleen vage aanwijzingen over wat hij destijds gezien had. Het was lang geleden, in een van zijn eerste levens. Een ten­toonstelling van werk dat toen al oud was. Hetzelfde patroon, of toch bijna. En nu gemaakt door iemand die pas aan zijn eerste leven begonnen was.

Snel verliet Samuel het klaslokaal, het beeldje van Erwin nog in zijn handen. Hij liep naar het raam in de brede gang, dat een uitzicht bood over de speelplaats. Een grote groep kinderen had zich verzameld om op hun ouders te wachten of om snel nog een spel te spelen voor ze naar huis gingen. Hij kon in de kluwen van kinderen de blonde jongen niet meteen terug­vinden.

Zijn blik werd getrokken door een eenzame figuur aan de rand van de speelplaats. Samuel herkende Erwin, al kon hij zijn gezicht niet zien. De jongen stond met gebogen hoofd en leek zich af te sluiten van de wereld van gelach en spelende kinderen om hem heen. Hij straalde een verdriet uit die het hart van Samuel beroerde.

Toen een bal tot voor zijn voeten rolde, keek Erwin op. Zes jongens bleven op een afstandje staan, alsof ze niet dichterbij durfden te komen. Samuel zag dat Aaron uit het groepje jongens stapte en iets riep. Erwin leek eerst niet te reageren, vervolgens pakte hij de bal en smeet deze de straat op. Aaron reageerde zoals een twaalfjarige jongen meestal doet in een dergelijke situatie. Hij liep op Erwin af en gaf hem een duw. Erwin viel op de grond, maar sprong bliksemsnel weer op en vloog op Aaron af. De vijf andere jongens vormden een cirkel om het gevecht heen en schreeuwden iets dat Samuel niet kon verstaan. Ongetwijfeld aan­moedigingen voor Aaron, dacht hij. De roepende jongens werden al snel bijgestaan door andere kinderen. Net toen Samuel naar beneden wilde lopen om het gevecht af te breken, zag hij een leraar die de twee vechtende jongens uiteentrok. Erwin rukte zich los uit de greep van de leraar en liep zonder om te kijken weg.

Samuel staarde naar het beeldje in zijn handen. Er ontging hem iets, dat wist hij, maar wat? Een gevoel van ongerustheid bekroop hem, hetzelfde gevoel dat hij kreeg net voor een zwarte hemel losbarstte in een onweersstorm.

 

Er hing een rare geur in de ruimte, vond Samuel. De woonkamer was netjes onderhouden en de vrouw die voor hem zat en aandachtig naar Gaetan luisterde, leek hem niet een persoon te zijn die rare geurtjes zou verdragen. Net als de woonkamer was ze netjes. Het leek Samuel echter een geforceerd soort van netheid, iets dat zo is omdat het verwacht werd, niets meer. Misschien is het gewoon een speciale geurkaars, dacht hij. Met een glimlach probeerde hij de aandacht van Erwin te trekken. De jongen, die naast zijn moeder aan tafel zat, keek schichtig naar hem en wendde daarna zijn blik weer af. Net als altijd schrok Samuel van de priemende ogen en de uitdrukking van eenzaamheid die ze uitstraalden. Hij nam nog een slok van de waterige koffie.

‘Ik begrijp het niet,’ zei de vrouw. ‘Wat willen jullie nu precies? En wat heeft Erwin ermee te maken?’

Samuel negeerde de rillingen die over zijn rug liepen steeds wanneer de vrouw sprak. De schrille stem deed hem aan iemand denken die hij in zijn vorig leven gekend had, maar een gezicht kon hij op die herinnering niet plakken. Misschien had hij les aan haar gegeven? Haar leeftijd leek wel te kloppen. Hij haalde het beeldje uit de tas die hij naast zich had neergezet en zette het op tafel. De reactie van Erwin verbaasde hem. De jongen werd rood en schuifelde op zijn stoel, alsof hij overwoog om vlug weg te lopen.

‘Dit heeft uw zoon in de les gemaakt,’ zei Samuel. Hij zag dat de vrouw eerst apathisch naar het houten werkje keek en hem dan aanstaarde met een blik waar hij zenuwachtig van werd. ‘Het is een prachtig stuk,’ zei hij snel. ‘Ik ben echt onder de indruk van het talent dat Erwin heeft.’ Nog altijd staarde de vrouw hem zonder iets te zeggen aan. Samuel schoof het beeldje dichter naar de vrouw, onzeker over waarom ze hem zo aankeek.

‘Het leek ons een beetje… onverwacht,’ steunde Gaetan hem, ‘dat Erwin in staat is om dit te maken.’

‘Wat bedoelt u daarmee?’ De vrouw kneep haar ogen samen. Haar handen balden zich tot vuisten op de tafel.

Net een slang die haar prooi bestudeert! Samuel moest zich inhouden om niet zelf van de tafel weg te lopen, het huis uit en zich te verstoppen achter de eerste struik die hij vond.

‘Niets, mevrouw,’ zei Gaetan haastig. Hij probeerde op een sussende toon te spreken, maar leek al even geschrokken als Samuel van de vijan­dige blik van de vrouw. ‘We dachten alleen dat Erwin misschien toch geen eersteling is, dat hij onzeker is over wat hem overkomt. We willen hem gewoon helpen.’

‘Ik probeer mijn zoon goed op te voeden,’ zei ze, haar schrille stem steeg een octaaf terwijl ze sprak. ‘Dat is niet eenvoudig, zeker niet na het overlijden van zijn vader.’

Gaetan knikte bij elk woord dat ze zei in een poging om haar te kalmeren.

‘Erwin is een goeie jongen,’ vervolgde ze. ‘Jullie zouden hem moeten beschermen tegen die rotzakjes die hem iedere dag weer het bloed onder zijn nagels vandaan halen, in plaats van hierheen te komen om hem van liegen te beschuldigen!’

Op dat moment liep Erwin weg. De stoel, die hij in zijn haast omver­duwde, viel met een klap op de grond. Het geluid sneed door de tirade van zijn moeder heen, deed iedereen opschrikken.

‘Erwin? Kom terug!’ Zijn moeder greep naar de wandelstok die naast haar stoel stond en probeerde op te staan.

‘Laat mij maar,’ zei Gaetan. Hij volgde de jongen die de tuin ingelopen was.

Alleen met de moeder probeerde Samuel iets te bedenken om te zeggen. Voor hun vertrek, hadden Gaetan en hij alle mogelijke scenario’s proberen uit te werken. Geen ervan had hem voorbereid op de vrouw die tegenover hem zat. Druppels zweet vormden zich op zijn voorhoofd, hij durfde ze niet weg te vegen. Hij voelde zich gevangen in dit huis van opgelegde net­heid, van afgedwongen angst. ‘Ik ga eens zien of ik Gaetan kan helpen,’ zei hij. Het verbreken van de stilte hielp niet om zijn zenuwen onder bedwang te krijgen. Toen hij wilde opstaan, greep de vrouw naar zijn hand.

‘Je kent me niet meer, toch?’ siste ze.

Samuel wilde zijn hand lostrekken. Het lukte niet. Ze had zijn hand vast in een ijzeren greep.

‘Maar ik ken jou nog wel!’ Haar ogen flitsten en druppeltjes speeksel hadden zich verzameld rondom haar mondhoeken. ‘Ik herkende je onmiddellijk toen je mijn huis binnenstapte.’

Samuel hoorde hoe ze het woord ‘mijn’ benadrukte, alsof het heel belangrijk was, iets dat hij zeker moest begrijpen.

‘Je mag dan wel herboren zijn, een nieuw lichaam hebben, toch ben je nog altijd die vuile smeerlap van vroeger. De leraar die altijd zo krampachtig probeerde om populair te zijn, zelfs al moest hij daarvoor meehuilen met de wolven. En nu kom je in mijn huis, om mijn zoon te beschuldigen.’

Ze is gestoord, dacht Samuel toen hij in haar ogen keek.

‘Hoe nobel moet je je nu wel voelen,’ vervolgde ze, ‘om mijn zoon te willen helpen met zijn probleem. Maar hem helpen tegen zijn pest­koppen, dat doe je niet. Alweer niet. Vuile hypocriet!’

Hij wilde zeggen dat dit net de bedoeling was, dat hij er alles aan wilde doen om Erwin te helpen, maar zijn keel zat dichtgesnoerd. Hij kreeg geen klank over zijn lippen, ook niet om Gaetan om hulp te roepen. Zijn hand begon pijn te doen, nog altijd kon hij zich niet lostrekken. Toen ze haar hoofd naast het zijne hield, rook Samuel die rare geur weer. Het was toch geen geurkaars. Die gedachte deed hem bijna hardop lachen, net op tijd kon hij het tegenhouden. Misschien ver­moordt ze me dan wel.

‘Iedereen was zo overstuur toen je stierf. Ik huilde mee met de andere meisjes uit de klas omdat dat mij het verstandigste leek, maar toen we twee dagen vrij kregen van school en ik thuis zat, lachte ik. Het waren de leukste dagen van dat schooljaar, toen werd ik tenminste niet gepest. En toen ze zeiden dat je verongelukt was, geloofde ik er niets van.’ Haar lippen raakten nu bijna zijn oor, het voelde bijna sensueel aan, alsof ze hem wilde verleiden. ‘Mijn vader werkte bij het bestuur en hij heeft het tegen mijn moeder verteld toen ze dachten dat ik al sliep. Je hebt zelf­moord gepleegd. Dat past wel bij de laffe, vuile smeer­lap die je bent.’

De vrouw fluisterde de laatste twee zinnen. Het leek Samuel echter of ze het met een megafoon in zijn oor riep. Hij merkte niet dat ze zijn hand losgelaten had en weer rechtop zat. De kamer draaide. Haar woorden waren als kometen neergeslagen in zijn hersenen, allesverwoestend.

Gaetan kwam de kamer weer binnen met Erwin. Als hij al merkte hoe Samuel zich voelde, liet hij dat niet blijken.

Toen ze het huis verlieten en afscheid namen, glimlachte de vrouw naar Gaetan. Ze schudde zijn hand en zei: ‘Bedankt dat je mijn zoon wilt helpen!’ Ze negeerde Samuel en smeet de deur dicht.

Helena, zo heet ze, dacht Samuel. De naam paste bij het jonge, blonde meisje dat altijd stilletjes in een hoek in zijn klas zat. Net als haar zoon, besefte hij.

 

‘Die vrouw is gek,’ zei Samuel. Hij en Gaetan liepen door het dorp dat in de vroege avond niet veel activiteit meer vertoonde. De herfst was mild geweest, tot nu toe. De eerste tekenen van de winter dienden zich al aan. De mensen die niet buiten hoefden te zijn, bleven liever in de warmte van hun huis. Samuel begreep hen best. Na opgegroeid te zijn in een tropische omgeving, was Weerzel een schok voor zijn lichaam.

‘Ze heeft het niet gemakkelijk gehad,’ zei Gaetan. ‘Haar man stierf bij een werkongeval toen Erwin pas geboren was. Ze is die klap nooit echt te boven gekomen.’

Samuel dacht terug aan de waanzin die hij in haar ogen gezien had. ‘Dat mag je wel zeggen, ja.’ Hij trok de sjaal dichter om zijn nek en blies in zijn handen. ‘Die wandelstok, heeft ze die overgehouden aan het onge­luk dat haar man gedood heeft?’ Hij huiverde bij het woord ‘ongeluk’.

‘Nee,’ antwoordde Gaetan. ‘Het was toen ze veertien was, als ik me niet vergis. Opeens begon ze last te krijgen aan haar linkerbeen. Geen dokter die iets kon vinden, maar het ging niet voorbij. Uiteindelijk werd besloten dat het psychosomatisch was. Een reactie van haar lichaam op iets dat ze in een vorig leven had meegemaakt. Iets zo traumatisch dat het zelfs na een hergeboorte haar bleef plagen.’

Ja, ze moet wel heel veel hebben doorgemaakt om zo te zijn! Die gedachte was niet eerlijk, dat wist Samuel. En als Helena gelijk had, had hij er ook schuld aan. Niet echt een leuke gedachte, maar wat als? Zover hij zich kon herinneren, waren er nooit problemen geweest, leken alle studenten kort voor zijn dood goed met elkaar overweg te kunnen. Ze was er echter heel overtuigd van. Er moest toch iets van waar zijn. En wat had hij tot nu toe al voor Erwin gedaan? En wat kon je dan al doen? Weer die rationele stem, deze keer zonder veel overtuiging. Hij had met Aaron kunnen spreken, de ouders van alle kinderen samenroepen, iets doen! Hij versnelde zijn stap, maakte zichzelf wijs dat hij dit deed om warmer te worden, maar wist dat hij dit deed om zo snel mogelijk weg te zijn van dat huis en vooral die vrouw. ‘Wat zei Erwin toen jullie buiten stonden?’

‘Niet veel,’ antwoordde Gaetan. ‘Hij heeft wel beloofd om ook aan de ceremonie deel te nemen.’

‘Dus hij gaf in feite toe dat hij wel herinneringen heeft?’ Samuel stopte en draaide zich om naar Gaetan.

‘Ja. Nee. Ik weet het niet. Dit gaat boven ons petje, dat weet ik wel. Morgen bel ik met de gewestelijke psychologe. Ze moet maar eens haar geld verdienen.’ Gaetan balde zijn vuisten. ‘Gedaan met zich te verstop­pen in een ivoren toren. Er zou een specialist in dit dorp zelf moeten wonen, maar daar hebben ze het geld en personeel niet voor. Zeggen ze toch. Dit had veel eerder aangepakt moeten worden. Alsof een kind het niet moeilijk kan hebben met al die herinneringen. We laten ze te vrij, geven ze niets mee behalve rituelen en wijze raad.’ Die laatste woorden sprak hij op een sarcastische toon uit. ‘Je zou denken dat we na al onze levens toch wel zouden weten hoe we dit het beste kunnen aanpakken.’

Ze liepen in stilte verder tot ze bij de voordeur van Samuels huis stonden. Hij was niet van plan iets te zeggen van wat Helena hem verteld had, maar de drang was te sterk. ‘Gaetan, ik moet je iets vragen.’ Samuel dwong de woorden uit zijn mond. ‘Is het waar? Dat mijn dood geen ongeluk was, maar zelfmoord?’

Gaetan reageerde alsof hij een klap in het gezicht had gekregen. Hij kromp ineen, hief zijn hand naar zijn mond.

Samuel legde zijn hand op Gaetans arm. ‘Je moet het me vertellen. Ik wil het weten, ik heb er recht op om het te weten.’

‘Je herinnert je niets van je laatste overlijden?’

Samuel schudde zijn hoofd. Hij had er nog niet eerder bij stilgestaan, dat was ook niet nodig. Niet iedereen herinnerde zich hoe hij of zij stierf. Sommigen herinner­den zich alles tot in het kleinste detail, anderen maar bitter weinig. Het was geen veel­besproken onderwerp, al was het ook niet echt een taboe. Samuel hoorde tot aan zijn laatste overlijden bij de eerste groep. Al was het niet altijd even duidelijk, toch wist hij hoe hij gestorven was, altijd weer. Drie keer in het kraambed, na een ongeluk, ouderdom, geweld, zowat alle variaties had hij al meegemaakt. Maar zelfmoord? Nee, dat zou hij zich toch moeten herinneren?

Gaetan twijfelde nog altijd. Uiteindelijk keek hij weg van Samuel en zei zachtjes:

 

‘Het leven is als:

gegrepen worden door je natuur

gegrepen worden door je obsessies

gegrepen worden door het overrompelende verlangen

om steeds jezelf zijn

steeds een ander

zachte hel in mij’

 

‘Die had ik nog niet gehoord,’ zei Samuel. ‘Wat wil je ermee zeggen?’

‘Ik heb het geschreven kort nadat je …’ begon Gaetan. Dan schudde hij zijn hoofd. ‘Het spijt me, ik wil het er niet meer over hebben.’ Hij liep weg, zijn handen diep in zijn vestzakken gepropt. Zonder afscheid te nemen en zonder om te kijken.

Begrijpelijk, vond Samuel. Alles was al gezegd.

 

Onder het steriele licht van de gloeilamp in de woon­kamer leek de puzzeldoos een onschuldig speeltje. Samuel had de doos uit zijn werk­plaats gehaald en staarde er nu al bijna een uur naar. Hij had nog altijd geen idee wie het gemaakt had en wat er in zat. Was het een cadeau geweest voor een lang vergeten ver­jaar­dag? Dat kan, maar waarom kon hij er zich dan niets meer over herinneren? Hij pakte de doos op en wreef over het ganse oppervlak. De zon aan de boven­kant, geflankeerd door graan. Aan de onderkant vormden de lijnen een maan die boven een blank land zweefde. Allemaal eenvoudige symboliek. De dag die gevolgd werd door de nacht om dan weer over te gaan tot de dag. Leven en dood, gevolgd door een weder­opstanding. Samuel was geen gelovig persoon, in tegenstelling tot sommigen die de eeuwige cyclus van reïncarnatie als een geschenk van een Schepper beschouwden. Toch sprak de symboliek van de doos hem wel aan. Simpel en toch met betekenis.

Met zijn vingers streek hij over de zijkant van de doos waarop zes andere symbolen aangebracht waren. Opnieuw graan, merkte hij. Daar­naast ook een hond, een bloem, iets wat leek op een wolk, een huis en nog een symbool dat hij niet kon thuisbrengen. Vijf golvende lijnen die boven elkaar lagen. Water, dacht hij opeens. Zijn ademhaling versnelde bij die gedachte. Als de doos wedergeboorte als thema heeft, wat betekenen die zes andere symbolen dan?

Samuel liet zijn duim rusten op het graan aan de zijkant van de doos. Hij duwde zachtjes. Het symbool gaf even mee, in de doos hoorde hij een lichte tik. Machteld… Hij schrok op en smeet de doos op tafel. Nu voelde hij zijn hart kloppen in hetzelfde ritme als zijn ademhaling. Waarom dacht hij nu aan haar? Had de doos iets met Machteld te maken? Had zij het hem gegeven? Het hout zag er niet zo oud uit, nog geen tweehonderd jaar oud. Hij stond op en liep naar de keuken, vulde een glas met water en dronk het in één teug leeg. Je bent tijd aan het rekken! Dat was waar, maar waarom? Wat zat er in die doos en waarom wilde hij het niet weten?

Hij nam een besluit en ging weer aan tafel zitten. Zijn handen trilden toen hij de doos weer oppakte. Het graan was dus het eerste deel van de puzzel, welke nu? Zijn vingers gleden over de vijf overblijvende symbolen. Opnieuw namen zijn handen de beslissing en hij drukte op de bloem. Weer gaf het symbool mee en hoorde hij een tik, luider dan de vorige. Samuel sloot zijn ogen toen de woonkamer gevuld werd met de geur van een bloem. Er was geen twijfel over welke bloem het was, zijn lichaam reageerde duidelijk genoeg. De koren­bloem, dezelfde die Machteld in haar haar droeg toen hij haar voor het eerst zag, voor het eerst kuste, voor het eerst met haar naar bed ging. Tranen gleden over zijn wangen bij de herinneringen die ongevraagd in hem opkwamen.

Samuel herkende het patroon van de puzzel en met dat besef kwamen ook de antwoorden op sommige van de vragen die hij had. De oplossing van de puzzel lag in zijn verleden, met Machteld. Na de bloem kwam de hond. Hij glimlachte toen hij de tik hoorde. Nu leek de bovenkant van de doos los te komen. De hond… Een vondeling die Machteld zo wanhopig probeerde te redden. Zo was ze nu eenmaal. Pragmatisch en toch had ze een groot hart voor alles wat leefde. Toen de hond stierf was ze ontroostbaar. Het bracht hen echt dichter bij elkaar, deed ze besluiten om samen te wonen. Dat leidde tot het volgende deel van de puzzel, het huis. Dit huis. Ze werkten allebei voor lokale boeren, dus was het niet meer dan normaal dat ze ook hier zouden wonen.

Na het huis kwam de wolk. Nee, dat niet. Te laat, zelfs al duwde hij niet op het symbool, de herinneringen bleven komen. Wat deed een jong koppel dat samen een leven wilde opbouwen? Ze hadden genoeg inkomen, een eigen huis en elkaar. De volgende stap was een kind. Machteld straalde toen ze zwanger was, al verliep de zwangerschap niet goed. Hij snikte luid toen hij het beeld van Machteld in een bed zag. Haar ogen gesloten en haar gezicht was even bleek als het laken. Het kind stierf een uur na zijn moeder. Een zoon die nauwelijks de warmte van de borst van zijn moeder gevoeld had. Het had niet mogen zijn, had de dokter gezegd. Samuel was op dat moment te verdoofd om te reageren. Een verdoving die jarenlang zou duren. Hij had tientallen kinderen gehad, zelf gebaard of als man zijn bijdrage geleverd. Meer dan een van zijn kinderen stierven jong, altijd pijnlijk, maar nooit zo pijnlijk als bij dit overlijden.

Het geluid van de tik joeg Samuel uit de herinnering. Hij had toch op het symbool gedrukt en zag dat de doos nu bijna helemaal open was. Hij zag iets, papier? Het bloed suisde in zijn oren, een nevel kwam voor zijn ogen. Alles wat hij gevoeld had terwijl hij de doos opende, verbleekte bij de panische angst die nu op­borrelde. Hij moest de doos onmiddellijk sluiten, ver­stop­pen, misschien zelfs verbranden. In zijn hoofd voelde hij de herinneringen die verbonden waren met het water langzaam opkomen. Nu of nooit …

De klik die de doos maakte toen Samuel het bovenste deel weer vast­duwde, klonk bijna beschuldigend. Niet vandaag, nam Samuel zich voor, maar spoedig. Hij was nog niet klaar voor de geheimen die verbor­gen waren voorbij de symbolen, onder het versierde hout. Je kunt het niet blijven uitstellen, lafaard! Hij huiverde bij die woorden, die gedachte kwam hem heel bekend voor. Het leek de leidraad te zijn van zijn levens in Weerzel. Misschien was het ook zo, maar hij wachtte nu al zo lang. Een paar dagen langer kon toch geen kwaad? Dat dacht je de vorige keer misschien ook. En je weet hoe dat afliep.

 

‘Hoe lang gaan ze het hier nog rekken?’ vroeg een man aan Samuel. ‘’k Heb honger!’

Nu al dronken? De geur van gebraden worst en geroos­terd varkensvlees dreef over de mensen heen, maar daar moesten ze nog op wachten tot na de cere­monie. De drank daarentegen vloeide al rijkelijk. Zelfs in zijn vorige leven wist Samuel al van voorstellen om alcohol niet meer toe te laten, of pas na de ceremonie. Het ging om de kinderen, niet om drank. Tot nu toe werden die voorstellen vlot weggestemd. Prioriteiten moeten duide­lijk zijn, dacht Samuel, als je iedereen wilt lokken, moet je ze ook iets geven natuurlijk. Hij grinnikte toen de zatlap onzeker wegliep naar een van de vele drankkraampjes die rond het plein opgezet waren.

Het was een zonnige dag, al bracht de zon niet veel warmte met zich mee. Het maakte Samuel weinig uit. Hij genoot van de opgewekte sfeer die om het stadshuis te vinden was. Het hielp om de aandringende rationele stem in zijn hoofd het zwijgen op te leggen, al was het maar voor even. De versieringen die het plein en het gebouw fleurig deco­reerden waren cultureel oecume­nisch. Ze waren een samen­bunde­ling van honderden verschillende culturen en gewoontes die door de inwoners zelf, in de loop van hun levens, verzameld waren en tijdens hun verblijf in Weerzel in de lokale cultuur opgenomen werden.

Het stadsgebouw zelf was een allegaartje van vormen en stijlen. Heerlijk lelijk vonden de inwoners het, Samuel inbegrepen. Het had een rechthoek als basis en bijgebouwen die eromheen gesmeten leken. Veel glas zodat het erbinnen altijd helder en vrolijk was. Op de gevel waren stenen ornamenten aangebracht en veel bakstenen hadden een afbeelding ingekerfd gekregen van plaatsen die een indruk nagelaten hadden tijdens een vorig leven van de vele ambachtslieden die aan dit gebouw gewerkt hadden. Het geheel was speels, een effect dat nog versterkt werd door de spitse toren die dertig meter hoog was en zo uit een sprookje leek te komen.

Toen Samuel het geluid van het klokkenspel hoorde, begaf hij zich naar de ingang van het gebouw. De ceremonie stond op het punt te beginnen. Halverwege de toren was er een balkon met twee glazen deuren die naar binnen leidden. De deuren werden geopend en het werd stil op het plein. Samuel vond een geschikte plek net naast de groep ouders wiens kinderen zo dadelijk naar buiten gingen komen om zich formeel voor te stellen aan de dorpelingen. Hij knikte naar de ouders van Aaron en ontweek met dezelfde beweging ook de blik van Helena die, leunend op haar stok, hem koud aanstaarde.

De mensen applaudisseerden toen een meisje op het balkon stapte. Samuel herkende Ilse meteen. Net als alle kinderen die aan de ceremonie deelnamen, droeg ze zelfgemaakte kleding en versieringen, gebaseerd op haar vorige leven, of wat ze er zich op dit moment al van kon herinne­ren.

Het meisje stapte met opgeheven hoofd naar de microfoon. Nu pas leek ze voor het eerst de menigte op te merken. Ze wreef snel door haar haar, erop lettend dat ze de veren en kralen niet aanraakte, schraapte haar keel en zei: ‘We willen u hartelijk danken voor uw aanwezigheid van­daag. We hopen dat u zich allemaal goed amuseert.’ Ze boog diep en wachtte tot het applaus uitstierf. ‘Mijn naam is Ilse,’ zei ze plechtig. ‘Ik heb grote delen van de wereld gezien, ben al vader en moeder geweest, jong en oud, geliefd en verliefd.’ Na die woorden hief Ilse haar hand naar haar mond, alsof ze zich moest tegenhouden om niet in lachen uit te barsten. Ze herpakte zich en zei met overslaande stem: ‘Maar nu ben ik hier, in Weerzel, en ik beloof jullie dat ik hier alles zal doen om gelukkig te zijn en om anderen gelukkig te maken.’ Ilse beëindigde haar eed door te zwaaien naar haar ouders en snel terug naar binnen te lopen.

De eed was aangepast, merkte Samuel. Minder formeel, zo vond hij het wel leuker. De oudere versie voelde militair aan, alsof de kinderen gere­kru­teerd werden. Hij zag dat de eerstelingen uit hetzelfde jaar als Ilse in een groepje bij elkaar stonden. Ze leken onder de indruk te zijn, een beetje verloren in het ritueel dat al zo lang gehouden werd en dat ze nu voor het eerst meemaakten. Erwin stond er niet bij, die stond bij de andere kinderen binnen te wachten op zijn beurt. Samuel had hem deze morgen gezien. Het gesprek met Gaetan had Erwin overduidelijk goed gedaan, hij glimlachte zelfs. En zijn ogen straalden niet langer die ondraaglijke eenzaamheid uit. De anderen van de groep, zelfs Aaron, hadden hem snel weer aanvaard, daar was Samuel blij om. Hij applaudisseerde mee toen een jongen op het balkon kwam en hakkelend de eed voordroeg.

‘Aaron is de volgende.’

Samuel glimlachte naar de moeder van de jongen en keek in blijde verwachting terug naar het balkon. Er kwam niemand. Geroezemoes vulde het plein toen de menigte zich begon te roeren. De ouders van Aaron keken vragend om zich heen, de moeder fluisterde iets in het oor van haar man die zijn schouders ophaalde.

‘Is dit normaal?’ vroeg ze uiteindelijk aan Samuel.

‘Ik weet het niet,’ antwoordde hij. ‘Maakt u zich geen zorgen, hij zal zo wel komen.’ Nog altijd bleef het balkon leeg. Sommige ouders schuifel­den dichter naar de ingang van het stadsgebouw, onzeker of ze beter nog even konden wachten of naar binnen konden gaan om te kijken wat er aan de hand was. Samuel had hetzelfde probleem. Gaetan was bij de groep om ze te begeleiden, die had alles wel onder controle, dus bleef hij staan.

Toen er gegil door de open glazen deuren weerklonk, werd het muisstil op het plein. Heel even leek Samuel verlamd te zijn door het geluid. Pas bij de tweede gil stormde hij het gebouw binnen, gevolgd door drie andere leraren. Hij liep door de inkomsthal naar de smalle wenteltrap die naar de ruimtes in de toren leidde. ‘Gaetan!’ riep hij; het enige antwoord was opnieuw gegil. Halverwege hoorde hij gestommel en een mannenstem. ‘Gaetan!’ Met hernieuwde energie liep hij de trap op.

Samuel viel bijna toen iemand tegen hem opbotste en zich toen panisch aan hem vastklampte. Hij kneep even bemoedigend in het warme lichaam dat schokte van het huilen. Hij herkende de veren in het haar, veren die nu bezoedeld waren door iets nats, iets roods. Ondertussen waren er nog kinderen die de trap probeerden af te komen, opgejaagd door het geroep en gegil dat nog altijd voortraasde. Samuel trok het meisje van hem los. ‘Ilse,’ zei hij. ‘Wat is er gebeurd? Waar is Gaetan?’ Een blik in de betraande ogen van het meisje maakte hem duidelijk dat hij geen antwoord moest verwachten. Hij gaf het meisje door aan de man die achter hem stond te wachten en gebaarde naar de kinderen dat ze snel verder moesten lopen. Zelf liep hij verder de trap op. Bloed, verdomme, wat is er gebeurd?

 

‘Blijf uit mijn buurt!’

Samuel stond hijgend net buiten de kamer die naar het balkon leidde. Hij probeerde om het hoekje te kijken, te zien wat er aan de hand was, hij zag niets. De eigenaar van de stem die hij net hoorde stond blijkbaar in de andere hoek van de kamer, net buiten zicht. Hij verstarde toen hij een streep bloed op de grond zag. Het gesnik van de kinderen beangstigde hem. Hij moest zich dwingen om niet de kamer binnen te stormen, dat zou niet verstandig zijn. Niet tot hij wist wat er aan de hand was.

‘Ik waarschuw jullie!’

Samuel probeerde zich te herinneren hoeveel kinderen hem gepas­seerd hadden op de trap, hoeveel er dus nog in deze kamer bevonden. Minstens vijftien, samen met Gaetan. Die stem, wie is dat? Hij stak een vinger op als waarschuwing voor de twee mannen die net boven gekomen waren en waagde het om half in de deuropening te gaan staan. Zijn ogen volgden de rode streep op de grond, bleven toen gefixeerd op een jongen die dreigend voor de overblijvende kinderen stond. Een mes, was zijn eerste gedachte. Gaetan, zijn tweede. Zijn vriend lag zwaar hijgend op de grond, bloed stroomde tussen zijn vingers door. De kinderen zaten ineengedoken achter Gaetan. Zelfs gewond probeert hij ze nog te beschermen, dacht Samuel. Hij focuste zich helemaal op de jongen met het mes.

‘Erwin,’ zei Samuel.

De jongen draaide zich met een ruk om, het mes als een barrière tussen hem en de rest van de wereld. ‘Wat doe jij hier?’ riep hij.

Samuel stapte uit de deuropening en liep toen stap voor stap in een cirkel om Erwin heen, weg van de kinderen en Gaetan. Hij zag dat zijn vriend langzaam wegzakte, nauwelijks nog zijn handen op de wond kon houden. Concentreer je! Hij stak zijn armen op en toonde Erwin zijn open handen. ‘Blijf rustig, Erwin. Alles komt wel in orde.’

De jongen haalde naar Samuel uit en trok zich weer terug. ‘Jullie hebben het allemaal op mij gemunt.’

‘We kunnen je helpen, Erwin,’ zei Samuel op een rustige toon. Hij stond nu met zijn rug naar het balkon gericht. Hij registreerde het geroep dat van het plein de kamer binnenkwam, liet het over hem heen glijden. ‘Geef gewoon je mes af, dan kunnen we allemaal naar beneden gaan en alles rustig bespreken.’ Vanuit zijn ooghoek zag hij dat de andere mannen nu ook in de deuropening stonden, klaar om in te grijpen. Hij zwaaide met zijn rechterhand en hoopte dat ze het teken zouden begrijpen.

Erwin scheen de andere volwassenen niet gezien te hebben. Samuel keek recht in de ogen van de jongen en wist niet zeker of Erwin hem zelfs maar zag.

Het gezicht van de jongen was lijkbleek, zweet stroomde over zijn wangen en zijn mond was verwrongen in een brede grijns. Hij kneep zijn ogen dicht en richtte het punt van zijn mes op het hoofd van Samuel. ‘Ik weet wie jij bent! Het is tijd om te boeten.’ Hij stond op het punt naar Samuel te lopen, toen een paar kinderen naar buiten probeerden te lopen. Erwin draaide zich bliksemsnel om, de kinderen drukten zich gillend tegen de muur.

‘Erwin!’ Samuel bereidde zich voor om zich op de jongen te werpen als hij nog een stap dichter bij de kinderen kwam. Tot zijn verbazing draaide de jongen zich weer om. ‘Je moet mij toch hebben?’ zei Samuel. ‘Laat de anderen gaan, ik blijf hier.’

De jongen lachte. ‘Daar heb je gelijk in, jij gaat nergens meer heen.’

Samuel huiverde bij het horen van die woorden. Opnieuw kreeg hij het gevoel alsof Erwin hier niet echt was, alsof hij een traumatische herinne­ring herbe­leefde die de jongen niet meer kon bedwingen. Hij stapte achteruit toen het mes flitsend op zijn keel afkwam. Bij elke zwaai van het mes stapte Samuel naar achteren, tot ze allebei op het balkon stonden. Toen Samuel de reling op zijn rug voelde, wist hij dat hij iets moest doen. Een blik in de kamer wees uit dat de kinderen weg waren, de twee mannen stonden nu bij Gaetan die geen teken van leven meer gaf.

‘Erwin!’ Een vrouwenstem brak door het geschokte gegil van de mensen op het plein.

De jongen knipperde met zijn ogen, staarde verbaasd naar het mes in zijn handen, het bloed op het lemmet. Zijn lippen begonnen te trillen. ‘Mama?’ Hij knipperde met zijn ogen, bracht zijn hand naar zijn mond.

‘Erwin?’ zei Samuel zachtjes. Met zijn linkerhand greep hij voorzichtig naar het mes. ‘Geef het aan mij, jongen, alles komt wel goed.’

‘Nee. Je hebt me voor de laatste keer belazerd! Deze keer snij ik je strot door.’ De ogen van de jongen vertroebelden, zijn kaken klemden zich op elkaar.

Samuel pakte het mes bij het lemmet vast. Erwin probeerde het los te rukken, maar Samuel gaf niet toe aan de pijn en trok de jongen naar zich toe. Hij klemde Erwin tegen zijn borst, maar kon hem nauwelijks onder controle houden. De jongen beet in zijn arm, schopte wild en klauwde naar de ogen van Samuel. Na een schop tegen zijn knie, verloor Samuel zijn greep. De jongen viel op de grond, sprong snel weer op en liep naar binnen.

In een laatste poging grabbelde Samuel naar de loshangende kleding van de jongen. Hij voelde de stof scheuren, zag dat Erwin naar links gesmeten werd door de kracht van de ruk, struikelde en door de relingen van het balkon naar beneden viel. De gil van Helena sneed door het geroep van de andere mensen heen.

 

Samuel zat in het bureau van de gewestelijke psychologe. De vrouw was het gesprek begonnen met dezelfde woorden die hij de hele week al gehoord had. Zo jammer wat er gebeurd was, maar het was niet zijn schuld. Het was een ongeluk. Zelf was Samuel daar niet zo zeker van. Die ogen… Hij had sneller moeten reageren, Erwin meteen overmeesteren. Voor Gaetan had dat niet meer uitgemaakt, maar misschien leefde de jongen dan nog wel.

‘Uw beslissing heeft ons verrast,’ zei de psychologe.

Samuel glimlachte, negeerde de stekende pijn in zijn hand en zei: ‘In Weerzel blijven lijkt me geen optie meer.’

‘Natuurlijk wel, u bent een ervaren leraar. Ik hoop dat u zich niet teveel laat leiden door wat er gebeurd is. Erwin was een jongen die geplaagd werd door proble­men. Het bestuur houdt u voor niets verantwoordelijk, ook niet voor de pesterijen die misschien wel tot deze tragedie geleid hebben.’

En daar ben ik niet zo zeker van! De vraag wat Erwin precies tot zijn wan­hoopsdaad gedreven had, was het gespreksonderwerp van de week in het dorp. Helena had de vinger gewezen naar de andere kinderen in zijn klas. Pesterijen die te lang ongestraft bleven. En mis­schien had ze gelijk. Die ogen, dacht Samuel opnieuw, daar zat meer in dan een gekwetste jongen die te laat en te weinig hulp kreeg. Veel meer. Hij schudde zijn hoofd.

‘We hopen dat u zich toch nog bedenkt,’ zei de vrouw. ‘Het is nooit een goede zaak als een drama u naar overhaaste beslissingen voert.’

Erwin had niet geschreeuwd toen hij naar beneden viel, dat wist Samuel zeker. Dat had hij niemand verteld, niemand zou hem trouwens geloofd hebben. Hoe kon hij dat weten? In de verwarring van het moment, het geroep van iedereen op het plein was dat niet te bepalen. En toch wist hij het zeker. Erwin scheen hem opgelucht te zijn, alsof hij wist dat hij bevrijd zou zijn van wat hem ook kwelde. Tenminste, tot de volgende wedergeboorte. Heel even twijfelde Samuel om alles aan de psychologe te vertellen, zijn hart te luchten. De puzzeldoos, Machteld, alles. Misschien had dat Erwin wel kunnen redden, iemand hebben waar hij alles aan kwijt kon. Zodat hij zijn verleden los kon laten, zodat het hem niet meer zo kon belagen. ‘Wees gerust,’ zei hij. ‘Ik heb tijd genoeg gehad om erover na te denken.’ Meer dan tweehonderd jaar, dacht hij.

‘U moet beseffen dat dit geen lichtzinnige beslissing is. U gaat alles achterlaten, zonder enige garantie dat u ooit kunt terugkeren.’ De vrouw pakte haar glas op en nam een slok water.

Water… Na de crematie werd de as van Gaetan over de vijver verspreid, een geliefkoosde plek hiervoor. Machteld had dezelfde laatste wens gehad. Het zesde symbool op de puzzeldoos was dus logischerwijze water. De herinnering aan Machteld beet nog altijd hard in zijn ziel, maar dat leek na het nemen van zijn beslissing toch al minder te zijn. Na de uitstrooiing had Samuel de doos zonder te openen in zijn tuin begra­ven. De brieven die Machteld hem geschreven had in haar volgende leven hoefde hij niet nog eens te lezen. De herinnering hield zich schuil tussen de tienduizenden anderen. Alle brieven kwamen op hetzelfde neer: ‘Ik kom niet, ik kan het niet. Het spijt me.’ Was het zelf­bescherming of mezelf gewoon iets wijsmaken? Daar had hij nog geen antwoord op. Het maakte hem niets uit. De belofte die hem zo lang aan dit dorp gebonden had, was een droom geweest, gebaseerd op herinneringen van een lang vervlogen tijd. Het was tijd om die belofte achter hem te laten. En mis­schien had hij zo tijd genoeg om te voorkomen dat zijn herinne­ringen een nachtmerrie werden, zoals bij Erwin het geval was. Hij stond op, legde zijn hand op zijn borst en zei:

 

‘Je dood omvat me

je afschijnsel in mij

is gestorven

voorbij het eeuwig wederkeren

als ik je terug zal zien

zal jij het dan die wel zijn

die mijn verdriet stilt?’

 

De psychologe staarde hem aan alsof ze naar een krankzinnige keek. Samuel glimlachte nog eens naar haar en zei: ‘Een gedicht dat ik geschre­ven heb voor een goede vriend van me. Hij heeft me jarenlang wijs­gemaakt dat poëzie louterend kan zijn. Geen idee of het zo is, maar ik ben nog maar net begonnen natuurlijk.’ Hij hief zijn tas op zijn rug en verliet de kamer. De tas, gevuld met kleding en foto’s, die zwaar op zijn rug woog toen hij in Weerzel kwam, leek nu vederlicht.

En de kwallen glanzend als parels in het maanlicht : Tais Teng

Helga’s tante kweekte sierkwallen en Helga rolde zoals gewoonlijk elke ochtend als eerste uit haar hangmat en stommelde naar het grote aquarium op de voorplecht van hun woonboot. De zon wipte net boven Dijk Europa uit en verschoof in een paar hartenkloppen van bloedrood naar zengend wit.

De kwallen fonkelden in het lage zonlicht, even kleurig en complex als orchideeën en stuk voor stuk dodelijk giftig.

Helga kon iedere soort benoemen: de mercator­kwallen met hun gouden kompasroos, de blauwe virago’s en de regenboogkralen die nooit groter dan je duimnagel werden.

Helga goot de beker met panische garnalen leeg en drukte haar neus tegen het pantserglas. Het was altijd fascinerend om te zien hoe de tentakels hongerig rondslierden. De een na de andere garnaal verstarde en werd de maagholtes ingetrokken.

Zodra de kwallen op kleur waren, vatte tante ze in helder plastic of synthetische barnsteen. De dode­lijke kwallen eindigden als kralen­kettingen en hangers of als bijzonder gewaagde oorbellen. Alleen de toe­risten kochten ze: elke Buitendijker had wel een familielid of vriend stuiptrekkend uit de zee moeten vissen.

Na de kwallen liep Helga naar de achterplecht om de kweeknetten met kelp binnen te halen. De woonboten en piepschuimenvlotten van Buiten­dijks reikten tot voorbij de westelijke horizon: zes miljoen zeezigeuners die letterlijk van de wallenkant geduwd waren door de schatrijke een- procenters.

Helga snoof de geur van smeulende wiervuurtjes en de droogrekken met zwaardvis genietend op: het was diep vertrouwd, geruststellend. Het betekende dat nie­mand honger of kou hoefde te leiden. Dat ze zich prima konden redden zonder die weke Wallen­kanters. ‘Helga?’ riep tante Rimca uit de kajuit. ‘Jij en Ciska nemen de kraam vandaag over. Ik heb een stel verse kwallen te lakken.’

‘Geen probleem!’ riep Helga terug. En het was beter dan geen pro­bleem. Ze was dol op de kleurige drukte van de Goodelieve markt, het jodelen van de nachtmeeuwen op de Admiraal Schuyvertoren, de stank van roosterende zeekomkommers.

 

Toen ze op de markt arriveerde, had Ciska de kraam al opgezet, en de kwallenkettingen uitgestald. Als lokker stond er een miniatuur-aquarium met levende kwallen en een bordje met ‘Niet aanraken! Levensgevaar!’ in zes talen. Het doodskopje met gekruiste beenderen was voor de analfabeten.

 

Ze verkochten een dozijn kettingen en een retort met een levend kwalletje aan twee giechelende Wallen­­kanters­meisjes.

‘Wees er voorzichtig mee,’ zei Ciska. ‘Het is een echte zeewesp. Eén steek en je rolt schuimbekkende over de grond.’

‘Ges!’ zei het kleinste meisje en ze giechelden nog harder.

Ciska mikte de kettingen in een kluisje, trok het titanium gordijn van de kraam dicht.

‘Tijd voor een pauze. Ik weet iets geinigs.’

Ze viste een zijden sarong uit haar tas, twee pumps van geëtst staal­glas.

‘Hoe kom je daar aan?’ riep Helga. Ze voelde een steek van heerlijke angst. ‘Dat zijn Wallekanters­spullen,’ vervolgde ze fluisterend.

‘Eerlijk gestolen. Ik liep de hamam in en trok hun spullen in de kleed­kamer aan. De mijne liet ik achter.’ Ze trok een tweede sarong uit haar tas. ‘Ik heb er ook eentje voor jou.’ Haar glimlach werd een brede grijns. ‘Voor het komende uur zijn we twee Wallenkanters­trutjes.’ Ze trok aan Helga’s arm. ‘We gaan gewoon bij Tantoretti zitten.’ Ze knikte naar de uitkijktoren met het roterende terras.

‘Maar dat kan ik onmogelijk betalen! Een cocktail kost daar meer dan ik in een maand verdien.’

‘Niet als iemand anders het betaalt. Laat dat maar aan mij over.’

 

De portier liet hen zonder probleem door. Dames waren altijd welkom, behalve als ze al te onvast op de benen stonden.

Deze week was het thema Ruimte, zag Helga. Drones in de vorm van SpaceX-landers brachten de drankjes rond en de spiesen met gamba’s. Boven hun hoofd dreven de ruimtesteden langs: Putingrad en Nue Berlin, Goederede met zijn immense zonnezeilen.

Ciska liep regelrecht op een tafeltje met twee jongens af. Ze waren duidelijk ouder dan Helga en Ciska: eerder drieëntwintig dan zestien.

‘Hei garçons,’ zei Ciska ‘We zijn twee arme Buiten­dijkersmeisjes en behoorlijk dorstig.’

De grootste jongeman, die met de neusring en de bio hazard tatoeage op zijn kaalgeschoren kruin, wierp een blik op Ciska’s pumps en grijnsde. ‘Vast wel. En wat willen jullie drinken?’

Het terras lag zo hoog dat Helga Dijk Europa boven de daken en masten zag uitsteken. Boven de Wallenkant kleurde de hemel lichtrood: dat was het hemelweb dat het zengende ultraviolet tegenhield boven de Randstad maar uiteraard niet boven Buitendijks.

 

Helga nipte aan haar tweede cocktail. Het smaakte voornamelijk naar anijs maar er zwom wel een miniatuur duikboot in rond.

‘Vertel mij over jezelf?’ vroeg de andere jongen.

‘Ik?’ Toen ze opkeek, was Ciska verdwenen, samen met de andere jongen. Handig. ‘Eh, jij eerst.’

‘Mijn vader is dijkgraaf,’ begon de jongen. ‘Een van de negen. Dijk Europa is zestig meter hoog, met diamanten stootplaten en een kern van geschuimd titanium maar een vloedgolf… Nu, die komen verdraaid hard aan. Mijn vader heeft twintig duizend cyber­spinnen onder zich die elk gat meteen dicht­weven en meer drones dan er zeemeeuwen boven de visafslag vliegen. Mijn moeder, ze is een Telefunken von Eind­hoven. Oude elektronica adel. En jouw ouders?’

‘O, die zijn dood. De laatste tsunami smeet onze woonboot om. Als ik niet op de jongste van mijn tante aan het oppassen was geweest…’

De jongen gaapte haar aan en grijnsde toen. ‘Och ja, dat was de afspraak: jij bent van hier.’ Hij hief zijn hoofd luisterend op. ‘Mijn compagnon, hij zegt: waarom spelen we geen Kus de Bruid?’

Helga wist dat de meeste Wallenkanters een com­puter in hun hoofd hadden. Een AI niet groter dan een sneeuwvlok die samen met hen opgroeide en gewoon­lijk heel wat slimmer was dan zijn mens.

‘Kus de bruid?’

‘Tja, een meisje van hier kent dat natuurlijk niet. Het is een dating site. Log in en toon twee foto’s. Het programma vertelt dan of we bij elkaar passen.’ Hij tikte zijn oorlel aan. ‘Mijn compagnon zegt dat het program­ma onfeilbaar is. Een Turing zestien AI bestuurt het.’

Ineens hingen er twee foto’s boven het tafeltje, plus een knipperende balk. ‘De balk loopt van een tot tien,’ zei de jongen. ‘Bij alles onder de vijf kun je maar beter meteen gif in zijn of haar beker gieten. Acht is al ‘lang en gelukkig’ maar tien, dat is het Tristam en Isolde niveau. Totaal voor elkaar bedoeld. Trouw zo eeuwig dat de dood zulke gelieven niet eens kan scheiden.’

‘Zijn jullie er klaar voor?’ sprak een diepe stem. Diep en galmend en absoluut wijs. Het soort stem waarmee tante Rimca’s god Krishna waar­schijnlijk zou spreken.

‘Ja,’ zei Helga en ineens voelde haar tong vreemd droog. Dit is menens.

De foto’s schoven in elkaar, vervloeiden.

De vonk begon bij de een en ze hoorde gekijf, het geluid van brekend glaswerk.

‘Later we eens verder inzoomen,’ sprak de goddelijke stem. ‘Dieper integreren.’

De vonk schoot voorbij de vijf en het glasgerinkel maakte plaats voor een opgetogen lach, vogelgezang en het murmelen van beekjes.

De foto’s sidderden en de vonk schoot naar het einde van de balk, gloeide goudgeel op.

‘Dit is bizar,’ sprak de stem en er klonk een diepe verbazing in door. ‘Honderd procent compatibel. Dat heb ik nog nooit meegemaakt: mensen die zo perfect bij elkaar passen.’ Trompetten schalden. ‘Gefeliciteerd! Jullie zijn het soort gelieven dat de kwallen als parels ziet glanzen in het maanlicht. Die jubelen met de futen.’

De jongen schoot overeind, veegde de knipperende balk weg.

‘Dit is een vuile leugen! Je hebt Kus de Bruid gehackt! Mijn compagnon vertelt me dat je echt van hier bent, een kwallendregster en dat je je schoenen en kleren gestolen hebt!’ Hij schudde zijn vuist, een vreemd onmachtig gebaar. ‘Je wilde mij verleiden! Omdat mijn vader de dijkgraaf is!’

Helga keek hem na en alles was perfect: de vorm van zijn oren, de manier waarop hij voorbij de tafeltjes stampte, zelfs zijn gebalde vuisten. Het beeld etste zich in haar brein, onvergetelijk, eindeloos kostbaar. Maar ze bleef staan, rende hem niet achterna. Helga was een Buiten­dijkse en een kwallendregster trouwen met de zoon van een dijkgraaf? Dat was het soort sprookje waarin zelfs kleuters niet konden geloven.

Donkere Wolken : Wendy Torenvliet

Er stond een vrouw aan het voeteneind van haar bed.

Laura kon niet verklaren hoe ze wist dat het een vrouw was, want de gedaante was niet meer dan een vage zwarte vorm die op een of andere manier nog donkerder was dan de nachtelijke duisternis van de slaap­kamer. Toch wist ze zeker dat het een vrouw was. Laura was compleet verstijfd en ze baadde in het zweet. Haar handen knepen het laken fijn van angst, haar hart bonsde zo wild dat het uit haar borstkas leek te springen.

De vrouw zei niets. Bewoog niet. Stond daar maar.

Het lukte haar de verlamming te verbreken. Met een ruk kwam Laura overeind en tastte naar het licht­knopje naast haar kant van het bed. Eén eeuwig­durende seconde was ze bang dat ze het niet snel genoeg zou vinden, dat de vrouw die tijd zou benutten om op haar af te springen met die onmoge­lijke snel­heid die je altijd bij monsters in horrorfilms zag, een en al tanden en klauwen en witte, wegge­draaide ogen. Dat de vrouw zou … ja wat eigenlijk?

Ze vond het knopje en meteen baadde de kamer in een zacht licht. De plek waar ze de vrouw had gezien was leeg. Er stond of hing niet eens iets dat in het donker op een menselijke gedaante had kunnen lijken.

Wat gebeurde er zojuist?!

Laura draaide in een reflex om naar Peters kant van het bed. Ze wist niet precies waarom ze het deed, om hem wakker te maken en even te knuffelen, of misschien samen te lachen om haar domme droom … wat het ook was, het verdween uit haar gedachten zodra ze de lege plek zag. Hij was er niet.

Natuurlijk niet.

Met een klap was ze weer terug in het heden. Er daalde een alles ver­stikkende deken van verdriet over haar neer. Tot drie dagen geleden was ze vergeten dat verdriet gewoon fysiek pijn kon doen. Dat het je bij de strot greep, misselijk maakte totdat je het gevoel had dat je gewoon wel kon kotsen.

Ze slikte. Peter was er niet. De plek waar ze de omtrek van zijn lichaam nog kon zien als ze het bed opmaakte, lag er strak en gladgetrokken bij. Want Peter was dood. Ze sloeg haar handen voor haar mond om de schreeuw te smoren die zich naar buiten probeerde te worstelen.

Het is mijn schuld, oh god het is mijn schuld. Als ik het hem niet zo verweten had, dan stond ik hier nu niet.

De deurknop leek onmogelijk ver weg. Ze wilde zich omdraaien, die rottige zwarte pumps in de hoek smijten en wegrennen. Overal naartoe behalve hier.

Laura stak de sleutels in het slot, sloot haar ogen, draaide de sleutelbos om en trok de deur open. Totale stilte galmde haar tegemoet.

Nu is het echt.

In de eerste paar dagen van hectiek, nadat ze Peter gevonden had, was ze alleen maar in regel-modus geweest. Door door door, welke kist, kwamen er bloemen? Oh god, moest ze dit nu opnieuw meemaken? Het was allemaal zo bekend. Wat moest er in vredes­naam in de rouwadvertentie? Frans en Nadine, Peters ouders, die haar constant vuile blikken toe­wierpen, alsof zij Peter ertoe aangezet had …

Dat heb je ook.

Het verdriet dreigde haar te overmannen. Ze deed haar ogen open en liep resoluut over de drempel, de gang in. Sleutels op het gangkastje, zwarte mantel aan de kapstok, tasje achteloos op de vloer. Haar hakken tikten op het parket. Het geluid leek te echoën in de leegte van hun appartement. Wacht, háár apparte­ment. Ze was alleen.

Vanaf vandaag lag Peter onder de grond en was ze alleen.

 

***

 

‘Hoe gaat het met je?’ Miranda’s stem klonk vermoeid en verdrietig aan de andere kant van de lijn.

Laura tekende afwezig kringetjes op het patroon van haar wollen jurkje. Ze had eigenlijk willen douchen, die vreselijk formele kleding uit willen trekken, maar ergens was ze bang verder het appartement in te gaan dan de woonkamer. Dus zat ze nu in elkaar gefrommeld in de luie stoel naast de televisie. De panty zat niet lekker en het jurkje was tot halverwege haar dijen opgeschoven omdat ze haar benen opgetrokken had. De pumps lagen half onder de stoel.

Ze had het koud. Ze wist dat het stom was om hier nu zo te blijven zitten, maar ze zag er zo vreselijk tegenop om al die lege kamers tegen te komen. Waar al zijn spullen nog stonden. Waar ze binnenkort iets aan zou moeten gaan doen. Alleen de gedachte al maakte haar misselijk.

‘Laura? Ben je er nog?’

Ze schrok op. ‘Ja ik ben er. Sorry, ik… ik heb moeite om mijn gedachten goed bij elkaar te houden. Wat vroeg je?’

‘Of het goed met je gaat. Maar eigenlijk hoef ik dat niet te vragen he? Natuurlijk niet.’ Miranda zuchtte. ‘Ik wou dat ik naar je toe kon komen. Je moet nu helemaal niet alleen zijn in dat klotehuis.’

Ze klonk zo bezorgd dat de tranen weer in Laura’s ogen opwelden. ‘Het gaat wel,’ zei ze waterig. ‘Ik moet alleen even moed verzamelen om iets te gaan doen. Uit deze stoel te komen. En jij moet blijven waar je bent, je hebt het al zwaar genoeg en hier kun je toch niks doen, joh.’ Miranda was hoogzwanger van de tweede en had haar handen vol aan de peuter die rondliep en haar eigen bekkeninstabiliteit. ‘Ik vond het fantastisch dat je er vanmorgen was, ik kan je niet zeggen hoeveel dat voor me betekende.’

‘Je voelt je toch niet schuldig, he? Want echt, ik had die ouders van hem wel wat aan kunnen doen, ik bedoel, Jezus, het is een begrafenis en om daar nu een scène te gaan schoppen midden op het kerkhof. Afschuwelijk. Het is níet jouw schuld. Dat weet je toch he?’ Miranda klonk fel.

Laura onderdrukte de neiging om de telefoon neer te leggen en haar handen voor haar gezicht te slaan. ‘Ik moet gaan meis, ik moet een aspirine gaan slikken en even gaan liggen en tot bedaren komen. Ik bel je later, oké? Ik kan nu even niet praten over alles.’

‘Je voelt je dus wel schuldig. Echt, het is zó oneerlijk, ik ben zó boos. Op Peter, op alles. Jullie leven was al zo verkloot en …’

Verderop in het appartement klonk een harde klap.

Laura liet van schrik bijna de telefoon uit haar handen vallen. Miranda viel midden in haar zin stil, ook zij had het door de telefoon heen gehoord. ‘Alles goed? Wat was dat?’

‘Ik weet het niet Mier, ik moet even gaan kijken. Het klonk alsof er iets viel of zo.’ Ze zweeg verward.

‘Je bent toch alleen daar? Toch? Er is toch niemand verder in huis?’

‘Nee joh, er staat vast ergens een raam open en er zal wel wat omgewaaid zijn. Ik spreek je later, oké?’ Laura hing op.

Er stond nergens een raam open. Dat had ze vanmorgen nog gecheckt voor ze wegging. Het was weer stil.

Laura’s hart bonsde wild. Ze had ineens een heel onbehaaglijk gevoel. Kippenvel overal. Waar kwam die sensatie in vredesnaam vandaan?

Oké, stel je niet aan. Er is niks aan de hand.

Het geluid was van verder in het appartement gekomen, vanuit de gang met de trap naar boven. Of misschien wel vanaf boven zelfs. Het appartement had een maisonnette-indeling met de woonkamer en keuken beneden. De ouderslaapkamer en extra kamers waren boven. Ze keek op naar het plafond en luisterde gespannen. Niets te horen.

In de gang was niets te zien. Ja, de trap. Die vervloekte klotetrap. Voor de zoveelste keer vroeg ze zich af waarom Peter en zij hier in dit huis waren blijven wonen nadat … nou ja, erna. Natuurlijk waren er duidelijke redenen geweest, voornamelijk financiële, maar wat had ze graag weg gewild. Niet meer iedere dag geconfronteerd met die houten trap naar boven, naar de kinderkamer. Zoveel plekken in dit huis waar ze niet meer wilde komen. Die trap. Het kamertje boven. En nu dus ook de studeerkamer. Het kippenvel kroop haar armen weer op en haar maag knoopte zich samen. Ze snakte naar adem, gezicht vertrokken in verdriet.

‘Nee, ik wíl niet weer huilen, ik ben er zo klaar mee!’ Ze wilde het gillen, maar het was niet meer dan een zacht gefluister.

In het voorbijgaan trok ze rechts de deur naar de logeerkamer open, maar niets leek van zijn plek. In de wc en de badkamer aan de andere kant van de gang zag ook alles er in orde uit. Alsof de aanblik van Peters scheerschuim en douchegel ooit in orde kon zijn, maar dat daargelaten.

De trap leek eindeloos en zoals altijd had ze een gevoel van kilte terwijl ze er tegenop klom. Ze wist dat het een psychisch ding was, de kou en het idee dat er geen einde aan leek te komen, dat had de psycholoog haar ook verteld, maar ze bleef het ervaren. Het was inmiddels al twee en een half jaar geleden dat Fleur hier op deze trap was gestorven, maar het gevoel was nog steeds niet weggeëbd.

Echt, ik moet dit huis verkopen. Het ging al nooit beter worden en nu al helemaal niet.

Eenmaal op de gang boven bleef ze besluiteloos tegenover de twee deuren naast elkaar staan. Iene miene mutte, welke doet het meeste pijn? Het begon als een dwaas kinderrijmpje door haar hoofd rond te zingen. Ze besloot als eerste de deur links te pakken, al was het maar om het gekmakende deuntje te smoren.

Het kleine kamertje rook wat bedompt en stoffig, maar was verder keurig opgeruimd. De muren waren zachtgroen en het meubilair whitewash. Peter en zij hadden geweten dat ze het ooit moesten gaan opruimen, maar ze hadden tot nu toe de moed niet kunnen verzamelen. Het had veel te veel pijn gedaan, hoewel de constante aanblik van het wiegje en de pluche knuffeldieren dat ook deed. Vrolijke houten letters die de naam ‘FLEUR’ spelden hingen nog aan de muur.

Er lag niets om, of op de grond. Laura deed snel de deur weer dicht en leunde er even tegenaan. Ze blies wat haren uit haar gezicht die losgeraakt waren uit de vlecht die ze droeg. Studeerkamer dan?

De kamer er rechts naast. Ze trok de deur open, bang voor wat er komen zou. Er was niets meer te zien van wat er zich vorige week had afgespeeld, maar toch spiegelde haar geest zich Peter weer voor, achterover hangend op de stoel achter zijn bureau, de plastic zak over zijn hoofd en haar potje met slaappillen naast zijn uitgestrekte, levenloze hand. Ze kneep heel snel haar ogen dicht, haar adem inhoudend, wetend dat haar brein haar voor de gek hield. En toch was ze één moment doodsbang dat dezelfde scène zich nu weer afspeelde, voor altijd en altijd in een krankzinnige cirkel waaruit ze nooit meer los zou komen, als een kwaadaardige Groundhog Day.

De stoel was leeg. Geen pillen rondgestrooid op het tapijt. Geen glazige ogen die haar ondersteboven aankeken door de wazige plastic zak die aan de binnenkant beslagen was door zijn laatste adem. Laura’s maag­inhoud kwam omhoog en ze vloog naar de deur links achter in de ruimte die toegang gaf tot een toilet en bad. Ze redde het maar net. Geknield en met een hand op haar maag braakte ze de broodmaaltijd uit die ze na afloop van de begrafenis samen met de familie genuttigd had. Het smaakte zuur, slijmerig en brandde in haar keel en neusgaten.

 

***

 

Een kwartiertje later stond ze nog wat wiebelig midden in de studeer­kamer. Het geluid was verklaard – de stofkap van Peters type­machine lag op onverklaarbare wijze op de grond naast de stoel. Ze had altijd moeten gniffelen om zijn eigenwijsheid wat dat betreft. Alle schrijvers die ze kende maakten gebruik van een laptop of desktop. En ze kende er aardig wat, want ze ging vaak mee naar feestjes en inmiddels had Peter behoorlijk wat vrienden gemaakt in het schrijvers­wereldje. De software die ze gebruik­ten varieerde nogal, van speciaal voor auteurs ont­wikkelde program­ma’s tot gewoon Word of zelfs Notepad. Maar Peter had niets willen weten van computers. Hij schreef zijn verhalen nog gewoon op een typemachine.

‘Het schrijft gewoon lekkerder, Lau,’ zei hij altijd als ze hem weer eens plaagde dat hij zo wel een enorm stereotype stoffige schrijver werd. ‘En zo kan ik tenminste niet meteen gaan twijfelen en alles deleten en weer opnieuw schrijven.’

Ze werd er eigenlijk knettergek van, want de getypte stapels die hij produceerde moesten altijd weer omge­zet worden tot iets digitaals. Daar kwam zij om de hoek kijken – ze zette zijn bergen papier om tot digitale bestanden en fungeerde daardoor meteen als zijn eerste proeflezer. Naast haar dagelijkse kantoorbaan was het veel werk. Hoewel het digita­liseren van het verhaal niet haar grootste hobby was, genoot ze wel van het redigeren. Het voelde als een privilege om de eerste te zijn die een kijkje mocht nemen in zijn zielenroerselen. Net zoals ze het geweldig had gevon­den om mee te gaan op de reizen die hij ondernam. Hij geloofde heilig in het zelf onderzoeken van bronnen – het zelf voelen, ruiken, waar­nemen.

Na zijn dood was zijn kamer in orde gebracht en afgesloten en ze wist zeker dat ze de kap op zijn typemachine had gedaan. Ondanks zijn rommelige karakter was hij daar altijd heel zorgvuldig mee geweest en het had haar pijn gedaan de machine zo open en bloot te zien nadat ze zijn korte afscheids­briefje – ‘Het spijt me zo, Lau’ – uit de schrijfrol had gehaald.

Maar nu lag de kap op de grond en dat was eigenlijk onmogelijk. Hij sloot af met twee klepjes aan iedere kant en die raakten niet zomaar los. En al raakten ze los, dan nog was het onmogelijk dat de kap vervolgens op eigen houtje van de typemachine los zou raken. Het ging in tegen alle wetten van de zwaartekracht.

Er is iemand in huis, dat moet wel, het kan niet anders.

Laura draaide zich met een ruk om, gezicht naar de gesloten deur van het kantoor. Daarbuiten lag de gang, de toegang naar wat de babykamer was geweest. Achter haar de douche en het toilet. Beide had ze net van dichtbij gezien en ze waren leeg geweest. Dan bleef alleen de slaapkamer nog over.

Bevend haalde ze adem. Ze stond op kousenvoeten, haar hakken lagen beneden in de woonkamer. En nu? Zachtjes naar beneden sluipen of de confrontatie aangaan? Ongewapend? Ging ze echt zo stom zijn? Een flard van haar droom kwam terug, het gevoel in een horrorfilm te zijn beland. De heldin die altijd het domste deed, de trap opliep in plaats van het huis de rug toe te keren, ook al was het duidelijk dat er boven geen vluchtwegen waren. Ging ze écht dat cliché zijn?

Maar dit was geen horrorfilm. En ze was het zat. Zat om bang te zijn, zat om verdrietig te zijn. Er helemaal klaar mee om iedere dag maar weer op te staan met het gevoel of er een steen op haar maag lag en haar hoofd vol watten zat.

Laura trok een van de lades van Peters bureau open, de lade waarvan ze wist dat hij er altijd zijn kantoor­artikelen in veegde. In de wirwar van paperclips, gummetjes, potloden en lege kauwgom­wikkels vond ze wat ze zocht – de briefopener. Deze klemde ze in haar zweterige hand en op trillende benen liep ze naar de deur van het kantoor.

De gang was leeg en nog net zo stil als daarvoor. Laura glipte door de deuropening en hield halverwege de hal stil, tussen de deur van de kinderkamer rechts en de grote ramen die uitzicht boden op het balkon links. De dag was al aan het tanen – het licht begon wat grauw te worden en aan de voorbij dwarrelende bladeren te zien was er een fikse wind opgestoken. De maisonnette was goed geïsoleerd, binnen was het aangenaam en er was niets te horen van de storm buiten. Ze deed haar best om haar ademhaling rustig te houden, maar slaagde daar totaal niet in. De lucht zaagde haar keel in en uit en haar hartslag speelde de horlepiep. Nog zo’n cliché – ‘het was vast te horen buiten haar lichaam om’. Bah, ze had veel te veel van Peters horrorverhalen onthouden.

Met haar adem ingehouden luisterde ze gespannen. Ongewild drong de gedachte aan de droom van vorige nacht zich weer aan haar op. De vrouw aan het einde van haar bed, de zwarte, vage roerloze gestalte. Dat was ook in de slaapkamer geweest. Wat als ze de deur opentrok en oog in oog met dat ding zou staan? Of nog erger, dat het tegen het plafond zat, met lange spin­achtige ledematen, alsof de zwaartekracht niet bestond?

Jezus Laura, hou eens op. Je kunt jezelf ook gek maken.

Het moest maar. Ze stak haar hand uit naar de deur­knop, aarzelde een seconde en rukte toen met kracht de deur open, de briefopener uitdagend in haar andere hand.

Niets.

Een lege slaapkamer. Opgemaakt bed. Peters boek, met de boeken­legger nog op de plek waar hij was gebleven, omgekeerd op zijn nacht­kastje. Geen zwarte gedaanten waar dan ook, ook niet tegen het plafond.

Laura begon oncontroleerbaar te trillen, de brief­opener glipte uit haar hand en kletterde tegen het parket. Ze zakte als een hoopje ellende op de vloer in elkaar en kon de tranen niet meer tegenhouden. Het voelde alsof ze zich compleet verloor in het verdriet, het schuldgevoel, de wetenschap dat het haar onop­houdelijke stille verwijten waren geweest die Peter uiteindelijk tot zijn daad hadden gedreven.

Want hij was het geweest die met Fleur in zijn armen van de trap was gevallen.

Van die verraderlijke, kloterige, spekgladde houten trap waarvan ze al zo vaak tegen elkaar hadden gezegd dat ze die veiliger moesten maken. Wat ze niet hadden gedaan. Wat ze geen van beiden hadden gedaan, en het had net zo goed haar kunnen overkomen in plaats van hem, maar toch bleef ze het hem verwijten. Misschien niet zozeer in woorden, maar zeker wel in daden, met een koude houding en een stilzwijgen en een gepast op afstand houden waar ze maar niet van af had kunnen komen, hoe graag ze het ook had gewild… het verdriet dreigde haar te over­spoelen en ze voelde het, letterlijk, als een koude zwarte wolk boven haar hoofd, een vettige zwarte materie die haar helemaal omhulde, in alle poriën en huidplooien kroop, in haar longen drong met iedere beverige ademteug die ze naar binnen liet gieren, haar verstikte en tegen haar fluisterde …

Jouw schuld, allemaal jouw schuld, lelijk mens, je kon het hem niet vergeven, he? Je moest hem de schuld blijven geven want anders moest je naar jezelf kijken, je eigen nalatigheid, je eigen aandeel in dit alles en dat was even groot, het is allemaal jouw schuld, jouw schuld, jouw schuld, waarom maak je er geen einde aan?

Ze kreunde, de armen om haar lichaam geslagen, wiegde heen en weer in pure wanhoop, ja waarom ook niet, wat deed ze hier nog, waarom was ze hier nog, wie hield er in nu in godsnaam nog van haar?

En van het ene op het andere moment werd ze warm. Het was alsof iemand van achteren de armen om haar heen sloeg, haar tegen zich aan koesterde en haar compleet injecteerde met een weldadige, liefdevolle gloed die door haar hele lichaam trok, van kruin tot voeten. Ze hield abrupt op met huilen.

Oh Laura …

De warme ademtocht blies langs haar oor en een lok van haar haar dreef loom mee naar voren op de lucht­verplaatsing. Verdwaasd keek ze ernaar. Achter haar, in de studeerkamer, klonk het ratelende geluid van de typemachine, maar ze registreerde het amper.

‘Peter?’

Het warme gevoel ebde langzaam weg, maar de wan­hoop was ook verdwenen. Meegenomen op die ene teug adem die niet meer terug­kwam. Ze was niet bijge­lovig en hoewel ze even daarvoor nog helemaal in beslag was genomen door alle stomme plotpunten uit Peters enge verhalen, had ze nooit werkelijk in dat soort dingen geloofd. Geesten, monsters, griezelige kinderen en poppen waren leuk om bang van te worden tijdens het kijken van een enge film, maar dat waren wel fictieve dingen waar ze de dag daarna geen last meer van had. Misschien dat dat kwam doordat ze van dichtbij had meegemaakt hoe Peter de spanning opriep in zijn boeken, er research naar deed en zijn verhalen had geredigeerd. Daardoor werd het voor haar een soort van proces in plaats van een medium waardoor ze zich kon laten verrassen. Ze wist veel te goed hoe alles in elkaar zat.

Had ze gedacht. Toch? ‘Peter? Was jij dat?’

Vanuit de studeerkamer kwam een zachte ping! Het was het geluid van de schrijfrol die het einde van een regel aangaf, wist ze. Het kippenvel stond onmiddellijk weer huizenhoog op haar armen. En aan de andere kant leek het een bevestiging op haar vraag. Struike­lend haastte ze zich naar de kamer aan het einde van de hal.

Er zat nu papier in de schrijfrol. Midden op het witte vel prijkte één enkel woord:

 

J A P A N

 

***

 

‘Wil je dit nog bewaren?’ Miranda hield een van Peters befaamde notitieboekjes omhoog, ditmaal eentje met een bijzonder groezelige kaft.

‘Staat er een jaartal op?’ Laura snuffelde rond in de grote boekenkast waar boeken, losse papieren en multo­mappen lukraak bovenop elkaar gestapeld waren. Je kon van alles van Peter zeggen, maar opge­ruimd was hij niet geweest. Het leek wel of hij nooit echt een systeem had gehad om orde te scheppen in de kamer. Alleen de notitieboekjes waren een vast, terug­kerend item. En de Bic balpennen waar zonder uitzon­dering heftig op geknaagd was. Die twee dingen waren de constanten in Peters leven geweest. Nou ja, op haar, Fleur en zijn typemachine na dan. De rest was bijzaak.

‘Nee, ik geloof het niet.’ Het klonk aarzelend. ‘Er staat ‘Sterrenkijken’ op?’

Ah. Peters enige poging tot het schrijven van een sci-fi. Aliens, close encounters of the fourth kind, de hele rambam. Ze waren er zelfs voor naar Area 51 geweest – of in ieder geval zo dicht als ze erbij hadden kunnen komen.

Uiteindelijk was dit specifieke boek op niets uitge­lopen. Sci-fi was gewoon niet zo Peters genre en dat had hij heel vlot ingezien. Het kroop toch bijzonder snel weer naar de horror en hij had geen compromis willen sluiten qua genre. Dus het manuscript was onaf­ge­maakt in een doos verdwenen en zou zich onge­twijfeld ergens in deze kamer bevin­den.

‘Bewaar toch maar,’ zei ze, zich omdraaiend naar Miranda. ‘Alleen, … zo raak ik nooit opgeruimd he?’ Ze keken elkaar aan en begonnen tege­lijker­tijd te lachen. Heerlijk. Eindelijk. De lach tuimelde ongedwongen door de ruimte en het was gewoon precies wat ze nodig had gehad.

‘Ik ben zo blij dat je hierheen gekomen bent. Ondanks – dat,’ ze wees naar Miranda’s gewelfde buik, ‘dat je het volhoudt joh.’

‘Ach, zolang jij de onderste planken doet en ik me bezig kan houden met alles wat zich ongeveer ter hoogte van mijn navel bevindt, vind ik het best. Echt, Ik bleef je maar voor me zien, alleen in dit huis met alle rommel. Ik moest naar je toe.’

De tranen sprongen Laura in de ogen. Ze knikte woordeloos en keek naar de grond.

Er waren inmiddels een paar dagen verstreken en ondanks dat Laura het erg moeilijk had gevonden om die eerste nacht de slaap te vatten, leek het gebeuren in de studeerkamer al weer ver weg. Er hadden zich verder geen vreemde dingen meer voorgedaan en op een of andere manier had ze het voor elkaar gekregen om het voorval diep in haar geest op te bergen en er verder geen aandacht meer aan te schenken. Niet aan denken was het beste, hoe onwaarschijnlijk en bizar het ook was geweest.

‘Ik denk dat ik alle notitieboekjes maar bewaar,’ zei ze tegen Miranda. ‘Het is toch het meest tastbare, het meest eigen, dat ik over heb van Peter.’ Ze moest even slikken.

Miranda was meteen bij haar en greep haar hand. Haar bezorgde groene ogen namen Laura vorsend op. ‘Heb je wel wat gegeten vandaag?’

Laura knikte. ‘Ja, daar zorg ik wel voor. Met Fleur…’  Ze brak af. Ze had in de weken na Fleur amper kunnen eten, was kilo’s afgevallen en daar ging ze zich alleen nog maar slechter door voelen. ‘Ik heb ervan geleerd, laten we het daarop houden.’

Miranda ging met wat moeite zitten in de leunstoel voor de boekenkast en kruiste haar enkels over elkaar. ‘Als je er niet over wil praten, moet je het zeggen, maar…’ Ze aarzelde. ‘Ik snap het gewoon niet. Ik had het gevoel dat het zoveel beter met jullie ging. Dat de therapie hielp. Jullie zijn samen nog naar Japan geweest, Peter zat helemaal vol plannen met zijn nieuwe boek. Wat ging er nou mis?’

Laura legde haar hand op de bureaustoel en keek peinzend naar buiten. ‘Ik weet het niet,’ zei ze uitein­delijk. ‘Ik dacht ook dat het beter ging. We hadden hartstikke veel aan de nieuwe therapeute, Peter vond dat ook. Tijdens de vakantie hadden we voor het eerst in tijden weer seks.’ Ze bloosde lichtelijk. ‘Sorry, dat is meer informatie dan waar je behoefte aan hebt waarschijnlijk, maar voor ons was het een door­braak. Ik kon hem heel lang gewoon niet in mijn buurt ver­dra­gen. Afschuwelijk, ik weet het, en ik probeerde er echt wel tegen te vechten, maar dat lukte moeilijk.’ Ze wreef haar handen tegen elkaar, het was ineens koud in de kamer. ‘En die muur had ik eindelijk afgebroken. En toen… dit. Ik weet het niet. Ik begrijp het zelf ook totaal niet.’

Dat dacht je alleen maar. Je hield hem aan het lijntje, dat weet je zelf ook wel. Het was een vluggertje, meer niet en stelde niks voor, dat was toch geen liefde? Dat moet hij ook gevoeld hebben, het is jouw schuld, jij hebt hem ertoe gedreven …

‘Jeetje, wat is het koud hier ineens, is de verwarming uitgevallen of zo?’ Miranda huiverde in haar positie­jurk, kwam overeind uit de stoel. ‘Eh, Lau? Gaat het wel? Je ziet echt lijkbleek. Oh sorry, echt, ik had het er niet over moeten hebben, het is allemaal nog zo vers en ik vraag je er gewoon naar met mijn stomme kop.’

Laura werd uit haar gedachten gehaald toen ze de arm van Miranda om haar schouders voelde. Het voelde aan alsof ze van erg ver moest komen. Ze drukte haar handen tegen haar ogen. Ze was zo verschrik­kelijk moe en deze stemmingswisselingen putten haar helemaal uit.

‘Het geeft niet. Ik heb eigenlijk liever dat mensen er wel naar vragen dan dat ze op hun tenen om me heen gaan lopen. De buren staren me toch al aan alsof ik ze allebei eigenhandig vermoord heb of zo.’ Dat was het nadeel van wonen in deze flat: er was niet heel veel contact tussen de buren onderling dus niemand wist precies van elkaar wat er in hun levens speelde. Daarnaast waren haar buren aan beide zijden van het type gluren-achter-de-vitrage, iets waar ze niet bepaald op zat te wachten. Weer een reden om dit huis zo snel mogelijk van de hand te doen.

‘Het is inderdaad koud, ja. Er staat toch nergens een raam open.’ Laura rammelde aan de sluiting van het raam achter het bureau, maar het zat stevig dicht. Ze draaide aan de knop van de verwarming onder het raam. Het ding begon meteen te tikken. ‘Nou ja, laten we maar verder gaan – het wordt hier zo wel warmer denk ik.’

‘Wat is dit?’ Het klonk wat weifelend. Miranda was inmiddels weer terug­gelopen naar de verzameling dozen die midden in de studeerkamer opgestapeld stonden. Ze hield een stuk papier vast dat zo te zien een haastig geschetste tekening bevatte met veel zwart. Het kwam Laura op het eerste gezicht niet bekend voor.

‘Er staan wat Japanse tekens op gekrabbeld. En ook wat leesbare woorden, al weet ik niet wat ze betekenen. Shinigami? Weet jij wat dat is?’

Laura kwam naar Miranda toe, haar hoofd schuddend. ‘Het is vast onderdeel van de research voor zijn laatste boek. Hij wilde iets doen met Japanse folklore maar ik geloof niet dat er al echt een heel duidelijk idee was. Ik moet eerlijk zeggen dat ik geen flauw idee heb waar hij precies mee bezig was, ik heb vooral genoten van het land en de cultuur. Hij liet meestal niet zoveel los over nieuwe boeken voordat de puzzelstukjes een beetje op zijn plek vielen. Ik kreeg meestal pas echt inzicht in zijn verhaal als ik begon met de redactie er van. Laat eens zien?’

Maar voor Miranda het papier kon overhandigen greep ze met beide handen haastig naar haar zwangere buik. De tekening zeilde rakelings door de kamer door de beweging en schoof onder de boekenkast. Ze zakte bijna door de knieën, haar elleboog stootte tegen een deurtje van de vitrinekast aan de andere muur. ‘Ohhh,’ kreunde ze. ‘Oh dat doet PIJN!’

Het glazen deurtje draaide langzaam om zijn schar­nieren en een seconde ving het Miranda’s spiegelbeeld. In de weerkaatsing zag Laura de vrouw. Of eerder, de vorm van een vrouw. Er waren niet echt gelaatstrekken te onderscheiden. Het was eerder een vettige, kolkende wolk in de vorm van een vrouw, met ruw, geklit haar dat tot halverwege haar middel viel. Zwarte klauwen met lange nagels strekten zich uit over Miranda’s buik en hielden die in een wurggreep. En knepen. Miranda’s handen lagen er dwars overheen, maar ze scheen dat niet te voelen.

Miranda hapte naar adem. Laura gilde. Het deurtje draaide verder en klapte helemaal open met een muzi­kale tinkel. De klap was hard genoeg om het glas te kunnen breken, maar dat gebeurde niet. Het spiegel­beeld verdween en de echte Miranda stond daar, alleen, in de kamer met haar handen tegen haar buik, haar gezicht vertrokken van de pijn.

Er klonk een kletterend geluid. ‘Mijn vliezen zijn gebroken,’ hijgde Miranda. ‘Oh nee, het is te vroeg!’

Laura staarde wild naar haar vriendin, naar de ruimte, naar het glas in het deurtje. Wat ze zojuist had gezien was verdwenen en ze begon aan haar verstand te twijfelen. De kamer voelde aan als een vrieskelder en ze vroeg zich af of ze haar adem in een klein wolkje voor zich uit zou zien stuiven.

Ze dwong zichzelf in de kamer te blijven in plaats van weg te rennen en greep Miranda bij de schouder. ‘Hoeveel weken ben je nu precies?’

‘Vijfendertig. Dit is niet goed. Je moet Maarten bellen en het zieken­huis.’

 

***

 

Het ouderwetse belletje rinkelde toen Laura de deur openduwde en een zoete, stoffige geur kwam haar tegemoet, zo sterk dat ze er bijna van moest hoesten. Het winkeltje heette Kuzu en ze had het adres uit een van Peters laatste notitieboekjes. Hij was hier blijkbaar eerder geweest, of misschien had hij het plan gehad hierheen te komen. Het stond in ieder geval vermeld onder zijn bronnen. In gedachten ging ze terug naar gisteren, naar de studeerkamer.

Maarten was in alle haast gekomen toen ze hem had gebeld, maar de ambulance was eerder geweest. Laura had niet geweten wat te doen – ze had nog nooit een vroeggeboorte meegemaakt en het leek haar het beste om 112 te bellen. Miranda was vastgesnoerd op een brancard en met gillende sirenes afgevoerd. Laura was bij haar gebleven in de ambulance. Gelukkig had Maarten de tegenwoordigheid van geest gehad om de vluchttas mee te grijpen, al zaten er nog lang niet alle benodigdheden in. Het was voldoende geweest voor deze noodsituatie.

Laura had de rest van de dag pendelend tussen Miranda’s huis en het ziekenhuis doorgebracht. Ze had gezorgd dat er nachtgoed voor Miranda en Maarten aan­wezig was en had toiletspullen en nog extra baby­kleertjes meegenomen. Miranda’s tweede zoontje was binnen vier uur geboren, met de navelstreng om de nek en ze waren erg lang met hem bezig geweest voordat hij zelfstandig begon te ademen. Het jochie lag nu op de NICU en het was niet helemaal duidelijk of hij er iets aan over zou houden. Miranda en Maarten zouden voorlopig nog wel in het ziekenhuis blijven.

Laura was uiteindelijk toch naar huis gegaan, hoewel ze het een afschuwelijke situatie vond. Ze kon verder erg weinig doen en de beide kersverse ouders werden volledig in beslag genomen door het legertje kinder­artsen dat hun jongste zoon in de gaten hield.

Maar wat moest ze verder? Ze zag het niet zitten om alleen in de studeer­kamer rond te hangen, niet met wat zich daar had afgespeeld. Ze vond het ontzettend moeilijk te bepalen of dit nu allemaal in haar hoofd plaatsvond of niet, maar het feit dat Miranda’s pijn en het afschuw­wekkende spiegelbeeld met elkaar samen­vielen, deed haar het ergste vermoeden. En toch wilde een deel van haar geest er niet aan. Dit soort dingen bestond niet, gebeurde niet. De type­machine die uit zichzelf een woord op papier kwakte, het moest een logische verklaring hebben.

En zo stond ze nu hier in het winkeltje. Ze was net lang genoeg in de studeerkamer geweest om het papier met de tekening onder de boekenkast vandaan te vissen en het notitieboekje mee te grissen. Beiden had ze bij zich. Een snel rondje Google had wel wat resul­taten opgeleverd voor het woord ‘Shinigami’ maar ze wilde liever even met iemand praten.

‘Jaja, ik kom, kom er al aan!’

Het was een stem met een zwaar accent en het klonk krakerig en oud. De bijbehorende eigenaresse kwam al snel in zicht en Laura moest een gniffeltje onder­drukken. Als er iemand thuishoorde in dit Japanse snuisterijenwinkeltje, dan was het dit dametje. Ze was zo klein dat ze met de top van haar kruin amper tot Laura’s oksel kwam en ze droeg een kimono die aan de onderkant wat gerafeld was.

De lol verging haar echter snel toen het vrouwtje een priemende vinger tegen Laura’s borst prikte en haar zo’n beetje de winkel uit begon te worstelen. ‘Eruit! Jij weg! Ik wil jou niet hier hebben!’

‘Maar, wacht, ik moet u iets vragen, wacht!’ Laura zette haar voet dwars en haakte haar vingers om de deurpost. Ze keek met verbijstering naar het vrouwtje, of eigenlijk meer naar de zwarte haardos van de vrouw ter hoogte van haar eigen kin. Er liepen behoorlijk wat grijze draden door en ze besefte dat de zoete geur werd veroorzaakt door de haarolie die de vrouw gebruikte.

Het vrouwtje bleef duwen, als een soort koppige mini-stier, maar Laura ging dit niet laten gebeuren. Ze had informatie nodig en ze moest ergens beginnen. En dus duwde ze terug, en het vrouwtje was zo licht dat dat een peulenschil was. Ze draaide de eigenaresse eigenlijk min of meer om haar as en belandde zo binnen in de winkel.

‘Nee! Jij bent niet goed voor mij, jij moet weg!’

‘Maar waarom dan? Ik wil u alleen maar iets vragen, ik bedoel, voor hetzelfde geld was ik een klant!’ Laura begon nu verontwaardigd te worden, ze begreep het niet. Wat was er mis met haar?

Alles. Je hebt nu ook bijna de dood van een kind veroorzaakt. De teller loopt op, doe je goed. Je kind, je man, Miranda’s kind … wat wil je nog meer op je geweten hebben? Je vergiftigt alles en iedereen om je heen, wat doe je hier nou nog? Niemand wil jou.

Ze huiverde. Het gebeurde zo vaak de afgelopen tijd, ze had de neiging om in haar gedachten weg te zakken en de omgeving om haar heen niet meer waar te nemen. Het leek op de depressie die ze had gehad na de dood van Fleur, maar het voelde toch niet helemaal hetzelfde.

Toen ze opkeek, zag ze dat het Japanse vrouwtje om haar heen was gelopen en dieper de schemering van het winkeltje in was gedoken. Alleen haar ogen waren nog duidelijk te zien en ze straalden puur afgrijzen uit. Bij iedere stap die Laura vooruit zette, ging zij er twee achteruit totdat ze zo’n beetje op een holletje het kantoortje aan het einde van het winkeltje inschoot.

Laura twijfelde even wat ze moest doen, maar beende toen veront­waardigd het gangpad door. De vloer trilde onder haar hakken en hier en daar sprongen porse­leinen snuisterijtjes met een zacht getinkel op. Het winkeltje stond stampvol met Japanse prullaria die op het eerste gezicht waardeloos leken. De deur naar het kantoor was groezelig en stond vol handafdrukken. Ze duwde hem open en stond oog in oog met het vrouwtje.

‘Alstublieft,’ zei ze zacht. ‘Ik weet niet waar ik naartoe moet en ik heb hulp nodig. Wilt u niet even naar me luisteren? Ik heet Laura.’

Het vrouwtje aarzelde, liep wat achteruit maar gaf tenslotte toch toe. Met een vermoeid gebaar wees ze op een van de stoelen die om een aftands bureau gegroe­peerd stonden. ‘Zit. Natsuko.’ Haar naam. Ze gaf Laura een kort knikje.

Laura zuchtte en ging voorzichtig zitten. De zitting kraakte onder haar gewicht. Natsuko bekeek haar argwanend en dus stak ze maar van wal.

‘Is mijn man hier geweest? Peter de Graaf? Hij was bezig een boek te schrijven over Japanse folklore en ik heb het adres van uw winkeltje gevonden in een van zijn notitieboeken.’

Natsuko schudde beslist haar hoofd. ‘Nee. Nooit van gehoord, niet hier geweest. Wij nu klaar?’

‘Eh, nee, sorry. Ik ben op zoek naar informatie over – nou ja, kijkt u zelf maar.’ Ze diepte de tekening met de Japanse tekens op uit haar tasje en schoof hem over het bureau naar de vrouw. Die schoot achteruit alsof ze door een horzel gestoken was. Een stroom buitenlandse woorden kaatste door de ruimte – ongetwijfeld verwensingen die ze natuurlijk niet kon verstaan.

‘Shinigami?’ probeerde ze nogmaals. ‘Kent u het? Kunt u me meer vertellen?’

Natsuko klapte haar mond dicht en sloeg haar armen over elkaar. Ze snoof. Het bureau stond tussen hen in en ze leek vastbesloten het zo te houden.

‘Ja,’ zei ze tenslotte. Ze keek nors en ook een beetje bedroefd. Met haar hoofd schuin leek ze net een vogeltje. ‘Jij hebt … jij hebt Shinigami om je heen. Gaat met je mee. Je bent besmet. Het is lelijk en zwart en het wordt steeds groter als jij niet stopt met zielig doen.’

Laura fronste. ‘Zielig doen? Mijn man heeft verdomme net zelfmoord gepleegd! Moet ik dan vrolijk door het leven verder dansen? U weet niet waar u het over heeft.’ Ze stond op en wilde zich omdraaien om de winkel uit te lopen, maar de stem van Natsuko hield haar tegen.

‘Hij heeft zelfmoord gepleegd? Je man? Was plotse­ling?’

Laura hield in. ‘Ja. Hoe weet u dat? Het ging heel goed met ons en toen, ineens… ik begrijp het niet.’ Ze moest moeite doen om niet weer in huilen uit te barsten.

Het kleine vrouwtje sloeg er geen acht op en tikte met haar lange nagels op de tekening die nog steeds tussen hen in op het bureau lag. ‘Hier. Shinigami. Dat is de oorzaak. Hij heeft – hoe zeg je dat? – zijn neus ergens ingestoken, niet slim. In Japan geweest?’

Laura knikte woordeloos. Het gesprek ging een kant op waar ze hele­maal niet naartoe wilde.

‘Hij heeft meegenomen en het heeft hem gegrepen. Nu is het jouw beurt. Zit aan je vast, jij moet vechten!’

Laura wilde om het bureau heen lopen maar Natsuko bewoog met haar mee, het meubelstuk tussen hen in houdend. ‘Nee,’ zei de Japanse vrouw resoluut. ‘Niet dichter in de buurt. Ik heb al genoeg aangeraakt van jou, ik wil niet ook besmet worden. Te veel dingen waar ik schuldig over voel. Shinigami neemt het, pakt het, laat het groeien. En dan jij zo ongelukkig dat jij niet meer wilt leven.’ Ze schudde haar hoofd en schoof nog een stukje opzij.

Laura’s lip was gaan trillen. Ze graaide de tekening van het houten blad en propte het terug in haar tasje. Als dit waar was, dan wist ze niet hoe ze hier ooit uit ging komen. Je niet schuldig voelen? Er was zo ontzettend veel waar ze zich schuldig over voelde en terecht! Ze wreef de tranen driftig uit haar ogen en maakte aanstalten om het kantoor te verlaten.

‘Bedankt.’ Haar stem was schor van de tranen. ‘Ik red me wel.’

Natsuko keek haar meewarig na.

 

***

 

Alles was warrig. Het laatste dat ze zich echt heel helder kon herinneren was dat ze thuisgekomen was van Natsuko’s winkeltje, ontzettend over­stuur, bang om naar huis te gaan maar tegelijkertijd wetend dat het niet uitmaakte waar ze heen ging. Natsuko had heel duidelijk gezegd dat de Shinigami aan haar vast zat, niet aan het huis. Laura had zelfs het gevoel dat het Japanse vrouwtje het verschijnsel had kunnen zien – want wat was anders de reden geweest dat ze haar zonder uitleg de winkel uit had willen zetten?

Ze had ertegen willen vechten. De gordijnen open willen gooien, licht binnenlaten, kaarsen aan willen steken, warme muziek op willen zetten. Het schuldgevoel achter zich laten, wel verdriet hebben, maar er niet aan ten onder gaan. Ze kon zich vaag iets herinneren van proberen naar Miranda te bellen, maar het nummer van het ziekenhuis bleef maar uit haar gedachten glippen en uiteindelijk had ze de telefoon weggelegd met het idee om het later nog eens te proberen.

De eerste kaars die ze probeerde aan te steken, brak. Haar handen verstijfden steeds verder van de kou, hoewel de verwarming aan stond en het best behaag­lijk was in huis. Daardoor brak ze niet alleen de kaars, maar ook iedere keer de lucifers die ze probeerde af te strijken tegen het luciferdoosje. Ze had het opgegeven en vanaf dat moment had ze zichzelf niet meer in de hand gehad.

Het was schemerig in de slaapkamer. Haar handen waren nog steeds ijskoud. Sterker nog, het hele huis voelde koud. Laura staarde voor zich uit, armen slap langs haar zijden. Ze stond midden in de slaapkamer met haar gezicht naar de deur die op de gang uit kwam. Ze wist niet hoe ze hier gekomen was. Het leek of haar lichaam los stond van haar geest, dat haar persoon – alles wat ze was – hulpeloos tegen de tralies van haar schedel bonkte.

Oh Peter, was je maar hier.

Ergens op de achtergrond klonk het geluid van stromend water. Laura had geen idee wat het was, of wie de kraan opengezet had.

Bewegingsloos sloeg ze de slaapkamerdeur gade die langzamerhand open kierde. Het voelde of de tempé­ratuur in de kamer nog enkele graden kelderde, en een donkere, kolkende gedaante vulde de deur­opening. Iets was niet hetzelfde – inmiddels was het geen gezichts­loze gestalte meer. Laura’s eigen gelaats­trekken staarden naar haar terug vanuit die vluchtige, dreigende massa. Rudimentaire lippen trokken zich terug in een vreugdeloze lach.

Laura wilde gillen, krijsen. Het raam openrukken en desnoods van de drie verdiepingen naar beneden springen om maar te ontkomen aan dit ding dat het op haar gemunt had. Maar haar lichaam beantwoordde niet meer aan haar geest. Het was geen angst die haar aan de vloer genageld hield, het was onvermogen. Ze was de controle over haar lijf compleet kwijt.

De kamer werd donker. Waar een vrouwelijke gedaante had gestaan, was nu een zwarte wolk gevormd die steeds groter werd. Wat vluchtige rook had geleken, werd een grijzige substantie die aan de muren kleefde, groeide, met lange tentakel-achtige vingers om zich heen greep. Het bedekte de muren, de ramen, sloot haar in. De stank was groen, vochtig, beschimmeld. Het gezicht kwam naar voren tot het vlak voor Laura’s gezicht in de lucht hing.

Laura’s hart bonsde hard in haar keel op een tempo dat dodelijk leek. Haar geest klauwde in pure paniek aan de gevangenis waar ze in zat, maar ze kreeg geen vat op haar lichaam. Er rolde een traan tussen haar trillende wimpers vandaan. Was dit ook met Peter gebeurd? Had hij ook zulke doodsangsten uitgestaan? De adrenaline raasde door haar lijf maar ze kon er niets mee, behalve naar adem snakken.

Het gezicht kwam nog verder naar voren, totdat hun neuzen elkaar bijna raakten. De substantie van het wezen veranderde subtiel en vervluchtigde als een zwart gas. Met iedere hijgende ademteug zoog Laura de materie naar binnen. Met iedere ademhaling nam het gevoel van onbehagen toe. Het leek of er mieren op de paden van haar brein rondliepen, haar gedachten ver­vaagden en haar eigen ego werd steeds verder naar de achterkant van haar bewustzijn gedrukt. Ze wilde hoesten, het smerige spul naar buiten werken maar de Shinigami stond het niet toe. In een mum van tijd was de volledige entiteit door Laura’s longen opgenomen. Het raasde rond in haar bloed, deed haar hartslag nog verder toenemen en liet haar zowat pulseren op haar voeten. Zoveel opgekropte woede!

Als in een droom draaide Laura’s lichaam zich lang­zaam om. De armen die nog steeds langs haar zijden hingen, bungelden slap. Ze voelde hoe ze een paar slepende stappen naar de badkamer zette en was machte­loos om er iets tegen te doen. Het geluid van stromend water werd luider en Laura besefte dat de kraan boven de badkuip open stond. Ze kon zich totaal niet herinneren dat ze dat gedaan had. Afgrijzen bekroop haar.

Nee! Nee nee nee nee! Laat me los! Jij ongelofelijk kreng, wat heb ik je ooit misdaan, je kent me niet eens, sodemieter op, laat me gaan!

Het hielp helemaal niets. Ze schopte uit alle macht tegen de denk­beeldige muren die haar in bedwang hielden, klauwde met haar nagels langs fictieve wan­den, proberend een weg naar buiten te graven, een uit­weg te vinden uit deze benauwende stilte in het meest diepe van haar geest. De knoppen te vinden waarmee ze zelf de controle weer terug kon krijgen en haar lichaam de baas zou worden. Het haalde niets uit. Ze moest willoos toezien hoe haar eigen handen de klink van de badkamer­deur naar beneden duwden.

De badkamer stond vol stoom. De lucht voelde warm, maar op een of andere manier ook weer niet. De warmte leek van haar ijskoude huid af te glijden, voor haar te wijken en achter haar weer samen te komen. Ze deed niet eens moeite om zich uit te kleden, maar stapte zo, met sokken, ondergoed, spijkerbroek en al in het bad.

Het water was verstikkend warm, nog net niet heet genoeg om haar te branden maar wel zo heet dat het haar de adem benam. Toen de stoom wat optrok zag ze twee scheermesjes op de rand van het bad liggen. De scheermesjes van Peter, die zich graag nat had mogen scheren en die krengen overal liet slingeren zodat zij ze weer in de vuilnisbak kon gooien en nog mocht oppassen ook dat ze zich er niet aan sneed. Waarom herinnerde ze zich dat alles op dit moment? Het deed er totaal niet toe, maar het was een poging van haar geest om zich af te sluiten van hetgeen op het punt stond te gebeuren. De scherpe kanten van de mesjes glansden in het lamplicht en de stoom had minuscule druppeltjes gevormd op het metaal.

‘Hmmmm! Hnnn! Nnnnnh!’

In pure paniek probeerde ze zich schrap te zetten, naar achter te krabbelen over de spekgladde onderkant van het bad, maar ze leek wel verlamd. De spieren stonden als kabels in haar nek, maar er was geen beweging in haar lichaam te krijgen. Er kwam wel geluid over haar lippen, maar het kwam er vervormd en zwak uit. Ze kon niet gillen of zelfs maar woorden vormen. Niemand zou haar hier ooit horen.

Haar hand bewoog zich naar de scheermesjes en greep er een. De bewegingen waren wat traag en onge­coör­dineerd, waardoor ze in de scherpe kant greep en er onmiddellijk bloeddruppels opwelden uit de sneden die nu dwars over haar vingertoppen liepen. Ze vielen in het water en vielen daar uiteen in wolkende roze draden.

‘Uhhhn! Hnnnn! Nnnnnnnn!’

Ze hijgde, snakte naar adem. De stoom sloeg op haar keel en ze begon ongecontroleerd te hoesten. De hand met daarin het scheermesje kwam onverbiddelijk dichterbij, ging richting haar andere arm en pols die op de tegenoverliggende rand van het bad lagen. Ze volgde de beweging met haar ogen, het ging tergend traag.

Het lemmet schraapte over de huid van haar pols, niet hard genoeg om bloed naar boven te brengen, maar wel hard genoeg om pijn te doen. Opnieuw. Een kras. Opnieuw. Een ondiepe snee, die venijnig stak. Het bloed begon langs haar pols naar beneden te druipen en liep van daar over het witte porselein zo naar beneden de badkuip in. Ze kon het ruiken, een zware metaalachtige geur die haar misselijk maakte.

Het lemmet kwam opnieuw naar beneden. Voor het laatst. En stopte halverwege de beweging.

Een nieuwe warmte vulde de badkamer. En ditmaal kon ze hem wel voelen. De stoom balde zich samen tot een nieuw silhouet, met ondui­delijke omtrekken, alsof het al heel veel moeite kostte om deze vorm vast te houden. Er klonk een oorverdovend gezoem in haar oren, alsof er zich duizenden bijen tegelijkertijd in haar hoofd ophielden. Het klonk woedend, maar ergens ook verbijsterd.

Laura’s mond opende zich en ze krijste in een stem die totaal niet de hare was, maar lager en ruwer en op een of andere manier afschuwelijk smerig smakend. ‘Nee! Jij kunt hier niet zijn!’

Oh Laura …

Ze voelde hem in haar hoofd, een weldadige rust­gevende warmte die haar in één klap kalmeerde.

De vage gestalte in de stoom werd tastbaarder. De omtrekken werden duidelijker, er kwam zelfs wat kleur in de vorm en Peters gezicht kwam naar voren uit de stoom. Hij had overduidelijk geen lichaam van vlees en bloed, maar hij was daar. Reëel. Ze twijfelde er geen seconde aan.

Die zekerheid maakte dat ze iets van de angst en het verdriet kon wegduwen. Haar armen voelden als lood, maar ze hief ze op en strekte ze uit naar haar over­leden man. Hij greep een van haar handen, met een warme, tastbare grip. Samen maakten ze een vuist, en duwden de kwalijke entiteit resoluut uit Laura’s lichaam.

 

***

 

Laura kwam met een enorme klap terug in het heden en in haar lichaam. Het water verschroeide haar en haar pols deed afschuwelijk pijn, maar wat was het goed om haar lichaam weer te voelen. Ze moest zich schrap zetten om niet onmiddellijk onderuit te zakken in het water. Boven haar hoofd woedde een krank­zinnige strijd.

De badkamer kolkte. Flarden stoom en zwarte rook vochten om ruimte in een krankzinnige derwisj die voort en voort tolde. Onhoorbare verwensingen wer­velden om haar heen als windvlagen, dan weer warm, dan weer koud. De spiegel brak in een regen van glassplinters en ze sloeg haar armen wild voor haar gezicht. De flintertjes kwamen met zo’n kracht tegen haar aangesprongen dat sommigen ervan zich in haar huid boorden en daar bleven hangen. Nieuwe stroom­pjes bloed vermengden zich met de oude. Ze moest hier zo snel mogelijk weg.

De mengeling van zwart en wit knalde tegen het badkamerkastje aan en deed dat op zijn poten wanke­len. Laura zag haar kans schoon en klauterde zo snel ze kon uit de badkuip, haar pijnlijke pols negerend. De bloeddruppels vlogen in het rond en ze gleed bijna uit door haar natte sokken op de badkamervloer. Half kruipend, half glijdend bereikte ze de deur aan de andere kant, die naar de studeerkamer. Die duwde ze open en met moeite hees ze zich over de drempel, verder de studeerkamer in. Toen ze het gevoel had dat ze ver genoeg van de badkamer verwijderd was, draaide ze zich om.

Donker-licht-donker-licht – ze hoorde half gesmoorde kreten en het leek of beide entiteiten groeiden in kracht door het furieuze gevecht waarin ze verwikkeld waren.

Peter schreeuwde, en ze hoorde duidelijk angst en pijn in zijn stem.

‘Nee! Mij moet je hebben! Laat hem met rust!’ Een verschrikkelijke woede kwam naar boven, een gevoel dat ze allang niet meer had gehad. Alles was ver­drongen geweest door verdriet en pijn. ‘Hey! Bitch! Hierzo!’ De tekening van de Shinigami lag op Peters bureau en ze pakte het ding op en wapperde er mee. ‘Weet je wat ik van je denk? DIT!’ Ze scheurde de tekening woest doormidden, verkreukte het papier en maakte er snippers van die ze de lucht in smeet.

De zwarte entiteit maakte zich met een grauw los van Peters gedaante en kwam met een afschrik­wekkende snelheid op Laura af. Precies zoals ze het zich al eerder in haar gedachten verbeeld had. Ze gilde, wierp zich op de vloer in een poging om te ontkomen aan de zwarte klauwen die naar haar uitgestrekt werden. Haar rug werd ijskoud en ze wist dat het monster zich vlak boven haar bevond.

Peter mengde zich opnieuw in het gevecht en nu was het de studeer­kamer die het moest ontgelden. De dozen papier in het midden van de kamer, die daar nog stonden om uitgezocht te worden, ontploften in een wirwar van papier. Het leek wel of er een confetti-kanon werd afge­schoten. Lijsten met foto’s van plaatsen waar ze samen waren geweest vlogen van de muren en sloegen in een chaos van glas en hout tegen de vloer. De typemachine begon als een razende te typen, vrat het papier op dat nog op de rol zat, draaide om zijn as en spuugde tenslotte de schrijfrol uit als een rotte kies die was losgeraakt. Het ding knalde met een laatste harde ping! tegen de muur en bleef daar halverwege een gipsplaat hangen.

Boven haar ging de draaikolk onverminderd voort. Laura maakte zich zo klein mogelijk op het tapijt dat voor het bureau lag en sloeg haar armen over haar hoofd. Om haar heen regende het glas en houtsnippers. Het bureau kwam van zijn poten af en schoot achteruit tot het met een knal tegen de verwarming onder het raam tot stilstand kwam. Het meubelstuk zakte met een zucht ineen, alles op het blad met zich mee­nemend.

De lucht leek te knetteren van de energie en toen Laura een blik omhoog wierp, zag ze de vonken daad­werkelijk van de beide entiteiten afspringen. Ze sloot haar ogen, voelde in gedachten naar Peter en vond hem onmiddellijk. Hij was de warmtebron in de kamer waar de Shinigami de vrieskou was. Tot nu toe leken ze gebalanceerd, maar ze voelde de wanhoop. Zijn stem drong tot haar door, kalm in het centrum van de storm.

Ze is zo oud, Lau! En er zit zoveel kracht en venijn en woede in haar. Ik weet niet of ik dit alleen kan …

Hij reikte naar haar, zoals hij eerder had gedaan toen de Shinigami haar overweldigd had in de badkamer. De warmte stroomde in haar lichaam. Ze verwelkomde hem, liet alle liefde die ze voor hem had naar boven komen, in hem stromen, alles wat ze achter die muur van schuld en blaam had weggestopt. Het was een eruptie van gevoel. De schuld­gevoelens werden weg­gevaagd, samen met haar angst en verdriet. Al wat over bleef was liefde. En het maakte hem zoveel sterker.

Met de seconde werd ze zich meer bewust van de staat van haar eigen lichaam. Ze was druipend nat, koud, vermoeid, en de wond op haar pols bleef maar bloeden. Laura voelde zich licht in haar hoofd, maar ze wist dat ze nu niet op kon geven. Als ze Peter nu niet hielp, dan overleefde ze het waarschijnlijk niet. En wat er met Peter zou gebeuren, wilde ze al helemaal niet weten. Dus zette ze zich schrap en hield vol.

De duisternis in de kamer nam wat af. Laura gluurde nogmaals omhoog en zag dat de waanzinnige turbu­lentie wat tot rust kwam – het zwart werd minder diep.

Peters wezen breidde zich uit, strekte zich uit over de duisternis en ging deze tegen. Hij was van stoom overgegaan in witte rook en leek een totale tegenpool van de Shinigami.

Het wezen krijste van woede maar het klonk een stuk minder krachtig en zeker dan daarvoor.

Kom op ouwe tang, je hebt er nu wel genoeg van toch? Ga lekker terug naar waar je vandaan kwam en laat mijn vrouw met rust!

Ondanks zijn woedende woorden ging er zoveel rust van Peter uit. De verdrietige depressieve echtgenoot die treurde om zijn gestorven dochter was verdwenen. In plaats daarvan kwam een sterke, zelf­verze­kerde man terug. Langzamerhand nam Peter de Shinigami compleet over. Hij groeide in omvang terwijl de Japanse geest afnam, totdat er nog maar een klein rookpluimpje over was. Dat spatte uiteen in zwarte stofdeeltjes die flakkerden en doofden.

In de plotselinge stilte richtte Laura zich op en zag dat Peter tegenover haar zat. Hij leek van glas, niet helemaal geënt in deze realiteit. Ze kon de vitrinekast door hem heen zien. Langzaam stak ze een hand naar hem uit, raakte zijn gezicht aan. Hij was wel tastbaar, maar dan ook maar net. Hij voelde warm. ‘Het spijt me zo,’ fluisterde hij.

‘Ik mis je zo,’ fluisterde Laura.

Hij omhelsde haar en opnieuw stroomde die zalig­makende warmte door haar heen. De tranen liepen over haar wangen. ‘We konden er niets aan doen lief, het overkwam ons. Het was niet jouw schuld en ook niet de mijne,’ snikte ze. Ze voelde hem knikken, zijn wang tegen de hare.

‘Ik kan dit niet lang volhouden, het kost enorm veel energie. Ik wil niet weg, Lau, maar ik moet.’

In een reflex kneep ze haar armen nog vaster om hem heen, maar het was alsof hij als zand door haar handen glipte. Zijn gestalte vervaagde, de warmte vervaagde, maar de liefde bleef.

 

Ik houd van je.

Ik ook van jou.

Blijf je bij me?

Altijd.

 

Er stond een gedaante aan het voeteneind van haar bed. Laura glim­lachte en draaide zich weer om.

Offa’s Bruid : Jan J.B. Kuipers

Kwam hier binnen, het wezen op een spin, had zijn tuig in de hand,
zei dat jij zijn hengst zou zijn, deed zijn leidsels om je nek.

Bezwering (Angelsaksisch)

 

‘Dit is nu het gevaar wanneer ondeskundigen zich met theologische kwesties bezighouden,’ zei de monnik Urendel. ‘Spraakverwarring en gewauwel liggen op de loer. De heidenen aanbidden niets dan leugen­achtige afgoden en demonen. Maar wanneer wij christenen een kaarsje branden voor Sint-Muirgen, dan doen wij dit niet om de heilige meermin zelf te aanbidden, maar via haar uitsluitend de Almachtige en Zijn wonder­werken. Muirgen is zonder Zijn genade niets!’ Zijn gemelijke ogen blonken in het zwakke licht van de vetlamp, en de haren van zijn dunne baard leken zelf wel op de grijze wieren die Muirgens zeevolkje tot voedsel diende.

‘U heeft natuurlijk gelijk, hoewel zij vóór haar beke­ring toch drie­honderd jaar aan één stuk in zee heeft rondgezwommen,’ sprak de dwergachtige Eochaid met zijn pientere glimlach. ‘En daarna nog eens drie­honderd jaar in een kuip op het land. En dat allemaal in een staat van ongenade.’ Hij strekte zich over het tafelblad, greep snel de bierkruik en schonk zijn nap vol, vóór de klauwachtige hand van de monnik de kruik kon opeisen.

‘Als gewoonlijk wend jij voor het met mij eens te zijn, maar bespeur ik in je woorden niets dan sarcasme en druipende spot,’ stelde Urendel vast. ‘Met zo’n wendbare tong, als een paling, moet je misschien op­passen. Voor je het weet heeft een op dit gebied minder gezegende gespreksgenoot hem uit je bek gerukt, mismaakte aap.’

Harbrand, de ridder die voor zijn vrome koning Karel de zee was over­gestoken, maar die zelf alleen in de dood geloofde, zat het dichtst bij het vuur en dommelde al bijna in. Wel merkte hij nog dat zijn met­gezellen als vanzelf in maritieme termen, voor­beelden en metaforen waren vervallen. Het volgende stadium van hun reis, het grote meer van Ana dat zich een boogscheut verderop spiegelend en zwijgend overgaf aan het strelende licht van de Maan, had zich kennelijk al in hun gesprekken genesteld. Was dit een goed of een euvel teken?

In het dakstro ritselden nog kraaien; de stemmen van Urendel en Eochaid vervaagden, het hoofd van Harbrand zakte op zijn borst en hij sliep.

 

Vanuit hun licht wiegende hulkje zagen ze de rook opstijgen uit het rieten dak van de herberg en boer­derij, waar ze kort geleden nog zo’n vredige nachtrust hadden genoten. Een nachtrust, wreed onderbroken door een gil van de herbergiersjongen. Gevolgd door een brul van Urendel, wiens legerstede leeg was geweest op dat moment.

‘Het was zelfverdediging! Ik moest pissen buiten en werd door de knaap overvallen!’

Een twijfelachtige bewering, gezien de wijd­ver­breide sodomie en pederastie onder de zwervende dienaren Gods, zeker als die nog konden lezen en schrijven ook. Maar Urendel kon natuurlijk de waar­heid spreken. In elk geval hadden de ouders, broers en zussen en de oom van de jongen zich na de gillen onmiddellijk en met grote woede op de monnik geworpen, zodat de vier wapenkechten van Harbrand, die dommelden op de aarden vloer beneden, hem hadden moeten ont­zetten. Een wilde schermutseling was in het eerste ochtendkrieken losgebarsten in de gelag­ruimte en buiten de schamele muren van leem, mest en vlecht­werk. De krijgers hielden flink huis onder die halfwilde familie, maar die weerde zich verwoed en twee van Harbrands mannen hadden er al het leven bij ingeschoten toen Harbrand zelf en de dwergman van de slaapzolder waren afgedaald. Urendel wurgde op dat moment bij de haardplaats de waardin met het koord van zijn pij; haar benen trapten verwoed, haar handen klauwden vergeefs naar het vertrokken gezicht van de monnik. De herbergier, haar man, lag met zijn kop in de smeulende turf. Zijn rug vertoonde een wond die zijn voddige hemd al met bloed had doorweekt. Aan de rand van de haard flakkerden de vlammetjes weer op, als tot leven gekomen door de verrukking van het onverwachte bloedbad.

Daarbuiten reeg Harbrand de oom aan zijn zwaard. Toen hij het weer uit zijn lijf rukte, viel de man als een blok achterover; de kinderen vluchtten jammerend het riet en de moeren in.

‘Steek dat kot in de fik!’ gilde de monnik, die zijn handwerk had voltooid en nu buiten was gekomen. ‘Dat geeft ze wat te doen, dan komen ze ons niet na.’ Hij had het nog niet gezegd of een pijl boorde zich vanuit het duistere riet in de hals van de derde krijger van Harbrand. Hij greep naar zijn keel en zakte reutelend op zijn knieën.

Harbrand gaf het bevel, zijn laatste wapenknecht rende naar binnen en kwam even later terug met een brandende twijg, die hij op het lage dak gooide. De anderen rezen op vanachter de houtstapel waarachter ze dekking voor de pijlen hadden gezocht, en spurtten naar het wrakke steigertje waaraan de veerboot lag.

 

En nu, zo zagen de vier mannen in de boot, sloegen rode en gele vlam­men uit de herberg; de terug­gekeerde kinderen renden als betoverde poppetjes in het rond.

‘Drie van mijn mannen zijn dood en ons werk moet nog beginnen,’ zei Harbrand. Zijn grijze ogen vestig­den zich vol ongenoegen op de monnik. Urendel keek stekelig terug, wendde toen zijn blik af. Maar hij wist zeker dat hij in de blik van de ridder iets van sombere triomf, van voldoening had bespeurd. Zij die in niets geloven, verwachten immers altijd het slechtste en worden daarin meestal bevestigd. Het was een vorm van rechtvaardigheid, dacht Urendel voor hij zijn ogen sloot en zijn handen vouwde. Even later gleden de plechtige Latijnse klanken over de opalen spiegel van het meer. Een gebed, voordat ze die bijna Hiber­niaanse landen zouden betreden waar hun werk wachtte, kon zeker geen kwaad.

Eochaid gooide een kruikje overboord dat hij uit de herberg had meegenomen. Het Latijn stokte, zes ogen keken naar hem.

‘Voor Sint-Muirgen,’ zei de dwerg bijna verlegen. Zijn glimlach was zo ontwapenend dat de dunne nevelslierten die over het meer zweefden bijna uit elkaar weken.

 

Aan de overzijde van het Meer van Ana verhief zich ergens de Toren van Cynethryth. Het werk dat het gezelschap van Harbrand daar moest verrichten was godgevallig. Maar het had ook economisch nut. Als ze slaagden zou de bretwalda Offa weer schepen uit de Frankische landen in zijn havens toelaten, zouden er weer monniken met rijkversierde handschriften over de Noordzee varen, zouden de verhoudingen weer zijn als vroeger.

Schepen. Met een schip was het allemaal begonnen. Het scheepje waarin Cynethryth naar zee was afge­stoten, als straf voor haar vele mis­daden in de landen van koning Karel, met wie ze nog verwant was ook. Zwijgend en trots had Cynethryth haar lot ondergaan. IJselijk rechtop, als een schrikwekkend idool, had zij in het bokkende en schokkende bootje gezeten, dat door de branding geduwd en gegrepen door de stroom snel naar de einder verdween; met kooldonkere, brandende ogen had ze naar de paltsgraaf en zijn mannen op het strand gekeken, naar de bisschop en zijn monniken en naar de lage duinen die ze nooit weer zou zien. Haar golvende en wapperende haren hadden zwarter dan ooit geschenen, zwarter dan pek was ook haar kleed geweest.

Uiteindelijk was het hulkje van Cynethryth op de kust van Dyfed, Gwent of daar ergens in de buurt gelopen. Zo’n mooie en statige vrouw was een goede buit voor koning Offa in het binnenland. Diens mannen die overal zwierven pakten haar dus op en brachten haar naar de Hal van de bretwalda. ‘Ik ben de nicht van koning Karel,’ had ze meteen bij aankomst gezegd. ‘Raak mij niet aan zonder degelijke trouw­belofte.’

‘Waarom zwalkte je dan helemaal alleen op zee als je zulke goede relaties met Karel hebt, en bovendien ben ik al getrouwd,’ antwoordde Offa, wiens geest een labyrint was vol kuilen en valstrikken en lepe, on­navolg­bare gedachten als nordische knopen die ook nog eens met elkaar zijn verknoopt, maar wiens wijze van uitdrukken vaak bot en ruw was. Evenals zijn bloedbevlekte daden.

Cynethryth keek hem in zijn ogen en haar oogleden knipperden niet. Die van Offa uiteindelijk wel: hij sloeg zijn blik neer en werd verliefd op die veile tovenares, viel voor haar als een blok, verstootte zijn wettige vrouw Drida en huwde de Frankische. Het hof van Offa veranderde door toedoen van Cynethryth al snel in een rovers- en hoerenhol; de geeste­lijken wiekten weg als duiven van dat oord, waar ze kort geleden nog het hoogste woord hadden gehad en onophoudelijk hun missen hadden gelezen. Ze hielden zich vervolgens op in wouden en moerassen en afge­legen hoeven, en spanden samen met Drida’s mensen.

Toen koningin Cynethryth op een dag in een draag­stoel door de velden trok om schattingen bij elkaar te graaien in ruil voor het achterwege blijven van haar vervloekte bezweringen, vielen de broers en ooms van Drida haar kleine stoet aan, die alleen uit vrouwen bestond, alsof er geen rovers en alvenvolk door het land waarden. De draagstoel kantelde, de nieuwe koningin kwam ten val; haar dienaressen stoven gillend uiteen en werden in het hoge gras neerge­slagen, snel verkracht of als ze geluk hadden alleen vermoord. Enkelen wisten te ontsnappen, en een enkeling uit dát fortuinlijke groepje wist zelfs onge­schonden Offa’s Hal weer te bereiken. Cynethryth bleef reddeloos achter, ze lag op het pad tussen de lange halmen en de mannen bogen zich over haar heen, hun lippen likkend; hun trillende, bebloede zwaardpunten priemden al naar haar ranke leest en haar albasten keel. Het duurde maar een oogwenk voor deze vijandin van de oude orde was doorstoken, verminkt en veranderd in een bloedig lijk.

Toen zagen de ooms en broers van de echte koningin dat de vrouw, die zij eerst allemaal hadden herkend als de nieuwe tovenares-koningin, Cynethryth hele­maal niet was. Hoe en wanneer precies hadden ze zich zo laten verblinden, misleiden? Daar, als een be­smeurd vod en bloedend uit vele wonden lag niet langer Cynethryth.

Marcellina lag daar. Offa’s moeder.

 

De nevel was opgetrokken. Het meer was eindeloos naar alle kanten, het water grijs met tere hinten blauw en groen, de hemel boven hun hoofden als melk, waar de zon nu doorheen begon te prikken. Het werd benauwd, ze zweetten. Eochaid en de soldaat peddel­den, Urendel staarde op zijn handen met prevelende lippen, Harbrand wierp zijn blikken keer op keer in alle windrichtingen.

Niets.

‘Muirgen,’ begon Eochaid op zeker moment. ‘Ze zeggen dat Muirgen-’

Sint-Muirgen,’ snauwde Urendel. Hij keek naar de rug van de rustig voortpeddelende Eoachaid en om­knelde even de heilige reliek, die in een kokertje van leer en perkament om zijn hals hing.

‘Sint-Muirgen ja. Ze zeggen dat ze een telg was van de moeder van het meer, moeder Hydra noemen de geleerden haar. En van de onheuglijke vader, de grote visman die ze in het Oosten Dagon noemen. Onze Manannan Mac Lir misschien. De ontzagwekkende koning. Maar wel een vriend van de dromers.

‘Vuile heiden,’ siste Urendel. ‘Zeg je dit allemaal om ons te tergen? Wil je dat we ons gillend van angst overboord gooien, ten prooi aan de demo­nen die je nu probeert te paaien?’

Hij ging onrustig verzitten, zodat het bootje hevig begon te wiebelen.

‘Ja, Eochaid, waarom zeg je dit?’ vroeg Harbrand; zijn hand speelde met het zwart uitgeslagen riempje van zijn zwaardschede.

‘Zomaar, heer,’ zei Eochaid. ‘Gewoon een praatje om de tijd te doden.’ Hij draaide zijn hoofd om zijn onschuldige lach te laten zien, en stopte even met peddelen. Aangezien Harbrands soldaat aan het andere eind van de boot gewoon doorpeddelde, maakte het scheepje onmiddellijk een zwenking naar stuurboord. Urendel greep in paniek beide boorden vast, verhief zich een eindje van zijn doft, zag in dat dit zinloos was en zakte weer neer. Dit alles verhoogde de instabiliteit nog; het bootje schommelde en dreigde even te kapseizen, zodat Harbrand vloekend orde moest scheppen. ‘Blijf zitten!’ schreeuwde hij tegen de monnik, en tegen Eochaid: ‘Doorroeien, hondsvot!’

Langzaam werd de beweging minder, het bootje hervatte zijn west­waartse koers, naar de gemeden landen met de Toren van Cynethryth.

Eochaid begon een liedje te neuriën en vervolgens binnensmonds te zingen, in die godvergeten taal vol gesis en keelklanken van zijn nameloze vaderen.

 

De dood van de eerbiedwaardige Marcellina liet ook de laatste resten van de oude vrede in Offa’s Hal in rook opgaan. Deels letterlijk: een stal stond al in lichtelaaie, een in brand gestoken man liep als een fakkel naar de Hal, zwaaiend met zijn zwaard tot hij neerviel en tot benige sintels werd. Ja, Offa’s achtergebleven familie viel nog verder uiteen door de moord op de koningin-moeder, van wier vertrek kennelijk niemand op de hoogte was geweest. Maar dat laatste had het gekonkel en de intriges alleen maar aangezwengeld. De terugkeer van de eerste overlevende van de overval leidde tot enkele dagen van schreeuwende twist en uiteindelijk tot handgemeen, dat als een felle bosbrand ineens overal rondom de Hal opvlamde. Neef tegen oom, oom tegen broer en zwager. Toen ook de vrede in de Hal zelf werd geschonden door rinkelende zwaarden, splinterende schilden en het gekrijs van neergehouwen mannen, greep de bisschop in. Hygeberht hief hoog zijn kromstaf, schreed met grote passen door de hal. ‘In nomine Patris et Filii et Spiritus Sancti!’ galmde zijn machtige stem; de strijdenden lieten hun zwaarden zakken, weken uiteen. Hygeberht koerste tussen de haag van strijdenden door en stapte over enkele gevallenen in hun plassen bloed. Hij hield stil aan het hoofdeinde van de Hal.

Al die tijd had Cynethryth als verstard op haar ver­hoogde eiken zetel naast die van Offa gezeten, haar onderarmen majesteitelijk op de leunin­gen, maar met haar brandende zwarte ogen gericht op het krijgs­gewoel. Nu stond bisschop Hygeberht vóór haar, keek naar haar op, richtte het uiteinde van zijn staf op haar. ‘Zij!’ schreeuwde hij naar achteren, naar de strijders. ‘Ziet u niet dat zij de rot in de appel is, de bron der twee­spalt, de vernietiger van jonge mannen, de ware vergieter van hun bloed? Met deze Frankische heks kwam de klad in het land! Zij moet weg! Cynethryth, een hoer van Babylon!’ De staf trilde, maar bleef op haar gericht.

Dit waren krasse beweringen, die een diepe beledi­ging van de koningin inhielden en dus strafbaar waren met de dood, bisschop of niet. Maar Offa, die man met het labyrint in zijn hoofd, greep niet in. Hij besefte dat de bisschop gelijk had. Hygeberht had hem gespaard, die wilde immers aartsbisschop worden. Hij had ook makkelijk een deel van de schuld kunnen afwentelen op hém – en dat zou terecht zijn, Offa zelf had immers zijn eerste vrouw Drida verstoten. Offa had geen keus, als hij niet als tiran terzijde geschoven en vermoord wilde worden. ‘Hygeberht spreekt waarheid!’ riep de bretwalda dus. ‘Broeders, neven! Laat de vrede onder ons terugkeren. Laat de betovering die over ons was wijken. Dood aan de bedriegster die ons koninkrijk verscheurt!’ Ook zijn be­bloede zwaard wees nu op Cynethryth. De res­terende twijfel en arg­waan onder de krijgers werden vervolgens verpletterd onder het donde­rende anathema dat Hygeberht over Cynethryth uitsprak, zijn meest uitvoerige vervloeking in de naam van de Drieëenheid, de heiligen, de Kerk, al haar dienaren en de volledige gemeenschap der gelovigen. Onder deze ver­schrikkelijke verwensing en vervloeking stond Cyne­thryth langzaam op, alsof een gewicht als de zoldering zelf op haar schouders rustte. Maar ze wankelde niet. En toen eindelijk de galm van Hygeberhts maledictie was weggestorven deed ook zij haar mond open. Iedereen staarde haar aan, armen neerhangend, zwaarden met de punten naar de grond gericht.

Kraai heeft gekrast,’ zei Cynethryth zacht, maar met een heldere stem die klonk tot in de verste hoeken van de Hal. ‘Wijn is gemorst. Oliekruik val om, nevel kom!’ Ook Hygeberht liet verbluft zijn staf zakken en tastte vaag naar het kruis op zijn borst. ‘Nokbalk splijt, zwarte hond is gekomen,’ zei Cynethryth. ‘Nevel spreidt, slang kruipt in de hof.

Ja, het moest wel zo zijn dat de nevel binnen was gedreven, een nevel zo dicht als die op het Meer van Ana in wintertijd, want waarom zagen ze anders zo weinig? Toen het opnieuw stil was en de strijders begrepen dat ze zich beet hadden laten nemen omdat er helemaal geen nevel hing in de Hal, zagen ze dat ook Cynethryth niet meer voor haar troon stond. In feite was ze in de hele Hal niet meer te bekennen, en ook niet in schuur of stal, of waar dan ook op het koningserf.

Cynethryth was vertrokken.

 

Wel werd Drida een dag of wat later door enkele knechten en monniken teruggebracht uit haar ver­ban­ning. Ze droegen haar binnen. De koningin kon haar plaats in de zetel naast Offa voorlopig niet innemen. Want ze sliep. Ze sliep en bleef slapen, en was met geen mogelijkheid wakker te krijgen. En wat leek ze mager, doorzichtig bijna.

 

De oppervlakte van het meer was vloeibaar zilver geworden, roerloos. De peddels lieten kringen achter in het water, die zich verwijdden en oplosten, geen spoor achterlieten. In de boot heerste al lang een dof zwijgen, je hoorde alleen het zwakke ploempen van de peddels, het moeizaam ademen van de peddelaars. Eindelijk doemde een donkere, rafelige lijn op aan de einder. Tergend langzaam werd die lijn een strook: de oever van het land aan de overzijde. Tussen riet en een enkele in het water hangende struik tekende zich een verwaarloosd steigertje af. De andere kant van het onheuglijke veer over het Meer van Ana. Het zou tijd worden; de middag was oud, de nevel begon zijn deken alweer over het water te werpen.

Eoachaid kreeg nieuwe energie en stuurde recht op de steiger af. Het veer zette bijna niemand meer over, niet meer sinds de verhalen waren rondgegaan over Cynethryth die haar intrek in de oude Toren had genomen, en sinds enkele patrouilles van Offa nooit van de overkant waren teruggekeerd. De dwergman was door de bretwalda aan Harbrand ter beschikking gesteld. De ridder wist dat hij natuurlijk allereerst als spion en agent van Offa fungeerde. En de monnik Urendel? Die was meegekomen uit het Frankenland als drager van de relikwie die een nog machtiger wapen was dan de zwaarden en bijlen van Harbrand en zijn mannen: een strengetje hoofdhaar van Sint-Walburga, die nog maar kort geleden heilig was verklaard, en als patrones tegen hekserij en honds­dolheid vitaler en werkzamer was dan welke verstofte martelaar of sacrosancte kerkleraar ook.

Toen Eochaid het touw rond één van de twee scheve meerpalen had geworpen, maakte niemand voorals­nog aanstalten om op de steiger te springen, ook Eochaid zelf niet.

Dit mishaagde Harbrand. ‘Ben je bang, dwerg? Heb je het land aan deze zijde ooit wel eens verkend?’

Eochaid haalde zijn schouders op en lachte weer onderdanig naar de ridder.

‘De steiger ken ik goed,’ zei hij. ‘Ik heb ook wel eens boodschappen en pakjes overgebracht, een eindje landinwaarts. Maar dat was lang geleden.’

‘Hondsvot!’ riep Urendel vol walging. ‘Wat hebben we dan aan je!’

‘De weg naar de Toren kan ik vermoedelijk nog wel vinden,’ ant­woordde Eochaid. ‘We moeten gewoon het pad vanaf de steiger naar het westen volgen. Maar het is nog wel ver, geloof ik.’

‘Waar vinden we onderdak? We willen eten, drinken,’ snauwde Urendel.

Harbrand stond op, de boot wankelde. Maar de ridder stond wijdbeens. Hij trok de kleine man aan zijn oor omhoog en tilde hem zo’n beetje de steiger op.

‘Ga ons voor, kerel,’ beval hij. ‘We willen de Toren voor de nacht bereiken en ik zal onze snelheid bewaken met regelmatige trappen voor je achterste.’

 

Drida schrok wakker. Ze was niet in de Hal van Offa, of in de Torenkamer met het weefraam en de vensterspleet, zoals die andere vrouw in het zwart die zo op haar leek dat het niet normaal was en zij dus zeker iemand anders moest zijn. Op enkele kabellengtes afstand zag ze de Toren, die stomp en verbrokkeld boven langzaam vlietende nevelbanken uitstak. De tinnen ketting waaraan ze vastzat was er nog, hij liep naar de nevelbanken om de Toren. Drida lag op een vuil, strooien leger en wilde vol afkeer opstaan. Maar het ging niet en waarom had ze het zo benauwd? Ach, er hurkte een dwergachtige man op haar borst die haar met een boos oog maar ook een ontwapenende, zorgzame glimlach aan­staarde. Ach, ik ben wakker geworden in mijn droom en nu ben ik nog verder van huis, dacht Drida.

 

Het werd koud, het regende nu. Ze hadden honger; de ongelukkige gebeurte­­nissen in de herberg aan de andere kant hadden een verantwoorde foeragering onmogelijk gemaakt, de knapzakken waren leeg.

‘Hoelang nog, Eochaid!’ vroeg Harbrand. In weerwil van zijn dreige­ment was hij tot dusver erg spaarzaam geweest met zijn schoppen, aan­ge­zien zijn sombere natuur hem had gehard tegen elk ongemak en elke valse hoop. Zijn gade Madalgarde lag nu vermoedelijk in de sponde van de vrome maar altijd geile koning Karel; onbelemmerde beschik­baar­heid van Madal­garde was vermoedelijk voor zijn vorst de belang­rijkste reden geweest om Harbrand als zijn paladijn overzee te sturen. Maar zelfs hierover kon Harbrand zich niet opwinden. Zijn laatste grote gemoeds­aan­doening was geweest in Roncevalles, toen hij in het gevolg van zijn koning de jonge markgraaf Roland had gezien: aan de Aarde geprikt door een Baskenspeer, zelfs in de dood en ondanks de roos van bloed op zijn borst verblindend mooi, de hoorn Oliphant en zijn zwaard Durandal aan zijn zijden als eveneens gesneuvelde, maar ooit levende en bezielde voor­werpen. Harbrand had met zijn koning gehuild toen, op dat verse slagveld vol lijken en kermende gewon­den die nog afgemaakt moesten worden; maar later was het net alsof de liederen van de hofdichters zich tussen hem en zijn ware herinnering hadden ge­plaatst, en had hij zich afgevraagd of hij daardoor zo mismoedig was gewor­den, of dat juist zijn mismoedig­heid deze gedachte in hem had opge­roepen.

 

Minstens een uur zeulden ze nog over het pad naar de Toren. Het was niet meer dan een drassig spoor, hier en daar versterkt met wat puin, stenen of hout. Het land om hen heen was vrijwel boomloos en onge­cultiveerd, alhoewel er veel tekenen van vroegere bewoning waren: resten van omheiningen, greppels om oude erven, staketsels van ver­laten behuizingen, ingezakte graanschuurtjes op hoge palen, akker­tjes met onkruid overwoekerd. De schemer was gevallen toen het pad een flauwe glooiing op voerde; op de top priemde de kam van een grote rots door het ruige gras. Zodra ze de top hadden bereikt bleven ze even staan en zagen in de verte beneden zich de door een paar kleine opstallen omringde Toren, waar Cynethryth haar toevlucht had gezocht.

‘Ik zei u al hoe we moesten gaan, heer,’ zei Eochaid met merkbare trots. ‘Als we dit pad niet hadden gevolgd, waren we zeker verdwaald.’

‘Ezelskop, er was maar één pad,’ snauwde Urendel. ‘Waarom zouden we het niet hebben gevolgd?’

‘Om te voorkomen dat we voortijdig ontdekt zouden worden door de hoedsters van de Toren?’ vroeg Eochaid listig.

‘Juist door ons openlijk over het pad te voeren, heb je onze voortijdige ontdekking begunstigd en onze tegenstanders in de kaart gespeeld,’ stelde Harbrand op rustige toon. ‘Tot zover komt je gedrag overeen met mijn verwachtingen.’ En nu gaf hij de dwerg eindelijk de eerste van de trappen onder zijn achterste die hij hem in het vooruitzicht had gesteld, zodat Eochaid met zwaaiende armen half naar beneden tuimelde, het laatste deel van het pad af naar de Toren, waaruit overigens geen enkel teken van leven kwam.

‘Waarom heeft u dan niet eerder ingegrepen, heer?’ vroeg Urendel met nauwelijks verholen afkeuring.

‘Ik denk dat het niet volgen van het pad hem eerder in de kaart zou hebben gespeeld dan het wel volgen ervan,’ verklaarde Harbrand. ‘Juist omdat hij ver­wachtte dat ik zijn advies om het pad wel te volgen in de wind zou slaan.’

‘Dat zou betekenen dat hij werkelijk een volmaakte verrader is. Als we het pad niet hadden gevolgd waren we verdwaald, en nu we het wel hebben gevolgd lopen we groot gevaar.’ Urendel blikte voor de zoveelste keer om zich heen en achter zich, maar bespeurde nergens onraad. Daardoor leek hij nog onrustiger te worden.

‘Natuurlijk,’ zei Harbrand. In werkelijkheid kon het hem weinig schelen dat de komst van zijn nietige gezelschap al bekend kon zijn in de Toren van Cynethryth. Niets kon hem eigenlijk iets schelen, en aan zulke schrale grond ontspruit vaak de hoogste dapperheid.

 

Vóór de drie lichten uit de verte aanzweefden bereik­ten ze, hoogstens drie of vier kabellengten van de Toren verwijderd, de grens van een groot gebied waar bemoste fragmenten van stenen beelden lukraak verspreid lagen: torso’s, hoofden met blinde ogen die naar de donkere hemel staarden, stukken arm, een voet met een sandaal eraan, de enorme neus van een verminkte god.

‘Eochaid?’ vroeg Harbrand.

De dwerg draafde al aan. ‘Ach, ja, de versteenden,’ zei hij, duim en vinger in peinzende pose aan de kin. ‘Zij die ooit recht in de ogen keken van de hoedsters van de Toren: gorgonische schepsels uit de grens­landen, van eeuwen her. Misschien rekening mee houden – in het achterhoofd.’ Hij lachte weer zijn aantrekkelijke, kwetsbare lachje.

‘Onzin!’ zei Harbrand. Dit zijn niets dan brokstukken van oude Romeinse beelden, aangesleept uit Glevum of van nog verder weg. Maar waarom al die moeite gedaan?’

‘Vergeef mij, heer. Dat heb ik u zojuist verteld. Ze hebben zichzelf aangevoerd, toen ze nog niet van steen waren.’

Harbrand trakteerde hem op een tweede trap onder zijn achterste.

‘Jij beweert dus dat Augustus of Perseus of welke antieke heiden ook hier naartoe is gekomen, in vlese­lijke gedaante, en vervolgens door een gorgonen­blik in steen is veranderd?’

Eochaid krabbelde op, zijn glimlach iets kramp­achtiger.

‘We zijn nu immers hier, aan de overzijde van het meer, en dus moeten we alles bekijken op de manier van deze kant. Ja plus nee is meer dan nee of ja.’

‘Daar komt volk!’ Een bijna hysterische Urendel wees op drie lichtpuntjes, die aanzweefden uit duistere verten voorbij de Toren.

‘De hoedsters?’ vroeg Harbrand aan de dwerg.

‘Misschien wel, misschien niet. Kijk in ieder geval naar hun neus, en niet recht in hun ogen. Zijn ze niet gorgonisch van aard, dan is er altijd nog het boze oog om rekening mee te houden.’

Ze staarden allemaal naar de dansende, naderbij komende puntjes. Harbrands hand rustte op zijn zwaardknop, Urendel omknelde de relikwie op zijn borst, Harbrands laatste wapenknecht friemelde aan zijn gordel, zodat hij snel zijn bijl kon trekken.

 

Spoedig waren de lichtpuntjes flakkerende vlammen van toortsen geworden, en zag het gezelschap ook wie deze toortsen vasthield: drie vrouwspersonen in have­loze mantels en van ongeveer dezelfde lengte als Eochaid, misschien wat groter, maar zeker net zo lelijk als hij, met vette heupen en vale haren. Hun blikken waren zeker niet gorgonisch, maar wel vol stekelige, priemende aandacht.

‘Zo, Eochaid,’ zei de middelste feeks, ‘kom je je zussen weer eens opzoeken? En wie zijn je gasten?’

‘Dag Aochai, dag Oachai, dag Iochai,’ antwoordde de dwergman met drie voorkomende knikjes. ‘Dit zijn mannen uit het land van de Franken, en ze komen voor Cynethryth.’

‘Waarom?’ vroeg Aochai. De anderen zeiden niks, maar bewogen wel nerveus hun mond, zodat het net leek alsof ze allemaal ‘waarom’ vroegen.

‘Daarom,’ zei Eochaid. ‘Ze hebben zaken met Cynethryth.’

‘Maar heeft zij ook zaken met hen?’ zei Aochai.

‘Als zij zaken met haar hebben, heeft zij in zekere zin ook zaken met hen,’ zei de tweede zuster nu. ‘Het gaat er alleen om: wat voor zaken.’

‘Dat bedoel ik juist,’ zei Aochai.

‘En in elk geval zijn het ook onze zaken, als onder­horigen van de Toren,’ zei nummer drie, de door Eaochaid laatst begroete zuster die vermoedelijk Iochai heette. ‘Dus opbiechten, maatje!’

Dit snel heen en weer kaatsende gesprekje vond grotendeels plaats in de archaïsche taal van vóór de komst der Saksen. Harbrand verstond er dus geen woord van en greep in.

‘Eochaid, wat zeggen ze? Zijn dat soms familieleden van je?’

‘Nee heer, zeker niet, wat een opmerkelijke ver­onder­stelling. Maar ze willen graag de reden van ons bezoek kennen, zodat ze vrouwe Cynethryth in kennis kunnen stellen. Geen absurd verlangen, dunkt mij. Deze vrouwen en hun voorgeslacht zijn al sinds men­sen­heugenis en langer aan de Toren verbonden.’

‘Dat kun je wel zeggen,’ viel Aochai hem bij, nu in een verstaanbare variant van de lingua franca die rond heel de Noordzee werd verstaan. ‘Wij dienen de Toren al sinds de dagen van Gwendolen. Wijzelf of in elk geval ons voorgeslacht, dat is straks onderhevig aan discussie tussen generaties boekgeleerden. Wij kunnen daar niet op wachten. Dus vragen wij nog eens naar het doel van uw komst. En dat kleine ventje is welzeker een broer van ons.’ Ze wees met haar toorts op Eochaid en Oachai, de middelste zuster, vuurde een symbolisch, minachtend spuugje op de leugenachtige dwerg af. ‘Hij wil ons vast niet meer kennen. Hij zwerft liever overal doelloos rond, die draaikont.’

‘Dat is niet waar! Ik ben een bode van koning Offa, ik heb wat van mijzelf gemaakt,’ zei Eoachaid merkbaar gepikeerd, maar wel met zijn onderdanige glimlachje, dat op zijn snuit bevroren leek.

‘Het doel van ons bezoek is Cynethryth bezoeken,’ riep Urendel nu uiterst ongeduldig. ‘En verder gaat het jullie niets aan. Scheer je weg!’ Hij hield de relikwie van Sint-Walburga zo hoog en zo ver mogelijk voor zijn borst, tot het touw waarmee deze om zijn hals hing zo strak stond dat het dreigde te breken.

‘Ah, eilaas!’ kermde Eoachaid, die wat verder van zijn metgezellen ging staan. ‘Nu heb je ze beledigd, dwaze monnik.’

Inderdaad: de drie gezusters begonnen onaange­naam te sissen en met hun toortsen kringen boven hun hoofd te maken, zodat zwarte rookslierten zich in de avondschemer aftekenden als rafelige slangen. Urendels heilige relikwie maakte geen enkele indruk op hen.

‘De reden van het bezoek! Nu! Of rechtsomkeer!’ beval Aochai.

‘Ik heb er genoeg van,’ zei ridder Harbrand kalm. Hij trok zijn zwaard en stapte van het pad; de krijgsman volgde zijn voorbeeld, bijl in de hand. Urendel klampte zich nog steeds aan zijn relikwie vast en bleef op het pad staan alsof hij eraan was vastgenageld. En Eochaid? Terwijl de zusters allemaal tegelijk iets gilden in hun oude koeterwaals, een haast snauwend, atavistisch bevel, zette de dwerg het op een lopen over het pad naar de Toren.

Harbrand hief juist zijn zwaard om het hoofd van de ongezeglijke Aochaid te klieven, toen een woest geraas en gedender hem opzij liet kijken. Uit alle hoeken van het met stenen fragmenten bezaaide land verhieven zich grote brokstukken. Ze schoten door de lucht naar één plek ergens bezijden het pad, tussen het gezelschap en de Toren: hier een onderarm, daar een stuk tors, een vinger of gebeeldhouwde mantelplooi. Met grote klappen dreunden de fragmenten op elkaar, als getrokken door een onzichtbare, maar onweer­staanbare steenmagneet. En zo vormde zich razend­snel een bijna twee keer manshoge, mismaakte gedaante, samengesteld uit de resten van die niet te tellen beelden uit een magische, vaag bekende oudheid. Een soort reus was het, een travestie en schampere nabootsing van het ras van Gogmagog dat ooit deze landen onder zijn stappen had laten schudden. Hij vormde, hoewel uit antropomorfe frag­menten samen­gesteld, een nauwelijks menselijke gestalte; niets dan een lukrake opeenstapeling van voeten, haar­lokken, neuzen, knieën, handen, schoei­sels, geslachts­delen en wenkbrauwen in ern­stige frons, met de grootste moeite door de natuur­krachten samen­gebald tot een gestalte met twee been­achtige zuilen, een bultige tors, twee armachtige uitstul­pingen en iets wat een hoofd zou kunnen zijn. Aan deze groteske figuur ontsteeg, zodra hij min of meer was voltooid, een diepe, petroïde kerm als uit een spelonk, alsof het kunstwezen zijn eigen ontstaan met het uiterste leedwezen begroette en vervloekte.

En in zijn rechterhand of wat daarvoor moest door­gaan, kreeg de steengigant nu als laatste object een bijna gaaf hoofd geslingerd van – inderdaad – een Gor­gonen­beeld, met opengesperde ogen en wild uiteen­spattende slangen als haren. Met een nieuwe kreet van opperste desolaatheid strekte het monster zijn arm zo ver mogelijk naar achteren en wierp het Medusahoofd met grote kracht in de richting van Harbrands met­gezellen. Werkte de relikwie van Sint-Walburga? Urendel bleef ongedeerd, hij wankelde alleen van schrik, maar Harbrands laatste krijger werd vol op zijn hoofd getroffen. Toen hij de grond raakte met zijn verpletterde kop was hij al dood. Nu kliefde Harbrands zwaard woedend de lucht, maar de watervlugge Aochaid stond er allang niet meer. Met haar zusters rende ze naar het verse lijk; ze duwden de perplexe Urendel aan de kant en pakten de soldaat met één hand bij een voet of pols. Kwiek sleepten ze de dode krijger weg, de velden in. Harbrand volgde hen niet, bevreesd als hij toch was geraakt door de kracht van hun spreuk. Hij staarde naar de reus, die vuilwit en grijzig afstak tegen de nu bijna duistere lucht, wankelend alsof die ene worp de zin en het doel van zijn bestaan was geweest.

En dat was ook zo. De gigant begon te brokkelen; beeldfragmenten maakten zich van hem los, kletter­den op elkaar en buitelden naar de grond. Zwijgend zakte de gestalte door een been, viel om en was een paar tellen later verworden tot een slordige hoop puin, wachtend op de steenkloppers.

Aochai, Oachai en Iochai waren al een eind weg met hun buit; hun toortsvlammen werden weer licht­puntjes, hun opgewonden gekwetter verstierf. En Eochaid leek opgeslokt door de duistere, stompe Toren die in de verte zwak afstak tegen een sterloze hemel.

Het begon harder te regenen. Zonder een woord te zeggen zetten Harbrand en Urendel zich in beweging naar de Toren van Cynethryth.

 

Argwanend betraden ze de hof van de Toren, waar ooit een palissade omheen had gestaan, waarvan nog enkele restanten over waren. De met zware ijzeren klampen verstevigde deur van de Toren zwaaide open, zodra Harbrand en de monnik ervoor stonden.

Eoachaid stak zijn hoofd naar buiten. ‘Welkom en treed binnen!’ sprak hij hartelijk. ‘Er is geen direct gevaar.’

Alle houders aan de vochtige muur waren leeg, op één na waarin een walmende toorts brandde. Hier en daar lagen wat balen en ook stond er een ruwe kist tegen de wand. Voor het overige was de hal van Cynethryths Toren leeg. Een steile houten trap voerde naar de volgende verdieping. Maar aan de overzijde van de deur verrees een meer dan manshoog beeld, gemaakt van aardewerktegels: een taps toelopende koker bekroond door een vrouwenhoofd met een diadeem waarop gebarsten schijven en vogels van klei waren bevestigd. In buik en borst leek een deurtje te zitten, alsof dit beeld een oven was, klaar om gevoed te worden met onheilige offers.

Urendel sloeg een kruis en tastte weer naar zijn reliek.

‘Ziedaar – Gwendolen,’ zei Eochaid, terwijl hij weids op het heidense beeld wees. ‘De stichteres van de Toren, natuurlijk lang nadat zij haar echtgenoot Locrinus had verslagen en troonsafstand had gedaan. Dat spreekt vanzelf. Een verhaal, niet helemaal ongelijk aan de lotgevallen van vrouwe Cynethryth, vindt u niet? Beide gestalten vertonen overlap, ontdek ik plots. Hoe kan het dat gebeurtenissen zich vaak voltrekken in een herkenbaar stramien, en personen samen lijken te vallen met andere personen? Is dat een patroon in de kosmos of in de manier waarop wij deze waarnemen?’

Urendel keek woest naar de kletskous en sloeg de handen demonstratief voor zijn oren.

‘Je werkt voor Offa, bent verwant aan de drie feeksen die hier omzwerven, en nu ook portier van de Toren van Cynethryth? Voor wie werk jij niet, veile kinkel?’ informeerde Harbrand.

Eochaid glimlachte en liet zijn arm zakken.

‘Waar is Cynethryth! Spreek nu!’ riep de ridder zeer ongeduldig.

‘Ik heb u dat toch al gezegd, heer! Denken moet u, denken op de manier van deze kant van het meer, u bent immers niet thuis!’

Harbrand stond even als bevroren op de aarden vloer, gevangen in tweestrijd tussen het afrekenen met de raaskallende dwergman, of diens advies opvolgen en proberen te denken op een manier die hier passend was. Toen kwam hij met een schok tot zichzelf, beende naar het beeld en rukte het deurtje open.

Beide gestalten vertonen overlap,’ citeerde hij de dwerg.

In het duister van Gwendolens binnenste tekende zich een gestalte af. De donkere, slanke en rijzige gestalte van een vrouw. Ze zat roerloos op een brokkelige zetel van gebakken aarde, de handen in de schoot, maar opende ineens haar ogen. Donkere, haast zwarte ogen die de bezoekers kalm, zonder schrik of bespeurbare emotie opnamen.

‘Nu ben ik wakker,’ zei vrouwe Cynethryth op effen, heldere toon. ‘Vermeld uw affaire.’

‘Wij komen voor uw hoofd,’ zei Harbrand eenvoudig.

 

Drida stond naast haar echtgenoot; om hen heen was niets dan blauwachtige heiigheid en de geur van gele lente­bloempjes. Al wat je zag was hoe Offa’s dijk onder hun voeten van de ene einder naar de andere sneed. ‘Deze dijk houdt ze allemaal tegen. Nu zullen ze ons niet meer aan­vallen in ons land noch in ons huis, op ons erf noch in onze Hal, in ons hoofd noch in ons hart. Ik heb dat allemaal voor jou gedaan, opdat geen heks ooit nog in je plaats zal treden.’ Dat zei Offa als de trotse en daadkrachtige koning die hij was. ‘Maar je moet mij eerst nog bevrijden, mijn heer,’ antwoordde Drida en ze hoorde zelf hoe zilverachtig haar stem was, zo in tegenstelling met de tinnen ketting die ook van de ene einder via de band om haar hals helemaal naar de andere einder liep. Offa luisterde niet, hij strekte zijn linkerhand naar haar uit, de hand waarin een kloppende rode vleesklomp lag. ‘Het hart van Cynethryth is uitgekerfd en uitgerukt,’ zei Offa, zijn hand druipend van bloed. Drida schrok – ‘Maar ze heeft toch helemaal geen hart?’ hoorde ze zichzelf zeggen. Offa keek misnoegd naar haar, en gooide het hart ver buiten de dijk. Hoewel Drida duizelig op Offa’s dijk stond, met haar ontstemde echtgenoot die een eindeloos labyrint in zijn hoofd had, zodat hij iedereen op elk moment kon verrassen en te slim af kon zijn, was het toch alsof ze ergens anders lag, in haar eigen bed in de Hal vermoedelijk; dat moest wel, want de dwerg of imp die eerst op haar had gezeten was weg met zijn boze oog en zijn lieve glimlach, en nu was het haar naar zweet en paardenzeik stinkende echt­genoot die op haar lag en op en neer bewoog en haar ver­schrikkelijk benauwd maakte, terwijl ze toch niet wakker kon worden.

 

Urendel zat op zijn achterste tegen de muur, zijn ellebogen op zijn knieën, zijn gezicht (dat zoals gebruikelijk op onweer stond) in zijn handen. Hij was alleen.

De deur zwaaide open, onmiddellijk dreef een scheut toortslicht binnen en hoorde je in de verte de vrolijk kwetterende stemmen van, onmiskenbaar, de drie gezusters. Vóór Urendel dit tot zich door liet dringen stond Eochaid voor hem, met een brede grijns. De dwerg gooide een flink stuk vlees in de schoot van de monnik.

‘Alsjeblieft, een lekker stukje beenham,’ zei het mannetje overbodig. Voor hij zijn zin had afgemaakt had Urendel zijn buit al van zijn pij gevist en zijn schaarse tanden erin gezet.

De dwerg ging in de buurt van zijn reisgezel op een baal zitten. ‘Waar is de paladijn?’ vroeg hij zonder veel belangstelling.

Urendel kon nauwelijks de moeite opbrengen om naar de houten zoldering boven hun hoofd te wijzen. ‘Met de heks Cynethryth mee,’ zei hij met volle mond. ‘Je zou toch zeggen dat hij haar hoofd ook hier kan afslaan. Maar nee. Ze zijn al net zo lang weg als jij. Misschien wil hij haar eerst nog bezitten?’

Eochaid liet zijn eigen boutje zakken en schudde zijn hoofd. ‘Vermoe­delijk niet, zijn vuren zijn gedoofd. Daarom is hij de juiste man voor deze queeste. Ieder ander was zo in de netten van Cynethryth gelopen. Hij niet. Niet de uitgebluste ridder Harbrand met zijn harde voet.’

Urendel schrokte het grootste deel van zijn maal op, hield het restant toen aan het bot voor zijn gezicht en keek er argwanend naar.

‘Wat is dit eigenlijk voor vlees? Ik heb sinds onze aankomst geen dier gezien, zelfs geen vogel.’

‘Is het niet lekker? Is het niet rijkelijk bestrooid met zeezout en danig met look bestookt?’

‘Zeg, wat hebben die drie feeksen met onze soldaat gedaan!’ zei Urendel fel.

Eochaid keek hem leeg aan, hij glimlachte zelfs niet. ‘Wat?’

Urendel gooide het bot met het laatste restje vlees krachtig van zich af.

‘Laat maar,’ zei hij met een grafstem. De monnik kromp, hoewel hij zijn buik nu lekker vol had, als het ware een beetje in elkaar en wrong mismoedig zijn handen. Eochaid at zijn eigen portie zwijgend verder op; het gesmak van de dwerg was het enige geluid, behalve wat zwak gedruis van stemmen op de verdieping boven hen.

Maar plotseling hoorden ze daarboven een ijselijke jammerkreet, en zeer kort daarna een bonkend geluid op de planken vloer.

 

Cynethryth stond met neervallend zwart gewaad middenin het vertrek. Behalve een houten bedstede en een met stof overdekt weefgetouw waarop de aan­zetten van een kleed, stonden er alleen een kist met een blaker erop en een pispot in de ruimte, die de hele breedte van de Toren besloeg. Door een vensterspleet kwam de koude nachtwind binnen; een tweede, smallere trap voerde naar een zwart gat in de vloer boven hen.

‘Uw hoofd,’ herhaalde Harbrand dof. ‘Opdat Offa’s ware vrouw gewroken zij en de handel met de Frankische landen weer zal bloeien. Maar vertel dan eerst uw verhaal, zoals u zo graag wenst.’

Er volgde een uitvoerig relaas, vlak en bijna toonloos verteld. Cynethryth was geworden wie zij was omdat alles haar was afgenomen: ‘Mijn zuster nam mijn man, De koning nam mijn eer, de Dood nam mijn kind. Geloof me, miles Harbrand: als wij beiden nog zielen hadden, zouden deze elkander onmiddellijk hebben herkend en hun verwantschap hebben beseft.’

‘Maar u kent mij dus al. Hoe?’

‘Uw roem was ooit groot in het Frankenland. Maar terwijl u uitdoofde onder de slagen van het lot, besloot ik voortaan te nemen, toe te slaan, in plaats van genomen en geslagen te worden. Ik, een vrouw. Terwijl u treurde onder de rokken van een of andere abt, zette ik graaf Hardrad aan tot zijn revolte, stookte ik Pepijn met de Bult op tot het verraad aan zijn vader.’

‘Bloed vraagt om bloed,’ zei Harbrand. ‘Of u nu zelf schuldig bent aan uw wandaden, het lot, de duivel of God.’

‘Ik heb nooit iemand gedood.’

‘Door uw toedoen zijn honderden, misschien duizen­den gevallen.’

‘Dat geldt ook voor koning Offa, en voor uw koning Karel in het kwadraat.’

Harbrand zweeg. Hij wist niet meer wat te zeggen.

‘Spaar mijn hoofd. Ik heb mijn tuig in de hand.’ Cynethryth trad opzij en leek nu op haar zachte zwarte muilen een cirkel om hem te beschrijven. ‘Ze zeiden dat jij mijn hengst zou zijn.’ Harbrand draaide traag mee, als verdoofd. ‘Ik leg mijn leidsels om je hals,’ zei Cynethryth met haar vlakke stem, liefkozend bijna, terwijl de cirkel ineens nauwer werd, zodat ze zo dicht bij hem stond dat hij haar muffe, onwereldse geur kon ruiken en haar slanke, albasten hand naar zijn kruis voelde tasten.

Er ging een schok door Harbrand, toen de hand afweek en zacht en snel als een spin naar zijn gordel gleed, naar het gevest van het kort­zwaard, zijn sax.

Harbrand kwam in actie, hoefde geen gedachten aan de nu volgende handelingen te verspillen. Hij stiet haar pols weg en bevrijdde met één beweging zijn lang­zwaard, zijn spatha, uit de schabbaard aan de andere kant van zijn gordel. Het zwaard zwiepte naar opzij.

‘Spaar mijn hoofd!’ kreet Cynethryth nu met ijselijk hoge stem, terwijl ze op haar knieën viel. ‘Zie wat je gedaan hebt, Harbrand, ik voel mijn pijn en ben weer iets menselijker geworden!’

‘Maar ik iets minder,’ zei de ridder met zijn graf­stem. En met één machtige zwaai sloeg hij haar hoofd van haar romp.

 

Er tikte iets. Urendel en Eoachaid keken naar de dikke donkere druppels die op de aarden vloer vielen, en toen naar boven, waar het bloed door de kieren van het houten plafond begon te druipen. Een kleine, trage en zachte regen van bloed.

Slang in de hof, wezen op een spin, de kruik is gebarsten,’ fluisterde Eoachaid eerbiedig. ‘Het is geschied.’ Hij stond langzaam op.

Even later klonken zware, bedaarde stappen op de trap. Ridder Harbrand daalde af en zette iets op de vloer tussen de dwergman en de monnik, die zich met zijn rug tegen de muur drong, prevelend en zijn relikwie bepotelend.

‘Breng dit naar koning Offa,’ zei de ridder. Hij maakte een nog grauwere indruk dan anders. ‘Ik blijf hier.’ Zijn ogen gingen rond. Toen liep hij op het grote aarden beeld af, stapte door het deurtje en trok het achter zich dicht.

‘Is hij gek geworden?’ siste Urendel.

‘In de schoot van Gwendolen geklommen,’ grinnikte Eoachaid . ‘Wat moet hij anders? Misschien komt hij er ooit herboren uit.’

Toen begon de race naar het pakket. Urendel was eerst. Hij stootte de dwerg opzij en opende het half afgewerkte kleed met de fletse, bestofte bloemen waarin het zaakje was verpakt.

‘Het hoofd van Cynethryth is mijn!’ zei de monnik triomferend. ‘Breng mij terug naar de boot, dwerg.’

De deur van de Toren zwaaide open. Daar had je de gezusters weer.

‘Welke gil gilde?’ riep Aochai.

‘Is ze dood, de gilster?’ schreeuwde Oachai.

‘Dan is er zeker een nieuwe bewoner om te hoeden, te dienen, om voor te kokkerellen, te dansen, te zingen?’ Dat was Iochai, de derde zuster, die verwachtingsvol in haar handen klapte.

‘Het is Harbrand, de nieuwe heer van de Toren,’ zei Eochaid. Hij knikte naar het beeld van Gwendolen. ‘Dien hem voorbeeldig!’

‘Gelukkig, we streelden hem al daarbuiten, we betast­ten hem al vol verwachting met onze blikken.’ Aochai weer. ‘Zelfs toen hij mij zo stoer wilde klieven. Misschien moeten we zijn zwaardjes voor hem in bewaring nemen. Alle drie zijn zwaardjes misschien wel.’

De andere zusters giechelden hoog, het klonk naar scherven en klingen op slijpstenen.

‘En jij, broertje? Blijf je eindelijk eens bij ons? Mogen we jou ook vertroetelen en verwennen?’

‘Ik heb nog werk te doen.’ De dwerg wees gehaast op Urendel.

‘Je laat ons dus weer in de steek? Je gaat weer overal zwerven, je licht op- en je neus insteken?’ Dit was Iochai.

‘Allemansvriend is niemandsvriend!’ Een kijvende Oachai.

‘Het lichaam van Cynethryth is boven tot uw beschikking,’ onderbrak de monnik dit geraas, waarvan hij vrijwel niets had verstaan. ‘Wij nemen slechts het hoofd mee.’

‘Ach, daar hebben wij toch niet veel meer aan, aan dat hoofd. Dat zou ons alleen verwijtend aanstaren omdat wij onze plicht als hoedsters hebben verzaakt,’ zei Aochai.

Oachai viel in: ‘Maar ja, wij hadden ineens ander werk, wij hadden een lichaam te bergen!’

Ioachai: ‘Of dacht je soms dat de gebraden hanen ons hier zo in de mond vliegen?’

‘Kom, zusters! Wij hebben een lichaam te bergen!’ Aochai.

‘Een lichaam te bergen nu!’ ‘Een lichaam!’ De anderen.

De nijvere zusters verdrongen elkaar aan de voet van de trap, stommelden al naar boven.

Eochaid verloor geen tel meer; hij stond al buiten, in de nacht. Urendel volgde hem, na een laatste blik op het beeld van Gwendolen, de trap, het bloed van Cynethryth.

 

Midden op het meer werd de ochtend stralend geboren: een paarle­moeren glans op het vaag ribbe­lende water, een hemel van melk en teer violet, de kalkachtige contouren van de Maan die langzaam werden uitgewist door het zonlicht.

Voor het eerst sinds de gebeurtenissen in de herberg verkeerde Urendel in opperbeste stemming. Nu hij als Cynethryths overwinnaar haar hoofd aan de voeten van koning Offa zou leggen, lag toch minstens een diaco­naat of gelijksoortig beneficium in het verschiet. Ineens weer misnoegd keek hij over het netjes verpakte hoofd op de bodem van het bootje naar de rug van de trouw voortpeddelende dwerg, die weer één van zijn binnensmondse liedjes zong. Dat manne­tje was erbij geweest, kende de ware toedracht. Altijd vrolijk en meegaand, intussen alles beglurend, nooit de frons van het zondebesef op zijn afzichtelijke voorhoofd. Dat mannetje was als een alf. Een wezen zonder ziel, eeuwig buitengesloten van de genade.

Urendel raapte de andere peddel van de bodem. Eochaid staakte zijn gezang en keek plots achterom met een olijke, zelfs bemoedigende uitdrukking op zijn gezicht, alsof de gebeurtenissen zich in de juiste orde en geheel volgens plan afspeelden. Urendel hief de peddel en liet hem met alle macht neerkomen op het hoofd van de dwerg. ‘Voor Sint-Muirgen!’ riep hij met boosaardige triomf. De dwerg zakte schuin in elkaar, zijn hoofd draaide weg, bloed drong door zijn vezelige haar, zijn arm hing in het water. Urendel kroop zo snel hij kon over het hoofd van Cynethryth naar voren, greep Eochaid bij nek en gordel, en werkte hem kreunend van inspanning overboord.

Het smalle bootje rolde vervaarlijk; Urendel hield de boorden vast dat zijn knokkels spierwit zagen, zijn ogen krachtig gesloten. Toen hij ze weer open durfde te doen was het scheepje bijna tot rust gekomen, de waterspiegel kalm als voorheen en van de dwerg geen spoor meer te bekennen.

Urendel greep de bloedbevlekte peddel en stak hem diep in het water. Met de grootste haast voer hij weg van deze plek, alsof Eochaid hem vanonder het opper­vlak nog altijd gadesloeg, allesziend, glim­lachend, huiveringwekkend toegeeflijk.

 

Met trage koprollen schoof de dwerg aan haar voorbij, zijn handen op zijn knieën en zijn ogen nu vrolijk en blinkend van welbehagen; hij leek haar lachend toe te knikken en zonk in een brede baan van luchtbellen traag buitelend verder de diepte in, gevolgd door haar eindeloze tinnen ketting, losgeraakt, kronkelend als een slang, naar waar in haar ooghoek een schaduw van een voorwereldse, grote tentakel kwijnend leek te wenken, vaag en donker, als uit een overlevering van eeuwen op eeuwen. Tezelfdertijd leek een aan de dwerg tegengestelde kracht of stroming Drida omhoog te duwen, naar de oppervlakte waar als God het wilde eindelijk het ontwaken wachtte.

 

Volhardend had Urendel westwaarts gepeddeld, uren­lang, en hij had zich voorgenomen zo ver mogelijk van de steiger bij de verwoeste her­berg te landen. Ver in de middag koerste hij eindelijk langs uitge­strekte mod­der­vlakten en rietlanden, waartussen smalle geul­tjes naar de oever leken te voeren. Urendel probeerde er een paar; de muggen staken hem bijna blind en hij verdwaalde keer op keer. Steeds wan­hopiger wrikte hij zijn bootje uit zuigende en stinkende modder, zocht zijn weg uit het zoveelste verraderlijke geultje terug naar de open vlakte van het meer.

Tenslotte voer hij langs harteloos wuivende riet­pluimen, met modde­rige vingers zijn relikwie be­roerend en biddend dat hij tóch het steiger­tje mocht bereiken, de enige plek die hij hier kende. De kinderen van de herberg zouden toch wel wegge­trokken zijn? Wat was hier nog voor hen?

Maar helaas: toen Urendel eindelijk, eindelijk de steiger zag, terwijl ver achter de Toren van Harbrand de zon in de Hiberniaanse zee verzonk, zag hij er ook kleine gestalten afgetekend. Er stonden kinderen op en bij die steiger. Tamelijk veel vuile kinderen: de wezen van de herberg. Ze hadden knuppels en bogen in hun hand. Vooraan op de steiger stond de jongen die twee nachten geleden zo overdreven had gerea­geerd op zijn avances. De kinderen keken maar en zeiden niets. Hoelang hadden ze hem al aan zien komen, zien stuntelen en zwoegen in het riet?

Urendel keek naar hen en zij keken naar hem. Met een zwarte steen van wanhoop waar een hart had moeten zitten, keerde de monnik moeizaam zijn schuitje, om het meer weer op te gaan. Nog geen kwart van de draai was voltooid toen de vuurgeharde punt van een pijl hem in zijn hals trof. Urendel ging staan, zwaaide afwerend zijn peddel, zijn andere hand desperaat aan de schacht van de pijl. Meer pijlen raak­ten hem; enkele bleven hangen in zijn pij, andere drongen in zijn vlees. De boot schommelde mee met zijn wankelen en toen een zoveelste pijl hem in zijn oog trof, sloeg Urendel overboord en dreef onmidde­llijk af. Vanaf de steiger klonk gejuich. Als iemand zijn naar de diepte gerichte gezicht nog had kunnen zien, had hij daarop een uitdrukking van in de dood be­vroren, uiterste verbijstering waargenomen. Ach, Urendel wist immers niet wat er met zijn talis­man was gebeurd, kort na aankomst uit het Franken­land. De schandknapen in het badhuis van Hamwih hadden, toen de monnik uitgeput van zijn genietingen lag te snurken, Walburga’s kostbare haren uit hun kokertje bevrijd en vervangen door een plukje van Urendels eigen schaamhaar.

 

De jongen sprong van de steiger en redde de buit die de monnik van de overkant had meegebracht. Hij waadde terug en zwaaide het pakket opgetogen boven zijn hoofd. Op de steiger vouwden de kinderen het gretig open, om de schat te zien die hen misschien eindelijk wat geluk zou brengen. En ver weg, in de Hal van Offa, sloeg koningin Drida plots haar ogen open en haar bovenlijf rees steil omhoog uit het bed dat zolang haar gevangenis was geweest.

Offa, die zijn vrouw zoveel verdriet had gedaan, en aartsbisschop Hygeberht deinsden onwillekeurig terug. Wat keek Drida donker, zo anders dan vroeger! Waar was haar naïeve oogopslag, waar haar onbe­vangen levensvreugd?

De koningin zat stijf rechtop en nam haar omgeving op met zwarte ogen.

‘Nu ben ik wakker,’ zei Drida of wie zij ook geworden was. Zacht zei ze het, maar met een heldere stem die klonk tot in de verste hoeken van de Hal.

Een schuur vol vermogen : Anaid Haen

’s Avonds, na het diner, duikt Fiona altijd de schuur in. Zo noemt ze het, ook al is het eerder begraven dan duiken in onze houten romneyloods. Ik moet altijd om haar lachen als ze het gaat doen, want ze brengt het zo schattig.

‘Ik duik de schuur in,’ zegt ze dan, steevast met een blos op haar wangen.

‘Doe maar, schat. Ik zorg er wel voor dat er wordt afgeruimd,’ zeg ik dan met een wenk naar ons krakend Botje. Zijn ene camera functioneert niet meer waardoor zijn dieptezicht ronduit slecht is en zijn onderste paar armen is de grijpfunctie kwijt, maar verder is hij nog een prima huishoudrobot waar Fioon en ik erg aan gehecht zijn.

En daar gaat ze dan: sneeuwlaarzen in de winter, teenslippers in de zomer, over het gras naar haar geliefde schuur die eigenlijk beter ‘hangar’ genoemd kan worden zo groot hij is.

Als ik haar nakijk, bekruipt me steeds hetzelfde gevoel: vertedering, gemengd met bewondering. Want ze doet het toch maar, ondanks de verdrietige tijd die we hebben meegemaakt: vier generaties robots pico­bello houden. Meer dan honderd jaar techniek, ver­zameld door haarzelf, haar vader en grootvader. Robots voor allerlei toepassingen die niet meer nodig zijn, maar met liefde door mijn Fioontje worden onder­houden.

Ik houd van haar. Mijn lieve, koppige meisje.

Toegegeven; door onze scheiding van Gerald had ik het een poosje lastig met dat ‘houden van’. Fiona ook. We hebben een nieuw ritme moeten vinden, twee waar er al zestien jaar drie waren geweest. Dingen die hij altijd deed overnemen, dat brede bed weg doen, ons verdriet verwerken. Onze mislukking ook, want waarom bleven andere stellen levenslang bij elkaar en wij niet? Vooral zijn verwijt dat wij liever andere dingen deden dan gezellig naast hem op de bank zitten, hakte erin. Zo zeer zelfs, dat Fiona twee weken lang haar schuur niet bezocht en hele dagen aan mij klitte, omdat ze dacht dat dát de manier was om mij niet te verliezen.

Maar we hebben er een weg in gevonden, zij en ik. Zo goed zelfs dat ik stiekem al geconcludeerd heb dat we voorlopig geen relationele uitbreiding gaan zoeken. Beter met zijn twee gelukkig dan met zijn drie on.

 

‘Ik duik de schuur in.’ Ze schuift haar bord van zich af.

‘Geen trek?’ Ongerust prik ik met mijn vork de stukjes surkip tussen haar eten uit. Het spul is duur.

‘Nee, ja… ik krijg geen hap door mijn keel.’ Ze staat op en loopt om de tafel om me een knuffel te geven. Haar borsten drukken tegen mijn oor.

‘Kompdah?’ Mijn stem smoort in haar armen.

‘Door die nieuwe regelgeving, je weet wel, die arbeids­potentieel­meting.’

Ik maak me uit haar armen los en pak haar handen vast. ‘Lieverd, die meting telt niet voor ons. Echt niet.’

Ze knippert heel hard met haar ogen om te voor­komen dat ze gaan tranen, maar dat werkt niet.

‘Ach, schat!’ Ik sta op en trek haar tegen me aan. ‘Maak je geen zorgen,’ fluister ik in haar haren. ‘Zelfs áls we eronder zouden vallen… niemand weet toch wat je in de schuur hebt staan?’

Ik pak haar schouders en duw haar een beetje van me af. Til haar kin op met mijn wijsvinger. ‘Geen zorgen voor morgen, begrepen?’

Een waterig glimlachje is mijn beloning. ‘Denk je echt?’

‘Dat denk ik echt!’ zeg ik fermer dan ik me voel. Want opeens legt twijfel een knoop in mijn maag. Wat als ze ons belasten? Waar halen we het geld vandaan?

Ik laat niks merken en geef mijn geliefde een kus op haar lippen. ‘Ga maar lekker je schuur in. Ik ruim wel af.’

Achter me hoor ik Botje al bezig.

 

In de weken na ons gesprek probeer ik het nieuws omtrent de arbeids­potentieelmetingen en de daaruit voortvloeiende belastingen niet te volgen, maar dat mislukt jammerlijk. Bedrijven lopen erop stuk, mensen gaan erop failliet. Opdrachtgevers aarzelen bij het inhuren van robots terwijl de uitzendbureaus ze het liefst niet werkeloos op de plank hebben liggen. En veel mensen zijn een paar jaar geleden juist begonnen met de verhuur van hun eigen robots.

Fiona niet. Dus iedere keer als ik de angst voel opkomen, duw ik hem weg onder het motto: die van ons zijn niet in gebruik, dus vallen we er niet onder.

 

‘U valt er weldegelijk onder.’ Mevrouw van Zanen staat in de schuur en kijkt om zich heen. Haar ogen glimmen. ‘Wat een fantastische verzame­ling heeft u. Is dat een IOX 380?’ Ze wijst naar een robot die vroeger eieren heeft geraapt. Toen er nog eieren te rapen vielen.

‘Zijn de gevoelssensoren nog intact? Ze konden de druk van hun grijpers aanpassen aan hetgeen ze vast­pakten. Heel vaak gebruikt als oogstmachine voor kwets­bare gewassen.’ Haar hakken klikken over de betonnen vloer terwijl ze keurend om de IOX 380 heenloopt. ‘Fantas­tisch dat u hem behouden heeft!’ Ze foto­grafeert de robot en loopt verder langs de rekken. ‘Oh! En die! Dat is een Nemonido! Een echte?’ Haar mond staat open van verbazing.

Fiona staat naast me in de deuropening van de schuur. Haar klamme hand knijpt in de mijne. Ze knikt. Ja, het is een echte. De oudste robot die ze heeft. Haar Nemonido, waar ze mee is opgegroeid, die haar leven ooit eens heeft gered door haar weg te sleuren voor een aanstormende Kolossus. De enorme sloop­robot was voorzien van een veiligheids­sleutel, maar technici die ermee moesten werken vonden het zo omslachtig om na iedere storing opnieuw te moeten opstarten, dat ze die in de Kolossus hadden vast gelast. Achtendertig doden, een verbod op het gebruik van Kolossi, maar Fiona gered door die kleine Nemonido. Gek genoeg heeft ze er wel drie. Kolossi, bedoel ik. Ze staan achter in de schuur. Zonder veiligheidssleutels, er kan niets mee gebeuren. Ik moet er toch niks van hebben als ze ze opstart, maar Fiona vindt ze het summum van lompheid. ‘En dat is dan toch elegantie,’ zegt ze dan altijd.

Nu zegt ze niets. Ik voel haar hand kouder worden en steeds harder knijpen.

Ik ben ook bang. Mijn hart klopt snel en opper­vlakkig, het is meer fladderen. Ik voel het in mijn keel en tegen mijn slapen. Maar ik doe of ik kalm ben en geef haar een kneepje in haar hand. ‘Het zal mee­vallen, let maar op.’

 

We zitten aan de keukentafel. Mevrouw van Zanen wilde geen koffie of iets anders, dus Botje rijdt ont­hand om ons heen. Hij maakt me nerveus, of was ik dat al?

‘En hij?’ Fiona wijst naar Botje. ‘Hij ook?’

Mevrouw van Zanen schudt haar hoofd. ‘Voor hem moet u een onthef­fing aanvragen. In principe mag ieder huishouden één robot erop nahouden zonder dat die meetelt voor het arbeidspotentieel. Tenzij het natuurlijk een Kolossus is.’ Ze schatert het uit om haar eigen grapje. ‘Alsof iemand een Kolossus in huis zou nemen, hè?’ zegt ze als wij niet reageren. Dan komt ze ter zake.

‘U heeft veel staan en alles is prima onderhouden. Ik stel voor dat u zelf de meting uitvoert.’ Ze diept een vouwscherm op uit haar tasje en klapt het uit. ‘Ik heb alles op de foto, dus niet smokkelen, hoor.’

‘Wat moet ik dan precies meten?’ vraagt Fiona met een klein stemmetje.

‘Het APV-i en het APV-s.’

We staren haar aan. ‘APV-i en -s?’

‘Sorry, ambtenarenjargon, wij korten alles graag af. Het arbeids­poten­tieel­vermogen van iedere individuele robot, maar ook van de samen­werkingsverbanden die ze kunnen aangaan. Ik zag dat u de WV en de Trak naast elkaar had staan?’

Fiona knikt. Ze wordt alsmaar kleiner.

‘Dan meldt u dus het vermogen van de WV, ik schat zo’n 60.000 watt, maar het kan zijn dat daar wat aan is vermeerderd, en dat van de Trak, alsmede het ver­mogen als ze samenwerken.’

Mijn mond valt open. ‘Toch zeker niet voor alle mogelijke samen­werkings­verbanden?’

‘Jazeker. En u heeft prachtige lijntjes staan, hoor!’

‘Ik snap het niet,’ zeg ik. ‘Wat heeft het voor nut? Ze doen het, maar ze zijn niet in gebruik.’

Mevrouw van Zanen glimlacht. ‘Het gaat om het vermogen dat ze kunnen leveren. Niet zozeer om wat ze leveren. Dat zou trouwens ook niet kunnen.’ Ze vouwt haar scherm weer op.

‘Wat bedoelt u daarmee?’ Ik sla mijn arm om Fiona heen.

‘Het leveren. Dat zou niet kunnen. Ik schat dat bijna alle robots die u heeft ongeschikt zijn volgens de huidige ARBOT-normen. Ze mogen dus niet in gebruik genomen worden.’

‘Wacht eens even!’ Ik sta met haar mee op. ‘Dus u zegt dat we het arbeidspotentieelvermogen van onze robots moeten doorgeven, zodat u daar arbeids­potentieel­belasting over kan heffen, maar u verbiedt ons tegelijker­tijd de robots in te zetten voor arbeid, zodat we er geld mee kunnen verdienen?’

‘Ja. Tegenstrijdig, hè?’ Ze stopt het scherm in haar tas en zapt die dicht.

‘Maar dat is toch debiel?’ Ik voel me kwaad worden.

‘Nee, hoor. Het is de regel nu eenmaal. De belasting wordt geheven over het potentiële vermogen. Het woord zegt het al.’ Ze steekt haar hand uit naar Fiona. Die schudt hem slap, zonder het mens aan te kijken.

‘Maar hoe…’ Verbijsterd ga ik de vrouw voor naar de deur. ‘Is hier geen oplossing voor? U kunt ons toch niet aanslaan voor het behouden van zoveel moois?’

Ze legt haar hand op de deurkruk. ‘Dat kan ik dus wel. Maar u zou ook een SSF-je kunnen downloaden en invullen.’

‘Een SSF-je?’ Ik voel me dom.

‘Ambtenarenjargon.’ Ze wuift met haar hand. ‘Een sloopsubsidie­formulier.’

‘Pardon? Wat is dat?’

‘Dat is een formulier waarmee u de sloop van de ongebruikte robots aanvraagt. Als die wordt goed­gekeurd, ontvangt u subsidie. Wordt bekostigd uit de nieuwe WSRSR… de Wet Solidariteit Robot­Sloop­Rege­ling. Speciaal voor mensen die de APB niet kunnen betalen.’

Mijn mond valt open en wil niet meer dicht. ‘Dus we kunnen subsidie krijgen voor iedere robot die we laten slopen?’

‘Inderdaad. Ik zou het maar in gedachten houden, want de aanslag wordt niet mals.’ Ze trekt de deur open en stapt naar buiten. Op de stoep draait ze zich om. ‘Vergeet u niet dat hij ieder jaar terugkomt. En er zijn plannen hem cumulatief te maken.’

Ik heb kaakkramp.

‘Dat houdt dus in dat uw aanslag ieder jaar hoger zal worden,’ zegt ze op uitleggerige toon.

‘Dat begreep ik al.’ Ik smijt de deur voor haar neus dicht.

 

‘Is ze al weg?’ Fiona zit met betraande ogen aan de keukentafel.

Ik kijk door het raam. ‘Nee, ze staat nog iets te tikken.’

Fiona staat op en rent naar de deur. ‘Ik moet iets weten.’

Ik volg haar. ‘Wat dan?’

‘Niet voor jou, blijf binnen!’ Haar stem klinkt zo serieus dat ik luister. Ik blijf in de deuropening staan en zie hoe ze naar mevrouw Van Zanen toe rent en haar iets vraagt.

Op het antwoord verstrakt Fiona’s rug. Ze balt haar vuisten en knikt kort. Dan draait ze zich op haar hakken een kwartslag om, werpt een enorm ver­drietige blik op mij en loopt naar de schuur.

Alles aan haar straalt uit dat ze alleen wil zijn, dus ik laat haar.

 

Vier dagen later tref ik Fiona bij thuiskomst in alle staten aan. Om haar heen liggen en staan al onze schermen, zelfs de oude, die nog niet vouwbaar zijn, tussen echte handboeken uit haar archief.

‘Wat doe je?’ vraag ik.

‘Huilen,’ zegt ze snikkend.

‘Ach, lieverd.’ Ik laveer tussen de troep door en trek haar in mijn armen, Over haar schouder kijk ik naar de schermen en begrijp meteen waar ze op heeft gezocht. Op APV en SSF, maar het meeste gaat over de ARBOT-wet.

‘Wat slim dat je daarop hebt gezocht.’ Ik kus haar haren. ‘We passen ze gewoon een beetje aan en dan…’

‘Nee.’

‘Wat, nee? Jij kunt toch alles, ook de robots aan de ARBOT-normen laten voldoen?’

Ze maakt zich van me los en heft haar handen in een hulpeloos gebaar even op, om ze slap langs haar lijf te laten vallen. ‘Dat kan ik wel, maar ik mag het niet. De regels gelden alleen voor robots jonger dan 15 jaar.’

‘Wat?’ Van alle stomme dingen die ik de laatste tijd heb gehoord, is dit wel het idiootste. ‘Een leeftijds­grens? Maar wat doet leeftijd ertoe als de robot aan de normen voldoet?’

Ze haalt haar schouders op. ‘Dat weet ik niet. Maar het is de regel.’ Ze buigt zich naar de grond om het handboek van de Kolossus op te rapen. ‘En voor de drie reuzen had het toch niet uitgemaakt, ze mogen niet meer worden gebruikt. Ik dacht alleen… als de andere nou genoeg geld kunnen opbrengen… dan kunnen we misschien voor de Kolossi ook de APB betalen.’ Ze zucht trillend. ‘Maar het heeft geen zin.’

Opeens valt mijn oog op een met de hand volgeschreven vel papier dat op de salontafel ligt. Rijen en rijen kriebelige cijfers. ‘Heb je al gerekend?’

‘Nee,’ Fiona raapt het papier op. Nu pas zie ik dat het drie vellen zijn, aan twee kanten beschreven. Ze steekt ze me toe. ‘Ik durf het niet op te tellen. Maar dit zijn ze allemaal.’

Ik pak de vellen aan. ‘Dat zal ik doen,’ zeg ik schor.

 

‘Ik ga naar de schuur.’

‘Prima, schat, ik doe de vaat we…’

‘Ik neem Botje mee.’ Ze staat op van tafel. Dezelfde tafel waaraan we zojuist mijn specialiteit ‘1001-hapjes’ hebben gegeten.

Ik sta ook op, starend naar de tafel, wetend hoe de keuken achter me eruitziet. ‘Hoe…?’

Ze loopt om de tafel en gaat op haar tenen staan om mij een kus op mijn wang te kunnen geven. ‘Kan jij wel, lieverd. Ik heb Botje gewoon even… nodig.’

Ik kijk in haar mooie ogen en smelt. Botje is de enige die we belasting­vrij mogen houden, misschien denkt ze er wel over om voor de andere robots een SSF aan te vragen en wil ze hem optimaliseren. ‘Neem maar mee, ik red me wel met de vaat,’ lieg ik.

 

We hebben al weken geen 1001-hapjes meer gegeten, want ik pas dus hartelijk voor een afwas van twee meter hoog. Botje is volledig van Fiona. Ze neemt hem iedere avond mee en gaandeweg zie ik onze huisrobot een beetje veranderen. Gek, maar het is net of hij wat rechter op zijn wielen staat. Zijn grijparmen werken weer, hij is gepoetst, de kapotte lens is gerepareerd en verdomd als ik lieg: hij kijkt slimmer uit die kunstogen van hem.

Terwijl Fiona werkt, eet en in de schuur zit, vul ik de arbeids­potentieel­metingen in. Per robot. Het is een omslachtige gedoe. Merk, type, serie­nummer, jaar van productie, jaar ingebruikneming, jaar buiten gebruik, nieuwwaarde, aanschafprijs… en natuurlijk het vermogen.

Onbewust tel ik de vermogens bij elkaar op gedurende de avonden dat ik de metingen invul, maar ik schrijf nergens het totaalgetal op. Ik verzend de for­mu­lieren zonder uit te rekenen hoe hoog de aanslag zal zijn, want ik weet allang dat we die nooit zullen kun­nen betalen.

Somber drentel ik door de tuin naar de schuur. De deuren staan op een kier open. Binnen is het schemerig, ik zie Fiona niet, maar ik hoor haar wel. Ze praat tegen Botje.

‘Hard werken, Botje. Met elkaar. Dat is de enige oplossing.’

Ik steun tegen de deur. Ze heeft gelijk. Hard werken. Ik draai me om en slenter terug naar huis. In principe kan ik de uren tussen acht en halfelf ’s avonds best nog vullen met werk. Fiona zit dan toch in de schuur.

 

De aanslag komt drie maanden nadat ik de arbeids­potentieel­­metingen heb ingestuurd. Drie maanden waarin we ons de kolere werken en iedere cent die we verdienen opzijleggen.

Het is niet genoeg.

Fiona’s lip trilt zo erg, dat ik de aanslag niet eens hoef te bekijken om het te weten. ‘Zo veel?’ vraag ik zacht.

‘Nog meer,’ zegt ze, nog zachter.

Mijn hart draait om bij het zien van haar mooie, nu bleke gezicht. Kon ik maar iets doen.

‘Je kunt niks.’ Ze zucht heel diep en wenkt Botje. ‘Ik ga de schuur nog even in.’

 

’s Nachts word ik wakker van de koude plek naast me. Of is het van de vreemde geur? Ik heb nog nooit van mijn leven alleen geslapen en zo te voelen is Fiona al lang geleden opgestaan. En wat hoor ik toch?

‘Fioon?’ Ik stap uit bed en zie over de vloer een oranje schittering van onder het gordijn uitkomen. Opeens weet ik wat ik hoor. Ik weet wat ik ruik. Ik weet wat ik zie.

Brand.

Met twee treden tegelijk ren ik de trap af naar beneden. In een grillige, oranje gloed die steeds feller wordt, storm ik door het huis naar de keukendeur.

De schuur brandt.

Fiona staat ervoor. Botje ook. Om ze heen staan en liggen tientallen jerrycans.

Ik duw de deur open en ren op mijn blote voeten naar het tweetal. ‘Fioon! De schuur! De robots!’

‘Ja. Ze branden.’ Fiona draait zich naar me om. Op haar witte gezicht zitten zwarte vegen.

‘Maar… waarom?’ Ik zet nog een paar stappen in de richting van de schuur, maar de hitte duwt me weg. ‘Waarom, lieverd? We hebben nog een maand om de aanslag te betalen. Er was wel een oplossing gekomen.’

Ze schudt haar hoofd.

‘Jawel!’ gil ik koppig boven het geraas van de vlammen uit. ‘Ik kan best nog een baan erbij nemen. Of een lening. Of ik kan de sieraden van mijn moeder verkopen.’

‘Nee. Dat had ik niet toegestaan.’ Met een laatste blik op de schuur, die als een kaartenhuis naar links opzij helt, zegt ze: ‘Ze zijn van mij. Van mij! Ik doe ermee wat ik wil. Jij hoeft je niet kapot te werken of in de armoede te steken voor mij.’ Ze wenkt Botje en loopt naar de keuken terug.

Ik loop haar na en pak haar arm, dwing haar zich om te keren. ‘Maar dat had ik voor je gedaan! Ik houd van je, dat weet je toch?’

‘En ik van jou en dus doe ik je dat niet aan.’ Haar logica slaat tegen mijn borst. Of laat de rook me hoesten?

‘We gaan naar binnen.’ Ze troont me mee, het huis in. Botje in ons kielzog.

 

Aan de keukentafel zien we hoe de schuur instort. Met een donderende klap en enorme vlammen uit het dak.

‘Het is brandstichting,’ zegt Fiona.

‘Ja.’ Ik kan mijn ogen niet van haar gezicht afhouden. Omlijst door de vlammen achter haar lijkt ze een bleke vuurengel. Kleine vonkjes spatten tegen het raam, vallen in het gras en doven uit.

‘Dus de verzekering zal niets uitkeren.’

‘Nee.’ Ik knipper met mijn ogen en pak over de tafel haar handen vast. ‘Hadden… hadden we niet beter een SSF-je kunnen invullen? Dan hadden ze nog wat opgeleverd.’

Fiona lacht schamper en trekt haar handen uit de mijne. ‘Sloop­subsidie? Ik ben geen asociaal!’

‘Maar het is toch juist een sociale wet? Dat zei die vrouw. Een solidariteitswet voor de mensen die…’

‘Heb je enig idee waar die subsidie van betaald wordt?’

Ik schud mijn hoofd.

‘Enig idee waarom die APB steeds hoger zal gaan worden?’

Ik stop met schudden. Het begint tot me door te dringen.

‘Juist. De sloopsubsidie van de een, wordt betaald uit de APB van de ander. Hoe meer mensen… ach, reken zelf maar. Dat is niet sociaal, noch solidair.’ Ze staat op. ‘Ik ga naar bed.’

 

Ik loop achter haar aan, de trap op. Opeens stopt ze met lopen en zakt door haar benen. Ik kan haar nog net opvangen. ‘Botje! Bel 112!’

 

De dokter zegt dat het ongeneeslijk is. Iets met haar bloed. Ik wil hem niet horen, kan hem niet horen: mijn oren suizen.

‘Hoelang heb ik nog?’ Vanuit de verte hoor ik Fiona vragen wat ik absoluut niet wil weten.

‘Het is een agressieve, acute vorm. Ik vrees dat u nog drie maanden tot een half jaar hebt.’

Fiona knikt. ‘Dat haal ik wel.’

 

‘Wat haal je wel, schat?’ Als verdoofd duw ik haar in een rolstoel door het ziekenhuis waar ze twee weken is geweest voor onderzoek en diagnose. Behandelen heeft geen zin, behalve dan om de pijn te stillen die gaat komen. En ik schijn er alles aan te moeten doen om botbreuken te voorkomen.

‘Ik ga een nieuwe schuur bouwen,’ antwoordt ze.

‘Ach meid, wat kan die schuur me schelen?’

‘Jou misschien niet, maar mij wel.’

 

En ze doet het. Ze laat de oude schuur, waar we inder­daad geen cent voor krijgen, weghalen. De hompen gesmolten metaal die tussen de as van­daan worden gehaald zijn onbruikbaar volgens de oud ijzer boer. ’Niet zuiver,’ noemt hij het. Maar hij laadt toch een aanhangertje vol. De rest verdwijnt in grote grijpers.

Drie weken later staat er een nieuwe schuur op de plaats van de oude. Hij is veel kleiner, maar ook van hout en heeft hetzelfde ronde model. Een tikje verloren staat hij midden op de zwartgeblakerde grond.

‘Er gaat vanzelf gras groeien,’ zegt Fiona tegen me. Ze ziet er slecht, heel slecht uit. ‘En dan is het weer mooi.’

‘Ik vind jou mooi,’ zeg ik onbeholpen. Ze is mooi, zoals ze daar zit. Ver­magerd: ja. Nog bleker dan anders. Maar intens vastberaden en lief. Gek genoeg wil ik vrijen, ondanks dat ze ziek is. Maar ik durf niet. Wat als ik iets bij haar breek?

 

‘Ik duik de schuur in.’

‘Da’s goed, dan doe i… Botje!’

De robot wielt al naar de keukendeur. Het was haar stem die uit zijn buik kwam.

Mijn reactie was automatisch, vergetend dat ze vandaag is begraven. Ik heb nog geen tijd gehad om haar echt te missen, het verdriet steekt en dramt en laat me alleen maar huilen.

Ik zie de robot het tuinpad afrijden en ga de een­persoons­vaat doen.

 

‘Uw echtgenote heeft bepaald dat er na haar over­lijden een stichting wordt opgericht ten behoud van uw gemeens­chappelijke huishoudrobot Botje.’ De notaris kijkt me over haar bril aan. ‘Zodat er eeuwig goed voor hem wordt gezorgd. Ze heeft haar aandeel van het gespaarde kapitaal in die stichting laten storten.’

Ach Fioontje toch.

‘Botje is haar laatste.’ Ik begrijp het. En besluit meteen mijn testament te laten aanpassen. Voor Botje. Omdat ik van Fiona houd.

 

Pas na weken volg ik Botje. Ik wil niet. Wat moet ik in die schuur? De robots zijn weg. Fiona is weg.

Maar Botje gaat er iedere avond heen. Hij zegt het met haar stem. Ik moet weten wat hij er doet. Staat hij stil in die lege schuur? Speelt hij haar stem af?

Ik volg hem de schuur in.

Hij wielt door tot het midden en bukt.

Een luik! Een onzichtbaar luik in de vloer!

Ik sluip hem achterna terwijl hij langs een schuine stoep naar beneden rijdt, een kelder in. Als hij beneden is aangekomen, stokt hij. Hij heeft me gehoord!

De robot draait zich om en kijkt me aan. ‘Laat nooit iets merken, hoor je, Botje? Houd het geheim!’ klinkt Fiona’s stem uit zijn buik.

Ik negeer de waarschuwende toon en loop de helling af. ‘Maak eens licht.’

‘Houd het geheim! Houd het geheim!’

Ik sta naast Botje. ‘Wat moet ik geheimhouden, oude jongen?’ Mijn hart klopt in mijn hals. Aan twee kanten. ‘Maak licht!’

Botje staat in tweestrijd. Hij knarst en kraakt. Dan maakt hij licht en sta ik in de schuur. Exact de schuur. Ondergronds. Met de robots keurig in het gelid.

‘Hoe?’

‘Hard werken, Botje. Met elkaar. Dat is de enige op­los­sing. We zetten zelfs de Kolossi aan het werk. We laten ze graven en grond afvoeren en stutten en…’

‘En wie onderhoudt ze? Wie gaat voor ze zorgen?’ Ik loop de rijen langs en ben zo opgelucht ze te zien dat mijn hart ervan barst.

‘Botje, je weet nu alles. Laat jezelf goed onder­houden, denk erom!’

‘Natuurlijk. Daarom moeten wij voor jou zorgen.’ Ik glimlach. ‘Maar waarom geheimhouden? Zelfs voor mij?’

‘Niemand vertrouwen. Niemand. Weet je wie ons volgens mevrouw Van Zanen heeft gemeld?’

‘Blijf toch eens een avondje naast me op de bank zitten!’ klinkt een stem waar ik veel van heb gehouden. ‘Die rotschuur!’

Ik wankel. Begrijp het opeens allemaal. ‘Gerald.’