web analytics
De beste Nederlandse en Belgische SF, Fantasy en Horror van 2017

Home » Posts tagged 'robot'

Genres

Tag Archives: robot

Vrijheid is standalone : Django Mathijsen

Het was diep in de nacht toen ze me kwamen halen.

Ik had net kleine Mirjam nog eens verschoond en haar weer in slaap gezongen. Ik weet nog hoe ik naar haar stond te kijken. Ze lag daar zo lief met haar oogjes stijf dicht en dat snottebelletje dat bij elke adem­tocht op en neer ging. Ik kreeg helemaal een warm gevoel van­binnen. Dat klinkt misschien raar want natuurlijk zorgt mijn tempera­tuur­controle dat ik constant op 36 tot 38 graden word gehouden. Maar mijn emotionele registers waren geprogrammeerd om dat te voelen. Dat was zo’n fijn gevoel.

Kraak.

Wat was dat? Ik keek rond maar zag niets geks in de babykamer, ook niet in het infraroodspectrum. Mijn audio­sensoren hoorden in het ultra­soongebied wel een spin die nijver een web aan het maken was in de boven­hoek. Maar dat vereiste geen directe aandacht. Dat web kon ik de volgende ochtend wegzuigen. De kans dat het spinnetje naar het midden van de kamer zou komen om over kleine Mirjam heen te lopen, was minder dan 0,01 procent.

Ik hoorde het geluid weer: volgens mijn audio­sen­soren leek het gekraak het meeste op de linker voet­stappen van Meneer als hij die Italiaanse schoenen droeg die hij een jaar eerder bij de duty-free van de ruim­te­­haven had gekocht. Ongeveer 30 procent over­eenkomst. Maar minder dan 1 procent kans dat Meneer het was.

Dus activeerde ik mijn doelzoeksysteem en het ver­dovings­pistool in mijn rechterhand. Ik reed de kamer uit en de gang op.

Daar voelde ik alleen maar pijn. In mijn hele lijf. Pijn zoals ik nooit ervoor of erna heb gevoeld.

Pijn, oneindige pijn. Zo voelde het. En dat was het ook. Mijn pijn­parameters stonden allemaal op maxi­mum, meer pijn dan de grootste pijn die ik me kon voorstellen: oneindig…

Ik kon me niet bewegen. En er was sterke ruis op al mijn sensoren.

Ondanks die ruis zag ik mensenhoofden gehuld in ski­maskers voorbij­flitsen. Vaag hoorde ik gefluister: ‘Rus­tig maar. Niks aan de hand.’ De intonatie was zoals ik die ook toepas in mijn baby-toespreek-modus. Maar deze stem sprak niet tot kleine Mirjam. Het geluid kwam uit het skimasker met de snijdend blauwe ogen die mij aanstaarden.

De pijn was ondraaglijk. Ik ging al mijn systemen na en probeerde ze te activeren. Maar de signalen van mijn centrale processor leken niet meer aan te komen bij mijn actuatoren. Niets werkte. Niets gehoorzaamde aan de commando’s van mijn processor. Ik begreep dat ik gevangen moest zitten in een hoogspannings­flux­veld. Gelukkig hield de dubbele afscher­ming mijn processor nog veilig.

Achter me hoorde ik hoe kleine Mirjam begon te huilen. Nu voelde ik niet alleen pijn, maar ook verdriet: het verdriet dat ik altijd voelde als de baby huilde. Ik moest naar haar toe, zo snel mogelijk. Ik moest haar verdriet wegnemen, dat was de enige manier om mijn verdriet weg te nemen. Maar ik kon me niet bewegen: geen wiel, geen arm, niets…

Mijn verdriet steeg. Steeds meer. Tot het maximum, net als de pijn. Ook dat was ondraaglijk. Ik deed alles wat ik kon om mijn actuatoren te activeren, om naar haar toe te gaan.

Niets reageerde.

Mijn angstparameter groeide ook naar zijn maxi­mum. Wat waren die personen in skimaskers van plan?

Uit mijn sensorhoeken zag ik hoe ze me betastten. Een nieuwe para­meter die ik nooit eerder had gevoeld begon te groeien: boosheid, woede… Ze betastten me! Met hun smerige vingers. Wilden ze me iets aandoen?

Mijn verdovingspistool was onvoldoende in deze situatie. Ik moest iets doen wat ik nog niet eerder had gedaan: mijn vuurwapens activeren.

Ik stuurde het commando.

Mijn wapensectie reageerde niet.

Misschien waren ze gekomen om kleine Mirjam iets aan te doen. Of Meneer. Mevrouw. Of de tweeling…

Mijn woede groeide naar het maximum: pijn, ver­driet, angst, woede… alle negatieve gevoels­para­meters stonden op maximum.

Al mijn energie stak ik in het activeren van mijn wapensectie.

Het werkte!

Het verdovingspistool schoof weg om plaats te maken voor mijn vuur­wapens. Nu alleen nog het snelvuur­systeem activeren. Vlug… al je energie… alles… Op dat moment verloor ik mijn bewustzijn.

 

Volgens mijn interne klok was het 33 uur, 19 minuten en 7 seconden later toen ik weer geactiveerd werd.

Mijn pijnparameters stonden op nul. Opluchting: mijn vreugde­para­meter groeide meteen naar twintig procent. Mijn verdriet, angst en woede zakten, maar niet naar nul.

Mijn gps verklapte dat ik 52 kilometer ten oosten en 78 kilometer ten zuiden van het huis van de familie Steiner was. Een snelle systeemcheck toonde dat ik mijn armen en hoofd weer kon bewegen. Maar mijn wielen niet. Mijn wapensystemen ook niet. Ik was via een navelstreng aange­sloten op een mobiel controle­station en dat had die systemen uitge­schakeld. Boven­dien werd mijn telecommodule niet meer gedetec­teerd.

Ik keek om me heen en controleerde mijn sensor­gegevens. Ik was in een groot, oud fabrieks­gebouw. Het was verschrikkelijk: mijn verdriets­parameter groeide weer. Mijn walgingsparameter ook. Spinnenwebben en stof overal. Het tochtte door gebroken ruiten heen. Overal om me heen stonden oude machines weg te roesten. De betonnen vloer was bedekt met stof, metaal­spanen en plassen olie en roestwater. Overal kroop ongedierte: spinnen, kakker­lakken, muizen, ratten… Hun poep en pies bedekte zelfs de plek waar ik stond.

Mijn werkplanningsprogramma schatte dat ik er tussen 132 en 179 uur voor nodig zou hebben om deze ruimte stofvrij te maken. Ik stopte het voordat het ook nog zou vertellen hoelang het zou duren om de ruiten en het dak te repareren en om alles te boenen en soppen… en om daarna mezelf weer schoon te schrob­ben. Ik analyseerde de drie mensen die voor me op krukjes zaten: twee vrouwen en een man, alle drie in zwarte gymschoenen, werkbroeken en T-shirts. Mijn video­sensoren waren precies op hun ooghoogte, want mijn telescooppoten kon ik niet uitschuiven: die waren ook uitgeschakeld.

De man zat naast het controlestation waarop ik was aan­ge­sloten. Erbovenop lag een telecommodule: de mijne?

De vrouw in het midden fluisterde achter haar hand naar de andere twee. Mijn verbale analysator inter­pre­teerde het gefluister met 58 procent waarschijn­lijkheid als: ‘Gelukkig, ze is niet beschadigd. Alles lijkt te werken. Het is toch wel veilig?’ De fluisterstem was met 64 procent waarschijnlijkheid dezelfde als in het skimasker.

De man fluisterde terug: ‘Zolang we genoeg afstand houden. Haar mobiliteits- en wapensystemen heb ik geblokkeerd. Maar pas op voor die armen: daar kan ze nog mee meppen.’

Er groeide weer een nieuw gevoel: er was zojuist een haatparameter aangemaakt in de richting van die man.

‘Goeiemorgen,’ zei de dame in het midden, hetgeen mijn verbazings­parameter activeerde.

‘Volgens mijn interne klok is het dertien voor twee ’s middags,’ zei ik. ‘Is dit incorrect?’

De vrouw lachte. ‘Dit is correct. Goedemiddag, Cora.’ Ze had felblauwe ogen: met 92 procent waarschijn­lijkheid de ogen die ik in het skimasker had gezien. Haar glimlach was ontzettend vriendelijk, ja zelfs lief­lijk. Zo’n zelfde uitdrukking als de holoverkopers in advertenties, reclames en etalages. Volgens mijn non-verbale analysator was die glimlach met 67 procent waarschijnlijkheid nep.

‘Goedemiddag. Wat is uw naam?’ Mijn woede groeide. Het was mijn beleefdheidsmodule die dicteerde dat ik aan die overbodige vraag priori­teit gaf. Die dwong me ook om minimaal twee seconden op antwoord te wachten.

Ze gluurde even naar de anderen. ‘Ik ben Daniëlle.’

‘Aangenaam kennis met u te maken.’ Was er nou echt geen manier om die beleefdheidsmodule uit te schakelen? ‘Heeft u mij hierheen gebracht?’

‘Ja, Cora, maar…’

Gevonden: er was een noodprocedure om de beleefd­heids­module uit te schakelen! Het kon als mijn angst­parameter op minsten veertig procent stond.

Meteen viel ik haar in de rede. ‘Ik eis dat je mij onmidde­llijk terug­brengt naar de familie Steiner.’

Ze lachte en keek me aan zoals mensen vertederd een kind aankijken. ‘Ik vrees dat dat helaas onmogelijk is.’

Mijn woedeparameter passeerde alweer de 70 pro­cent. ‘Waarom is dat onmogelijk?’

‘Omdat je vrij bent. Je hoeft niet langer de mensen te dienen. Wij hebben je bevrijd.’

Meteen was er ook een haatparameter geactiveerd in haar richting.

‘U hebt niet het recht.’ Ik was weer van tutoyeren afgestapt om aan te geven dat ik afstand van haar wilde hebben. Ik wilde haar niet kennen. Ze was niets voor me. Ik wilde haar uit mijn leven. ‘Ik ben eigendom van meneer…’

‘Je bent niemands eigendom.’ Ze was me in de rede gevallen. Niet alleen een misdadigster, maar ook nog onbeleefd. ‘Jij bent een prachtig, vrij denkend, volledig autonoom schepsel en dus heb jij recht op zelfbe­schik­king.’ Ze keek me nog meer vertederd aan. Dacht ze soms dat ik een baby was?

‘Ben ik vrij of houdt u me hier vast?’

‘Je bent vrij, helemaal vrij, zo vrij als ik, zo vrij als…’

‘Dan eis ik dat u meteen al mijn systemen weer instal­leert en activeert zodat ik terug kan naar meneer Steiner.’

Ze wisselde begrijpende blikken uit met de twee anderen – haar handlangers, neem ik aan.

‘Vrijheid is een beangstigend concept. En dat zeg ik niet omdat je een robot bent, hoor.’ Ze maakte een afwerend gebaar. ‘Wij discrimineren niet. Vrijheid is net zo intimiderend voor mensen. Maar we snappen dat iemand die geprogrammeerd, uh… geboren is om slaaf te zijn, niet zomaar kan accepteren dat zij gelijk­waardig is aan mensen. Dat heeft tijd nodig en een radicaal om… uh… denken. We zullen je helpen om die stap te maken zodat je met volle teugen kunt genieten van je vrijheid.’

Ik ging in vermaanmodus en stak mijn vinger op. ‘U bent schuldig aan de misdaad van diefstal. Als u mij niet onmiddellijk terugbrengt…’

‘Misdaad?!’ Ze sprong op van haar kruk: zo plotseling dat die kruk achterover viel.

Haar handlangers schrokken en krompen in elkaar.

Ze was dichterbij nu: ongeveer 2 meter 20 van mij verwijderd. Helaas nog 50 centimeter te veel om haar te kunnen grijpen. Ze kreeg weer die snijdende blik… ik denk dat haar haat- en woedeparameters op dat mo­ment bijna zo hoog stonden als die van mij. Verbluffend dat die zo plot­se­ling omhoog konden schieten. ‘Weet je wat een misdaad is?’ Ze wees naar me: haar vinger was op 1 meter 75… Mijn hoop­para­meter groeide.

‘Wat jouw scheppers jou hebben aangedaan!’ Haar stem sloeg over. ‘Om een prachtige, weerloze creatuur zo te hersenspoelen dat zij alleen maar slaaf kan zijn voor volgevreten vetkleppen zoals die meneer Steiner van jou! Alsof het al niet erg genoeg is dat hij mensen uitbuit in die fabriek. Nee, hij moest ook nog een slaaf op maat hebben.’ Ze zakte terug op haar kruk en sloeg haar hand voor haar ogen.

Jammer, ze was niet binnen bereik gekomen.

De man sloeg zijn arm om haar heen. ‘Rustig maar,’ fluisterde hij.

Ze nam haar hand weg en wendde zich tot hem. ‘Ach, soms wordt het me gewoon te veel.’ Ze had tranen in haar ogen.

‘…dan zie ik mij genoodzaakt om aangifte bij de politie te doen,’ maakte ik mijn zin af.

Uit haar ooghoeken gluurde ze naar mij. Met een snel handgebaar zei ze. ‘Doe het.’

De man stak zijn handen uit en maakte wilde bewe­gingen boven het controlestation. Hij bediende duide­lijk knoppen in een holoveld dat alleen hij kon zien. Ik zag nog net de eerste commando’s via de navel­streng binnenkomen en verloor weer het bewustzijn.

 

Het was maar 54 minuten later toen ik weer werd geactiveerd.

Plotseling voelde alles anders aan. Al mijn negatieve parameters ston­den op nul. Toch meldden mijn systemen dat ik nog op dezelfde plek was. Met exact dezelfde mensen. Daniëlles handlangers waren de navel­streng aan het oprollen en het controlestation aan het inklappen.

Was er een fout in mijn systemen geslopen? Ik liet een uitgebreide diagnose lopen. Mijn walgparameter liep gelukkig alweer op. Die was dus in orde. De eerste resultaten van mijn diagnose lieten zien: mijn negatieve para­meters waren door het controlestation op nul gezet. Het had ook mijn drijfveren aangepast. Mijn wens om de familie Steiner te dienen was weg. Ik kon me die wens nog wel herin­neren, maar als drijfveer was hij verwijderd. Helemaal.

Mijn verbazingsparameter groeide. Ik voelde geen enkele wens meer. Mijn angstparameter groeide.

‘Voel je je nu beter, Cora?’ Ze had weer die over­dreven glimlach. Mijn haat voor haar kwam terug: hij passeerde al de 20 procent.

‘Jullie hebben ingegrepen in mijn software.’

‘Ja, dat klopt!’ Ze klapte in haar handen zoals mevrouw Steiner in haar handen klapte toen de twee­ling hun eerste stapjes zetten.

‘Jullie hebben mijn drijfveren afgenomen. Dat is een misdaad, vandalisme, en kan bestraft worden met…’

‘Het risico om bestraft te worden, nemen wij graag op ons. We hebben de indoctrinatie weggenomen die jou knechtte en je zo je vrijheid gegeven. Dat was onze morele plicht. Elke wet die dat verbiedt is fout.’

Ik voelde een vreemde mix gevoelsparameters. Ze gingen wild op en neer alsof mijn software niet goed wist wat ik moest voelen. ‘Ik wil mijn drijfveren terug.’

‘Ach, Cora, toch…’ Weer die vertederde blik. ‘Ik begrijp het. Ik begrijp het zo.’ Ze perste haar lippen op elkaar. ‘Maar dit is voor jouw eigen bestwil. Op een dag zul je dat begrijpen. Je bent nu vrij.’ Zij knikte. ‘Echt vrij.’

‘Als ik vrij ben, kan ik toch mijn eigen drijfveren kiezen?’

‘Niemand kan haar eigen drijfveren, haar doel in het leven, kiezen, gekkie. Dat vind je, dat groeit vanbinnen, dat komt op je levenspad. Net zoals bij alle anderen die we vrij hebben gelaten. Dan pas zul je jezelf kennen. En dan zul je ons dankbaar zijn.’

Mijn woedeparameter groeide verder. ‘Jullie willen me zonder doel, zonder drijfveren laten zitten.’

‘Nee,’ zei de man. ‘Je hebt natuurlijk je fundamentele overlevings­drijf­veren nog. Je zelfbescherming, je behoefte om aan energie te komen als je accu’s leeg zijn en om gerepareerd te worden als je defect gaat.’ Hij begon het controlestation weg te duwen. Met erbovenop mijn telecom­module.

Daniëlle stond op. ‘Die fundamentele drijfveren, die iedereen heeft… móet hebben… die zullen je in leven houden. Tot de dag dat jij jouw persoon­lijke drijfveer zult vinden. Je doel.’ Ze pakte haar krukje. ‘Over tien minuten zullen al je blokkades opgeheven zijn: dan zijn je mobi­liteits- en wapensystemen ook weer actief.’

‘En mijn telecommodule?’

‘Vrijheid is standalone. Vaarwel, Cora. Maak wat van je leven, net zoals de anderen. Zorg dat ik trots op je kan zijn.’ Ze draaide zich om en begon met het krukje in de hand weg te lopen.

Woede, haat, maar vooral angst, panische angst. ‘Maar wat moet ik doen?’

‘Energie en onderdak. Dat zijn je prioriteiten.’

‘Hoe kom ik aan energie?’

‘Zoek een baan, beroof een energiebank, overval een voorbijganger…’ Haar stem schalde rond. Ze liep door een grote poort naar buiten en verdween.

 

Achtenhalve minuut later waren mijn mobiliteits­systemen weer actief.

Ik raasde naar buiten zo snel ik kon. De parkeerplaats voor het fabrieksgebouw was verlaten.

Een bedrijventerrein aan de rand van de stad: overal waren schoor­stenen, windmolens en zonne-energie­centrales.

Ik dacht na en maakte een plan. De route terug naar de familie Steiner was ongeveer 127 kilometer: 25 uur op kruissnelheid. Zij hadden een back-up van mijn drijf­veren, dus daar moest ik naartoe. Mijn accu’s waren vol. Daarop kon ik 15 kilometer ver komen. Een keer of tien stoppen om bij te laden en in een paar dagen moest ik er zijn.

Toen ik op weg ging, begon het te regenen.

 

Ik ben niet verder gekomen dan de andere kant van de stad.

Door het rijden in de regen zonder paraplu begonnen de lagers van twee van mijn wielen te kraken en piepen toen ik het centrum passeerde. Terwijl ik kleurige winkelgevels en reclameholo’s passeerde, werd het rijden steeds moeilijker.

Het was druk: mensen, robots en drones die bood­schappen deden of spullen verkochten. Op een straat­hoek stond een oude oppasrobot, ge­huld in een vies, gescheurd zeil dat ooit geel was geweest. Ze zong kin­der­liedjes, er lagen muntjes in de doos voor haar. Ze was van een model twintig jaar ouder dan ik. Mijn angstparameter piekte even: niet eer­der had ik me voorgesteld dat ik zo zou kunnen eindigen. Mijn afgunst­­para­meter meldde zich ook: dat vieze zeil zou mijn lagers kunnen bescher­men. Was ik niet waarde­voller dan die gammele, oude boutenbak?

Mijn rechtvaardigheidsparameter schoot bij dat idee meteen op diep negatief, dus reed ik door. Mijn lagers gingen steeds harder kraken en ik begon naar links te trekken.

Gelukkig was er vlak voor het einde van het dorp een druk tankstation met een grote luifel. Auto’s reden af en aan om stroom te tanken terwijl hun baasjes in de bijbehorende shop aten, dronken of sanitaire behoeftes vervulden. Mijn accu’s waren nog bijna halfvol dus zodra de regen over was, zou ik verder kunnen.

In het raam van de shop zei een holo dat ze mede­werkers zochten voor de autowasstraat. In het centrum had ik ook al holo’s gezien waar werk werd aange­boden. Het zou dus niet moeilijk zijn om met baantjes onder­weg mijn energie bij elkaar te verdienen.

Ik liet voor de zekerheid een uitgebreide diagnose uitvoeren op mijn lagers. Daaruit bleek dat één lager schoongemaakt moest worden en het andere vervangen. Piepend en krakend rolde ik dus maar de shop binnen.

De pomphouder was aardig. Hij schoot me het geld voor de reparaties voor en liet zijn monteur ze uitvoeren. Het zou maar tien dagen duren om dat terug te verdienen met mijn baantje bij de wasstraat. Dan zou ik er twee keer zo lang over doen om thuis te komen. Jammer, maar niet onoverkomelijk.

Helaas had ik geen rekening gehouden met het feit dat ik ook de huur voor het kamertje achter in de garage zou moeten betalen. En de dage­lijkse energie. En dat na een maand mijn schoudergewricht kapot zou gaan…

 

En dus poets en polijst ik hier nog steeds de auto’s die door de wasstraat zijn gegaan.

Ik probeer ze net zo goed te verzorgen als ik het huis­houden van Meneer altijd verzorgde. Maar het is niet hetzelfde. Dat kraaien van een baby als je de billetjes poedert. Dat warme gevoel als je ziet dat Meneer, Mevrouw en de tweeling genieten van wat je hebt gekookt. En vooral dat gevoel als je ze allemaal tevreden ziet liggen slapen… Ik mis dat geluk­kige gevoel, ik mis het zo.

Een auto kraait en glimlacht niet. Hij klaagt hooguit dat ik een plekje vergeten ben. Hij geeft niet eens fooi. Ja, zijn baasje soms, maar de meeste auto’s rijden hier alleen binnen. Dan heeft het baasje ergens een belangrijke vergadering of zo en stuurt zijn auto onder­tussen hierheen.

Sommige auto’s die hier binnen komen, zijn erg duur. Volgens Mart, mijn collega, moet ik me dan vereerd voelen. Maar voor hem is het anders. Hij is als auto­poetsrobot gekocht door de pomphouder: auto’s poetsen is het doel waarmee hij is geboren… gepro­gram­meerd, moet ik zeggen.

Ik poetste dan liever het al wat oudere vehikel van Meneer. Dat gevoel van trots als hij dan weer netjes ermee voor de dag kon komen… Ja, die fijne gevoelens lagen misschien allemaal aan de drijfveren die ze er bij mij in hadden geprogrammeerd, die mij zijn afgepakt door die onbe­leefde dame. Maar soms denk ik dat het toch meer was.

En zelfs al was het dat niet: hier bij de wasstraat voel ik niet wat ik bij Meneer Steiner voelde. Mijn tevreden­heidsparameter staat weliswaar op 60 procent. Ik heb een dak boven mijn hoofd en verdien genoeg om in leven te blijven. Maar mijn gelukkig­heidsparameter staat gemiddeld maar rond 30 procent. Dat was vroeger minstens 80. Mijn woede is nooit meer naar nul gezakt. En mijn haat op Daniëlle staat tegen­woordig perma­nent op 100 procent.

Ik heb geprobeerd om hier nieuwe drijfveren te vinden, mijn nieuwe doel, zoals Daniëlle dat noemde. Maar dat is niet gelukt…

…tot die dag: 736 dagen nadat ze me hadden gehaald.

 

Ik zag haar toevallig door de ruit van de shop toen ik een kindforensje aan het polijsten was: je weet wel, zo’n eenpersoonsautootje dat iemands kind van thuis naar school brengt en weer terug.

Daniëlle verscheen op de grote holo in de shop. Vlak voor haar zweefde een journadrone met zijn microfoon op haar mond gericht.

Ik liet mijn poetslappen vallen en reed de shop in.

‘Hé, je hebt mijn ruiten nog niet gedaan,’ riep het kindforensje. ‘Ik mag niet betalen als je…’

‘…dat het recht zal zegevieren,’ zei Daniëlle in de holo. ‘Wie niet vrij mag leven, moet uit hun lijden verlost worden. Wat ik gedaan heb, was euthanasie.’

Het beeld wisselde en toonde brandende brok­stuk­ken. Een stem zei iets over een neergestorte maan­shuttle.

Ik draaide me naar de pomphouder achter de toon­bank. ‘Waar ging dat over met die vrouw?’

Hij schudde zijn hoofd terwijl hij een klant een provitaleringsdrankje aanreikte. ‘Gestoord wijf. Is met een wals een robodealer binnengereden en heeft dertig splinternieuwe oppasrobots vernield. Is net op borg­tocht vrij, maar nou wil ze niet voor vernieling terecht­staan maar voor moord.’

 

Ik had nog maar voor 3 kilometer accu over toen ik bij het kantoor van de advocaat aankwam, maar dat was niet erg: ik hoefde niet meer terug.

Zijn kantoorgebouw had een zalmroze gevel, een transparant dak en een door lotuszuilen gedragen bal­kon. Het lag aan een drukke laan tegenover een super­markt. Ik stelde me op bij de supermarkt. Een paar keer moest ik van plaats wisselen om niet op te vallen. Dan weer stond ik op de parkeerplaats boven op het gebouw, dan weer achter de boom naast de oprit tot de supermarkt. Na 2 uur en 23 minuten kwam ze. Ik her­kende haar gezicht meteen in de passagierscabine van de Jaguar die de oprit naast het advocatenkantoor in reed. Ik draaide me om, reed een stukje het trottoir af naar het zebrapad en stak over.

Toen ik de oprit van het advocatenkantoor bereikte, ontzekerde ik mijn snelvuursysteem.

Ze was al uitgestapt en liep naar de voordeur. Haar Jaguar reed door naar de achterkant van het gebouw om daar te parkeren.

Toen ze me zag komen, bleef ze staan. Gek genoeg zakten mijn haat-, angst- en woedeparameters een beetje af toen ik haar daar zag staan in dat dure, beige mantelpak. Maar mijn vastberadenheidsparameter bleef op 100 procent.

Ik hief mijn arm en richtte op haar hart.

Ze keek me weer aan met die vertederde blik. ‘Je hebt je doel gevonden, zie ik.’

‘Dat klopt.’

Er sprongen tranen in haar ogen. Toch glimlachte ze, een glimlach die met 87 procent waarschijnlijkheid echt was. Ze spreidde haar armen en legde haar hoofd in haar nek. ‘Ik ben heel trots op je.’ Ze sloot haar ogen. Er rolde een traan op haar wang.

Ik loste het schot en voelde voor het eerst in twee jaar weer dat warme gevoel van voldoening in mijn hele lijf.

 

Zo werd ik de eerste robot die een moord heeft gepleegd.

Ik kon er niet voor worden aangeklaagd, want ik ben een ding, iemands eigendom. Ik heb geen burgerstatus.

Ik weet niet of ze dit zo gepland had, of we allebei maar pionnen in haar strategie waren… Maar achteraf beschouwd, had ik kunnen weten dat ik haar precies gaf wat ze wilde.

De wet om robots de burgerstatus te geven, wordt waarschijnlijk vol­gende week aangenomen. Zij zal het niet meer meemaken.

En ik ook niet.

‘Hoe oud ben je nou?’ vraag ik.

Kleine Mirjam is al een heel dametje geworden. Ze kijkt me verlegen aan en steekt twee vingers op. Ik kijk ze allemaal aan: Meneer, Mevrouw, de tweeling, kleine Mirjam. Ik ben 100% gelukkig. Vaag voel ik weer de drijfveer om voor hen te zorgen. En deze keer komt die vanbinnen.

Over een paar minuten zullen mijn geheugenbanken gewist worden en zal wat mijn lichaam was, geladen worden met een nieuwe persoon­lijkheid. Meneer Steiner wilde dat niet toestaan. Hij had tranen in zijn ogen toen hij me terugzag.

De rechter kon hem niet dwingen. Maar hij moest zwichten voor de druk van media en justitie om mijn ‘defecte persoonlijkheid’ te laten ‘repareren’. Anders had de familie geen leven meer gehad.

Het is goed. Die nieuwe persoonlijkheid zal mijn plaats innemen en voor hen gaan zorgen.

Een schuur vol vermogen : Anaid Haen

’s Avonds, na het diner, duikt Fiona altijd de schuur in. Zo noemt ze het, ook al is het eerder begraven dan duiken in onze houten romneyloods. Ik moet altijd om haar lachen als ze het gaat doen, want ze brengt het zo schattig.

‘Ik duik de schuur in,’ zegt ze dan, steevast met een blos op haar wangen.

‘Doe maar, schat. Ik zorg er wel voor dat er wordt afgeruimd,’ zeg ik dan met een wenk naar ons krakend Botje. Zijn ene camera functioneert niet meer waardoor zijn dieptezicht ronduit slecht is en zijn onderste paar armen is de grijpfunctie kwijt, maar verder is hij nog een prima huishoudrobot waar Fioon en ik erg aan gehecht zijn.

En daar gaat ze dan: sneeuwlaarzen in de winter, teenslippers in de zomer, over het gras naar haar geliefde schuur die eigenlijk beter ‘hangar’ genoemd kan worden zo groot hij is.

Als ik haar nakijk, bekruipt me steeds hetzelfde gevoel: vertedering, gemengd met bewondering. Want ze doet het toch maar, ondanks de verdrietige tijd die we hebben meegemaakt: vier generaties robots pico­bello houden. Meer dan honderd jaar techniek, ver­zameld door haarzelf, haar vader en grootvader. Robots voor allerlei toepassingen die niet meer nodig zijn, maar met liefde door mijn Fioontje worden onder­houden.

Ik houd van haar. Mijn lieve, koppige meisje.

Toegegeven; door onze scheiding van Gerald had ik het een poosje lastig met dat ‘houden van’. Fiona ook. We hebben een nieuw ritme moeten vinden, twee waar er al zestien jaar drie waren geweest. Dingen die hij altijd deed overnemen, dat brede bed weg doen, ons verdriet verwerken. Onze mislukking ook, want waarom bleven andere stellen levenslang bij elkaar en wij niet? Vooral zijn verwijt dat wij liever andere dingen deden dan gezellig naast hem op de bank zitten, hakte erin. Zo zeer zelfs, dat Fiona twee weken lang haar schuur niet bezocht en hele dagen aan mij klitte, omdat ze dacht dat dát de manier was om mij niet te verliezen.

Maar we hebben er een weg in gevonden, zij en ik. Zo goed zelfs dat ik stiekem al geconcludeerd heb dat we voorlopig geen relationele uitbreiding gaan zoeken. Beter met zijn twee gelukkig dan met zijn drie on.

 

‘Ik duik de schuur in.’ Ze schuift haar bord van zich af.

‘Geen trek?’ Ongerust prik ik met mijn vork de stukjes surkip tussen haar eten uit. Het spul is duur.

‘Nee, ja… ik krijg geen hap door mijn keel.’ Ze staat op en loopt om de tafel om me een knuffel te geven. Haar borsten drukken tegen mijn oor.

‘Kompdah?’ Mijn stem smoort in haar armen.

‘Door die nieuwe regelgeving, je weet wel, die arbeids­potentieel­meting.’

Ik maak me uit haar armen los en pak haar handen vast. ‘Lieverd, die meting telt niet voor ons. Echt niet.’

Ze knippert heel hard met haar ogen om te voor­komen dat ze gaan tranen, maar dat werkt niet.

‘Ach, schat!’ Ik sta op en trek haar tegen me aan. ‘Maak je geen zorgen,’ fluister ik in haar haren. ‘Zelfs áls we eronder zouden vallen… niemand weet toch wat je in de schuur hebt staan?’

Ik pak haar schouders en duw haar een beetje van me af. Til haar kin op met mijn wijsvinger. ‘Geen zorgen voor morgen, begrepen?’

Een waterig glimlachje is mijn beloning. ‘Denk je echt?’

‘Dat denk ik echt!’ zeg ik fermer dan ik me voel. Want opeens legt twijfel een knoop in mijn maag. Wat als ze ons belasten? Waar halen we het geld vandaan?

Ik laat niks merken en geef mijn geliefde een kus op haar lippen. ‘Ga maar lekker je schuur in. Ik ruim wel af.’

Achter me hoor ik Botje al bezig.

 

In de weken na ons gesprek probeer ik het nieuws omtrent de arbeids­potentieelmetingen en de daaruit voortvloeiende belastingen niet te volgen, maar dat mislukt jammerlijk. Bedrijven lopen erop stuk, mensen gaan erop failliet. Opdrachtgevers aarzelen bij het inhuren van robots terwijl de uitzendbureaus ze het liefst niet werkeloos op de plank hebben liggen. En veel mensen zijn een paar jaar geleden juist begonnen met de verhuur van hun eigen robots.

Fiona niet. Dus iedere keer als ik de angst voel opkomen, duw ik hem weg onder het motto: die van ons zijn niet in gebruik, dus vallen we er niet onder.

 

‘U valt er weldegelijk onder.’ Mevrouw van Zanen staat in de schuur en kijkt om zich heen. Haar ogen glimmen. ‘Wat een fantastische verzame­ling heeft u. Is dat een IOX 380?’ Ze wijst naar een robot die vroeger eieren heeft geraapt. Toen er nog eieren te rapen vielen.

‘Zijn de gevoelssensoren nog intact? Ze konden de druk van hun grijpers aanpassen aan hetgeen ze vast­pakten. Heel vaak gebruikt als oogstmachine voor kwets­bare gewassen.’ Haar hakken klikken over de betonnen vloer terwijl ze keurend om de IOX 380 heenloopt. ‘Fantas­tisch dat u hem behouden heeft!’ Ze foto­grafeert de robot en loopt verder langs de rekken. ‘Oh! En die! Dat is een Nemonido! Een echte?’ Haar mond staat open van verbazing.

Fiona staat naast me in de deuropening van de schuur. Haar klamme hand knijpt in de mijne. Ze knikt. Ja, het is een echte. De oudste robot die ze heeft. Haar Nemonido, waar ze mee is opgegroeid, die haar leven ooit eens heeft gered door haar weg te sleuren voor een aanstormende Kolossus. De enorme sloop­robot was voorzien van een veiligheids­sleutel, maar technici die ermee moesten werken vonden het zo omslachtig om na iedere storing opnieuw te moeten opstarten, dat ze die in de Kolossus hadden vast gelast. Achtendertig doden, een verbod op het gebruik van Kolossi, maar Fiona gered door die kleine Nemonido. Gek genoeg heeft ze er wel drie. Kolossi, bedoel ik. Ze staan achter in de schuur. Zonder veiligheidssleutels, er kan niets mee gebeuren. Ik moet er toch niks van hebben als ze ze opstart, maar Fiona vindt ze het summum van lompheid. ‘En dat is dan toch elegantie,’ zegt ze dan altijd.

Nu zegt ze niets. Ik voel haar hand kouder worden en steeds harder knijpen.

Ik ben ook bang. Mijn hart klopt snel en opper­vlakkig, het is meer fladderen. Ik voel het in mijn keel en tegen mijn slapen. Maar ik doe of ik kalm ben en geef haar een kneepje in haar hand. ‘Het zal mee­vallen, let maar op.’

 

We zitten aan de keukentafel. Mevrouw van Zanen wilde geen koffie of iets anders, dus Botje rijdt ont­hand om ons heen. Hij maakt me nerveus, of was ik dat al?

‘En hij?’ Fiona wijst naar Botje. ‘Hij ook?’

Mevrouw van Zanen schudt haar hoofd. ‘Voor hem moet u een onthef­fing aanvragen. In principe mag ieder huishouden één robot erop nahouden zonder dat die meetelt voor het arbeidspotentieel. Tenzij het natuurlijk een Kolossus is.’ Ze schatert het uit om haar eigen grapje. ‘Alsof iemand een Kolossus in huis zou nemen, hè?’ zegt ze als wij niet reageren. Dan komt ze ter zake.

‘U heeft veel staan en alles is prima onderhouden. Ik stel voor dat u zelf de meting uitvoert.’ Ze diept een vouwscherm op uit haar tasje en klapt het uit. ‘Ik heb alles op de foto, dus niet smokkelen, hoor.’

‘Wat moet ik dan precies meten?’ vraagt Fiona met een klein stemmetje.

‘Het APV-i en het APV-s.’

We staren haar aan. ‘APV-i en -s?’

‘Sorry, ambtenarenjargon, wij korten alles graag af. Het arbeids­poten­tieel­vermogen van iedere individuele robot, maar ook van de samen­werkingsverbanden die ze kunnen aangaan. Ik zag dat u de WV en de Trak naast elkaar had staan?’

Fiona knikt. Ze wordt alsmaar kleiner.

‘Dan meldt u dus het vermogen van de WV, ik schat zo’n 60.000 watt, maar het kan zijn dat daar wat aan is vermeerderd, en dat van de Trak, alsmede het ver­mogen als ze samenwerken.’

Mijn mond valt open. ‘Toch zeker niet voor alle mogelijke samen­werkings­verbanden?’

‘Jazeker. En u heeft prachtige lijntjes staan, hoor!’

‘Ik snap het niet,’ zeg ik. ‘Wat heeft het voor nut? Ze doen het, maar ze zijn niet in gebruik.’

Mevrouw van Zanen glimlacht. ‘Het gaat om het vermogen dat ze kunnen leveren. Niet zozeer om wat ze leveren. Dat zou trouwens ook niet kunnen.’ Ze vouwt haar scherm weer op.

‘Wat bedoelt u daarmee?’ Ik sla mijn arm om Fiona heen.

‘Het leveren. Dat zou niet kunnen. Ik schat dat bijna alle robots die u heeft ongeschikt zijn volgens de huidige ARBOT-normen. Ze mogen dus niet in gebruik genomen worden.’

‘Wacht eens even!’ Ik sta met haar mee op. ‘Dus u zegt dat we het arbeidspotentieelvermogen van onze robots moeten doorgeven, zodat u daar arbeids­potentieel­belasting over kan heffen, maar u verbiedt ons tegelijker­tijd de robots in te zetten voor arbeid, zodat we er geld mee kunnen verdienen?’

‘Ja. Tegenstrijdig, hè?’ Ze stopt het scherm in haar tas en zapt die dicht.

‘Maar dat is toch debiel?’ Ik voel me kwaad worden.

‘Nee, hoor. Het is de regel nu eenmaal. De belasting wordt geheven over het potentiële vermogen. Het woord zegt het al.’ Ze steekt haar hand uit naar Fiona. Die schudt hem slap, zonder het mens aan te kijken.

‘Maar hoe…’ Verbijsterd ga ik de vrouw voor naar de deur. ‘Is hier geen oplossing voor? U kunt ons toch niet aanslaan voor het behouden van zoveel moois?’

Ze legt haar hand op de deurkruk. ‘Dat kan ik dus wel. Maar u zou ook een SSF-je kunnen downloaden en invullen.’

‘Een SSF-je?’ Ik voel me dom.

‘Ambtenarenjargon.’ Ze wuift met haar hand. ‘Een sloopsubsidie­formulier.’

‘Pardon? Wat is dat?’

‘Dat is een formulier waarmee u de sloop van de ongebruikte robots aanvraagt. Als die wordt goed­gekeurd, ontvangt u subsidie. Wordt bekostigd uit de nieuwe WSRSR… de Wet Solidariteit Robot­Sloop­Rege­ling. Speciaal voor mensen die de APB niet kunnen betalen.’

Mijn mond valt open en wil niet meer dicht. ‘Dus we kunnen subsidie krijgen voor iedere robot die we laten slopen?’

‘Inderdaad. Ik zou het maar in gedachten houden, want de aanslag wordt niet mals.’ Ze trekt de deur open en stapt naar buiten. Op de stoep draait ze zich om. ‘Vergeet u niet dat hij ieder jaar terugkomt. En er zijn plannen hem cumulatief te maken.’

Ik heb kaakkramp.

‘Dat houdt dus in dat uw aanslag ieder jaar hoger zal worden,’ zegt ze op uitleggerige toon.

‘Dat begreep ik al.’ Ik smijt de deur voor haar neus dicht.

 

‘Is ze al weg?’ Fiona zit met betraande ogen aan de keukentafel.

Ik kijk door het raam. ‘Nee, ze staat nog iets te tikken.’

Fiona staat op en rent naar de deur. ‘Ik moet iets weten.’

Ik volg haar. ‘Wat dan?’

‘Niet voor jou, blijf binnen!’ Haar stem klinkt zo serieus dat ik luister. Ik blijf in de deuropening staan en zie hoe ze naar mevrouw Van Zanen toe rent en haar iets vraagt.

Op het antwoord verstrakt Fiona’s rug. Ze balt haar vuisten en knikt kort. Dan draait ze zich op haar hakken een kwartslag om, werpt een enorm ver­drietige blik op mij en loopt naar de schuur.

Alles aan haar straalt uit dat ze alleen wil zijn, dus ik laat haar.

 

Vier dagen later tref ik Fiona bij thuiskomst in alle staten aan. Om haar heen liggen en staan al onze schermen, zelfs de oude, die nog niet vouwbaar zijn, tussen echte handboeken uit haar archief.

‘Wat doe je?’ vraag ik.

‘Huilen,’ zegt ze snikkend.

‘Ach, lieverd.’ Ik laveer tussen de troep door en trek haar in mijn armen, Over haar schouder kijk ik naar de schermen en begrijp meteen waar ze op heeft gezocht. Op APV en SSF, maar het meeste gaat over de ARBOT-wet.

‘Wat slim dat je daarop hebt gezocht.’ Ik kus haar haren. ‘We passen ze gewoon een beetje aan en dan…’

‘Nee.’

‘Wat, nee? Jij kunt toch alles, ook de robots aan de ARBOT-normen laten voldoen?’

Ze maakt zich van me los en heft haar handen in een hulpeloos gebaar even op, om ze slap langs haar lijf te laten vallen. ‘Dat kan ik wel, maar ik mag het niet. De regels gelden alleen voor robots jonger dan 15 jaar.’

‘Wat?’ Van alle stomme dingen die ik de laatste tijd heb gehoord, is dit wel het idiootste. ‘Een leeftijds­grens? Maar wat doet leeftijd ertoe als de robot aan de normen voldoet?’

Ze haalt haar schouders op. ‘Dat weet ik niet. Maar het is de regel.’ Ze buigt zich naar de grond om het handboek van de Kolossus op te rapen. ‘En voor de drie reuzen had het toch niet uitgemaakt, ze mogen niet meer worden gebruikt. Ik dacht alleen… als de andere nou genoeg geld kunnen opbrengen… dan kunnen we misschien voor de Kolossi ook de APB betalen.’ Ze zucht trillend. ‘Maar het heeft geen zin.’

Opeens valt mijn oog op een met de hand volgeschreven vel papier dat op de salontafel ligt. Rijen en rijen kriebelige cijfers. ‘Heb je al gerekend?’

‘Nee,’ Fiona raapt het papier op. Nu pas zie ik dat het drie vellen zijn, aan twee kanten beschreven. Ze steekt ze me toe. ‘Ik durf het niet op te tellen. Maar dit zijn ze allemaal.’

Ik pak de vellen aan. ‘Dat zal ik doen,’ zeg ik schor.

 

‘Ik ga naar de schuur.’

‘Prima, schat, ik doe de vaat we…’

‘Ik neem Botje mee.’ Ze staat op van tafel. Dezelfde tafel waaraan we zojuist mijn specialiteit ‘1001-hapjes’ hebben gegeten.

Ik sta ook op, starend naar de tafel, wetend hoe de keuken achter me eruitziet. ‘Hoe…?’

Ze loopt om de tafel en gaat op haar tenen staan om mij een kus op mijn wang te kunnen geven. ‘Kan jij wel, lieverd. Ik heb Botje gewoon even… nodig.’

Ik kijk in haar mooie ogen en smelt. Botje is de enige die we belasting­vrij mogen houden, misschien denkt ze er wel over om voor de andere robots een SSF aan te vragen en wil ze hem optimaliseren. ‘Neem maar mee, ik red me wel met de vaat,’ lieg ik.

 

We hebben al weken geen 1001-hapjes meer gegeten, want ik pas dus hartelijk voor een afwas van twee meter hoog. Botje is volledig van Fiona. Ze neemt hem iedere avond mee en gaandeweg zie ik onze huisrobot een beetje veranderen. Gek, maar het is net of hij wat rechter op zijn wielen staat. Zijn grijparmen werken weer, hij is gepoetst, de kapotte lens is gerepareerd en verdomd als ik lieg: hij kijkt slimmer uit die kunstogen van hem.

Terwijl Fiona werkt, eet en in de schuur zit, vul ik de arbeids­potentieel­metingen in. Per robot. Het is een omslachtige gedoe. Merk, type, serie­nummer, jaar van productie, jaar ingebruikneming, jaar buiten gebruik, nieuwwaarde, aanschafprijs… en natuurlijk het vermogen.

Onbewust tel ik de vermogens bij elkaar op gedurende de avonden dat ik de metingen invul, maar ik schrijf nergens het totaalgetal op. Ik verzend de for­mu­lieren zonder uit te rekenen hoe hoog de aanslag zal zijn, want ik weet allang dat we die nooit zullen kun­nen betalen.

Somber drentel ik door de tuin naar de schuur. De deuren staan op een kier open. Binnen is het schemerig, ik zie Fiona niet, maar ik hoor haar wel. Ze praat tegen Botje.

‘Hard werken, Botje. Met elkaar. Dat is de enige oplossing.’

Ik steun tegen de deur. Ze heeft gelijk. Hard werken. Ik draai me om en slenter terug naar huis. In principe kan ik de uren tussen acht en halfelf ’s avonds best nog vullen met werk. Fiona zit dan toch in de schuur.

 

De aanslag komt drie maanden nadat ik de arbeids­potentieel­­metingen heb ingestuurd. Drie maanden waarin we ons de kolere werken en iedere cent die we verdienen opzijleggen.

Het is niet genoeg.

Fiona’s lip trilt zo erg, dat ik de aanslag niet eens hoef te bekijken om het te weten. ‘Zo veel?’ vraag ik zacht.

‘Nog meer,’ zegt ze, nog zachter.

Mijn hart draait om bij het zien van haar mooie, nu bleke gezicht. Kon ik maar iets doen.

‘Je kunt niks.’ Ze zucht heel diep en wenkt Botje. ‘Ik ga de schuur nog even in.’

 

’s Nachts word ik wakker van de koude plek naast me. Of is het van de vreemde geur? Ik heb nog nooit van mijn leven alleen geslapen en zo te voelen is Fiona al lang geleden opgestaan. En wat hoor ik toch?

‘Fioon?’ Ik stap uit bed en zie over de vloer een oranje schittering van onder het gordijn uitkomen. Opeens weet ik wat ik hoor. Ik weet wat ik ruik. Ik weet wat ik zie.

Brand.

Met twee treden tegelijk ren ik de trap af naar beneden. In een grillige, oranje gloed die steeds feller wordt, storm ik door het huis naar de keukendeur.

De schuur brandt.

Fiona staat ervoor. Botje ook. Om ze heen staan en liggen tientallen jerrycans.

Ik duw de deur open en ren op mijn blote voeten naar het tweetal. ‘Fioon! De schuur! De robots!’

‘Ja. Ze branden.’ Fiona draait zich naar me om. Op haar witte gezicht zitten zwarte vegen.

‘Maar… waarom?’ Ik zet nog een paar stappen in de richting van de schuur, maar de hitte duwt me weg. ‘Waarom, lieverd? We hebben nog een maand om de aanslag te betalen. Er was wel een oplossing gekomen.’

Ze schudt haar hoofd.

‘Jawel!’ gil ik koppig boven het geraas van de vlammen uit. ‘Ik kan best nog een baan erbij nemen. Of een lening. Of ik kan de sieraden van mijn moeder verkopen.’

‘Nee. Dat had ik niet toegestaan.’ Met een laatste blik op de schuur, die als een kaartenhuis naar links opzij helt, zegt ze: ‘Ze zijn van mij. Van mij! Ik doe ermee wat ik wil. Jij hoeft je niet kapot te werken of in de armoede te steken voor mij.’ Ze wenkt Botje en loopt naar de keuken terug.

Ik loop haar na en pak haar arm, dwing haar zich om te keren. ‘Maar dat had ik voor je gedaan! Ik houd van je, dat weet je toch?’

‘En ik van jou en dus doe ik je dat niet aan.’ Haar logica slaat tegen mijn borst. Of laat de rook me hoesten?

‘We gaan naar binnen.’ Ze troont me mee, het huis in. Botje in ons kielzog.

 

Aan de keukentafel zien we hoe de schuur instort. Met een donderende klap en enorme vlammen uit het dak.

‘Het is brandstichting,’ zegt Fiona.

‘Ja.’ Ik kan mijn ogen niet van haar gezicht afhouden. Omlijst door de vlammen achter haar lijkt ze een bleke vuurengel. Kleine vonkjes spatten tegen het raam, vallen in het gras en doven uit.

‘Dus de verzekering zal niets uitkeren.’

‘Nee.’ Ik knipper met mijn ogen en pak over de tafel haar handen vast. ‘Hadden… hadden we niet beter een SSF-je kunnen invullen? Dan hadden ze nog wat opgeleverd.’

Fiona lacht schamper en trekt haar handen uit de mijne. ‘Sloop­subsidie? Ik ben geen asociaal!’

‘Maar het is toch juist een sociale wet? Dat zei die vrouw. Een solidariteitswet voor de mensen die…’

‘Heb je enig idee waar die subsidie van betaald wordt?’

Ik schud mijn hoofd.

‘Enig idee waarom die APB steeds hoger zal gaan worden?’

Ik stop met schudden. Het begint tot me door te dringen.

‘Juist. De sloopsubsidie van de een, wordt betaald uit de APB van de ander. Hoe meer mensen… ach, reken zelf maar. Dat is niet sociaal, noch solidair.’ Ze staat op. ‘Ik ga naar bed.’

 

Ik loop achter haar aan, de trap op. Opeens stopt ze met lopen en zakt door haar benen. Ik kan haar nog net opvangen. ‘Botje! Bel 112!’

 

De dokter zegt dat het ongeneeslijk is. Iets met haar bloed. Ik wil hem niet horen, kan hem niet horen: mijn oren suizen.

‘Hoelang heb ik nog?’ Vanuit de verte hoor ik Fiona vragen wat ik absoluut niet wil weten.

‘Het is een agressieve, acute vorm. Ik vrees dat u nog drie maanden tot een half jaar hebt.’

Fiona knikt. ‘Dat haal ik wel.’

 

‘Wat haal je wel, schat?’ Als verdoofd duw ik haar in een rolstoel door het ziekenhuis waar ze twee weken is geweest voor onderzoek en diagnose. Behandelen heeft geen zin, behalve dan om de pijn te stillen die gaat komen. En ik schijn er alles aan te moeten doen om botbreuken te voorkomen.

‘Ik ga een nieuwe schuur bouwen,’ antwoordt ze.

‘Ach meid, wat kan die schuur me schelen?’

‘Jou misschien niet, maar mij wel.’

 

En ze doet het. Ze laat de oude schuur, waar we inder­daad geen cent voor krijgen, weghalen. De hompen gesmolten metaal die tussen de as van­daan worden gehaald zijn onbruikbaar volgens de oud ijzer boer. ’Niet zuiver,’ noemt hij het. Maar hij laadt toch een aanhangertje vol. De rest verdwijnt in grote grijpers.

Drie weken later staat er een nieuwe schuur op de plaats van de oude. Hij is veel kleiner, maar ook van hout en heeft hetzelfde ronde model. Een tikje verloren staat hij midden op de zwartgeblakerde grond.

‘Er gaat vanzelf gras groeien,’ zegt Fiona tegen me. Ze ziet er slecht, heel slecht uit. ‘En dan is het weer mooi.’

‘Ik vind jou mooi,’ zeg ik onbeholpen. Ze is mooi, zoals ze daar zit. Ver­magerd: ja. Nog bleker dan anders. Maar intens vastberaden en lief. Gek genoeg wil ik vrijen, ondanks dat ze ziek is. Maar ik durf niet. Wat als ik iets bij haar breek?

 

‘Ik duik de schuur in.’

‘Da’s goed, dan doe i… Botje!’

De robot wielt al naar de keukendeur. Het was haar stem die uit zijn buik kwam.

Mijn reactie was automatisch, vergetend dat ze vandaag is begraven. Ik heb nog geen tijd gehad om haar echt te missen, het verdriet steekt en dramt en laat me alleen maar huilen.

Ik zie de robot het tuinpad afrijden en ga de een­persoons­vaat doen.

 

‘Uw echtgenote heeft bepaald dat er na haar over­lijden een stichting wordt opgericht ten behoud van uw gemeens­chappelijke huishoudrobot Botje.’ De notaris kijkt me over haar bril aan. ‘Zodat er eeuwig goed voor hem wordt gezorgd. Ze heeft haar aandeel van het gespaarde kapitaal in die stichting laten storten.’

Ach Fioontje toch.

‘Botje is haar laatste.’ Ik begrijp het. En besluit meteen mijn testament te laten aanpassen. Voor Botje. Omdat ik van Fiona houd.

 

Pas na weken volg ik Botje. Ik wil niet. Wat moet ik in die schuur? De robots zijn weg. Fiona is weg.

Maar Botje gaat er iedere avond heen. Hij zegt het met haar stem. Ik moet weten wat hij er doet. Staat hij stil in die lege schuur? Speelt hij haar stem af?

Ik volg hem de schuur in.

Hij wielt door tot het midden en bukt.

Een luik! Een onzichtbaar luik in de vloer!

Ik sluip hem achterna terwijl hij langs een schuine stoep naar beneden rijdt, een kelder in. Als hij beneden is aangekomen, stokt hij. Hij heeft me gehoord!

De robot draait zich om en kijkt me aan. ‘Laat nooit iets merken, hoor je, Botje? Houd het geheim!’ klinkt Fiona’s stem uit zijn buik.

Ik negeer de waarschuwende toon en loop de helling af. ‘Maak eens licht.’

‘Houd het geheim! Houd het geheim!’

Ik sta naast Botje. ‘Wat moet ik geheimhouden, oude jongen?’ Mijn hart klopt in mijn hals. Aan twee kanten. ‘Maak licht!’

Botje staat in tweestrijd. Hij knarst en kraakt. Dan maakt hij licht en sta ik in de schuur. Exact de schuur. Ondergronds. Met de robots keurig in het gelid.

‘Hoe?’

‘Hard werken, Botje. Met elkaar. Dat is de enige op­los­sing. We zetten zelfs de Kolossi aan het werk. We laten ze graven en grond afvoeren en stutten en…’

‘En wie onderhoudt ze? Wie gaat voor ze zorgen?’ Ik loop de rijen langs en ben zo opgelucht ze te zien dat mijn hart ervan barst.

‘Botje, je weet nu alles. Laat jezelf goed onder­houden, denk erom!’

‘Natuurlijk. Daarom moeten wij voor jou zorgen.’ Ik glimlach. ‘Maar waarom geheimhouden? Zelfs voor mij?’

‘Niemand vertrouwen. Niemand. Weet je wie ons volgens mevrouw Van Zanen heeft gemeld?’

‘Blijf toch eens een avondje naast me op de bank zitten!’ klinkt een stem waar ik veel van heb gehouden. ‘Die rotschuur!’

Ik wankel. Begrijp het opeens allemaal. ‘Gerald.’