web analytics
De beste Nederlandse en Belgische SF, Fantasy en Horror van 2017

Home » Jaar » 2017 » De val van de Eremast : Floris Kleijne

De val van de Eremast

Floris Kleijne

 

Vier Dagen Geleden, Voor Zonsopgang

Met één voet in Mooks sloep aarzelde Ferdi. Het maan­licht schilderde een dansend pad van licht op het kalme water van de Delftse Schie. Naar het zuiden toe lag Rotterdam nog in sluimer, haar spaarzame ver­lichting weerkaatsend van de laaghangende bewolking. Vanaf de herfst leefden de Rotterdammers door het elek­tri­ci­teitstekort een groot deel van het etmaal in het duister.

Naar het westen strekten de restanten van Delft zich uit in het stervende duister van de ochtend. Even stelde hij zich voor dat hij de windmolens kon zien waarmee dit alles was begonnen, voorbij de stad, over de velden en achter de duinen.

Hij draaide zich om en klom weer op de kade.

‘Saladin.’

De gedrongen gestalte van zijn geliefde haalde de schouders op in het kille maanlicht. Ferdi kon nog net de melancholieke glimlach zien die om Sals mond speelde, de lippen die hij zo vaak had gekust omhoog gebogen maar gesloten, Sals ogen glanzend.

‘Het is nu nog niet te laat, Sal. We kunnen omkeren, naar huis gaan, de hele bliksemse bende vergeten, mijn positie als Groot-Alloceur opgeven. Nanoferdi ver­ge­ten. Ik hoef niet…’

Sal glimlachte met één opgetrokken mondhoek en schudde zijn kale hoofd.

‘Jawel.’

‘Saladin, ik…’ Hij overbrugde de afstand met één urgente stap en liet zijn armen om Sal glijden. Sal hief zijn gezicht en bracht zijn lippen naar die van Ferdi.

‘Nee, geen kus, alsjeblieft.’ Tranen stroomden nu ongebreideld over Ferdi’s wangen. ‘Geen kus die hij zich… die ik me straks niet meer kan herinneren.’

Even trok Sal zijn hoofd weer terug en keek hij Ferdi aan. De compassie in zijn blik bracht de laatste resten van Ferdi’s zwaar bevochten kalmte aan het wankelen.

‘Gelul.’

 

#

 

Met de zilte, rokerige smaak van Sals lippen nog op de zijne keerde Ferdi de sloep in een nauwe U-bocht naar het zuiden, richting Rotterdam. Zijn schokkende adem­haling verdronk in het gebrul van de buiten­boord­motor. De sloep trok een schuimende V in het opper­vlak van het Schie. Naar het oosten toe spatte de zon over de horizon; flarden mist speelden over de velden.

Misschien vergiste hij zich wel in Mook, was hun oude vriendschap zelfs nu nog wat waard. Misschien zou hij de tocht probleemloos maken, de zon langzaam links van hem zien opgaan terwijl de ruïnes van Rotje uit de blauwe waas aan de horizon opdoemden. Mis­schien zou hij de Mast bereiken en tot een vergelijk komen, met Mook, en met Va.

Ja, en misschien zou Utrecht morgen weer oprijzen uit het Glas. Dat Mook hem zou laten leven was nauwe­lijks waarschijnlijker. Ferdi grinnikte door zijn tranen. Dit was niet de manier om zijn laatste minuten door te brengen.

Misschien… er was nog wel een misschien. Zometeen, na het inschake­len van Nanoferdi. Misschien zou Sal, lieve, stoïcijnse Saladin, de kans krijgen om te ontdek­ken of een gedistribueerd neuraal nanonetwerk vol­doende van zijn persoonlijkheid had kunnen opnemen om… Wat? Een vriend te zijn? Lief te hebben?

Met zijn hand stevig aan de helmstok wierp Ferdi een blik over zijn schouder. Ver achter de sloep rees de hoogbouw van de oude Technische Universiteit in de ochtendlucht. Als hij zijn ogen dichtkneep, kon hij zichzelf wijsmaken dat hij een gedrongen gestalte op de kade zag staan.

Dit beeld wil ik vasthouden, dacht hij. Sal op de kade, Delft sluimerend in de ochtendschemer, en de wilde, juichende kleurenrijkdom van de opkomende zon. Laat dit het laatste zijn wat ik zie. Laat me dit vasthouden. Laat m

 

Schemering

Als ik wakker word, ligt het lab in schemering gedrenkt. De elektronen­microscoop aan de wand tegen­­over me is een imposante grauwe toren; de werk­banken lichtere rechthoeken; de binnendeur van de luchtsluis een glinstering in de hoek. Met de gedoofde TL-buizen resteert slechts het zwakke dag­licht dat door de gesloten lamellen sijpelt.

Maar toen ik in slaap werd gebracht, waren toch alle lichten aan?

En waar is Sal?

Terwijl mijn ogen het laboratorium scannen op zoek naar mijn inge­nieur en minnaar, dringt een nog urgen­tere vraag zich aan mij op. Waarom ben ik über­haupt in het lab wakker geworden? De kamer met de per­soonlijkheidsrecorder ligt verderop aan de gang, gescheiden van de cleanrooms, ver van het lab. Daar ben ik in slaap gebracht, met de opnamekap op mijn hoofd en Sal aan mijn bed, zijn hand in de mijne. Ik kan geen enkele goede reden bedenken waarom Sal me naar het laboratorium zou hebben verplaatst. We waren het erover eens dat mijn aanwezigheid waar­schijnlijk verstorend zou werken op Nanoferdi’s…

Ik voel geen kap op mijn hoofd.

Ik voel mijn hoofd niet.

En als ik naar mijn hoofd reik, gebeurt er niets.

Ik heb geen handen.

Onwillekeurig kijk ik naar beneden, maar hoewel mijn blikveld gehoor­zaamt aan mijn mentale com­man­do, voel ik van mijn ogen noch mijn hoofd enige be­weging.

En hoewel ik de gebogen glazen wanden en micro­manipulators in de hermetische cabine herken, lijkt mijn zicht onscherp, alsof ik door een soepige mist kijk. Een duizeling overvalt me, die nog verdubbelt als ik me realiseer dat het bodemloze gevoel geen maag heeft om zich in op te houden.

De waarheid dringt zich aan me op.

Ik ben Nanoferdi.

Een ogenblik lang schakelt de realisatie mijn geest uit. Als ik wangen had, zou ik breed grijnzen. Als ik een stem had, zou ik triomfantelijk naar Sal roepen. Als ik een vuist had, zou ik die in de lucht heffen.

Het duurt niet lang voor ik me realizeer dat ik die dinge

– directief: vormen –

kan krijgen met één simpele gedachte.

Een tinteling alsof mijn hele lichaam slaapt verge­zelt het gevoel van samentrekken, verdikken, dat net geen pijn wordt. De mist stolt. Mijn lijf, mijn benen nemen vorm aan in de cabine. Ons voorgepro­gram­meerde directief werkt perfect: mijn vorm vult zich, de con­tou­ren van mijn buikje worden zichtbaar, de kuil­tjes in mijn knieën, mijn brede handen. Na enkele tellen kan ik mezelf zien, een uitgerekte, half door­zichtige spiege­ling in de gebogen binnenkant van de cabine. Proprio­ceptie, het gevoel dat ik in mijn lichaam woon, keert terug.

Mijn wangen vormen die grijns. Mijn vuist schiet de lucht in. Ik roep:

‘Het is gelukt, Sal! Het heeft gewerkt!’

Maar mijn stem kaatst terug van het glas alsof hij de stilte intact wil laten, en het licht in het lab blijft koppig uit. En als mijn ogen langzaam wennen aan het halfduister, zie ik dat het een rommeltje is in het lab, iets wat ondenkbaar is voor Sal en zijn team. Twee krukken liggen omver, een cleansuit ligt slordig over de grond; een van de micro­mani­pu­lators is zelfs volledig van zijn basis gerukt. Het lijkt of ons lab, onze haven van orde en properheid, wetenschap en ratio, zich heeft aange­sloten bij de puinhopen buiten.

Plotseling is het de meest urgente zaak ter wereld om de cabine te verlaten.

Ik werp een blik op het codepaneel. Sal heeft er een notitie boven gehangen. In zijn kleine, nette hand­schrift vraagt hij me het kwadraat te nemen van de datum van onze eerste ontmoeting, en van het resultaat de laatste vijf cijfers in te toetsen. Een semi-autonome subsectie van mijn nieuwe lichaam geeft me het antwoord, en ik toets 33849 in, terwijl ik glimlach om Sals methode om zowel mijn geestelijke ver­mogens als mijn geheugen te testen.

De gebogen deur sist open.

Als ik de cabine uitstap, springen de lichten niet aan. Bij het opknappen van het lab heeft het team gekozen voor bewegingssensors, omdat die makkelijker te ver­zegelen waren dan gewone schakelaars. Toen ik de duisternis net voor het eerst opmerkte, was mijn aan­name dat Sal gewoon langer dan tien minuten weg was. Maar de chaos, en de weigering van de lampen om nu aan te springen, en, zoals ik nu zie, het feit dat zowel de binnen- als de buitendeur van de luchtsluis open zijn, en…

Het lichaam van Johanna ligt tussen twee werktafels, met drie schotwonden dicht bijeen op haar borstbeen; de ogen van onze programmeur staren naar het plafond alsof ze een uitzonderlijk complex algoritme probeert uit te werken, maar de ogen zijn droog en dood. Ik loop het lab uit tussen de gekraste en bescha­digde wanden van de luchtsluis, maar voor ik me kan herinneren wat daar op de muur zat, vind ik Han. Onze neuroloog hangt over twee bebloede stoelen. Maar goed dat de overdracht al is geslaagd, denk ik willekeurig. Kim, die bijna evenveel van nanotech wist als Sal, ligt half in een bezemkast.

Sal is nergens te bekennen.

Ik weet dat het me allemaal zou moeten schokken en verontrusten. Maar ik voel alleen een urgente drang om uit te vinden wat er is gebeurd. Om te ontdekken of deze nieuwe ontwikkeling onze plannen bedreigt.

Om Sal te vinden.

 

#

Ik vind Sal aan de voet van de hoogbouw van de TU. Zijn lichaam vormt een onwaardige, verfrommelde hoop in een plas half gestold bloed. Een kant van zijn gezicht ligt in de plas gedrukt, een oog staart me tegemoet, met een schijnbare uitdrukking van kalm onbegrip vanuit de vervormde oogkas. Zijn linkerhand ligt onder hem; de rechter toont beblaarde en verkoolde stompjes waar zijn vingers zaten.

Een blik omhoog toont me het versplinterde venster dat me voor vraagtekens plaatste toen ik onze ver­dieping doorzocht.

Mysterie opgelost, denk ik, en frons.

Voorzichtig kniel ik bij de plas en dwing mezelf om de geschonden vorm van Sal in me op te nemen. Als ik dichterbij kom wordt de vage geur van verval sterker, bijna tastbaar, meer een smaak dan een geur. Zijn ledematen liggen in hoekige vormen; zijn schedel is gruwelijk naar een kant gedrukt.

Hier ligt de eerste man van wie ik ooit heb gehouden, breng ik mezelf in herinneringen. Ik roep de beelden op van late avondwandelingen, die zeldzame over­gebleven fles wijn die we samen soldaat hebben gemaakt; de liefde bedrijven, zowel ruwer als meer intiem dan met alle vrouwen die ik heb bemind. Ik herinner me zijn geur, het gevoel van zijn sterke, behendige handen.

Ingenieurshanden.

Wat heeft Mook bezield om Sal te vermoorden? We wisten dat hij mij uit de weg zou ruimen; dat was zakelijk, of in elk geval wat Mook daaronder verstaat. Maar Sal? En niet alleen Sal: het hele team, dat decennia lang in het geheim geploeterd heeft om het Delftse lab tegen de klippen op operationeel te houden. Heeft Mook me zo gehaat, dat hij de zeldzame, onschatbare meerwaarde van een volledig functioneel nano­lab wilde offeren aan zijn wraakzucht? De verspil­ling verbijstert me.

Ik vraag me af of ik verdrietiger zou moeten zijn.

Vier dagen zijn voorbij, heb ik boven gezien. Vier verloren dagen, dagen die we nodig hadden. En zelfs zonder de klok in ons lab had de groenige tint van Sals huid me genoeg gezegd. Sal had mijNanoferdimeteen na mijn dood moeten activeren. Nu Sal dood is, en zoveel tijd verloren is gegaan, heb ik weinig vertrouwen meer in ons oorspronkelijke plan. Dat lijkt nu sowieso belachelijk naïef. Ik zal een actievere rol moeten spelen in het afzetten van Mook.

En niet alleen Mook, vermoed ik.

Het is tijd voor een bezoek aan de Burgervader.

 

#

Mijn nieuwe voeten roffelen de kilometers onder me vandaan. Het gebarsten, overwoekerde asfalt van de Rotterdamseweg wordt een veeg van groene en donkergrijze lijnen. Ik schiet een bus voorbij; het zes­span paarden lijkt stil te staan. De passagiers, waar­schijnlijk hoopvolle migranten onderweg naar het Schip Stad, zien me gelaten voorbij rennen; sommigen zwaaien zelfs.

Een kilometer onder Delft is de Schie verwijd tot een rommelig meertje. Brokstukken van Mooks sloep liggen verspreid rond de nieuwe water­massa. Een paar hoopvolle jutters neuzen door de restanten. De scherpe geur van explosieven besmeurt zelfs nu nog de lucht.

Ik zie geen delen van mezelf, en daar ben ik dankbaar voor.

Zo ver is mijn oude ik gekomen op zijn gedoemde tocht naar Mook. Ik voel alleen een vage melancholie, en een versterkt gevoel van urgentie dat mijn benen nog sneller doet bewegen. De neergestorte 747 ten noorden van Rotterdam echo’t het gevoel dat ik vlieg. Mijn spijkerbroek en overhemd klapperen als slecht gespannen zeilen. De wind van mijn voortgang giert langs mijn jukbeenderen, rukt aan mijn haar, schuurt mijn nieuwe huid tot ik begin te vrezen dat ik teveel van mezelf verlies.

– directief: pantser –

Mijn bots groeperen en trekken mijn huid strak; de luchtweerstand vermindert direct. Even overweeg ik een directief voor een meer aerodynamische vorm. Maar nee. Dit is snel genoeg.

En mijn menselijkheid is me dierbaar.

De brokkelige lijnen van Rotje kruipen over de horizon als het verrotte gebit in de onderkaak van de wereld. Ik dender de ruïnes van de oude havenstad in, langs een groepje Rotterdammers die geschrokken op­kijken van het open vuur waarboven ze God-weet-wat roosteren. Een straatvoetbalpartijtje stuift uiteen a;s ik het geïmproviseerde veldje doorkruis. Rotterdam was vroeger de grootste haven ter wereld, maar daar is natuurlijk weinig meer van over.

Behalve het Schip Stad.

 

#

Zwart en ongenaakbaar rijst het Schip Stad op uit het havenbekken, de huizenhoge letters MSC op de flank even vergeeld en rafelig als de naam ‘Oscar’ op de achtersteven. Pas als ik de laatste grote benzinesilo voorbij ren, realiseer ik me dat ik te snel ga, dat mijn aanstormen op een aanval lijkt. Ik rem mijn sprint tot een gemoedelijke jog, maar het is te laat.

Eerst de flits, vanuit de deuropening halverwege de flank van het Schip; dan de droge knal, die tussen de silo’s galmt; en direct daarop de inslag in mijn buik

– acuut trauma! – onderscheppen – afbuigen –

die me om mijn as doet spinnen en achterover werpt. De kogel trekt een onplezierige, gloeiendhete baan door mijn buik en borst

– afremmen – afkoelen –

alvorens tot rust te komen in mijn schouder.

– afbreken –

Het lood is welkom.

Heel langzaam krabbel ik overeind, mijn handen heffend zodra ik ze niet meer nodig heb voor balans. Mijn blik volgt de loopplank naar boven. Opgelucht herken ik de gestalte die haar geweer nog steeds op mij gericht houdt: een van de parttime-soldaten die het Schip bewaken voor de Burgervader. Ik denk dat ik haar naam nog weet.

‘Rami!’

Ze reageert niet, en de loop blijft bewegingloos op me gericht terwijl ik met mijn handen in de lucht naderbij loop. Ze reageert niet, maar ze schiet ook niet opnieuw. Ik hoop dat dat betekent dat ze heeft gezien wie ik ben.

Als ik dicht genoeg ben genaderd, bevestigt ze die hoop:

‘Jij bent dood, Groot-Alloceur!’

 

#

Rami volgt me zwijgend door de doolhof van roestige stalen gangen, nauwe trappetjes, tussen containers ingeklemde ravijnen en galmende open dekdelen van het Schip Stad. Geuren van roest en olie en af en toe een hint van verrotting overstemmen de zilte zeelucht. Uit honderden vierkante raampjes schijnt flakkerend-oranje licht. Naar de boeg toe klinkt het vloekende snerpen van een cirkelzaag, de galmende dreun van een smidshamer; op het Schip Stad staat de woningbouw nooit stil. Mensen die ons passeren groeten Rami, die stoïcijns doorstapt. Af en toe werpt iemand een tweede blik op mij; op herkenning volgen meestal ongelovig opengesperde ogen.

Rami’s welkom is niet veel verbeterd na dat eerste schot. Ze heeft me inderdaad herkend, maar mijn eerdere overlijden weegt voor haar duidelijk minstens zo zwaar. In mijn vorige incarnatie bezocht ik het Schip Staden de Burgervaderechter vaak, en dat heeft me geloof ik het voordeel van de twijfel opgeleverd. Toen ik haar zei dat ik dringend met haar baas moet praten, liet Rami me het Schip op. Dat haar eerste kogel me niet heeft geveld, weerhoudt haar er echter niet van om haar pistool nu van dichtbij op mijn achterhoofd gericht te houden.

We bereiken de deur van de opbouw. Boven ons priemt de stalen wand van de vuilwitte kolos ettelijke verdiepingen naar de donkerende hemel. Ik zie nog net de overhang van de brug en een vage schittering van de schuine ramen tegen de sterrenspikkelige indigo achtergrond, voor Rami me met een por van haar loop opdraagt naar binnen te gaan. Ik beklim de eindeloze reeks trappetjes, achtervolgd door het gerammel van het wapentuig aan haar gordel.

Elke trede voelt vertrouwd, en dat kalmeert de zorg ietwat die al sinds mijn activering als regen op de tent van mijn leven tikt: weet ik alles nog? Ben ik er nog helemaal? Mijn geheugen lijkt intact, maar zou ik het überhaupt merken als ik iets ben vergeten, als een deel van mijn persoonlijkheid de transpositie niet heeft overleefd?

En ik ben al veranderd. Rami heeft me neergeschoten, en ik ben weer opgestaan. Het voelt alsof mijn oude ik zich ergens in een hoekje van mijn geest hoofd­schuddend afvraagt hoe ik dat zo makkelijk achter me heb gelaten. Intussen laat ik mij door Rami naar boven dirigeren, onder schot alsof haar wapen wel een bedreiging vormt; mijn achterhoofd prikkelt en de alertheid die mijn ledematen doordesemt kan ik alleen angst noemen. De paradox maakt me lichthoofdigen zelfs die sensatie is een persoonlijk anachronisme. Het gedistribueerde neurale netwerk waarin mijn geest nu zetelt, ondersteunt geen lichthoofdigheid.

Als we de brug betreden, word ik begroet door een bitterzoet-vertrouwde stem.

‘Ferdi?’

Mijn oude liefde komt overeind uit de veel te grote leren bureaustoel achter het dode bedieningspaneel. Ze klautert op het paneel en loopt met korte, driftige pasjes op me af.

De Burgervader is in al die jaren dat ik haar ken maar weinig veran­derd. Haar hoge hoed heeft misschien iets geleden onder de tijd en de zilte omstandigheden, maar haar unieke modegevoel doet zich onver­minderd gelden in de flamboyante bermudavoor haar een wijde panta­lon tot op haar felrode pumpsen de gitzwarte top met witte sport­streep, waarop nog net het woord ‘Speedo’ te lezen is.

Ik dwing mezelf mijn armen uitnodigend voor haar te openen en we treffen elkaar aan het nabije einde van het bedieningspaneel. Ze beant­woordt mijn gespreide armen met de hare. Vaag merk ik de bewapende figuren op die in de hoeken van de brug toekijken, dan sluit ik haar tegen mijn borst. Haar armen vouwen zich om mijn flanken, terwijl ik bijna haar volledige gestalte omvat. De grauwzwarte hoed tuimelt naar achteren en stuit van het paneel op de grond; ik snuif de zoute, dierlijk-frisse geur van haar wilde kroes.

‘Va…,’ begint Rami.

Va negeert haar en praat tegen mijn borstkas.

‘Ik dacht dat je dood was, klootzak.’

Ik hou haar nog steeds tegen me aan gedrukt, maar iets in haar toon­zetting versterkt de argwaan in mijn achterhoofd. Ik ken haar te lang en te goed, we hebben te veel gepraat, om niet elke nuance van haar idioom op te pikken. Mentaal zet ik een eerste turfje.

Ik pak haar appelgrote schouders beet en houd haar op armlengte. Met alle genegenheid die ik op commando kan genereren, kijk ik haar diep in de staalgrijze ogen.

‘Ook blij om jou te zien, Va.’

Voor ze haar geopende lippen op de mijne drukt, is haar stralende glimlach heel even zichtbaar, te kort om te zien of die haar ogen haalt. Ik klem haar dichter tegen me aan en beantwoord de kus met gepast enthousiasme. Mijn sympathisch geheugen lijkt intact: een veelheid aan vleselijke herinneringen borrelt naar boven.

Dan drukt ze een harde, koude vorm tegen de nor­male anatomische locatie van mijn ribbenboog. Ik hoor de onmiskenbare metalen klik van een uitge­schakelde veiligheidspal. Ik heb ternauwernood de tegen­woordig­heid van geest voor het directief dat we voor juist zo’n gelegenheid hebben voorbereid

– directief: kurk –

voor ze de kus verbreekt en in mijn oor fluistert:

‘Ik ook, Ferdi.’

 

#

‘Jij bent dood.’

We staan in een onstuimige, kille wind, duizeling­wekkend hoog boven het dek van het Schip Stad en nog hoger boven het wateroppervlak van de haven. Va heeft me met afgemeten gebaren de externe brug­extensie aan bakboord op gedirigeerd, en houdt me kalmpjes onder schot. Achter mij weet ik de reling; ver achter Va lonkt de toegang tot de brug.

Ik haal mijn schouders op.

‘Duidelijk niet.’

Va schudt haar hoofd, maar de loop van haar pistool blijft beweging­loos op mijn borst gericht.

‘Je ging aan boord. De sloep voer weg. Hij knalde uit elkaar. Je bent dood, Ferdi.’

‘Dus je was erbij.’ Een frons flitst over haar gelaat voor ze haar uit­drukking weer in de plooi krijgt. Ik voeg een verticaal streepje toe aan mijn mentale turflijst.

‘Ik was te laat.’

Ik glimlach.

‘Alles is relatief. Voor mijn doeleinden was je precies op tijd.’

Die bewering heeft het gewenste effect. Va fronst en kijkt enkele seconden met opeengeperste lippen opzij. Dan krullen haar mondhoeken omhoog, synchroon met haar verraste wenkbrauwen.

‘Een kloon?’

Ik schud mijn hoofd.

‘De kweek zou te tijdrovend zijn geweest. En bij mijn weten is er nog niemand in geslaagd om het trans­positieprobleem op te lossen.’

‘Dan’ Haar vinger glijdt rond de trekker. ‘heb je nu vijf seconden om me te overtuigen.’

‘Negen keer,’ zeg ik prompt, hoewel haar wapen geen werkelijke be­drei­ging is. En als ik nog longen had gehad, zou ik mijn adem inhouden.

‘Hoezo, negoh.’ Een vuurrode blos verpest haar onbewogen pose. Zij is net zo min als ik het type om op te scheppen over onze seksuele escapades. En ze kan zich nog herinneren hoe vaak achter elkaaral heb ik haar nooit bekend dat ik de laatste drie had moeten voorwenden. ‘Oké. Oké. Je bent het echt.’ Ze laat haar wapen zakken, en de ergste spanning kruipt uit haar ledematen. ‘Zeg het maar.’

‘Laten we zeggen… een back-up.’

Het was verre van moeilijk geweest na mijn ver­kiezing tot Groot-Alloceur vijanden te maken. De schaarste is eenvoudigweg te groot, de belangen te zwaarwegend; ik was weliswaar democratisch gekozen, maar lang niet iedereen was bereid zich te schikken in mijn visie. Ik wist dat er een einde moest komen aan Mooks monopolie op de laatste olie­voorraden, en dat daar een einde aan zou komen zodra we de wind­molens weer operationeel hadden. ‘Ik had de mensen een einde aan de energietekorten beloofd, en dat ging ik ze ook geven’

‘Maar je had er niet bij gezegd wanneer, Ferdi.’

‘Op korte termijn. Mijn plan vergt voorbereiding, onderzoek, tech­neuterij. Maar het is wel uitvoerbaar, Va!’

Mijn onmachtige voorgangers hadden zich bezig gehouden met de herverdeling van de schamele resten, binnen de grenzen die Mook ze had opgelegd. Ik dachten denkgroter. Een einde aan de afhanke­lijkheid van de slinkende voorraden; een einde aan de macht van de Mast, aan Mooks monopolie op de resterende olie.

‘Met een handjevol windmolens, Ferdi?’

‘Zoiets ja,’ zeg ik, en glimlach.

 

Twee Jaar Geleden

Met veel gespetter baande de opgelapte dinghy zich een weg door de branding. Zout water prikkelde Ferdi’s lippen; zijn ogen knipperden. De roestige buiten­boord­motor brulde, haperde, sloeg weer aan, terwijl achter ze vette blauwe rook walmde. Met één hand hield hij zich vast aan de tros die langs de oranje rubber boorden was gespannen; met zijn andere wees hij naar de einder.

‘Iets noordelijker, Kim.’

Kim stuurde bij en de dinghy begon schuin op de eindeloze golvenrijen te stuiteren, de motor grom­mend in het ritme van de schuimkoppen.

‘Mist.’

Ferdi keek opzij en knikte glimlachend naar Saladin. Zijn techneut zou geen twee woorden gebruiken als één volstond; hij sprak liever in diagrammen, gereed­schap, gebaren.

‘Volgens mij ligt die mistbank vóór het veld.’

Sal knikte en Kim gaf meer gas. De mistbank zwol en grijswitte flarden schoten links en rechts voorbij. Al gauw was er om hen heen geen tien meter zicht meer.

Ferdi’s maag verkrampte en zijn scalp trok prikke­lend op. Naast hem leek zelfs Sal onder de indruk. Dit was het moment. Hier hadden ze jaren naartoe geleefd; hiervoor hadden ze illegaal een tank benzine ont­trokken aan de slinkende noodvoorraad. Formeel had Ferdi daar als Groot-Alloceur volledige zeggen­schap over, maar de ongeschreven regel was dat die brandstof alleen in de meest urgente noodgevallen mocht worden aangesproken.

En niemand behalve hijzelfen Salzag hierin een noodgeval.

Een reusachtig verticaal silhouet schoot aan de linkerkant voorbij. Even later scheerden ze rakelings langs een huizengrote ronde vorm aan de rechterkant. De mist dunde uit tot losjes samenhangende flarden. Hij ving glimpen op die hij vooralsnog weigerde te geloven.

Toen braken ze de mistbank uit, en in het volle zonlicht ontrolde het windmolenveld zich voor hen. Kim floot en hij liet het gas los. Sals mond viel open. De boeg zonk terug in het water; de dinghy deinde en danste.

Lange, kaarsrechte schaduwen sloegen het water­oppervlak aan stroken; zwiepende, roterende schadu­wen geselden hun boot. Een diep, ritmisch zoemen kietelde aan de ondergrens van zijn gehoor. Van einder tot vaalblauwe einder groeide een boven­maats, wit, dolgedraaid bos.

‘Hoehoeveel denk je?’

‘Honderden.’ Zelfs Sals antwoord ging aan het eind verwonderd omhoog.

Hij zuchtte.

‘Je weet wat dit betekent, he?’

Ferdi keek opzij. Sal nam zijn hand en keek hem aan met een blik vol liefdevolle weemoed. Toen haalde hij zijn vinger over zijn keel.

‘Yep.’

 

Avond

Ik ruk me los uit mijn herinnering.

‘Het zijn er honderden, Va. Honderden, en ze draaien nog.’

De Groot-Alloceur heeft weliswaar de absolute autoriteit over de herverdeling van de beschikbare energie, en wordt voor het leven benoemd, maar het is maar één individu. In het ongemakkelijke evenwicht tussen de het Schip Stad en de Mast kan de Alloceur slechts handelen met het goedvinden van beiden. En met de onevenredig grote macht van de Mast heeft dat in de praktijk altijd betekend dat de Groot-Alloceur de facto uitsluitend mondjesmaat de bronnen van de Mast herverdeelten daarvoor de percentjes int.

‘Jij weet beter dan ik hoeveel van de welvaart van het Schip naar de Mast stroomt.’ Ik sta mijzelf een kleine, ironische glimlach toe terwijl ik naar het gezicht tegenover me kijk, dat nadrukkelijk neutraal knikt. ‘Maar weet je ook hoe de Achterlanden er aan toe zijn? Ik ben er geweest, Va. Elke winter sterven er honder­den omdat ze zich niet warm kunnen houden. Hun oogsten vloeien naar het westen in ruil voor energie, en zelf houden ze amper iets te eten over. De Groot-Alloceur dient het belang van allen, staat in het Manifest. Laat me niet lachen. Hij dient al tijden louter die maniak in de Mast.’

Ik heb er nooit aan getwijfeld: als ik echt iets wil bereiken als Groot-Alloceur, als ik de resterende puinhopen van de wereld wil veranderen, dan moet ik eerst de macht van de Mast, van Mook, breken. Maar de verkiezing voor het leven had me vooral een doelwit gemaakt, vanaf het moment dat ik de eerste hints van mijn plannen vrijgaf.

Mijn eigen sterfelijkheid was mijn grootste obstakel.

‘Dus om te beginnen moest ik sterven.’

Va schudt haar hoofd.

‘Waarom?’

‘Denk na, Va! Om mijn plannen te verwezenlijken heb ik tijd nodig, veel tijd. Jaren, decennia; misschien wel meer tijd dan me überhaupt nog restte. Zeker meer tijd dan Mook me gunde. Ik ken hem te goed, Va: hij waant zich onaantastbaar in zijn toren, met zijn benzine­monopolie en de macht die daaruit voortvloeit. Maar zelfs Mook komt niet weg met de moord op de Groot-Alloceur.’

‘Dus om de mensen in opstand te laten komen tegen Mook, liet je jezelf vermoorden. En hier ben je weer. Hoe, Ferdi? Hoe?’

Ik wuif haar vraag weg, en vervolg met mijn leugen.

‘Ik verwacht dat de Mast nog niet van mijn terugkeer weet, maar de tijd dringt. Mook moet weten dat ik nog leef, dat ik nog Groot-Alloceur ben, en dat zijn tijd voorbij is. Maar die confrontatie moet ik wel zo snel mogelijk aangaan, voor hij gelegenheid heeft gehad om een vervanger naar voren te schuiven.’

Haar wenkbrauwen fronsen, en als ze weer spreekt is haar stem koud en bits.

‘Wat doe je hier dan?’

Eigenlijk weet ik al zeker wat het volgende antwoord zal zijn. Het antwoord zelf maakt niet eens meer verschil; het hoe zal de doorslag geven. Ik slaak een mentale zucht terwijl ik mijn open blik vol genegen­heid op zijn plek houd. Ik weet dat ik een grote, complexe prijs betaal voor mijn plannen, maar het zou zoveel… beter te dragen zijn als dit niet een van de aflossingen was.

‘Ik heb je nodig, Va. Ik weet nog niet precies hoe of wanneer, maar ik heb je nodig. Daarom ben ik hier. Ik heb één vraag voor je.’

‘Wat?’ Ze houdt vast aan haar bitse toon, maar haar stem is zachter; mijn toegave van kwetsbaarheid heeft het gewenste effect.

‘Saladin is dood, Va.’ Na een korte, maar onmis­ken­bare aarzeling spert ze haar ogen open en slaat ze een hand voor haar mond. Ze is altijd jaloers gebleven, maar ze mocht hem wel. ‘Sal is dood, en hij was degene die volgens ons plan mijn identiteit, mijn continuïteit zou bevestigen, naar jou toe, naar Mook toe, naar de mensen. Alleen als ik nog leef, nog ben wie ik ben, ben ik nog Alloceur. Zonder Sal ben jij de enige die mijn identiteit kan bevestigen.

‘Kan ik op je rekenen?’

Ze aarzelt niet. Helemaal niet. Niet de minieme pauze van verrassing over de aard van de vraag; niet de iets langere stilte van gevleid contem­pleren; niet de aarze­ling van een werkelijke overweging. Ze slikt de leugen van ons naïeve, losgelaten plan, en antwoordt meteen.

‘Natuurlijk, Ferdi. Voor jou: natuurlijk.’

Ik zet een derde streep bij de mentale turfjes die ik al heb. Terwijl ik haar opvang als ze in mijn armen springt, en haar omhelzing in ont­vangst neem, worste­len mijn emoties met de afwezigheid van traan­klieren.

 

#

 

Op de bovenste trede van de trap naar het dek blijf ik even staan als ze me naroept.

‘Een hint, Ferdi?’

Ik weet wat ze bedoelt. Achteloos wrijf ik met een duim een veeg van mezelf over de binnenkant van de deur naar de brug.

‘Nano,’ roep ik over mijn schouder, en vertrek.

 

Nacht

Aan de voet van de Mast, in het verrassend heldere water van Parkaven, ligt een exotisch paleis verzakt in de modderige bodem, de in verval geraakte residentie van een psychotische Poseidon. Ik slalom tussen de half vergane dakspitsen, waarvan het oorspronkelijke oranje grotendeels is verborgen onder decennia algen, modder, afval en drek. De chaos van tafels en stoelen achter de gebroken ramen maakt het raadsel van dit gezonken bouwwerk nog groter. Een deel van me wil onder water blijven, het mysterie verkennen, maar ik herken die neiging voor wat hij is: tegenzin om de confrontatie aan te gaan met Mook.

Bovendien begint de kou mijn componenten te vertragen. Ik moet het water uit.

Ik klauter op de kade die het park aan de voet van de Mast omgordt, hand- en voetsteun vindend aan brok­kelend beton en verroeste beton­ijzers, gaten en kieren, en zo nodig een Gekko-directief. Met mijn elle­bogen op de rand peil ik de omgeving.

De waterkant is in onregelmatige stukken verdeeld door roestige autowrakken op verpulverde banden, als kantelen op een apocalyptisch waterfort. Er voorbij zijn groenstrook, weg en park nauwelijks meer van elkaar te onderscheiden, het oude asfalt een chaos van brokken, scheuren en woekerende planten. Verder land­in­waarts, vanaf de voet van de Mast, waar Mook de toegang tot zijn hoofdkwartier toegankelijk houdt, is het plaveisel in iets betere staat. Water lekt uit mijn kleding, tussen mijn schouderbladen, door mijn kruis.

Ik zie geen beweging.

Onderweg door de Nieuwe Maas heb ik talloze benaderingen opnieuw overwogen en verworpen. De eenvoudigste lijkt me uiteindelijk de meest effectieve: doodgemoedereerd naar de entreehal wandelen waar­uit de schacht van de Mast oprijst als een kolos­sale betonnen boomstam. Misschien boog ik daar­mee te zeer op Mooks arrogantie en nieuws­gierigheid; mis­schien ga ik te gemakkelijk uit van mijn eigen robuust­heid. Het schot van Rami heeft me misschien over­moedig gemaakt. Maar ik merk dat ik niet bang ben. Ik geloof niet dat Mooks mensen me veel kunnen doen.

Het uitblijven van enig teken van leven baart me echter zorgen. In het verleden had Mook zelfs op dit late tijdstip altijd wel een half dozijn van zijn bendeledenof soldaten, als je het hem of henzelf vraagtrondom de toegang tot zijn domein gestatio­neerd, net zozeer als machtsvertoon als voor werkelijke bewaking.

Hun afwezigheid ruikt naar valstrik. Nog een turfje.

Valstrik of niet, het verandert weinig aan mijn benadering. De kans is niet groot dat Mook over krachtige explosieven beschikt. Langs de route van mijn positie naar de ingang is in het duister bovendien voldoende beschutting van het verwilderde struik­gewas. Ik kan veilig zo dicht naderen dat Mook de schade aan de Mast niet kan riskeren.

Vier meter van de ingang tot de entreehal blijkt hoezeer ik me daarin vergis.

Twee bendeleden stappen de dubbele glazen deuren uit. Door de glazen pui had ik ze niet gezien; nu pas merk ik de gekantelde tafels op die binnen zowel een verdedigingsbarrière als een schuilplaats vormen. Ik herken de kale met de baard: Paul? Ze dragen wat nog het meest op dikke lompe geweren lijkt, met slangen verbonden met de logge tanks op hun rug.

Mijn kansen lijken te keren.

Vuurwapens baren me weinig zorgen. Steek- en slagwapens evenmin. Maar vuur, vuur is een probleem, vermoed ik. Ik heb nog niet getest in hoeverre mijn nieuwe lichaam hittebestendig is, maar mijn bots zijn waarschijnlijk te klein om meer dan een paar seconden stand te houden.

Vlammenwerpers. Ik zet mijn laatste mentale turfje.

Ik draai me om.

Een rokende, stinkende, geel-oranje vlag, zeker vijf meter lang, snijdt me schuin de weg naar links af. Een tweede voegt zich erbij in de andere richting. Tegenover me, door de trillende hitte van het benzine­vuur, zie ik nog twee soldaten die ik niet ken. Hun gezichten, zwetend in het licht van de vlammen, grijn­zen als ze zich in beweging zetten.

Shit.

Koortsachtig schat ik mijn defensieve kansen, over­weeg ik een nood­directief te formuleren. Maar voor ik tot daden kom zijn de twee al zo dicht genaderd dat de hitte ondraaglijk wordt. Ik heb geen keus dan terug te wijken. Nog voor ik me omdraai hoor ik de andere twee vlam­men­werpers aanslaan en voel ik een wolk van hitte tegen mijn rug rollen. Als ik me heb omgedraaid, blijken de twee soldaten bij de ingang uiteen te zijn geweken. Een krimpende corridor van stinkend vuur biedt me maar een uitweg: de entreehal in.

Paul, of hoe hij ook heet, gebaart met zijn hoofd. De boodschap is helder, en ironisch genoeg zelfs welkom. Ingebakerd in de flakkerende hitte wandel ik behoed­zaam de entreehal in.

De hal is zeker twee keer zo hoog als de vorige keer dat ik er was, en verlicht met rokende fakkels. Naast de dubbele liftschacht zijn de plafonds doorgebroken om plaats te maken voor een immense tredmolen, waarvan de as de schacht doorboort. Onderin de tredmolen liggen vijf naakte, zwaarlijvige figuren gelaten te wach­ten. Een snurkt; de anderen richten zich zuchtend op.

Kennelijk wil Mook zelfs de energie voor zijn lift niet meer missen.

Binnen laten Paul en zijn makkers hun vlammen­werpers doven. Ik vroeg het me al af, en glimlach inwendig. Mook heeft misschien een goed wapen gevonden tegen mijn kennelijke onkwets­baarheid, maar de inherente zwakte ervan niet goed doordacht. Ik laat me gewillig de rechter lift in diri­geren. Een van de soldaten trekt een knuppel met twee stalen punten. Terwijl hij naar de tredmolen loopt, laat hij een blauw­witte boog tussen de punten knetteren; de liftslaven zetten zich in beweging. De snurker krijgt de stok in zijn flank en komt tot een bruut schokkend ontwaken. Paul en een van de anderen voegen zich bij me in de lift, en kreunend en krakend begint de lange weg naar boven terwijl de buisverlichting met een glasachtig tingelen aanspringt.

Vanuit de twee hoeken van de lift houden ze me vanonder hun wenkbrauwen in de gaten, hun vingers om de trekkers van de vlammen­werpers, de gelige ontstekingsvlammetjes lui likkend aan de lopen. Ik heb nu de rust voor een geïmproviseerd nooddirectief, maar besluit het risico niet te nemen van een benzine­brand in deze kleine ruimte. Ik schenk de twee een scheve glimlach en wacht tot we boven komen.

Mook heeft een van de oorspronkelijke hotelsuites, negentig meter boven het park, in gebruik als zijn kan­toor en ontvangstkamer. Als de lift met een vervaarlijk piepen tot stilstand komt, trekt Paul de schuifdeuren open en gebaart me de foyer in. De dubbele deuren naar de suite staan uitnodigend open.

Bij mijn binnentreden springt Mook op van een versleten groezelig-witte leren bank aan het andere einde van de ruimte. Breed lachend en met open­gesperde armen komt hij op me af.

‘Groot-Alloceur!’

De twee soldaten staan nog steeds achter me, bij de deur, hun ogen op mij maar hun vlammenwerpers nonchalant naar beneden gericht. De smalle, diepe suite is ingericht met houten meubilair en de aftandse gordijnen lijken van kunststof. Mijn positie is het geometrisch midden van de scherp gepunte driehoek met Mook aan de apex en de soldaten aan de basis. Ik sta mezelf een glimlach toe. Niemand zal hier zijn vlammenwerper willen opendraaien.

Dan kom ik in actie.

Mook schrikt niet. Ik zet mezelf in beweging, ren op hem af met uitgestrekte armen en geklauwde handen, zeker dat de kerels achter me niets kunnen doen. Dat doen ze ook niet.

Maar Mook blijft kalm staan en beantwoordt mijn glimlach.

Het klopt niet.

Halverwege de suite loopt een smalle band van glanzend blauw metaal langs de muren, over het plafond, zelfs op de vloer, een rechthoek van metaal en plastic die de suite omgordt als een portaal. Het portaal triggert een herinnering. Voor ik die scherp kan krijgen, zie ik een tweede identiek portaal voor me.

Mook tilt zijn hand op.

Hij heeft een zwart doosje vast.

Hij drukt op een knop.

Een bijna onhoorbaar zoemen klinkt van opzij en boven en onder. Achter me begint iets schrapend te schuiven.

Twee stappen en ik smak tegen een onzichtbare wand. Mijn hoofd wordt opzij gedrukt terwijl de rest van mijn lichaam er tegenaan smakt.

Ik zet mezelf verbijsterd af tegen de onzichtbare muur, die nauwelijks meegeeft onder mijn handen. In een flits zie ik Mook met een scheef hoofd glimlachen. Ik draai om mijn as en smak met mijn schouder tegen een andere barrière. Het eerste portaal is langs de wanden naar me toe geschoven en dwingt me verder, naar Mook. Ik zwiep mijn linker been omhoog en trap met al mijn kracht vooruit. Mijn blote voet smaktwacht. Mijn blote voet? Ik draag sokken en stevige wandelschoenen. Ik duw nogmaals vooruit en ontegen­zeglijk voel ik de barrière mijn naakte voet blokkeren, terwijl de zolen van mijn sokken en schoenen er probleemloos doorheen gaan.

Plots weet ik waarom de zilverblauwe stroken me bekend voorkomen.

Ons grootste probleem in het nanolab was altijd insluiting geweest: hoe houden we autonome, vrijwel oneindig veelzijdige robots op nanoschaal binnen de muren van het laboratorium? Zolang we de omzetters inactief hielden, voldeden de muren, maar we moesten zelf wel in en uit. Kim had een manier bedacht om een veld te genereren dat macro-objecten doorlaat, maar niets op nanoschaal. Mook had kennelijk om zich heen gegraaid voor hij het lab verwoestte.

Het schrapende geschuif zet door en ik word vooruit geduwd. Al gauw sta ik vastgeklemd in de tussenruimte tussen twee van Kims nanobarrières. Mijn pogingen om bewegingsvrijheid te houden hebben er alleen toe geleid dat ik met armen en benen wijd klem sta.

Ik heb Mook vaak vergeleken met een spin in een web. De ironie is te snijden.

‘Ferdi!’

Op een handvol meters blijft Mook staan. Als hij het woord neemt, lopen de melodieuze zinnen en enthousiast-hoge tonen over van triomf en zelfgenoeg­zaamheid.

‘Wat een verrassing. Ik dacht dat die bom in de sloep genoeg zou zijn, maar zoals je merkt was ik voorbereid op teleurstelling.’

Hij laat een lach horen die alleen zijn mond vervormt. In gedachten vloek ik terwijl ik mijn opties verken. Die zijn zorgwekkend dun gezaaid. Alles wat ik kan, alles wat ik ben, is nanotech. Ik heb niet eens een wapen bij me op macroschaal. Ik zou hoogstens mijn kleding naar hem kunnen werpen, als ik tenminste genoeg kon bewegen om me ervan te ontdoen. Ik zit vast. Ik zit vast, en ben overgeleverd aan de genade van een gangsterbaas die me al jaren haat.

Ik bedenk dat ik ten minste mijn voordeel kan doen met zijn spraak­zaamheid

– directief: opname –

maar zelfs dat voelt pro-forma.

‘We zijn niet zo verschillend, jij en ik, Ferdinandt. Jij hebt jezelf laten opblazen, in het volste vertrouwen dat je back-upplan zou werken. En je had gelijk, want hier sta je. Ik heb je tot hier laten komen in het volste vertrouwen dat mijn tegenmaatregel zou werken. En ik had gelijk, want je kan geen kant meer op.’ Hij schudt zijn hoofd. ‘Als ik me indenk wat wij samen wel niet hadden kunnen bereiken…’

‘Hoe wist je het?’ vraag ik, opgelucht dat ik nog kan spreken. Zijn ogen schieten naar linksboven, maar ik was er sowieso al van overtuigd dat hij zou liegen.

‘Wat denk je? Al je grootspraak over eerlijke ver­deling van energie, maar intussen de dikst mogelijke kabel naar het oude nanolab in 020? Zo ingewikkeld was het niet. Het leuke is,’ zegt hij, terwijl hij terug loopt naar de witte bank, ‘dat jullie nanoveld letterlijk alles doorlaat behalve nanodeeltjes. Alles.’ Hij gaat op zijn knieën op de bank zitten en buigt over de rugleuning. Met gemoffelde stem gaat hij verder. ‘Mensen. Dingen. Lucht. En…’ Met een zwierig gebaar komt hij weer overeind en naar me toe. ‘Vuur.’ Hij toont me de lasbrander die hij tevoorschijn heeft gehaald. Hij ontsteekt het apparaat en draait aan de regelaar tot zich een ijzingwekkend blauwe vlam aftekende.

Een lasbrander. Draagbaar, beheersbaar, en ver­nie­tigend heet.

Mook brengt de vlam steeds dichter bij mijn rechter­hand, die in mijn eigen blikveld ingeklemd zit tussen de twee nanovelden. Hij concentreert de punt van de vlam op de basis van mijn pink. Pijn als zodanig voel ik niet meer, maar de ontelbare signalen van oververhitting en verlies van eenheden zijn erg genoeg. Mijn nieuwe lichaam schreeuwt om een vlucht terwijl mijn bots met duizenden tegelijk uitvallen. De rook passeert het nanoveld, maar genoeg ervan blijft hangen om mijn sensoren te irriteren. Veel te snel heeft hij door de knokkel heen gebrand en tuimelt mijn pink naar beneden.

Mook haalt de vlam weer uit mijn buurt.

‘Hm, geen bloed,’ mompelt hij tegen zichzelf. ‘Zeg eens eerlijk, Ferdi: verwachtte je echt dat het de mensen zou boeien dat ik je had vermoord? Dacht je echt dat ze in opstand zouden komen? De Mast zouden bestor­men?’ Hij doet een stap opzij om me te kunnen aankijken. ‘Me zouden omverwerpen?’

Ik gruw van zijn wijd opengesperde ogen, zijn pupil­len net te groot, en die verkrampte grijns om zijn mond. Niet omdat hij eruit ziet als een maniak, maar omdat hij er nauwelijks anders uitziet dan die Mook die vroeger mijn vriend was. Opeens weet ik niet meer zo zeker dat ik degene ben die is veranderd.

Maar dat moet wel. Want de Mook die ik kende zou nooit Sal hebben gemarteld om onze plannen te achterhalen.

‘De plannen zijn gewijzigd, Mook. Dat omverwerpen doe ik persoonlijk.’

Hij blaft weer een van zijn vreugdeloze lachjes.

‘Geloof je het zelf? Volgens mij zijn je kansen al verkeken. Want laten we wel wezen, Groot-Alloceur: met je lichaam van nanobots, en je gedistribueerde draadloze neurale netwerk, en al je kunstjes, ben en blijf je nog steeds maar… een mens.’

Direct razen mijn gedachten op topsnelheid. Achteloos laat ik mijn pink terug integreren met mijn enkel terwijl Mooks woorden tot mij door­dringen. Met al mijn kunstjes ben ik nog steeds een mens? Hij heeft verdomme gelijk. Zo heb ik me gedragen, zo heb ik me opgesteld. Vast­houdend aan mijn menselijke vermo­gens, rennend van het lab naar het Schip Stad; zelfs mijn zwemtocht naar de Mast heb ik in schoolslag gedaan.

Vasthoudend aan mijn menselijke vorm.

Dezelfde menselijke vorm die nu klem zit tussen twee nanovelden.

Er is misschien een halve seconde voorbij sinds Mooks woorden. Ik geef een subsectie opdracht een robuust nooddirectief te formuleren, terwijl ik de strook muur tussen de twee veldgeneratoren bestu­deer. Al gauw zie ik wat ik wil zien. Nog een halve seconde later is het nooddirectief voltooid. Voor Mook is er nauwelijks tijd voorbij gegaan. Zijn wenk­brauwen gaan vragend omhoog.

Ik geef hem mijn reactie

– directief: luidspreker –

zonder mijn mond te bewegen.

‘Allang niet meer,’ laten mijn bots de lucht resoneren.

Een moment later dwarrelen

– nooddirectief: cellofaan –

mijn kleren op de grond.

– wolkdispersie – doelwit: muren – doelwit: plafond – doelwit: vloer –

Mooks techneuten hebben broddelwerk geleverd. De stroken van de nanoveldgeneratoren zitten nergens strak tegen de muur. Hier en daar heb ik tienden van millimeters ruimte, maar bijna overal heb ik genoeg. Ik glijd er tussendoor terwijl ik in het voorbijgaan

– directief: kompel –

de ruimtes vergroot om sneller te kunnen gaan. Een deel van mijn optische sensoren houd ik op het midden van de kamer gericht.

Mooks ogen en mond vallen open nu de man die hij dacht gevangen te hebben voor zijn ogen is opgelost. Zweetdruppeltjes springen op zijn voorhoofd tevoor­schijn. Zijn ogen flitsen naar links en rechts voor hij in actie komt. Moediger dan ik heb had ingeschat stort hij zich door de dubbele nanovelden.

‘Vuur!’ Weg is de geamuseerde, spottende toon; Mooks stem draagt nu louter paniek. De twee soldaten staren verbijsterd. Mook grist Paul de vlammenwerper uit handen en opent de regelaar wijd.

Een meterslange, krioelend-oranje vlam stort zich uit over de suite. Links, rechts zwiept hij het vuur, dat gretig voeding vindt in de witte bank en de rest van het meubilair. Zelfs de vloerbedekking begint te smeulen.

Zelf ben ik allang langs de wanden achter de soldaten geschoven. Bij de deuren groepeer ik

– directief: sabotage –

en wacht ik af tot mijn ingreep effect heeft.

Mook staat achter de soldaten, vlak bij waar ik bezig ben mijn mense­lijke vorm weer aan te nemen, als de tweede soldaat zijn regelaar weer open zet. Kleine vlammetjes lekken uit het mondstuk en landen op de vloer. De plas die door mijn sabotage-directief uit zijn tank is gelekt, ontvlamt onmiddellijk. De lage blauwe vlam grijpt om zich heen, omcirkelt zijn voeten, vindt het pad naar boven. Hij slaakt een gil als de brandstof­tank vlam vat. Gillend, brandend als een toorts, wan­kelt hij door de suite en voegt zijn bijdrage toe aan de talloze haarden die overal aan het interieur likken.

Paul wringt zich uit de schouderbanden van de brand­stoftank en maakt zich uit de voeten. Ik laat hem gaan.

Brullend zet Mook de regelaar weer wijd open, geen acht slaand op zijn nog steeds brandende medewerker, die blind door de suite struikelt. Ik geef mijn bots

– directief: diamant –

een nieuwe opdracht voor ze ook zijn vlammen­werper onklaar hebben. De brandende soldaat zijgt ineen; zijn gegil verstomt. Nu pas neem ik mijn volledige, solide vorm weer aan.

En haal uit, zo hard ik kan.

Mijn arm zwaait op volle snelheid tegen Mooks hoofd. Hij zwiept opzij in een halve radslag en verliest zijn grip op de vlammenwerper. Half tegen het raam komt hij tot stilstand, bloedend uit zijn linkeroor. Hij ziet mij en krabbelt ongecoördineerd overeind.

Ik kniel om de vlammenwerper te pakken, sta weer op met de loop op hem gericht.

Achter hem kruipt een dunne lijn langzaam over de ruit.

‘Reken het jezelf niet te zeer aan, Mook. Ik begin de mogelijkheden ook pas net te ontdekken.’

‘Schiet maar. Waar wacht je op?’

‘Toen je mij had opgeblazen, Mook, toen heb je Sal opgezocht, nietwaar? Sal, die nooit iets anders wilde dan bouwen. Weet je hoe lang ik Sal al kende, Mook? Weet je hoe lang ik al met hem samenwerkte? Hoe lang hij al mijn vriend was? Mijn geliefde?’ Terwijl ik spreek, loop ik op Mook af, en wijkt Mook achteruit, tot hij met zijn rug tegen het panoramaraam staat. ‘Dat je mij te grazen hebt genomen, dat respecteer ik. Ik vormde een bedreiging voor je imperium. Dat risico had ik genomen. Maar niet mijn team, en niet Sal. Je hebt hem van het dak laten gooien, Mook. Hij deed geen vlieg kwaad, hij was geen bedreiging voor je, en je hebt hem de dood in laten gooien.’

Mook gaat wat rechter staan tegen het raam.

‘En hij gilde! Hij gilde het hele eind naar beneden, en toen spatte hij met een vette, natte smak uit elkaar!’

Ik wijs de loop omhoog en grijp zijn keel met mijn andere hand.

‘Ga jij ook gillen, denk je?’

Mook werpt een onwillekeurige blik over zijn schouder.

‘Mij maak je niet bang, Ferdinandt. Dat is onbreek­baar glas.’

‘Niet meer.’

Ik trek Mook naar me toe en werp hem met kracht tegen het raam. Het glas barst langs de vers geslepen groef, en een grote halfronde sectie tuimelt achterover. Even lijkt Mook naar buiten te zweven op een vleugel van glas; dan kantelt het raamdeel en glijdt hij er vanaf. Om en om tuimelen raam en Mook, Mook en raam; kleiner en kleiner worden ze. Vrijwel geluidloos door de hoogte smakken ze uiteindelijk gezamen­lijk uiteen aan de voet van de Mast, in een wolk van scherven en bloed.

 

#

De entreehal is uitgestorven; kennelijk is mijn faam me vooruit gesneld bij monde van de gevluchte soldaat. Een paar dozijn bots maken korte metten met het slot van het looprad.

‘Maak dat je wegkomt.’

Ik wacht niet af of de liftslaven in beweging komen, maar loop naar buiten. Op tien meter van de ingang draai ik me om, wijs naar de Mast, en blaas over mijn vingertop.

– directief: Von Neumann, zelflimiterend –

Een wolkje nanobots maakt zich los van mijn vingertop en dwarrelt naar de voet van de Mast.

– directief: bever –

Het is tijd voor nog een bezoek aan de Burgervader.

 

#

Rami laat me probleemloos binnen en loopt met me mee naar de opbouw. Ze slaagt er bewonderens­waardig goed in om haar verbazing te verbergen over mijn naakte, seksloze verschijning. Mooks kleren waren te klein; het was praktischer om fatsoen te betrachten met een Ken-directief.

Va komt aarzelend op me af, haar gezicht een moeilijk peilbare menge­ling van opluchting, verbazing en angst. Angst om wie ik blijk te zijn, nu ik heelhuids terugkeer van de Mast? Of…?

Eigenlijk weet ik het antwoord al, maar ik moet het zeker weten. Ik wrijf weer met mijn duim over dezelfde plek op de deur, en luister even naar de opname. Dan knik ik weemoedig.

‘Ferdi! Je bent terug!’ Ze springt in mijn armen en ik omhels haar alsof ze een natte hond is. ‘Wat is er gebeurd?’

Ik schud mijn hoofd.

‘Niet hier.’ Ik gebaar naar Rami en de bewakers. ‘Laten we naar boven gaan.’

Ze gaat me voor naar de brug. In de verte, links van de chaotisch slap hangende witte kabels van de Stervende Zwaan, prijkt de Mast. Het verrast me nauwelijks te zien dat de vlammen om zich heen hebben gegrepen: de lange toren lijkt de kaarsrecht neergeplante fakkel van een reus. Haar plotselinge ademteug achter me vertelt me dat ze het ook heeft gezien.

‘Mook is dood, Va. Mooks tijd is voorbij. De tijd van de Mast is voorbij.’

‘Dat is… dat is mooi, Ferdi. Maar Mook is maar een man. Zijn organisatie sterft niet met hem. De Mast is een symbool. Er komt weer een nieuwe Mook.’

Een trilling vaart door de brandende toren, hevig genoeg om van deze afstand zichtbaar te zijn.

‘Dat denk ik niet. Kijk.’

Door de vlammen is het moeilijk te zien, maar de beweging wordt heviger. Na enige tijd staat de Mast onmiskenbaar uit het lood. Ik hoop dat de liftslaven tijdig zijn ontkomen.

Va maakt een onwillekeurig piepend geluid.

De brandende bovenverdieping van de mast zakt opzij, eerst langzaam, dan steeds sneller. De vlammen trekken een oranje boog door de nacht­lucht. De Mast valt uit het zicht.

‘Ik neem het over,’ zeg ik zonder om te kijken. ‘De Mast was een symbool, dat ben ik met je eens. Mook is weg; de Mast is weg. Ik neem de macht over.’

Ik draai me om.

‘Ik hield van twee mensen, Va. Van jou, toen ik nog dacht dat jij ook van mij hield.’ Haar gezicht trekt in een grimas. ‘Van jou, en van Sal. Maar Sal was een mens, en Mook maakte de vergissing te denken dat ik dat ook nog ben. Mook, en jij, Va.’

– directief: afspelen –

De audiokwaliteit laat te wensen over, maar de verstaanbaarheid is goed genoeg, en haar stem is onmiskenbaar.

‘Mook: Va. Hij was hier net; hij is nu onderweg naar jou.’

De opname valt stil, alsof hij de andere kant van het gesprek niet heeft opgevangen.

‘Niet echt, maar hij heeft wel één woord losgelaten: nano. Je had dus gelijk. Wees voorzichtig.’

‘Ferdi, ik ’ Va heft haar handen bezwerend in de lucht.

‘Ik had rekening gehouden met Mook, Va, maar jij? Jij ook? Heb ik zozeer onderschat hoe gehecht je was aan de status quo?’

Va laat haar handen zakken en haar masker varen. Haat trekt haar neus op; furie fronst haar voorhoofd.

‘Kijk om je heen, Alloceur.’ Ze blaft de titel als een scheldwoord. ‘De wereld ligt in puin. Pakken wat er te pakken is, meer is er niet. Jouw idealisme? Daar lach­ten we samen om, Mook en ik.’ Ze reikt achter zich en trekt haar pistool uit haar broekriem. Met een zweem van triomf in haar ogen richt ze op mijn voorhoofd. ‘Explosieve kogels, Ferdi. En ergens in die nanowolk van je moet nog een brein zitten. De mens­heid heeft allang geen plek meer voor idealisme.’

Ik deins ijlings achteruit.

Va haalt de trekker over.

Het pistool explodeert in haar hand.

De schok werpt me over het bedieningspaneel. Twee ramen barsten in duizenden stukken naar buiten. Va zelf wordt achterover geworpen en slaat tegen de vloer, bloed gutsend uit de flarden vel en vlees waar eerst haar hand zat. Haar gezicht trekt bleek weg terwijl ik overeind kom. Ze poogt zich op een elleboog op te richten, maar zijgt weer achterover in de groeiende bloedplas. Ik hurk bij haar hoofd.

‘Directief Kurk. Ik heb je loop geblokkeerd.’ Ik richt me weer op en wijk achteruit voor het oprukkende bloed. ‘Misschien heb je gelijk. Misschien heeft de mensheid geen plek meer voor idealisme.’

Ik glimlach wrang.

‘Maar weet je, Va? Ik ben geen mens meer.’

Categories